Activering: deze methodiek helpt kwetsbare mensen duurzaam aan het werk

Activering: deze methodiek helpt kwetsbare mensen duurzaam aan het werk

Hoe kan je kwetsbare mensen begeleiden richting duurzaam werk? Een relevante vraag, nu de werkloosheid in de tijd beperkt werd en activering zo’n hot issue is. We gingen te rade bij psycholoog en casemanager zorg Mieke Vermeulen. “De sleutel ligt in een aanpak die op twee sporen loopt: zorg en werk.”

Arbeidsmarkt bezaaid met drempels

Iedereen heeft het over activering. Zo veel mogelijk mensen aan het werk krijgen staat hoog op de politieke agenda. Het is het doel van de beperking van de werkloosheid in de tijd en van de re-integratie van langdurig zieken.

Maar wat met mensen voor wie ‘gewoon’ gaan werken geen evidentie is? Voor wie de arbeidsmarkt bezaaid is met drempels omwille van hun kwetsbaarheid? Neem mensen met psychische en psychiatrische moeilijkheden, geheugen- of aandachtsproblemen, chronische vermoeidheid of pijn. Of bijvoorbeeld mensen die erg moeilijk met stress om kunnen gaan of zo angstig zijn dat ze niet buiten durven komen. Of mensen met een verslaving en mensen die problemen hebben met hun woonsituatie. Hoe ziet duurzaam begeleiden naar werk er voor hen uit?

Zorg én werk naast elkaar

“De sleutel ligt in een aanpak die op twee sporen loopt: zorg en werk”, zegt psycholoog en casemanager zorg Mieke Vermeulen van UPC KU Leuven Campus Kortenberg. “Je moet holistisch kijken naar de problematiek van de persoon en naar de invloed daarvan op de werkvloer. Door niet alleen begeleiding te bieden, maar ook een stage, kan je in de praktijk zien waar iemand op botst en er vervolgens mee aan de slag gaan.”

Mieke werkt al sinds 1990 in het psychiatrisch ziekenhuis in Kortenberg en is daar al bijna twintig jaar bezig rond activering. De tweesporenaanpak is sinds 2014 decretaal verankerd in zogenaamde ‘werk- en zorgtrajecten’. In die intensieve activeringstrajecten van maximum 18 maanden begeleidt een casemanager zorg, zoals Mieke, in duo met een casemanager werk mensen die nog niet klaar zijn voor betaald werken.

Het doel? Samen met de persoon achterhalen of die na het wegwerken van drempels wel betaald aan de slag kan. Bij ongeveer de helft blijkt dat mogelijk. Velen gaan kort na het traject aan de slag. En die tewerkstelling is dankzij deze aanpak ook duurzaam, vertelt Mieke. “Ook een jaar later blijken de meesten nog aan het werk. Je ziet dus dat als je de componenten zorg en werk naast elkaar zet, mensen echt wel kunnen groeien.”

Samenwerkingsverband

Het begint allemaal bij de VDAB wanneer een bemiddelaar inschat dat betaald werk niet, niet meer of nog niet mogelijk is en dat komt door cognitieve, medische, psychische, psychiatrische of sociale (CMPPS) belemmeringen. Het gaat om erg diverse profielen van alle mogelijke leeftijden. Sommigen zijn werkloos, anderen arbeidsongeschikt of ontvangen een leefloon. Sommigen nog maar recent, anderen al jarenlang.

Kort gezegd belandt het dossier van de persoon uiteindelijk bij het ‘samenwerkingsverband zorg’ van zijn regio. Rond de tafel van dit samenwerkingsverband zitten regionale welzijnspartners, zoals CAW, OCMW’s of mutualiteiten, partners uit de geestelijke gezondheidszorg en VAPH-partners.

Naast haar job als casemanager coördineert Mieke ook dit intersectoraal netwerk in Vlaams-Brabant. “Afhankelijk van de kwetsbaarheden van de persoon, bekijken we met de organisaties rond de tafel wie het best geplaatst is om de rol van casemanager zorg op te nemen. Omwille van mijn achtergrond, volg ik vooral mensen op met een psychische of psychiatrische problematiek”, vertelt Mieke. “Al gaat het in de praktijk vaak om multiproblematieken.”

