Wetsontwerp Van Quickenborne wil alle soorten betogers, vakbondsleden en activisten criminaliseren

Terwijl trivia over dronken escapades van politici onze schermen overspoelen, verdwijnt de aandacht voor het echte democratische schandaal van een van deze ‘daders’ naar de achtergrond. Minister van Justitie Vincent Van Quickenborre (Open VLD) wil elke deelname aan betogingen criminaliseren, met de goedkeuring van federale coalitiepartners Vooruit en Groen. Het verzet groeit.

Het wetsontwerp van federaal minister van Justitie Vincent Van Quickenborre, dat eind september 2023 ter stemming voorligt in de Kamer, heeft als doel om een nieuwe straf in het Strafwetboek op te nemen, met name een ‘rechterlijk verbod om deel te nemen aan protestbijeenkomsten’.

Dit betogingsverbod kan worden opgelegd aan ‘amokmakers’, omschreven als personen die zich schuldig maken aan gewelddadig gedrag tijdens demonstraties. De straf zou maximaal drie jaar bedragen (en maximaal vijf jaar bij herhaling).

Het verbod zou kunnen worden uitgebreid tot alle soorten demonstraties, overal in België. Deze straf zou aanvullend zijn, aangezien ze bovenop de hoofdstraf komt die wordt opgelegd voor vandalisme, geweldpleging of brandstichting.

Officieel is het doel van het wetsontwerp dus om ‘relschoppers’ te verbieden deel te nemen aan demonstraties. Politici roepen graag herinneringen op aan de plunderingen van winkels in Elsene na demonstraties van Black Lives Matter.

In werkelijkheid worden deze gebeurtenissen gebruikt als voorwendsel om alle soorten betogers, activisten en vakbondsleden op veel grotere schaal te viseren.

Vreedzame acties worden immers niet beschermd door het wetsontwerp. Het betogingsverbod kan worden toegepast voor een zeer breed scala aan overtredingen. In het verleden werden actievoerders bijvoorbeeld vervolgd voor het verspreiden van pamfletten in het Europees Parlement tegen Eurocraten en hun buitensporige verloning (‘haatmotief tegen mensen vanwege hun rijkdom’), het aansteken van vuurwerk buiten het gesloten centrum 127bis (‘poging tot brandstichting’), het beschadigen van een gebouw van een ultravervuilende multinational door er verf op waterbasis op te gooien, en het verbranden van paletten aan een stakingspost (zelfs als er geen echt gevaar was voor de openbare veiligheid), of het blokkeren of vertragen van vrachtwagens die bederfelijke goederen afleveren.

Met dit wetsontwerp kan het deze actievoerders nu verboden worden om te demonstreren. Wat weerhoudt werkgevers er dan nog langer van om vakbondsactivisten en -medewerkers aan te vallen door klachten tegen hen in te dienen in een poging om hen een langdurig demonstratieverbod op te leggen? Wat weerhoudt procureurs om te vervolgen?

Wie het wetsontwerp van naderbij bekijkt, begrijpt meteen dat dit betogingsverbod helemaal niet geschikt noch bedoeld is om amokmakers tegen te gaan. Ten eerste bevat het Strafwetboek nu reeds een heel arsenaal om mensen die geweld plegen tijdens betogingen aan te pakken, daarvoor is deze nieuwe wet niet nodig.

Bovendien hebben maatregelen mensen die van plan waren om ‘dingen kapot te maken’ nooit tegengehouden, dus ten aanzien van hen zal het geen effect hebben. Hoe gaat de wet tot slot trouwens toegepast worden? Dat kan alleen door iedereen te controleren die op een betoging aanwezig is. Is het daar waar we naartoe willen?

Verontrustende context

Al deze bezwaren werden overgemaakt aan de regeringspartijen en breed protest weerklonk. Desondanks was het de regering er veel aan gelegen om door te gaan met het wetsontwerp. Vanwaar die verbetenheid?

Zoals Ruud Goossens in De Standaard van 3 juni opmerkte, past dit wetsontwerp in een verscherpte internationale context. Onze regeringen waarschuwen graag voor Poetin en Orban, maar zouden beter voor eigen deur vegen.

In de ons omringende landen merken we verontrustende wetsontwerpen en processen, waarbij elk verzet tegen het neoliberalisme wordt tegengaan. Met de Public Order Bill wil het Verenigd Koninkrijk ‘disruptief protest’ aanpakken, in Nederland worden activisten van Extinction Rebellion preventief gearresteerd en in Frankrijk worden met de regelmaat van de klok vakbondsmensen vervolgd.

De vergelijking met Frankrijk is treffend, want Van Quickenborne vond juist daar de mosterd. Recente evoluties tonen overduidelijk aan dat ook in België de democratische en sociale bandbreedte systematisch wordt ingeperkt.

Denk maar aan de veroordelingen van Bruno Verlaeckt en Thierry Bodson (voorzitter ABVV Antwerpen, respectievelijk voorzitter ABVV) op basis van het beruchte Artikel 406 van het Strafwetboek, ‘kwaadwillige belemmering van het verkeer’. Hoewel bij de invoering van deze bepaling plechtig werd verklaard dat ze niet mocht gebruikt worden tegen het stakingsrecht, was het vijftig jaar later prijs.

Ook de werknemers en vakbonden bij Delhaize kunnen erover meespreken. Via ‘spoedeisende’ rechterlijke uitspraken (geveld zonder tegenspraak) fnuikte Delhaize elke collectieve actie. Zelfs het uitdelen van flyers werd in de praktijk verboden. Burgemeesters gingen hier gretig in mee, door politie naar stakingsposten te sturen, waarbij vakbondssecretarissen zelfs werden gearresteerd. Een trieste primeur.

