Wat verandert er in maart 2026

Wat verandert er in maart 2026

Een nieuwe maand, nieuwe maatregelen, wijzigingen van de wetgeving, enz.
Hierbij een kort overzicht.

Werkloosheidsuitkeringen beperkt tot 2 jaar
Werklozen die vanaf maart een uitkering aanvragen, zullen nog maximaal 2 jaar een volledige werkloosheidsuitkering kunnen krijgen. Daarnaast worden de inschakelingsuitkeringen (voor jonge schoolverlaters) beperkt tot maximaal een jaar.
De volledige werkloosheidsuitkering bestaat uit een basisperiode van 12 maanden, aangevuld met een extra periode van maximaal nog eens 12 maanden, afhankelijk van het beroepsverleden. Concreet hebben mensen die de voorbije 3 jaar minstens een jaar gewerkt hebben, recht op 12 maanden uitkering. Elke extra gewerkte periode van 4 maanden geeft recht op een maand extra uitkering.
Er zijn uitzonderingen, bijvoorbeeld voor werkzoekenden met een beschermingsuitkering, 55-plussers met meer dan 30 jaar beroepsverleden (dat evolueert naar 35 jaar in 2030), werklozen die voor eind 2025 met een opleiding zijn gestart voor een knelpuntberoep, of nog kunstwerkers en erkende havenarbeiders en zeevissers.
Voor werkzoekenden die al een uitkering krijgen, zijn er overgangsmaatregelen waarbij het recht op uitkeringen wordt afgebouwd. De eerste groep – werklozen die al minstens 20 jaar volledig werkloos waren – verloor het recht op een uitkering begin dit jaar.
Op 1 maart is een volgende groep aan de beurt: werkzoekenden die tijdens hun loopbaan tussen 8 en 20 jaar volledig werkloos zijn geweest. De komende maanden verliezen nog groepen werklozen hun uitkering.

Eenmalige premie voor wie van job wil veranderen
Vanaf 1 maart kunnen werknemers eenmalig aanspraak maken op een werkloosheidsuitkering als ze van job willen veranderen of zich willen omscholen. Dat kan met de zogenaamde trampolinepremie. Daarmee wil de federale regering een half jaar lang een vangnet bieden aan wie een uitweg zoekt naar een andere job of om burn-outs te vermijden.
Werknemers die 10 jaar (3.120 arbeidsdagen of gelijkgestelde dagen) of langer gewerkt hebben en nood hebben aan een loopbaanswitch, kunnen eenmalig een beroep doen op de zogenaamde trampolinepremie. Als ze hun job opgeven, kunnen ze de premie aanvragen bij de overheid. Dan zien ze zes maanden lang het bedrag van de werkloosheidsuitkering op hun rekening verschijnen.
De trampolinepremie is anders dan de gewone werkloosheidsuitkering. Op die laatste kan iemand enkel terugvallen als hij of zij onvrijwillig werkloos werd. Met de trampolinepremie wil de overheid mensen die vastzitten in hun job, de mogelijkheid geven om zelf op te stappen. Wie in de eerste 3 maanden van die periode aan een opleiding voor een knelpuntberoep begint en die met succes volbrengt, kan zelfs 6 maanden extra genieten van de premie.
Toch kwam er al uit verschillende hoeken kritiek op de maatregel. Zo wees ACV al op enkele mogelijke valkuilen in de regelgeving. De vakbond vreest onder meer dat de maatregel misbruikt zal worden door mensen die de periode tot hun pensioen willen overbruggen of vakantie willen nemen. Ook werkgeversorganisatie Unizo deelt in die bezorgdheden.