GTB – Gespecialiseerd Team Bemiddeling – levert de casemanager werk aan. Samen met de cliënt en de casemanager werk maakt Mieke een trajectplan op met concrete doelen en acties rond zorg en werk. Wat willen ze bereiken? Hoe? En met wiens hulp? “De cliënt wordt de hele tijd betrokken. Ze zijn evenwaardig en beslissen mee.”

Voor de uitvoering van het plan worden er dienstverleners mee aan boord getrokken, zowel voor het luik werk als het luik zorg. In Vlaams-Brabant staan de casemanagers zorg vaak zelf in voor de begeleiding of behandeling van de cliënten. En de dienstverlener op vlak van werk zorgt dat er tijdens een werkervaringsstage geoefend kan worden.

Draagkracht als rode draad

“Mensen zijn in het verleden altijd om een of andere reden vastgelopen of uitgevallen”, zegt Mieke. “Daarom is de rode draad van elke begeleiding draagkracht: wat iemand kan en niet kan. We proberen de draagkracht te verhogen door te werken aan de moeilijkheden die het zetten van stappen naar werk verhinderen.”

“Neem bijvoorbeeld een jonge vrouw die op haar vorige job in de zorg uitgevallen was”, vertelt Mieke. “Na haar opname lukte het niet meer om de draad weer op te pikken en opnieuw te gaan werken. Onderliggend bleek een angstprobleem te spelen. We probeerden uit te klaren waar de angst vandaan kwam en zagen dat het om angst voor het onbekende ging die haar volledig verlamde. Het voordeel bij haar was dat we haar ouders mee konden inschakelen. Zij hebben haar toen de eerste keren naar de stage gebracht, dat bood veiligheid.”

Tijdens de stage werd duidelijk dat ze zeer intelligent was. “Ze had veel uitdaging nodig, maar tegelijk durfde ze die uitdaging niet aan. Het was paradoxaal. Uiteindelijk bleek dat ze hoogbegaafd was, en zowel ADHD als een autismespectrumstoornis had. Plots was er een verklaring voor waarom het in het verleden zo moeilijk ging. Daarnaast legde ze de lat voor zichzelf altijd heel hoog, waardoor ze uiteindelijk onderuitging.”

Over grenzen gaan

In de werk-zorgtrajecten is het belangrijk om te zoeken naar die achterliggende problemen, vertelt Mieke. “Zo weten we waaraan we moeten werken. Is iemand over zijn grenzen heengegaan? Dan werken we aan het herkennen en bewaken van die grens.”

De hele tijd tot aan de grens gaan, is intens. Daarom heeft Mieke daar ook bij de stages aandacht voor: na zo’n stagedag volgt soms een weerslag. “We onderzoeken goed hoe de recuperatie verloopt. Wat doet een halve dag stage met je? Kan je nog heel je huishouden doen? Of lig je een ganse dag in bed om te recupereren? Door die stage kan je dingen testen en oefenen, en waar nodig proberen bijsturen.”

“Neem opnieuw die hoogbegaafde jonge vrouw. Ze wilde graag meer uitdaging en moeilijkere taken opnemen, maar dat bleek tegelijk te overweldigend. Dus gingen we op zoek: hoe kan je enerzijds accepteren dat je draagkracht niet mee volgt, maar toch af en toe nog uitgedaagd worden? Doorheen het traject is ze daarin gegroeid. Vandaag werkt ze op haar voormalige stageplek en doet ze een mix van uitdagende en minder uitdagende taken. Belangrijk daarbij is natuurlijk dat de werkgever daarvoor openstaat.”

Helemaal op maat

Zoals het voorbeeld van de hoogbegaafde vrouw illustreert, verloopt de begeleiding helemaal op maat. Zo kan er ingezet worden op het versterken van stressbestendigheid, verandering brengen in coping, vergroten van het zelfvertrouwen en zelfbeeld, grenzen bewaken, perfectionisme, slaapproblemen, chronische pijn… De lijst is lang.