Maar ook andere organisaties worden geconfronteerd met vervolging. Zo werden 14 activisten van Greenpeace 48 uren vastgehouden voor een vreedzame actie aan de Fluxys Gasterminal in de haven van Zeebrugge en nadien moesten ze voor de rechtbank verschijnen. Het proces is nog lopende.

Het voorgestelde betogingsverbod past in die tendens en, wat gevaarlijker is, probeert er een extra wettelijke basis aan te geven door de invoering van een bijkomende straf.

Hoopgevend verzet

In zo’n context getuigt het juist van gezond verstand en anticipatie om elke inperking van de (fel bevochten, jawel) democratische rechten tegen te gaan en te eisen dat de publieke ruimte er één is waar burgers zich kunnen uiten, op allerlei mogelijke manieren.

Het is dan ook bemoedigend en hoopgevend dat een breed verzet weerklinkt, in al haar diversiteit: gaande van negatieve adviezen (Hoge Raad voor Justitie, Orde van Vlaamse Balies, Federaal Instituut voor de Rechten van de Mens) tot collectieve actie (vakbonden, 11.11.11, Greenpeace, Amnesty).

Het middenveld is eensgezind in de afwijzing van dit wetsontwerp en verenigd in een beweging voor sociale en ecologische vooruitgang.

Bron: Sampol.be

Het ergerlijke onderwijspessimisme van Dirk Van Damme

Onderwijsspecialist Dirk Van Damme bundelt enkele recente teksten over onderwijs in een boek dat aan agendasetting wil doen. Het resultaat leest als de bemerkingen van een voormalige progressief die qua visie zeer dicht bij huidig Vlaams Minister van Onderwijs Ben Weyts lijkt te staan.

Dirk Van Damme is een naam als een klok in onderwijs. Ooit was hij afgevaardigd bestuurder van het GO!, daarna kabinetschef onder Minister van Onderwijs Frank Vandenbroucke, en nadien hoofd van CERI, het onderwijsonderzoekscentrum van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO). Vandaag leidt Van Damme een onafhankelijke commissie die in opdracht van huidig onderwijsminister Weyts onderzoekt hoe het lerarenberoep terug aantrekkelijk gemaakt kan worden. Daarnaast is hij steeds vaker te lezen en te horen over de onderwijsactualiteit.

Het nieuwe boek van Dirk Van Damme heet Emancipatie, excellentie en eerlijke kansen, uitgegeven in de reeks SamPol Boeken bij ASP uitgeverij. Hoewel de meeste teksten eerder verschenen, zal dit werkje zeker nieuwe onderwijsdebatten op gang brengen. De auteur wil aan agendasetting doen, en omwille van zijn reputatie in zowel conservatieve als progressieve middens zal hem dat ongetwijfeld lukken.

Dalende onderwijskwaliteit

De onderwijskwaliteit in Vlaanderen daalt. Dat blijkt al enkele jaren uit de resultaten van internationaal vergelijkend onderzoek, waarvan het PISA-onderzoek van Van Dammes eigen OESO het meest bekend is. PISA meet de vaardigheden van alle 15-jarigen in een land of regio. Daarbij wordt niet gekeken naar de leerplannen, en ook niet naar de schoolloopbaan van de leerling. Het is dus logisch dat de gemiddelde resultaten lager zijn naarmate er meer leerlingen een jaar hebben overgezeten, en ook als er meer leerlingen in studierichtingen zijn met weinig aandacht voor algemene vakken.

De PISA-testen van 2012 geven aan dat de Vlaamse 15-jarigen op dat moment een gemiddelde score haalden van 531 punten op wiskundige vaardigheid, en 518 op leesvaardigheid. Geen enkel Europees land scoorde significant beter. We behaalden 518 op wetenschappelijke vaardigheden, enkel Estland deed het significant beter. We kunnen dus stellen dat het Vlaamse onderwijs in 2012 goede resultaten bereikte. Dat verbaast Van Damme niet, hij rekent voor dat onderwijsvernieuwingen, ook negatieve, ongeveer tien jaar nodig hebben om hun impact te bereiken.

In 2018 scoorde Vlaanderen nog 508 punten op leesvaardigheid, 518 op wiskundige vaardigheid, en 510 op wetenschappelijke vaardigheden. Vooral op het vlak van leesvaardigheid is er dus een flinke daling, en zitten we in het midden van het Europese peloton. Op de andere onderdelen zijn we in de eerste plaats onze voorsprong aan het verliezen.

Weliswaar zijn de verschillen tussen sociaaleconomische profielen nog steeds veel groter dan de achteruitgang in onderwijskwaliteit volgens PISA. Tussen het armste en het rijkste kwartiel van de bevolking gaapt een kloof van 114 PISA-punten, meer dan een volledige standaardafwijking.

Een andere manier om de onderwijskwaliteit te meten zijn de peilingsonderzoeken die de Vlaamse overheid tot voor kort financierde. Daarin werd gekeken welk deel van de leerlingen de wettelijke eindtermen bereikte. Zo bleek bijvoorbeeld in 2021 dat slechts 26% van de leerlingen in de derde graad beroepsonderwijs de minimumdoelen voor functionele rekenvaardigheid bereikte, wat in 2013 nog door 39% van de leerlingen behaald werd.

De fout van de progressieven

Dirk Van Damme heeft een verklaring, ja zelfs een schuldige gevonden voor het dalende kennisniveau in het onderwijs. Het blijkt allemaal de fout van de progressieven te zijn, die steeds gehamerd hebben op het bestrijden van onderwijsongelijkheid en het belang van gelijke onderwijskansen, en daarbij het belang van een goed kennisniveau onderschat hebben. De invoering van de eindtermen in de jaren ’90 noemt Van Damme een nivellering naar beneden.

Verder wijst Van Damme naar wat hij een radicale variant van het constructivisme in onderwijs noemt. In enkele woorden komt het erop neer dat de leerlingen hun leerstof niet door directe instructie van de leerkracht opgelepeld krijgen, maar zelf via hun eigen ervaringen ontdekken wat bijvoorbeeld de wetten van de natuurkunde zijn.

