Een algemene verplichting tot tijdsregistratie kan het onderlinge vertrouwen in bedrijven aan het wankelen brengen. Dat zegt arbeidsrechtspecialist Elisabeth Matthys, nu de regering in de marge van de begrotingsgesprekken heeft beslist dat bedrijven vanaf 1 januari 2027 een systeem moeten opzetten waarmee werknemers hun gewerkte uren kunnen registreren. “Al hoeft dat niet de klassieke prikklok te zijn.”

De beslissing komt er tegen de achtergrond van een Europese richtlijn over arbeidstijden, die al jaren tot getouwtrek leidt.

In 2019 velde het Europees Hof van Justitie een arrest in een Spaanse zaak, waarbij gesteld werd dat de Europese regels over arbeidstijd alleen maar afdwingbaar zijn als de arbeidstijd wordt gemeten. Een nieuw arrest verhoogde dit jaar de druk: een rechter bepaalde (opnieuw in Spanje) dat het registratiesysteem niet alleen voor grote en middelgrote bedrijven moet gelden, maar zelfs voor huispersoneel.

Zo soepel mogelijk invullen

Door dat arrest voerden de meeste Europese landen een wettelijke verplichting op arbeidstijdregistratie in, België deed dat nog niet. In de vorige legislatuur vroeg minister van Werk Pierre-Yves Dermagne (PS) daarover advies aan de Nationale Arbeidsraad, maar de werkgevers en de vak­bonden slaagden er niet in tot een akkoord te komen. 

In het huidige federaal regeerakkoord staat de kwestie niet vermeld, maar in de begrotingsdebatten van de voorbije maanden is ze samen met de losse eindjes van het zomerakkoord wel besproken. Het lijkt nu de ambitie van de regering de Europese regels zo soepel mogelijk in te vullen. 

“Extra administratieve last”

Vanuit de ondernemerswereld komt kritiek. Unizo noemt de maatregel “alweer een extra bron van administratieve last in een land dat een bijzonder strikt arbeidsduurregime heeft”. De prikklok is “onredelijk, onwerkbaar en onnodig”, oordeelt de zelfstandigenorganisatie. 

Voka spreekt over “pure kafka” en een onbegrijpelijke bijkomende administratieve last voor de bedrijven. Volgens de werkgeversorganisatie legt Europa geen verplichting op om tijdsregistratie in te voeren.

Uit een analyse van hr-dienstengroep Liantis blijkt dat een tijdsregistratie nu vooral door grote bedrijven wordt toegepast. Bij werkgevers met meer dan 100 medewerkers maakt driekwart (76,99 procent) gebruik van tijdsregistratie. Bij werkgevers tussen 50 en 99 medewerkers is dat nog altijd meer dan de helft (54,26 procent). Bij kleine ondernemingen, van minder dan 10 werknemers bijvoorbeeld, doet ruim 90 procent het nog niet.  

Vertrouwen in 2 richtingen

Elisabeth Matthys, advocaat gespecialiseerd in arbeidrecht, benadrukt in Laat dat tijdsregistratie niet noodzakelijk een klassieke prikklok betekent. “Voor het Hof moet het registratiesysteem objectief, betrouwbaar en toegankelijk zijn. Tijdsregistratie kan dus bijvoorbeeld een app zijn, of een timesheet. Je zou ook kunnen inloggen in pakweg Microsoft Teams op de computer.”

Volgens haar is de felle reactie van werkgeversorganisaties vooral ingegeven door de vrees voor wantrouwen in bedrijven. “Het zijn vooral de kmo’s – en we blijven een kmo-land – waar tijdsregistratie nog niet bestaat en waar veel in vertrouwen gebeurt. Dat vertrouwen werkt in 2 richtingen: een werknemer die een halfuur de kinderen gaat halen, een werkgever die flexibiliteit verwacht. Zo’n algemene verplichting trekt dat in twijfel.”

Volgens werknemersorganisaties kan tijdsregistratie dan weer discussies over overuren vermijden. Matthys erkent dat, maar waarschuwt voor overregulering. “Het is niet omdat er ergens een probleem is dat je meteen een algemene regel moet maken. In bedrijven waar iedereen van 9 tot 5 werkt met vaste uurroosters is zo’n systeem misschien niet nodig. Maar bij meer flexibele uurstelsels ligt dat anders: daar spreekt het voor zich dat je moet kunnen controleren.”

De verplichting zal volgens haar in principe voor alle werknemers gelden vanaf 2027, al zouden uitzonderingen mogelijk blijven. De Europese regels laten ruimte voor vrijstellingen voor bijvoorbeeld handelsvertegenwoordigers of leidinggevenden. “De vraag is alleen of men daar politiek een compromis over vindt.”

Bron: vrt.nws