Hogere btw op overnachtingen en pesticiden
De btw voor hotelovernachtingen of campingplaatsen verhoogt op 1 maart naar 12 procent. Die verhoging is een van de weinige die al doorgevoerd wordt nadat de federale regering eind vorig jaar, in het kader van de opmaak van de meerjarenbegroting, besliste de btw op een aantal goederen en diensten aan te passen. Voor pesticiden verhoogt de btw naar 21 procent.
Na een erg kritisch advies van de Raad van State besliste de regering midden februari om de geplande btw-verhogingen op sport, cultuur en afhaalmaaltijden uit te stellen naar een nog onbepaalde datum.
Behalve de btw op hotelovernachtingen en campingplaatsen gaat ook de verhoging van de btw op gewasbeschermingsmiddelen wel door. Voor die middelen gold lang een btw van 12 procent, maar die wordt naar 21 procent verhoogd. Voor meststoffen blijft de btw op 6 procent, maar voor de kleine minderheid aan meststoffen waaraan bijvoorbeeld een herbicide (zoals antimoswerking) is toegevoegd, wordt het btw-tarief naar 21 procent verhoogd.

Nieuwe regels voor leefloon
Vanaf 1 maart gelden nieuwe regels om te bepalen wie recht heeft op een leefloon. Om te berekenen of iemand al over voldoende bestaansmiddelen beschikt, moet vanaf dan ook rekening gehouden worden met de inkomens van iedereen die met de aanvrager onder hetzelfde dak woont. De OCMW’s kunnen om “billijkheidsredenen” nog van de nieuwe berekeningsmethode afwijken.
Voor 1 maart moesten OCMW’s bij hun berekening enkel kijken naar de inkomsten van de aanvrager en zijn of haar partner. Vanaf 1 maart worden zij verplicht om ook de bestaansmiddelen van “meerderjarige onderhoudsplichtigen”, dat wil zeggen ouders, grootouders, kinderen, kleinkinderen enz., mee in rekening te brengen, als zij onder hetzelfde dak wonen. Ook het Groeipakket, de vroegere kinderbijslag, wordt voortaan mee in de weegschaal gelegd. Oordelen de centra dat die samengetelde middelen toereikend zijn, dan wordt het leefloon geweigerd.
Het koninklijk besluit (KB) van minister van Maatschappelijke Integratie Anneleen Van Bossuyt (N-VA) laat nog een achterpoortje open. De OCMW’s mogen namelijk “wegens billijkheidsredenen” toch beslissen om bepaalde bestaansmiddelen buiten beschouwing te laten. Dat kan bijvoorbeeld wanneer een gezin kampt met hoge ziektekosten, een zware huurlast of andere kosten die niet vermeden kunnen worden.
Als een OCMW beslist om op die manier af te wijken van de regels, moet het centrum dat “zeer goed feitelijk” kunnen motiveren, verduidelijkt het kabinet van Van Bossuyt. Daarnaast moet de gebruikte berekeningsmethode voorgelegd worden. Het gaat om een uitzondering die geval per geval zal worden beoordeeld

• ‘Mijn VerbouwPremie’ beperkt voor hogere inkomens
Vanaf 1 maart zullen minder verbouwers een ‘Mijn VerbouwPremie’ kunnen krijgen. Mensen uit de hoogste inkomenscategorieën zullen alleen nog een premie kunnen bekomen voor een warmtepomp en een warmtepompboiler.
De hoogste inkomenscategorieën gaan bijvoorbeeld vanaf een jaarinkomen van 43.240 euro voor een alleenstaande of 60.520 euro voor een gezin van twee personen. De premies die zij kunnen krijgen voor hun warmtepomp of warmtepompboiler, gaan in sommige gevallen ook omlaag. En ze zijn begrensd tot maximaal 20 of 25 procent van de totaalfactuur.
Voor mensen die een lager inkomen hebben, verandert er niets. Behalve voor warmtepomp en warmtepompboiler kunnen zij premies krijgen voor werken aan onder meer ramen en deuren, dak-, vloer- en muurisolatie. Ook voor investeringen in niet-woongebouwen is er vanaf 1 maart geen Mijn VerbouwPremie meer.