Van Damme zet zich ook sterk af tegen het comprehensief onderwijs, dat de leerlingen tot op latere leeftijd in één groep wil houden en pas daarna in verschillende studierichtingen wil indelen. In Vlaanderen zie je dat op middelbare scholen die werk maken van een ‘brede’ eerste graad waarin de leerling zowel algemene als technische vakken volgt.

Een negatieve invloed op de globale onderwijskwaliteit is ook de instroom van migranten. Hoewel Dirk Van Damme in die groep een ambitie ziet die kan leiden tot mooie onderwijsresultaten, stelt hij ook dat anderstaligen best zo snel mogelijk het Standaardnederlands goed leren beheren, om hun kansen niet te laten verminderen. Wie iets anders zegt bestempelt Van Damme als een taalrelativist. Te vrezen valt dat hij hier ook diegenen onder rekent die aanvoeren dat een plaats voor de thuistaal op school tot een hoger welbevinden en zelfs tot betere studieresultaten leidt.

De progressieven, waar Van Damme zich nog bij zegt te rekenen, hebben de kwaliteitsdaling te lang op een naïeve manier genegeerd. Het  dogma dat onderwijs de maatschappelijke ongelijkheid reproduceert mocht niet in vraag gesteld worden en het oude progressieve ideaal van volksverheffing werd daaraan opgeofferd.

Weg met gelijke onderwijskansen

Dat onderwijs de maatschappelijke ongelijkheid zou reproduceren valt natuurlijk te onderzoeken. Bijvoorbeeld door te kijken naar een mogelijk verband tussen het inkomen van de ouders, en de studierichting waarin hun kinderen secundair onderwijs volgen. Daaruit kan dan blijken dat van de armste 10% van de Vlaamse gezinnen ongeveer de helft van de kinderen op 15 jaar in het bso zit. 10% heeft een plek in een aso-richting, en bijna 20% zit ofwel nog altijd in de eerste graad (heeft dus minstens één jaar achterstand) of is afgeleid naar het buitengewoon onderwijs. Bij de rijkste 10% zit bijna 90% in het aso.

Dirk Van Damme wijst op onderzoek naar de ongelijke verdeling van intelligentie over de sociale klassen. Intelligentie is gedeeltelijk bepaald door erfelijke factoren, en daardoor komt het dat in de groepen met de lagere inkomens beduidend meer mensen niet intelligent genoeg zouden zijn om algemeen onderwijs te volgen. Daarnaast speelt ook mee dat gezinnen in de arbeidersklasse minder zouden investeren in de onderwijsloopbaan van hun kinderen. Met andere woorden: de armen zijn (alles bij elkaar) dommer dan de rijken.

Stel je voor dat die vaststelling klopt. Het zou een pijnlijke waarheid zijn, en men zou voor minder van zijn progressieve paard gebliksemd worden. Bij Dirk Van Damme lijkt dat in elk geval gebeurd te zijn. Hij wil af van het idee van gelijke onderwijskansen, en pleit voortaan voor eerlijke onderwijskansen. We moeten niet meer eisen dat het onderwijs gelijke uitkomsten biedt aan leerlingen die in verschillende omstandigheden leren en leven. Het onderwijs kan en moet niet compenseren voor de ongelijkheden in de samenleving. Het volstaat om te strijden tegen discriminatie, en iedereen de kans te geven om het maximum te halen uit een schoolloopbaan in de gegeven omstandigheden. Meritocratie, zoals men dat noemt. Het recht van de sterksten om meer te krijgen dan de zwakkeren.

Weyts zal het graag lezen

De daling van de onderwijskwaliteit is een groot probleem, en als het klopt dat ‘progressieven’ daar de afgelopen jaren te weinig aandacht voor hadden zet Van Damme de puntjes goed op de i. Dat hij evoluties zoals de invoering van de eindtermen als een nivellering naar beneden ziet is pertinent, al hopen we de komende tijd ook andere stemmen daarover te horen. In opzet zijn de eindtermen immers minimumdoelen, niet bedoeld om de sterksten af te remmen maar om de minder sterke leerlingen toch de juiste basis mee te geven. Ook comprehensief onderwijs en constructivistische pedagogie verdienen het niet om weggezet te worden zoals Van Damme dat in zijn boek doet.

Het risico bij de analyse van Van Damme is dat het onderwijs wel verlost wordt van de opdracht om maatschappelijke ongelijkheid te bestrijden, maar dat die strijd buiten het onderwijs evenmin zou opgedreven worden. In tegendeel zal de acceptatie van allerlei vormen van ongelijkheid eerder groeien. En zo speelt een sociaal betrokken opiniemaker een rechts-conservatieve agenda mooi in de kaart.

Van Damme lijkt het op te geven om een oplossing voor onderwijsongelijkheid te vinden. Blijkbaar is het belangrijker iedereen die daar ooit voor gepleit heeft in de hoek te zetten als onderwijsrelativist. Het idee dat onderwijs ongelijkheid reproduceert zet hij weg als een foutief marxistisch dogma, waar meritocratie het antwoord op moet zijn.

Bildung, volksverheffing, dat is wat Van Damme eerlijk vindt. Daaronder valt voor leerlingen met roots in de migratie blijkbaar ook het verruilen van de thuistaal voor het Standaardnederlands. Ben Weyts zal het allemaal graag lezen.

Als je de opvattingen van Dirk Van Damme confronteert met de werkelijke situatie van ongelijkheden in het Vlaamse onderwijs blijft het beeld hangen van de auteur als een voormalige progressief, die vandaag vooral ergerlijk pessimistisch is.