Dat gebeurt via individuele gesprekken, indien nodig psychodiagnostisch onderzoek, opbouw van het netwerk rond de cliënt en regelmatig ook groepsmodules, schetst Mieke. “Psycho-educatie is belangrijk. Omdat bepaalde thema’s vaak terugkeren, hebben we samen met zorgpartners van ons netwerk een groepsaanbod ontwikkeld. In kleine groepjes brengen we mensen bijvoorbeeld samen rond omgaan met chronische pijn. Dat benaderen we niet medisch, want we zijn geen dokters, maar vanuit de vraag: hoe ga je daarmee om? Het gaat over dit leren dragen, aanvaarden en vaak ook jezelf weer graag zien.”

Parallel met de begeleiding die Mieke biedt, loopt ook een werk-luik met de casemanager en dienstverlener werk. Dat traject biedt een veilige ruimte om in anderhalf jaar tijd te voelen en proberen: wat lukt en wat niet, en kan die grens nog opschuiven? Mieke: “Die veilige experimenteerruimte is belangrijk, want veel mensen zijn bang om opnieuw stappen naar werk te zetten. Ze zijn bang om hun moeilijkheden te vergroten, hun symptomen te verergeren en in een nog diepere put te vallen.”

Beginnen met wat wel lukt

Het startpunt is dus altijd gebaseerd op wat de persoon op dat moment wél kan, vertelt Mieke. “Je mag niet onderschatten wat een opeenstapeling van faalervaringen met deze mensen gedaan heeft. Vaak hebben ze al andere trajecten doorlopen die niet op maat bleken en niet het gewenste resultaat opleverden. Daardoor zijn ze moedeloos geworden.”

“We beginnen daarom met iets waar iedereen van denkt: dit gaat wel lukken. Een functie, een sector, binnen de mensen hun interessegebied en sterktes. Iets waar ze zelf enthousiast over zijn. De collega’s van het werkspoor zoeken dan een werkgever in de regio die wil meewerken. Meestal is dat in de reguliere economie.”

De werkervaringsstage begint meestal klein. “Het start bijvoorbeeld met twee halve dagen per week. Na een tijdje bekijken we samen of het lukt. Kan er misschien wat meer? Zo bouwen we stilaan op. Maar we checken ook in: zijn er dingen die moeilijk lopen? Daar gaan we dan verder rond aan de slag.”

“Dat is het voordeel van het werk- en zorgspoor tegelijk te lopen. Komt iemand op de werkvloer bijvoorbeeld ongemotiveerd over, dan houdt het elders bij die feedback vaak op. Wij kijken naar: wat speelt er waardoor die persoon zo overkomt? En hoe werken we daaraan?”

Tot slot: een advies

Op het einde zit de cliënt rond de tafel met de casemanagers en de zorg- en werkactoren om tot een gedeeld eindadvies voor de VDAB te komen. Is de persoon klaar om betaald te werken? En kan dat in het regulier economisch circuit, of heeft de persoon nog extra hulp of zorg nodig op de werkvloer en is bijvoorbeeld maatwerk aangewezen?

Bij ongeveer 30 procent van de mensen is de conclusie na het traject dat betaald werk nog niet lukt. Er is eerst nog andere hulp of zorg nodig. Zij krijgen een advies Welzijn. Maar dat betekent niet terug naar af. “Het grootste deel van deze mensen doet nadien zogenaamde ‘arbeidsmatige activiteiten’: vrijwillige werkgerelateerde acties op het niveau van hun draagkracht in de sociale economie of bij welzijnsorganisaties. Zo hebben ze een doel en verantwoordelijkheid en betekenen ze iets in de maatschappij. Herstelgerichte zorg blijft ook in die begeleiding aanwezig. Nazorg is erg belangrijk in de werk- en zorgtrajecten, op beide sporen.”

Een andere groep gaat betaald aan de slag, in de regio van Mieke gaat het over ongeveer de helft. Regelmatig kan dat bij hun stageplek. “Komt iemand in aanmerking voor een subsidie via individueel maatwerk, dan bespreken de collega’s die het werkluik op zich nemen dit met de werkgever van de stageplek.”