Verschillende verbouwingen aan woning vrijgesteld van vergunningsplicht
Vanaf 1 maart is er voor een aantal verbouwingen aan de woning, zoals het plaatsen van deuren, ramen en binnenisolatie, niet langer een vergunning nodig. Daarnaast wordt de meldingsplicht afgeschaft.
De meldingsplicht was in het verleden in het leven geroepen als slankere variant van een vergunning. Maar ze leidde in de praktijk “tot een grote dossierlast met een hoge foutenmarge”, aldus het kabinet. Voortaan heb je ofwel een vergunning nodig, ofwel niets. Enkel voor zorgwoningen blijft de melding behouden.
De vergunningsplicht wordt ook voor meer ingrepen afgeschaft. Voor verbouwingen aan gevels en daken zonder volume-uitbreiding, inclusief het aanpassen en plaatsen van deuren en ramen, is geen vergunning meer nodig. Dat geldt ook voor alle binnenverbouwingen, het aanbrengen van binnenisolatie en de plaatsing van stekkerzonnepanelen.
Landbouwers hebben geen vergunning meer nodig voor kleine schuilhokken, beperkte wateropslagplaatsen en kleinschalige waterzuiveringsinstallaties. Ook kleine pocketvergisters – installaties die biomassa zoals mest omzetten in energie – hebben geen stedenbouwkundige vergunning meer nodig.
Voor bedrijven, ten slotte, wordt voor binnenisolatie, handelingen aan gevels en daken, zonnepanelen en zonneboilers en alle binnenverbouwingen de vergunningsplicht afgeschaft.

Nieuwe spoorstakingen

Het ABVV, het ACV en het ACLVB organiseren in gemeenschappelijk vakbondsfront een nationale betoging in Brussel op donderdag 12 maart 2026.
Er werd bovendien een stakingsaanzegging ingediend bij de NMBS voor een periode van 3 dagen: van zondag 8 maart 2026 (22 u) tot woensdag 11 maart 2026 (22 u).
Het verkeer zal ernstig verstoord zijn. Op de wegen worden dan ook grote files verwacht.
Wat moet je doen als je werknemers afwezig zijn of te laat aankomen?
Moet je de ‘niet-gewerkte’ uren uitbetalen?
Als gevolg van de interprofessionele betoging
Neen, je moet aan de werknemers die aan de betoging deelnemen geen loon toekennen voor de ‘niet-gewerkte uren’.
Bovendien kunnen de werknemers die te laat of niet op de plaats van het werk aankomen wegens hinder veroorzaakt door de betoging die vóór 12 maart 2026 werd aangekondigd, in principe, geen aanspraak maken op het loon voor de niet-gewerkte uren.
Als die hinder vóór 12 maart wordt aangekondigd, zou de oorzaak van de vertraging of afwezigheid op het werk dus niet onverwacht zijn en vóór het vertrek van de werknemer liggen. Die zou bijgevolg de vereiste maatregelen hebben kunnen treffen om op tijd op het werk te geraken.
Als gevolg van de staking bij de NMBS
Normaal heeft je werknemer recht op zijn volledig dagloon als de volgende drie voorwaarden zijn vervuld:

  • op het ogenblik dat hij zich naar het werk begeeft, is hij geschikt om te werken;
  • begeeft zich normaal naar het werk maar komt met vertraging of niet op het werk aan;
  • de oorzaak van die vertraging of afwezigheid heeft zich voorgedaan op de weg naar het werk en ligt buiten zijn wil.
  • In principe is de patroon dus geen loon verschuldigd voor de niet-gewerkte uren van de werknemers die te laat of zelfs helemaal niet op het werk aankomen als gevolg van de staking van 8 maart (22 u.) tot 11 maart (22 u.).