Het boek is uiteraard intelligenter geschreven dan het eerder verschenen rapport van een commissie onder leiding van schooldirecteur Philippe Brinkman, maar ondersteunt wel dezelfde onderwijsvisie, die van de huidige minister. Cognitief psychologen als Wouter Duyck en Wim Van den Broeck, en lerarenopleider Raf Feys krijgen bloemetjes toegeworpen, mensen die zich net als Ben Weyts in essentie niet bekommeren om ongelijkheid.

Spijtig, want buitenlandse voorbeelden tonen toch aan dat je een comprehensief onderwijssysteem kan combineren met een kleinere onderwijsongelijkheid en goede resultaten in internationale vergelijkingen. Dat is bijvoorbeeld het geval in enkele Noord-Europese landen. Het Vlaams PISA-onderzoek stelt dat sociaaleconomische factoren in Vlaanderen 17% van de testresultaten verklaren, waar het gemiddelde in de OESO 11,9% is.

Het mag dan toch gehoopt worden dat ons onderwijs in de toekomst minstens 5 procentpunten gelijker of eerlijker wordt? En zou het geen mooie, progressieve, beleidskeuze zijn om het nog een stuk beter te doen? Waar is Van Dammes ambitie om Vlaanderen niet enkel een hoog algemeen kennisniveau te laten bereiken maar daarbij ook een grotere mate van gelijkheid?

Bron: DeWereldMorgen.be

Apocalypsofie. Over recycling, groene groei en andere gevaarlijke fantasieën

Apocalypsofie. Over recycling, groene groei en andere gevaarlijke fantasieën

Boekrecensie – Paul Verhaeghe

Het boek ‘Apocalypsofie’ van Lisa Doeland leest als een ijskoude emmer water over je hoofd, niet als verfrissing maar als wake-up-call. Paul Verhaeghe las het en is verontwaardigd, maar hij weigert te doemdenken en maakt zich terecht boos over de onwillige struisvogelpolitici die een echte aanpak van de klimaatcrisis voor zich uit blijven schuiven.

Begin september ben ik om professionele redenen in Athene en in Delphi. Het voornaamste gespreksonderwerp is het weer. De hoeveelheid regen die bepaalde regio’s van Griekenland de voorbije maand te verwerken kreeg, is dramatisch – beeld je in dat Antwerpen of Amsterdam op één dag evenveel regen krijgt als gedurende een volledig jaar.

Griekenland is geen uitzondering, de voorbije maanden kon je geen krant openslaan of je las vergelijkbare berichten over hitte, droogte, orkanen,…

Eind augustus 2023 publiceerde The Guardian het antwoord op vragen die de redactie aan 45 klimaatwetenschappers gesteld had. De titel van het artikel staat in de vraagvorm – Has humanity finally broken the climate? Hun antwoorden zijn benauwelijk.

Wat we meemaken, ligt helemaal in de lijn van de voorspellingen en mogen we vanaf nu jaarlijks verwachten. De kans dat het plots veel erger wordt – omdat we een van de ‘tipping points’ overschrijden – is reëel, zeker in het licht van de oplopende temperatuur van het zeewater en de hoeveelheid ijs die verdwijnt in Antartica. Met die wetenschap begon ik aan de lectuur van Apocalypsofie.

De wereld die we kenden, is voorbij

Lisa Doeland schrijft neer wat we weten maar nauwelijks durven uitspreken: de wereld zoals wij die kennen, correctie, gekend hebben, is voorbij. Vergeet ‘het is vijf voor twaalf’, dat was medio jaren zeventig.

Een bekende boutade luidt dat het makkelijker is ons het einde van de wereld voor te stellen dan het einde van het kapitalisme. Ondertussen hebben we dat dilemma opgelost:  het gaat over hetzelfde, het kapitalisme ís het einde van de wereld.

Dat een grote meerderheid zich daar nog steeds niet van bewust is, heeft te maken met gevaarlijke fantasieën – gevaarlijk omdat ze uitgaan van het idee dat we de vroegere (ja, vroegere) wereld zouden kunnen behouden, dankzij technologische oplossingen, volledige recyclage,  groene groei en natuurlijk alles en iedereen electrisch.

Doeland ontleedt deze fantasieën en toont aan waarom wat ik makkelijkheidshalve benoem als de airco-aanpak, niks oplost en in veel gevallen de ellende nog doet toenemen.

Willen we een oplossing, dan moeten we uitgaan van een radicaal andere samenleving, binnen een radicaal veranderde wereld. Hoe die er zal uitzien, is voorlopig onduidelijk, we hebben enkel zekerheid over wat we vooral niet meer moeten doen.

Nadenken over welke samenleving en hoe we de transitie in het beste geval wat kunnen aansturen, is een ethische plicht. Niet voor de mensen ‘van later’, wel voor ons, want dat later is nu.

Loochening en gewenning

Dat nadenken gebeurt nog steeds niet. Voor het geval u het niet wist: ondanks alle beloftes blijft de CO2 uitstoot stijgen, daalt de bebossing en blijven overheden heel veel belastinggeld wegschenken aan de fossiele industrie.

In Nederland is dat – schrik niet – 37,5 miljard per jaar. Het cijfer werd onlangs aangeleverd door een gereputeerd onderzoekscentrum en wordt ondertussen natuurlijk betwist. Zelfs als het een paar miljard minder zou zijn, dan nog is dat bedrag ruim voldoende om alle Nederlandse klimaatdoelstellingen op korte termijn te halen – in plaats daarvan wordt het nu besteed aan een industrie die de problemen doet toenemen.

De bekendmaking van deze gigantische geldstroom heeft veel Nederlanders wakker geschud, getuige de recente blokkades van de snelweg rond Den Haag. Deze bewustwording helpt als correctie op de meest frequente reactie van ons allemaal, de loochening, voor Doeland een sleutelbegrip om de airco-aanpak te begrijpen.

Loochening is een door Freud beschreven defensiemechanisme dat we gebruiken wanneer ontkennen niet langer kan. Het typische van de loochening is dat het proces start met een erkenning die vervolgens vakkundig de nek wordt omgewrongen.