Maar ook als die subsidie niet mogelijk is, is het een win-win voor iedereen. Mieke: “In het begin moet de werkgever misschien wat meer tijd in de persoon investeren, maar op het einde van de rit halen ze zo talent binnen dat er via een gewone sollicitatieprocedure niet door was geraakt. Want ondanks de rugzak die ze meesleuren, hebben deze mensen wel sterktes die voor werkgevers interessant zijn.”

Beperking werkloosheid

Mieke gelooft duidelijk in de werk- en zorgtrajecten. “Eigenlijk is dit traject een ideale manier om objectief in te schatten wie kan en wil werken, wie met bepaalde hulp kan werken en voor wie het nog niet lukt.”

Men zou veel vroeger op de rit op deze trajecten moeten inzetten, vindt Mieke. “Wij zien vaak mensen die al heel lang ziek of werkloos zijn. Andere trajecten duwen hen soms te snel richting betaald werk, maar dan loopt het weer mis. Pas na een lange tijd komen ze bij ons terecht, als een andere aanpak niet blijkt te lukken.”

Maar de context waarbinnen het werk- en zorgtraject plaatsvindt wijzigde begin dit jaar grondig doordat de werkloosheidsuitkering in de tijd beperkt werd tot maximaal twee jaar. De impact van deze maatregel is niet te min op de cliënten van Mieke. “Voor veel mensen is dit een drama.”

“Ik hoor de ene na de andere cliënt die een brief kreeg dat de uitkering zal wegvallen. Sommigen reageren gelaten, anderen worden kwaad. Hoe dan ook komen we natuurlijk in een heel andere dynamiek terecht. Er is niet langer sprake van rustig, op maat, gedurende 18 maanden bekijken wat kan. Ineens is er bij bepaalde mensen een harde deadline, veel te vroeg in het traject.”

Het gevolg? “Sommigen stappen naar een interimkantoor, maar dat is niet noodzakelijk duurzaam. En er zijn cliënten die vrij snel een job vinden waarvan je weet dat ze echt nog niet klaar zijn met het aanpakken van de onderliggende problemen. Maar hoe lang tot ze weer uitvallen? Dat is dan weer een nieuwe faalervaring.”

Alles door elkaar geschud

De maatregel maakt het ook moeilijker om mensen aan het einde van hun traject los te laten. Want wat als de conclusie is dat iemand nog niet klaar is om te werken en hij een advies Welzijn krijgt, maar zijn uitkering stopt binnen een maand? Wat gaat er dan gebeuren met deze persoon? “Vroeger kon ik op beide oren slapen, want ik wist dat de persoon verder opgevolgd werd. Nu kan ik het toch niet zo makkelijk loslaten.”

“Alles wordt ineens door elkaar geschud”, vat ze het samen. “We doen dit al zo lang en iedereen die met deze doelgroep werkt, noemt het een good practice. Wie er middenin zit gelooft ook dat er nu eenmaal een groep is die tijd nodig heeft om te groeien. Maar de regering en ook de bredere samenleving scheert iedereen over dezelfde kam: ‘Ga toch gewoon werken!’ Terwijl de maatschappij alsmaar drukker wordt en hogere eisen stelt. Wie niet kan volgen, heeft niet veel nodig om in moeilijkheden te komen.”

Bron: Sociaal.net

De West-Vlaamse Leraarskamer: ‘Leerkrachten haten verandering? We zijn alle maatregelen die onze leerlingen schaden gewoon zat’

De West-Vlaamse Leraarskamer: ‘Leerkrachten haten verandering? We zijn alle maatregelen die onze leerlingen schaden gewoon zat’

Waarom lijken leerkrachten alles zo veel mogelijk bij het oude te willen laten? ‘Als de samenleving verandert, moet het onderwijs volgen. Maar dan wel omdat het zin heeft en niet omdat er toevallig een nieuwe minister is’, zeggen de leerkrachten van de West-Vlaamse Leraarskamer van Knack.