De stakingsactie bij de NMBS werd immers enkele dagen geleden al aangekondigd en de media hebben daarover uitgebreid bericht. De oorzaak van de vertraging of afwezigheid op het werk (staking bij de NMBS) is dus niet onverwacht en ligt vóór het vertrek van je werknemer. Die had bijgevolg de vereiste maatregelen kunnen treffen om op tijd op het werk te geraken.
Dat neemt niet weg dat het aangewezen is blijk te geven van ‘gezond verstand’ en zich begripvol op te stellen. Zelfs als de werknemer alle nodige maatregelen neemt (bv. vroeger vertrekken), is hij er nog niet altijd zeker van dat hij op tijd op het werk zal aankomen. Het kan ook dat de werknemer zich helemaal niet naar het werk kan begeven omdat hij onmogelijk zijn eigen wagen kan gebruiken, niet kan meerijden met een collega en ook niet te voet kan komen.

Ons advies
Om latere betwistingen te voorkomen raden we de werkgevers aan om vooraf het voltallige personeel te verwittigen dat werknemers die op donderdag 12 maart deelnemen aan de betoging of het slachtoffer zijn van eventuele hinder die vóór 8 maart werd aangekondigd door de NMBS, in principe geen loon zullen krijgen voor de niet-gewerkte uren. Enige soepelheid is vereist.

Een werknemer die geen enkel loonverlies wil lijden kan, met onderling akkoord, een dag vakantie of inhaalrust nemen.

Als telewerk al van toepassing is in je onderneming, kan het een alternatief zijn tijdens de stakingsactie die de NMBS heeft aangekondigd voor werknemers die meestal met de trein naar het werk komen. De regels voor het toekennen van telewerkdagen die in je onderneming zijn vastgelegd, moeten uiteraard altijd worden nageleefd.

Dit is geen centenindex, maar een indexsprong light

Dit is geen centenindex, maar een indexsprong light

GEERT VERMEIR (SD Worx). “Je kunt je werk verliezen of je kunt de job van je leven vinden met een veel hoger loon. Die gemiste indexering is in beide gevallen snel vergeten.” Redacteur bij Trends
De regering zal twee keer ingrijpen op de loonindexering, telkens ten belope van 2 procent. Geert Vermeir, juridisch expert van hr-dienstenleverancier SD Worx, legt uit wat werknemers te wachten staat.