‘Ik weet wel dat … maar toch denk ik dat…’ De  kennis uit het eerste gedeelte van de zin wordt van tafel geveegd in het tweede.  Ik weet wel dat onze landbouw niet langer kan, maar toch denk ik dat…   (vul zelf maar aan).

Een pittige illustratie van de loochening is de toename van groene luchtkastelen bij burgers die tezelfdertijd radicaal weigeren op Groen te stemmen en zelfs een viscerale afkeer voor die partij voelen.

We hebben de ‘American Dream’ (als je hard werkt, word je rijk) vervangen door de Groene Droom (alles ‘eco’, en dan redden we het). Beide dromen zijn nachtmerries, zij het mislukte, want bij een echte nachtmerrie schieten we in volle angst wakker, vlak voor ‘het’ zal gebeuren.

Nu blijven we verder slapen, we worden daarbij zelfs geholpen door de vermarkting van de apocalyps. De vermaakindustrie (series, films en vooral games) maakt ons vertrouwd met de ondergang (typisch scenario: vadsige rijken leiden een luilekkerleven op een eco-resort, al dan niet in de ruimte,  dat vervolgens dankzij De Held ingenomen wordt door de armen, enzovoorts).

De apocalypsindustrie verkoopt overlevingskits (waterzuivering, droogvoer, kookgerief op mini zonnepaneeltjes) en organiseert ramptoerisme – het kapitalisme maakt zelfs haar eigen ondergang te gelde.

Loochening en groene luchtkastelen gaan hand in hand met gewenning en ‘baseline shifting’: beetje bij beetje vinden we het abnormale normaal en leggen we er ons bij neer. Microplastics in schelpdieren, PFAS in de moedermelk, fijnstof in de lucht?  De hoeveelheden blijven toenemen,  het is nauwelijks nog een item in het journaal.

Hetzelfde geldt op het morele vlak, denk aan de klimaatmigranten. We huiveren niet langer bij de beelden van verdronken kinderen, we zijn wel nog verontwaardigd wanneer grenswachten het vuur openen op vluchtelingen. Voor hoelang nog?

Wat we (u en ik) niet eens zo lang geleden als ontoelaatbaar en immoreel beschouwden, is vandaag, met een draak van een uitdrukking, het ‘nieuwe normaal’. Ondertussen blijft een grote meerderheid blind voor het échte nieuwe normaal, daarin geholpen door politieke partijen uit het middenveld die tot de enige, niet-bedreigde diersoort behoren (de struisvogel).

Oncologische groei

Een radicaal veranderde wereld zal leiden tot een radicaal andere samenleving. De vroegere maatschappij was gebaseerd op economische groei en gedurende de laatste veertig jaar van haar bestaan op een hyperkapitalisme. Het resultaat is een explosieve ongelijkheid en een vernietiging van de leefomgeving. Toch weigeren de machtshebbers in te zien dat groei in het Westen al geruime tijd van oncologische aard is, bovendien van het kwaadaardige type.

Terzijde, recent werd bevestigd wat veel mensen al aanvoelden: dat het aantal echte kankers in dezelfde periode zeer sterk toegenomen is, vooral bij kinderen en jonge mensen.  Groei is letterlijk dodelijk. We weten niet hoe de nieuwe samenleving er zal uitzien, maar één zaak staat vast: ze zal gebaseerd zijn op een ander economisch model.

Dat brengt ons meteen bij de gevaarlijkste fantasie, een waandenkbeeld eigenlijk: dat we economische groei kunnen loskoppelen van een vervuilende productie en consumptie. Duidelijker gezegd: een groei zonder een toename van afval, broeikasgassen en energieverbruik.

Lisa Doeland heeft, net zoals ikzelf een tijd geleden, de tweede wet van de thermodynamica ontdekt: zelfs een zogenaamde circulaire, ‘groene’ economie zal steeds méér energie nodig hebben als groei de leidinggevende gedachte blijft. Ze maakt een heel toepasselijke vergelijking met de staatschuld: we dichten het gat in de begroting door elders meer gaten bij te maken.

Op de keper beschouwd bestaat ‘hernieuwbare’ energie niet. Natuurlijk zijn er energiebronnen die minder vervuilend zijn dan fossiele brandstof,  maar om die bronnen bruikbaar te maken moet er van alles ontgonnen, verwerkt, geproduceerd en getransporteerd worden, met als resultaat dat er geen sprake is van klimaatwinst (winst?).

Ter vergelijking: een huidige auto is vele malen minder vervuilend dan veertig jaar geleden, maar het aantal auto’s is in dezelfde periode exponentieel gestegen. Het gevolg is een nog veel grotere uitstoot van broeikasgassen.

Tel daarbij de verborgen vervuiling ten gevolge van de productie en je ziet de omvang van het probleem. Dit voorbeeld illustreert het voorspelbare effect van de ‘groene transitie’ wanneer die op groei gebaseerd blijft.

De tovenaar, de profeet en de voddenraper

Wie denkt kant en klare oplossingen te vinden in dit boek, is aan het verkeerde adres. Die zijn er niet, dat is een van de zaken die Doeland glashelder uiteenzet. Dat maakt haar niet moedeloos maar zet haar aan tot denken én tot actie – de instituties en mechanismen die het systeem in stand houden, zullen hun macht niet zonder slag of stoot opgeven.

Daarvoor ging ze te rade bij een schare filosofen (als verzamelnaam voor mensen die denken over mens en wereld). Ze gebruikt hun ideeën om de wereldwijde veranderingen te kaderen en daar conclusies aan te verbinden.

In haar slothoofdstuk toont ze mooi aan hoe ‘ecomodernisten’ (de tovenaars) die technologische oplossingen in het vooruitzicht stellen, niet eens zoveel verschillen van mensen die voor vertraging en ‘groene’ groei pleiten (de profeten).