Deze week komen de vijf Leraarskamers van Knack voor de derde keer samen. Alle panels hebben het over hetzelfde thema: de hardnekkige vooroordelen en misverstanden over hun beroep. ‘Er wordt vaak beweerd dat wij vastgeroest zijn, maar dat klopt totaal niet. Alleen worden ons te veel nutteloze veranderingen opgelegd’, klinkt het in de West-Vlaamse Leraarskamer, die in Kindcentrum De Tandem in Brugge aanschoof.

Er wordt vaak beweerd dat leerkrachten niet tegen verandering kunnen. Begrijpen jullie dat?

Ansger Perquy (leerkracht pedagogisch handelen): Als leerkrachten zich tegen veranderingen verzetten, is dat doordat die van bovenaf worden opgelegd. Het Vlaamse onderwijs scoort slecht in het een of andere onderzoek? Meteen komt de Vlaamse minister van Onderwijs weer met een rits maatregelen aanzetten. Wij worden dus telkens weer op de vingers getikt, want eigenlijk zegt de minister dan: ‘Jullie deden het niet goed en dus moet het nu anders.’ Geen wonder dat daar weerstand tegen is.

Dominiek Segaert (leerkracht Nederlands en godsdienst): Zeker als het om onnodige veranderingen gaat.  Nu roept iedereen plots moord en brand omdat kinderen niet meer goed kunnen schrijven, maar dat komt wel door een koerswijziging die jaren geleden in het onderwijs is ingezet. Sindsdien hoeven onze leerlingen in de klas veel minder te schrijven. Zelfs de klassieke boekbespreking is zo goed als verdwenen. Daarnaast erger ik me verschrikkelijk aan al die superintelligente mensen die het onderwijs blijkbaar veel beter kennen dan wij en ons uitleggen hoe wij het in de klas moeten aanpakken. Ze zouden beter eens komen kijken hoe het er in de praktijk aan toegaat als je les moet geven aan 24 heel verschillende leerlingen.

Shauni Celis (leerkracht grafische technieken): De overheid legt ons soms ook veranderingen op die er op papier heel goed uitzien maar moeilijk uit te voeren zijn. Zoals het M-decreet destijds.

Kristof Vandevoorde (leerkracht magazijn in het buitengewoon onderwijs): Om de vijf jaar treedt er een nieuwe minister aan die alles weer helemaal wil veranderen. Denk maar aan de Digisprong: van Ben Weyts (N-VA), de vorige Vlaamse minister van Onderwijs, moesten alle leerlingen een computer hebben, en nu draait zijn opvolgster dat weer terug. Dat is toch veranderen om te veranderen? Ik ken geen enkel bedrijf in de privésector dat om de vijf jaar compleet van strategie verandert. Toch geen goed draaiend bedrijf.

Celis: Iets anders zijn natuurlijk de veranderingen die ons niet van bovenaf worden opgelegd maar die scholen uit eigen beweging doorvoeren. Zelf heb ik nu, met de steun van de directie, het document ter voorbereiding van de klassenraden aangepast zodat we efficiënter kunnen werken. Ik moet toegeven dat er ook collega’s zijn die zich tegen dat soort veranderingen verzetten. Wellicht komt dat doordat die extra werk met zich meebrengen.

Vandevoorde: Ik heb 32 jaar in de privésector gewerkt en daar moet alles heel snel vooruitgaan. Als je in het onderwijs zo te werk gaat, bots je bij sommige collega’s al snel op een muur. Zelfs als ze eigenlijk heel goed weten dat er veranderingen nodig zijn, verzetten ze zich daartegen. De extra werklast zal daar zeker iets mee te maken hebben.

Matthias Allegaert (leerkracht zesde leerjaar): Ik werk nu al tien jaar in een team dat lange tijd de reputatie had elke verandering tegen te houden. Tot er twee jaar geleden een nieuw directieteam aantrad. Die mensen hebben ontzettend veel veranderd en wij zijn daar allemaal in meegegaan. Als je ons op voorhand had gezegd dat we in korte tijd zo veel veranderingen zouden moeten slikken en er heel wat extra werk bovenop zouden krijgen, dan waren veel collega’s waarschijnlijk beginnen te protesteren. De reden dat ze dat nu wel aanvaarden, is dat onze directie de tijd neemt om uit te leggen waarom veranderingen worden doorgevoerd en ook hoe dat zal gebeuren. We voelen ook dat ze echt geloven in wat ze doen. Het gevolg is dat ons team onherkenbaar is veranderd.