  1. De ingrepen treffen alleen mensen met een uitkering van meer dan 2.000 euro of een loon van meer dan 4.000 euro bruto. Wat is inbegrepen in de definitie van loon?
    GEERT VERMEIR. “Het is niet altijd zo eenvoudig om te bepalen of iemand meer of minder dan 4.000 euro bruto verdient. Wat doe je met loonelementen zoals een bedrijfswagen, maaltijdcheques, premies voor nacht-, ploeg- of weekendwerk, commissies, bonussen, eindejaarspremies en vakantiegeld? Die tellen hier allemaal niet mee. Enkel het normale, contractuele maandloon telt mee.
    “Dat betekent dat iemand met een brutoloon van 4.100 euro zonder bedrijfswagen wél geraakt zal worden en iemand met een brutoloon van 3.900 euro met een bedrijfswagen niet. Nochtans is die laatste financieel beter af. Maar alle voordelen in rekening brengen, is gewoon niet werkbaar of uitvoerbaar.”
  2. De indexering van de lonen met 2,21 procent in januari van onder meer de bedienden in paritair comité 200 gaat gewoon door. Kan de regering die indexering nog terugdraaien?
    VERMEIR. “Neen. Dat zou onteigening zijn. Werknemers zullen een reeds gekregen indexering niet moeten terugbetalen. Voor de werknemers wiens lonen slechts één keer per jaar in januari worden aangepast aan de inflatie kan de eerste ingreep dus ten vroegste in januari 2027 plaatsvinden.
    “Daarnaast zijn er ook mensen wiens loon op vaste tijdstippen maandelijks, tweemaandelijks, twee of vier keer per jaar aan de inflatie wordt aangepast of mensen wiens loon op variabele tijdstippen veranderen eens een bepaalde spil overschreden wordt. Dat hangt af van de afspraken of de collectieve arbeidsovereenkomsten in de sector. Van zodra de wetgeving klaar is, kan er in 2026 al een effect zijn.”
  3. Voorlopig verandert er niets, hoewel de regering de maatregel al in januari 2026 wilde laten ingaan. Wanneer verandert er wel iets?
  4. VERMEIR. “Volgens ons is 1 april de eerste mogelijke en realistische datum voor de start van de centenindex of de indexsprong light. De RSZ zal toezicht houden op de bijdragen van de werkgevers en die redeneert in kwartalen.”
    Kunnen we de impact concreet maken? Stel dat de indexsprong light in januari 2026 was doorgegaan.
    VERMEIR. “Voor iemand met een brutoloon van 5.000 euro zou er dan een indexering van 2,21 procent op 4.000 euro gebeuren, goed voor 88,4 euro, en een indexering van 0,21 procent op het saldo boven 4.000 euro, nog eens goed voor 2,1 euro. Dat betekent in de praktijk een verschil van 20 euro op het brutoloon, een indexering met 90,5 euro in plaats van 110,5 euro. Netto blijft van dat verschil nog minder dan de helft over.”
  5. De impact reikt natuurlijk verder dan de onmiddellijke impact. Mensen slepen die indexsprong light de rest van hun carrière mee. De vakbonden hebben tools gemaakt waarmee mensen de impact op hun loon én hun pensioen kunnen berekenen.
    VERMEIR. “Ja, het loon is de basis voor de berekening van de socialezekerheidsuitkeringen die je krijgt als je op pensioen gaat, ziek of werkloos bent. Tenminste: zolang je niet aan het plafond komt. Boven een bepaald plafond levert extra loon geen extra pensioenrechten meer op bijvoorbeeld.
    “Wanneer je nog een lange loopbaan voor je hebt, dan kan de impact zwaarder zijn dan wanneer je tegen het einde van je loopbaan zit, maar ik heb wel bedenkingen bij die theoretische berekeningen over dertig of veertig jaar. Er kan veel gebeuren over zo’n lange periode. Je kunt je werk verliezen, maar je kunt ook opslag krijgen of je kunt de job van je leven vinden met een veel hoger loon. Die lagere indexering is dan snel vergeten.”
  6. Een echte indexsprong mogen we dit niet noemen. Maar een centenindex is dit toch ook niet?
    VERMEIR. “Klopt. Een echte indexsprong geldt voor iedereen. Dat is hier niet het geval. Van in het begin is er de naam centenindex aan deze operatie gegeven, maar ook dat is geen correcte benaming. Het idee van een centenindex circuleert al langer en zou betekenen dat alle lonen met hetzelfde vaste bedrag zouden stijgen. De procentuele indexering betekent dat de grootste verdieners ook de grootste toename van hun loon in euro krijgen. Zij hebben vaak ook een groter uitgavenpatroon natuurlijk.
    “Wat er nu zit aan te komen is een mengvorm. Je kan het bekijken als een potje dat twee keer gevuld moet worden, met een loonstijging van 2 procent die werknemers op het deel boven een bepaald loonplafond niet zullen krijgen. Stel dat de volgende loonindexering minder dan 2 procent bedraagt, dan gaan ze ook een stukje van de daaropvolgende indexering moeten inhouden. De regering had duidelijk het systeem voor ogen van het overheidspersoneel, waarbij er telkens een indexering van 2 procent wordt doorgevoerd als een bepaalde spil wordt overschreden. In december is die spil overschreden. Daarom weten we nu al dat drie maanden later, in maart 2026 dus, de lonen van de ambtenaren met 2 procent zullen stijgen.
    “Dé index bestaat echter niet. Er zijn heel veel verschillende indexsystemen. Dat maakt deze ingreep ook zo ingewikkeld.”
7. Zou deze regering de automatische loonindexering ook volledig durven afschaffen? Want het is een uniek systeem dat elders niet voorkomt. VERMEIR. “Een beperkte loonindexering bestaat in een paar Europese landen, maar niet op dezelfde schaal en niet op dezelfde wijze zoals de indexering bij ons bestaat. Wat dat betreft, zijn wij uniek in Europa en in de wereld. Dat is een van de redenen waarom het indexsysteem een bron van discussie is. Het doet economisch ook pijn aan onze bedrijven. Deze regering heeft in het regeerakkoord opgenomen dat de sociale partners tegen eind dit jaar een advies over een grondige hervorming moesten uitbrengen. Maar nood breekt wet, vermoed ik. De regering heeft al sneller ingegrepen om de begroting te doen kloppen.