De tovenaar en de profeet blijven hun blik focussen op de toekomst en zien niet wat er om ons heen gebeurt, in het heden. De voddenraper ziet dat wel, wars van grote dromen, en ruimt afval op, gemaakt in naam van de vooruitgang.

“Zo stel ik me de toekomst voor. Als die eindeloze stroom spullen waarmee we nu overspoeld worden tot stilstand is gekomen en dat wat er is langzaam desintegreert, dan komt het erop aan tussen de restjes nog dingen te vinden die gered kunnen worden.”

Beter boos dan moedeloos

Als student was mijn politiek bewustzijn eerder beperkt, ik had het te druk met mezelf. Dat bewustzijn kwam er toen ik rond 2000 geconfronteerd werd met de zowel veranderde als toenemende problemen in de geestelijke gezondheidszorg.

Het heeft even geduurd voor ik het verband zag met de eveneens toegenomen sociaaleconomische ongelijkheid. Vervolgens werd het me snel duidelijk dat de ongelijkheid dezelfde oorzaak had als de klimaatverandering: ons economisch model, gebaseerd op politieke keuzes.

In de tien jaar tussen Identiteit (2012) en Onbehagen (2023) ben ik steeds kwader geworden.

De combinatie van onwil en machteloosheid bij politici en onwetendheid of kortzichtigheid bij de kiezers maakt dat wij vandaag in België, een van de rijkste landen ter wereld, geen geld hebben voor een degelijke kinderopvang, terwijl een half miljard cadeau doen aan een multinational (Ineos) zomaar kan.

Aan de klimaatverandering wordt er al helemaal niks gedaan.

Lisa Doeland. Apocalypsofie – Over recycling, groene groei en andere gevaarlijke fantasieën. ten have, Utrecht, 174 pp. ISBN 978 9025 9078 77

Deze boekrecensie werd overgenomen van de Boekenblog van Paul Verhaeghe. Je kan zijn recensies rechtstreeks ontvangen door op zijn blog je e-mail te geven.

Bron: dewereldmorgen.be

Nederland. Hoe kan de arbeidersbeweging zijn stempel op de verkiezingen drukken?

In ons vorige artikel over de verkiezingen kwamen we tot de conclusie dat de uitslag van de verkiezingen alle kanten op kon en dat solide vakbondsactie voor hogere lonen, een hoger minimumloon (en dus uitkeringen) en andere verbeteringen de beste weg vooruit zou bieden in de Nederlandse situatie. Dat is nog steeds het geval. De verkiezingen werpen hun schaduwen vooruit op Prinsjesdag. Maar de armoedebestrijding (niet meer dan een stop op de groei), de verhoging van het minimumloon (een schamele 1,7%!), het weglaten van de verhoging van de benzineaccijns (profiteert vooral de VVD achterban met grote auto’s en grote pomprekeningen van) en het niet laten doorgaan van de tariefsverhogingen van het openbaar vervoer (het blijft pittig duur), hoewel allemaal welkom natuurlijk, veranderen niet echt veel aan de huidige situatie.

Artikel door Socialistisch Alternatief (ISA in Nederland)

Lees ook:Nederlandse verkiezingen kunnen alle kanten op: solide vakbondsactie voor levenspeil is nodig!

Sinds het vorige artikel is er wel het één en ander veranderd, wat ook te verwachten was. In BIJ1 is de lijsttrekker Sylvana Simons opgestapt (er is nu een andere) nadat verschillende vooraanstaande leden de partij en/of de kandidatenlijst hebben verlaten. Dat doet niet af aan het programma van BIJ1, maar het maakt het niet gemakkelijker om op deze partij te stemmen.

Bij de Partij voor de Dieren blijkt er een heftige ruzie te bestaan tussen lijsttrekker Ouwehand en het bestuur van de partij. Zo heftig, dat er een plan bestond om af te rekenen met het bestuur. Ook zou het “dwingende perfectionisme” van Ouwehand een factor zijn geweest. Het laatste woord is hier vast nog niet over gesproken, maar wat je als stemmer van de PvdD hebt aan een stem op deze partij wordt er niet duidelijker op.

En ten slotte: een stem op de ”Socialistische” Partij omdat deze als enige linkse partij nog overeind staat is na ook geen erg prettig stemadvies voor de leden van ROOD Socialistische Jongeren en een aantal kaderleden die de royementsbrief nog ergens in de bureaulade ligt, ook al heeft de partij inhoudelijk een aantal sterke punten, zoals de verhoging van het minimumloon en de nationalisatie van de energiesector, het onderwijs, de gezondheidszorg e.d. Stemmen op de SP zal waarschijnlijk niet kunnen vermijden dat het aantal zetels van negen nu terugloopt naar vier of drie en ook dat is geen prettig vooruitzicht natuurlijk.

In deze verwarrende situatie zullen de verkiezingen in ieder geval turbulent verlopen, maar de uitslag zal hoe dan ook geen echte oplossingen bieden. Rechts heeft het bij deze verkiezingen wat makkelijker: de VVD heeft zich aangesloten bij het PVV verlangen naar een Nederland zonder immigranten, de FvD (nauwelijks een factor meer) hunkert naar een groots verleden, de BBB verlangt terug naar de tijd dat het platteland nog probleemloos, knus en gezellig was.