Sofia Ben Moussa (leerkracht PAV): Toen ik vier jaar geleden startte, merkte ik bij veel collega’s inderdaad een soort veranderingsmoeheid. Daarom hield ik me een beetje in en probeerde ik niet te veel voorstellen te doen om dingen te veranderen. Maar daar ben ik van afgestapt. Als je mensen tijd gunt om zich aan te passen en hun niet het gevoel geeft dat ze ergens toe worden gedwongen, staan ze daar meestal wel voor open. Zo heb ik er als taalcoach een hele tijd over gedaan om alle collega’s ervan te overtuigen dat het echt wel een goed idee is om sommige leerlingen een woordenlijst in hun thuistaal te geven.

Inge Demeyer (leerkracht derde leerjaar): Hoewel ik al vele jaren in het derde leerjaar lesgeef, ben ik iemand die hunkert naar verandering. Ik ben altijd op zoek naar manieren om mijzelf en onze school te verbeteren. Dat moet ook, want zowel de samenleving als onze leerlingenpopulatie is enorm veranderd. Het lijkt me logisch dat we onze werking daaraan aanpassen. Sommige collega’s worden daar inderdaad heel zenuwachtig van. ‘Zal dat allemaal wel werken? Zullen we dan nog wel een echte freinetschool zijn?’ vragen ze dan. Maar als je genoeg tijd neemt om veranderingen door te voeren, lukt dat allemaal wel. Dat is net het probleem met veel maatregelen die de overheid ons oplegt: dat moet allemaal heel snel gebeuren. Neem nu de nieuwe minimumdoelen. Als je die eens goed leest, weet je dat er geen reden is tot paniek. Maar dan moeten ze ons wel genoeg tijd geven.

Ben Moussa: De samenleving is inderdaad heel snel veranderd en het onderwijs is moeten volgen. Daardoor moeten wij soms ook lesgeven over dingen waar we niet helemaal mee vertrouwd zijn, zoals artificiële intelligentie. Dat is best eng. Het lijkt me ook normaal dat je je daar als leerkracht wat onzeker over voelt. Dus moet je de nodige tijd nemen om je die nieuwe dingen eigen te maken en moet je daar indien nodig ook bij worden begeleid.

Vandevoorde: Bij elke verandering zou de vraag moeten zijn: is het wel in het belang van onze leerlingen? Sommige maatregelen die in Brussel worden genomen, zijn dat niet. Ze schaden de leerlingen zelfs. Dan lijkt het me ook normaal dat leerkrachten zich daartegen verzetten.

De Beir (leerondersteuner kleuteronderwijs): Daar ben ik het mee eens. Als leerondersteuner zie ik, bijvoorbeeld, veel kinderen met autistische kenmerken die in een grote klasgroep worden gedropt en daar grotendeels aan hun lot worden overgelaten. Dat is totaal niet in het belang van veel van die kleuters, maar de overheid schrijft nu eenmaal voor dat zij in een gewone klas moeten meedraaien. Natuurlijk voelen veel leerkrachten zich daar niet goed bij.

Ben Moussa: Ik erger me dan weer aan de Vlaamse toetsen die totaal niet op mijn leerlingen uit de B-stroom zijn afgestemd. Nog los van de inhoud moeten ze voor die test ook nog eens twee of drie uur in één grote ruimte op een stoel zitten. Veel van mijn leerlingen hebben dat nog nooit gedaan en kunnen dat ook niet goed. Geen wonder dat de resultaten dan rampzalig zijn.

Perquy: De doorstroomfinaliteit, zoals we het aso nu moeten noemen, is nog altijd de norm. Alle maatregelen en veranderingen worden op die onderwijsvorm gebaseerd. Dat getuigt natuurlijk van een grote minachting voor leerlingen uit technische en beroepsopleidingen.