De bedrijven moeten namelijk de helft van de besparing, die ze zullen doen door de afgetopte loonindexering doorstorten naar de overheid. De automatische loonindexering bestaat al meer dan 50 jaar.  Zal dit systeem altijd blijven bestaan? Daar durf ik niet op antwoorden.” 

Bron:Trends

7 op de 10 gezinnen hebben hulp nodig

7 op de 10 gezinnen rekenen op hulp om gezin draaiende te houden Ouders worden geacht te presteren alsof ze geen kinderen hebben, en te zorgen alsof ze geen job hebben. De ‘village’ krimpt, grootouders vangen op, en kwetsbare gezinnen betalen de rekening. De onzichtbare motor: onze grootouders Een gezin organiseren is vandaag de dag een gigantisch puzzelwerk. Uit de nieuwste Gezinsbarometer van de Gezinsbond blijkt dat de meeste ouders het niet alleen redden. Bijna 66 procent van de gezinnen rekent op onbetaalde hulp, en daar springen vooral de grootouders in het gat. In 4 op de 10 gezinnen helpen zij wekelijks met de opvang of het vervoer van de kleinkinderen. In 1 op de 3 gezinnen gebeurt dit maandelijks. Het bredere netwerk van buren of vrienden speelt een veel kleinere rol, minder dan 10 procent krijgt daar wekelijks steun van. Niet iedereen heeft dat geluk. Maar liefst 34 procent van de gezinnen krijgt geen onbetaalde hulp. Vaak is dat omdat ze familie niet tot last willen zijn of te ver weg wonen. Vooral bij eenoudergezinnen en gezinnen met een zorgnood is de nood hoog: 60 procent van hen geeft aan hulp echt nodig te hebben, maar deze niet te vinden. 60 procent van eenoudergezinnen geeft aan hulp echt nodig te hebben, maar deze niet te vinden Deze cijfers leggen een pijnlijke realiteit bloot. In een samenleving die steeds meer van ouders vraagt, vallen zij die geen sociaal vangnet hebben genadeloos uit de boot.  Betaalde hulp als luxeartikel Hoewel 70 procent van de gezinnen betaalde hulp gebruikt – denk aan kinderopvang, poetshulp of een babysit – is dit voor velen een zware financiële last. Kostprijs is de grootste drempel voor wie er geen gebruik van maakt. 