Terug naar zo’n opgehemeld verleden is aantrekkelijker dan het alternatief dat sommige linkse partijen en voor een deel de klimaatbeweging naar voren brengen. Dat verhaal gaat vooral over wat er niet meer kan en wat er niet meer mag. Minder vliegen, minder vlees, minder stoken, eigenlijk alles minder maar wel een hoge rekening voor een elektrische auto, een warmtepomp, zonnecollectoren en isolatie van je huis. Het is doen of de ondergang. Zo’n verhaal kan natuurlijk niet tegen dat “heerlijke” verleden op…

De partij van Omtzigt heeft nog geen programma en geen kandidaten. Het Nieuw Sociaal Contract lijkt in sommige opzichten op het klassieke CDA: herstel van de betrouwbare overheid en het gemeenschapsdenken. Omtzigt stemde in de Tweede Kamer tegen het afschaffen van de verplichte vijf dagen bedenktijd bij abortus. Ook stemde hij tegen de verhoging van het minimumloon bij de Algemene Politieke Beschouwingen al was dat formeel omdat hij het niet met de dekking eens was. Hoop dat Omtzigt in het parlement een echte oppositiepartij gaat vormen, geeft het niet.

Moderne media leven van het signaleren van misstanden. Op het gebied van milieu (Chemours, Tata Steel), de genderverhoudingen (#metoo en ander grensoverschrijdend gedrag, racisme, bij de overheid (toeslagenschandaal, Groningen), misdaad (drugsmaffia), ouderenzorg (geen geld, geen personeel, het wordt allemaal minder omdat er zoveel bejaarden komen…), kinderopvang (veel te duur, geen personeel), gezondheidszorg (zorgpremie verdubbelt, de huisartsen kunnen het niet meer aan).

Burgerlijke media geven daar nooit een goede verklaring voor. Gehint wordt naar kwade opzet (slechte mensen), machtshonger (nog slechtere mensen) en verborgen agenda’s (duistere plannen voor de toekomst). Veel problemen komen regelmatig weer even oppervlakkig in het nieuws terug als een soort hypes, zonder ooit te worden opgelost. Een deel van de journalisten heeft genoeg van dit oppervlakkige gedoe en graaft dieper: onderzoeksjournalistiek. Die verklaren veel dingen beter, maar het versterkt het gevoel van diepe politieke crisis. Er is geen perspectief op economische of politieke verbetering, niet voor de arbeidersklasse, maar ook niet voor zogenaamde middengroepen. Men is misschien blij dat de schade van de afgelopen periode beperkt is gebleven, maar iedereen is bang dat dat niet zo blijft en wantrouwt de toekomst.

Als je een thermometer in de samenleving steekt zie je dat het wantrouwen een koortsachtig hoog niveau heeft bereikt. Sommige mensen stikken zowat in wantrouwen, maar verder dan symbolische actie (een omgekeerde vlaggetje) komen ze niet. Het werkt verlammend. Door het ontbreken van klassenbewustzijn, klassenorganisaties (vakbonden, politieke partijen woningcorporaties voor de arbeiders) is er weinig tegenwicht in de maatschappij. Ook mensen uit de arbeidersklasse raken daardoor gevoelig voor dit soort stemmingswisselingen.

Al deze verwikkelingen en complicaties leiden af van het belangrijkste punt.

Hoe kan de arbeidersbeweging zijn stempel op de verkiezingen drukken?

De werkende bevolking kan, in al haar diversiteit, met jongeren, vrouwen en LGBTQI+ mensen op kop, slechts op zichzelf rekenen om hun eisen en zorgen op tafel te leggen en te verdedigen. Ze kan een actieve rol spelen en haar stempel actief op de verkiezingscampagne en het publieke debat drukken indien ze de strijd van de afgelopen maanden naar een versnelling hoger brengt. Zo kan ze haar eisen in het maatschappelijk debat opleggen dat in de media, op de werkvloer, in de huiskamers en op school wordt gevoerd. Als de werkende bevolking dit niet zelf doet, zullen anderen het in haar naam doen, met alle gevolgen van dien. Extreemrechts is er alvast volleerd in. Maar ook anderen kunnen in dit vacuüm stappen.

Het neoliberalisme heeft na veertig jaar dominantie van de maatschappij een sociaal kerkhof gemaakt. Daar kan geen gelijkheid groeien, en dus is het belangrijk dat ook de jongeren en de bewegingen tegen onderdrukking met hun specifieke eisen van zich laten horen in aanloop naar de verkiezingen. Dergelijke bewegingen kunnen de stem voor linkse versterken en de noodzakelijke krachtsverhouding opbouwen binnen de maatschappij om onze eisen ook af te dwingen. Het budgettaire keurslijf dat de komende tijd weer naar voren geschoven wordt (nieuwe bezuinigingen) moet afgewezen worden. De steun voor eisen naar een meer verregaande herverdeling van de rijkdom door een taks op vermogen is zeer groot. Het komt neer op het opeisen van een groter deel van de door de werkenden zelf geproduceerde rijkdom.

Een burgerlijk parlement zal een dergelijke eisen echter niet zomaar verwezenlijken. Bovendien zijn er immense achterpoortjes en blijven de grootste kapitalen in Nederland nog steeds onzichtbaar door het ontbreken van een vermogensregistratie. Een bijkomende eis moet dan ook de nationalisatie van de financiële en belangrijkste economische sectoren zijn onder democratische controle van de gemeenschap om kapitaalvlucht te voorkomen.

Het realiseren van eisen als automatische prijscompensatie, een minimumloon van 16 Euro per maand, een kortere werkweek, gratis onderwijs en gezondheidszorg, betaalbare woningen voor iedereen en de strijd voor een beter milieu, zal in de eerste plaats een brede mobilisatie vergen die de arbeiders- en milieubeweging dichter bij elkaar brengt. De strijd voor deze eisen valt niet los te zien van het gevecht voor een socialistisch programma en een socialistische maatschappij waarin de arbeidersklasse de productie op een democratische manier inricht en beheert. Dat zou niet alle problemen in één klap oplossen, maar een basis geven om die problemen echt aan te pakken.

Een programma van vergaande hervormingen en stappen naar het socialisme bespreken en populariseren naar aanloop van de verkiezingen, het onderdeel maken van de OR-verkiezingen in de bedrijven, van discussies in de scholen en campussen, maakt deel uit van de klassenstrijd.

