“Te danken aan modernisering secundair onderwijs”
Nooit eerder volgden meer leerlingen in het secundair onderwijs een technische of een beroepsopleiding. Dat schrijft De Tijd op basis van cijfers van het Departement Onderwijs. En dat is voor een groot deel te danken aan de hervorming van het secundair onderwijs, zeggen kenners.
In 5 jaar tijd is het aantal leerlingen in praktijkgerichte richtingen met ruim 17 procent gestegen. Dit jaar tellen we al meer dan 100.000 leerlingen in een technische richting (het vroegere tso) en bijna 80.000 in een beroepsrichting (ooit bekend als bso). Het aantal scholieren in het algemeen secundair onderwijs (aso, of beter: de ‘doorstroomrichtingen’) daalde in dezelfde periode met 6,6 procent.
Onderwijseconoom en professor Kristof De Witte (KU Leuven) ziet 2 grote verklaringen. Een eerste is de modernisering van het secundair onderwijs in het schooljaar 2019-2020. “Daarbij ligt er meer nadruk op wat je later kunt doen: verder studeren, gaan werken of een richting waarin dat allebei nog mogelijk is. Zo zijn de klassieke labels van aso, tso en bso wat meer naar de achtergrond verschoven.”
Volgens De Witte maakt dat beter duidelijk dat die arbeidsmarktgerichte richtingen (bso) of die richtingen waarbij je ofwel verder kunt studeren, ofwel onmiddellijk kunt gaan werken (tso) echt wel volwaardige opties zijn, en dus geen tweede keuze.
Daar komt nog eens bovenop dat er bij die modernisering ook inhoudelijk heel wat herwerkt is in de tso-richtingen. “Daarbij zijn er meer theoretische componenten, met meer bagage voor wiskunde, wetenschappen en taalvaardigheid, waardoor je ook een nieuw doelpubliek van leerlingen aanspreekt.”
Positieve perceptie
Een tweede belangrijke verklaring is de opwaardering van technisch geschoolde profielen op de arbeidsmarkt. “De krapte in de zorg, de bouw, logistiek of technologie leidt tot meer campagnes en meer aandacht voor die sectoren en dat zorgt voor een aantrekking. Ook dat heeft een positieve invloed gehad op de perceptie van het tso en bso.”
De Witte waarschuwt wel dat we door die groei van het aantal leerlingen ook goed moeten kijken naar de infrastructuur en capaciteit van tso- en bso-scholen en de beschikbaarheid van goede leerkrachten.
“Die herwaardering van het tso betekent ook dat we snel moeten inzetten op volwaardige, kwaliteitsvolle stageplaatsen, goede infrastructuur en voldoende plaatsen voor die leerlingen. Anders kan die groei al gedwarsboomd worden.”
En het aso?
In het algemeen secundair onderwijs (aso) zitten nu nog zo’n 120.000 leerlingen. Dat is in 5 jaar tijd een daling met 6,6 procent. Moeten we ons daarover dan zorgen beginnen te maken? “Dat is op korte termijn zeker geen probleem”, zegt De Witte.
Het heeft volgens hem bijvoorbeeld geen invloed op het aantal mensen dat uiteindelijk verder studeert in het hoger onderwijs. “Ook vanuit het tso kan je bijvoorbeeld perfect nog naar een professionele bachelor gaan. Dat het aantal leerlingen dan wat verschuift tussen de richtingen in het secundair hoeft dus geen probleem te zijn.
Bron: vrt.nws