Dat geldt voor zes op de tien eenoudergezinnen en de helft van de gezinnen met een zorgnood. Waar kapitaalkrachtige gezinnen tijd kunnen ‘kopen’ om de werk-privébalans te redden, moeten kwetsbare gezinnen het vaak alleen rooien, wat de ongelijkheid alleen maar vergroot.
Het bekende gezegde luidt: “It takes a village to raise a child.” Maar in het huidige Vlaanderen staat die ‘village’ onder enorme druk. Ivo Mechels, voorzitter van de Gezinsbond, stelt: “In Vlaanderen blijft die village vaak beperkt tot het gezin zelf en de grootouders. Niet iedereen heeft een sociaal netwerk in de buurt.”
Er is nood aan betere verlofstelsels en bovenal aan betaalbare, kwaliteitsvolle en toegankelijke kinderopvang. Hoewel veel ouders elkaar wel morele steun bieden door ervaringen te delen, ontbreekt het hen aan tijd voor praktische hulp. Maar liefst 77 procent zegt simpelweg te druk te zijn met het eigen gezin om anderen meer te ondersteunen. De ratrace laat weinig ruimte voor solidariteit tussen buren.
Investeren in verbinding
De Gezinsbond trekt aan de alarmbel en vraagt dat zorg niet langer als vanzelfsprekend wordt beschouwd. Er is nood aan structurele erkenning, bijvoorbeeld via het behoud van het gezinspensioen en pensioenrechten voor wie deeltijds werkt om voor anderen te zorgen.
Daarnaast is er nood aan betere verlofstelsels en bovenal aan betaalbare, kwaliteitsvolle en toegankelijke kinderopvang. Dit is cruciaal voor elk gezin, maar een absolute noodzaak voor zij die geen helpend netwerk in de buurt hebben.
In een wereld die individualiseert is het heropbouwen van sociaal weefsel noodzakelijk om de druk op gezinnen te verlichten
Naast politieke eisen blijft de organisatie zelf inzetten op ontmoeting. Via lokale activiteiten zoals gezinsontbijten, paaseierenrapen en griezeltochten proberen ze gezinnen met elkaar in contact te brengen.
“De Gezinsbond blijft zo investeren in verbinding en ontmoeting”, besluit Ivo Mechels, voorzitter van de bond. Want in een wereld die steeds meer individualiseert, is het heropbouwen van die sociale weefsel noodzakelijk om de druk op gezinnen te verlichten.

Crisisbegeleiding voor gezinnen | CAW


Bron: DWM

Hogere quota voor artsen en tandartsen

De Vlaamse regering verhoogt de quota voor artsen en tandartsen fors: 180 extra studenten mogen opleiding starten.
De Vlaamse regering kiest voor een stevige verhoging van de quota voor het aantal studenten dat aan de opleidingen geneeskunde en tandheelkunde kan beginnen. Volgend academiejaar zullen er minstens 180 Vlaamse studenten meer dan vorig jaar aan de bacheloropleidingen mogen beginnen.
De Vlaamse regering besliste dat op voorstel van minister van Onderwijs Zuhal Demir (N-VA). Zij heeft het over een “historische verhoging” die “broodnodig is om het tekort aan artsen en tandartsen weg te werken”.
Wie in België (tand)arts wil worden, heeft na zijn opleiding een RIZIV-nummer nodig. De federale regering bepaalt jaarlijks hoeveel van die nummers worden toegekend aan de Vlaamse en Franse gemeenschap. In Vlaanderen worden vervolgens startquota uitgewerkt, op basis van een intern Vlaams advies.
De Vlaamse regering heeft nu beslist de quota fors te verhogen. Er zullen minstens 180 kandidaat-(tand)artsen meer starten dan vorig academiejaar. In totaal zullen daarmee minstens 2.155 studenten aan deze opleidingen kunnen beginnen. Minstens, omdat rekening wordt gehouden met mogelijke bijkomende adviezen.
Minister Demir verwijst naar het “historische tekort aan artsen en tandartsen in Vlaanderen” als belangrijkste reden voor de verhoging. “Mensen hebben het moeilijk om een huisarts in hun buurt te vinden en het is lang wachten op een afspraak bij de tandarts. (…) Door het aantal studenten te verhogen, willen we terug beter aan de medische noden voldoen. Zeker nu de vergrijzing op ons afkomt, hebben we meer mensen in de zorg nodig. Iedere Vlaming heeft recht op een toegankelijke en betaalbare gezondheidszorg”, legt de N-VA-minister uit.
De verhoging gaat gepaard met bijkomende middelen voor de universiteiten. Zo start de Vrije Universiteit Brussel (VUB) met een opleiding tandheelkunde en wordt bijkomende opleidings-capaciteit voorzien, onder meer via een nieuwe masteropleiding aan de Universiteit Hasselt. Vlaanderen voorziet hiervoor extra financiële middelen vanaf academiejaar 2027.

Bron: DM