Het zal de werkende klasse in al haar geledingen meer bewust maken van haar bijzondere rol in de samenleving en de voorwaarden creëren om de strijd te beginnen voeren voor een maatschappij naar haar model en in haar belang.

Bron: socialisme.be

De rol van vakbonden in de strijd tegen extreemrechts

Vakbonden hebben als arbeidersorganisaties een belangrijke rol te spelen in de strijd tegen extreemrechts. Om te beginnen zijn ze één van de weinige massa-organisaties met een breed netwerk van delegees en antennes in de samenleving. De vakbonden zijn het best geplaatst om de leugenachtige sociale retoriek van het Vals Belang te doorprikken door op te komen voor een consequent links programma dat ingaat op de vele sociale noden van de werkende klasse. Actieve mobilisatie is hier cruciaal, net als bij antifascistische acties.

door Bart Van der Biest, vakbondsafgevaardigde in de zorgsector

‘Syndicalisten TEGEN Fascisme’ werd destijds opgezet door Blokbuster-veteranen van het eerste uur als een informeel netwerk om met syndicalisten uit de basis jongerenacties tegen extreemrechts mee te ondersteunen aangezien die actieve steun geruime tijd ontbrak vanuit de officiële structuren, buiten symbolische deelname aan ‘brede antiracistische initiatieven’.

In Franstalig België is er een grotere betrokkenheid van de vakbonden bij antifascistische mobilisaties dan in Vlaanderen. Het initiatief komt zelfs doorgaans vanuit die georganiseerde arbeidersbeweging. Van waar dat groot verschil?

In Wallonië en Brussel blijft extreemrechts in de politieke marginaliteit. De voedingsbodem is er nochtans even rijp als in Vlaanderen. Er is echter grote verdeeldheid binnen extreemrechts en elke poging om naar buiten te treden, wordt beantwoord met protest. Hierdoor houdt het cordon sanitaire, tot voor kort ook in de media, stand.

In Vlaanderen daarentegen is de normalisering van het VB ver doorgeslagen. Extreemrechts heeft er een lange traditie. Er was na de Tweede Wereldoorlog geen ernstige defascisering omdat extreemrechts op organische wijze met de Vlaamse beweging was versmolten. Reeds vijf jaar na de oorlog marcheerde de VMO door de straten en bracht Karel Dillen (voorzitter voor het leven van het Vlaams Blok) in publiek de Hitlergroet op de Brusselse Grote Markt tijdens een Vlaamse manifestatie. Daarnaast wordt het VB deels groot gemaakt door de traditionele media, waarbij zelfs heel wat journalisten en commentatoren in de leugens van het VB trappen. De zogenaamde ‘sociale retoriek’ van het Vals Belang is daar een mooi voorbeeld van.

Op het laatste federaal congres van het ABVV in juni 2022 leek er een kentering te komen in de afwachtende opstelling van de vakbondsapparaten. De strijd tegen extreemrechts werd als een van de tien prioriteiten voor de komende vier jaar naar voren geschoven. Er bestaat echter een hemelsbreed verschil tussen resoluties stemmen en applaudisseren op congressen en vakbondsbesturen, sociale mediacampagnes … en daadwerkelijk actief deelnemen aan antifascistische mobilisaties of zelfs de kar trekken. Er blijft veel druk vanuit de basis nodig om te bewegen.

Binnen de vakbondsleiding is er bovendien al te gemakkelijk de neiging om antifascistische acties te laten verzanden in ‘brede culturele manifestaties’ waarbij het strijdbare, mobiliserende element helemaal naar de achtergrond verwezen wordt. De sociale eisen waar vakbondsleden het hele jaar door voor strijden – zoals rond lonen, arbeidsvoorwaarden, sociale bescherming, publieke investeringen in zorg en onderwijs – zijn essentieel in de strijd tegen de sociale wantoestanden waarop extreemrechts als een schimmel woekert. We zullen deze eisen niet bekomen in een alliantie met burgerlijke, pro-kapitalistische organisaties en partijen. Tegenover dat model, historisch een ‘volksfront’ genoemd, plaatsen wij de methode van het eenheidsfront: eenheid in actie van antikapitalistische arbeidersorganisaties.

Na de bewuste provocatie van Tom Van Grieken op de vakbondsbetoging van de zorg op 13 juni werden er terechte argumenten gebruikt op het Federaal Comité BBTK-SETCa kort nadien. Julien Dohet (politiek secretaris SETCa Luik) stelde dat dergelijke provocaties zich nog zullen voordoen in de toekomst en dat de vakbond zich hierop moet voorbereiden én niet mag vertrouwen op de politiediensten om dit probleem aan te pakken. Op zijn tussenkomst en nog andere volgde er applaus, maar wat betreft de praktische conclusies blijven we een beetje op onze honger zitten …

De houding van de opperste échelons van de vakbond verschilt niet veel met die tijdens het interbellum. Concrete antifascistische mobilisaties kwamen toen ook vooral uit de basis die instinctief naar eenheid in actie zocht terwijl dit soms botste met de agenda van de apparaten die hun vertrouwen in de gevestigde partijen stelden en hoopten dat het allemaal zo geen vaart zou lopen. Er waren interessante initiatieven van onderuit, zoals de ‘Arditi del Popolo’ (AdP) in Italië begin jaren 1920. Die vroege antifascistische groep bracht zowel revolutionaire syndicalisten, anarchisten, communisten als socialisten samen en groeide binnen het jaar tot 20.000 leden.

Met het Vlaams Belang dat zich een ‘sociaal imago’ probeert aan te meten, is een strijdbaar antikapitalistisch antifascisme van syndicalisten erg belangrijk. Daartoe willen we de komende weken een platformtekst van Syndicalisten TEGEN Fascisme uitwerken waarmee militanten aan de slag kunnen om steun op te bouwen en te mobiliseren.

Bron: Socialisme.be