Celis: Ik heb zelf beroepsonderwijs gevolgd. Toen ik na mijn zevende jaar verder wou studeren, leek iedereen te denken dat ik dat nooit zou kunnen. ‘Dat zal toch héél moeilijk zijn,’ zeiden ze. Dat wist ik natuurlijk ook wel. Maar ik heb het toch gedaan, want ik wou toen al grafisch vormgever en leerkracht worden. Nu ik zelf als praktijkleerkracht in het onderwijs sta, merk ik keer op keer dat zowel het beleid als de rest van de samenleving nog altijd neerkijkt op jongeren die een beroepsopleiding volgen. En dan bloedt mijn hart.

De Leraarskamer van Knack komt tot stand met de steun van de Koning Boudewijnstichting en de Nationale Loterij.

Bron: Knack.be

De Limburgse Leraarskamer: ‘Wedden dat Zuhal Demir niet eens zelf gelooft in het nut van extra lesdagen?’

De Limburgse Leraarskamer: ‘Wedden dat Zuhal Demir niet eens zelf gelooft in het nut van extra lesdagen?’

Zal de onderwijskwaliteit verbeteren als leerkrachten meer lesgeven? ‘Die zoektocht naar extra lesdagen is louter politieke framing’, zeggen de leerkrachten van de Limburgse Leraarskamer van Knack.

Deze week komen de vijf Leraarskamers van Creëer een die past bij deze tekst: De vier aanvragen van de ouders tot versnelde opname in een Multifunctioneel Centrum (MFC), “de geschikte plek voor onze zoon”, werden telkens afgewezen. “In wezen werd hulp geweigerd wegens personeelsgebrek en een gebrek aan opvangplaatsen”, aldus hun advocaat Stijn Verbist. De minderjarige belandde later nog ongewild in jeugddetentie en zelfs voor de jeugdrechter. Ten einde raad dagvaardden de ouders de Vlaamse Gemeenschap. “Het ging ons nooit om een schadevergoeding, dat interesseert ons niet, maar om de simpele erkenning dat het hele systeem faalt”, vertelt de moeder. “We deden dit voor onze zoon, maar eigenlijk voor elk kwetsbaar kind.” “Dit is een baanbrekend precedent. Er is geoordeeld dat de Vlaamse Gemeenschap zich niet heeft gedragen als een zorgvuldige overheid”, zegt advocaat Verbist. “Door de systeemcrisis in de jeugdhulp in stand te houden en door niet tijdig adequate maatregelen te treffen om deze crisis te verhelpen.”Knack voor de derde keer samen. Alle panels hebben het over hetzelfde thema: de hardnekkige vooroordelen en misverstanden over hun beroep. ‘Mensen lijken te denken dat wij elke kans aangrijpen om geen les te moeten geven. Het erge is dat Vlaams minister van Onderwijs Zuhal Demir (N-VA) die perceptie nog versterkt met haar krampachtige zoektocht naar extra lesdagen, van facultatieve verlofdagen en pedagogische studiedagen tot de lesvrije week tijdens de klassenraden’, klinkt het in de Limburgse Leraarskamer, die aanschoof in De Berk, een basisschool voor buitengewoon onderwijs in Hasselt.

Veel leerkrachten beweren nochtans dat ze wat meer lestijd zouden kunnen gebruiken.

Roos Ulenaers (leerkracht economie): Die paar extra lesdagen zullen echt het verschil niet maken, want veel leerlingen komen dan toch niet opdagen. De vrijdag voor de paasvakantie moesten ze, bijvoorbeeld, in de voormiddag naar school komen. Hun rapport hadden ze op donderdag al gekregen, maar er werd nog een paasmoment georganiseerd. Meer dan de helft van de leerlingen diende een ziektebriefje in. Hetzelfde met de laatste dag van het schooljaar, want veel ouders willen dan al met hun kinderen op vakantie vertrekken.

Alexandra Waumans (leerkracht Nederlands): Vaak komen ze ook nog eens later van vakantie terug. Een van mijn leerlingen is pas de donderdag na de paasvakantie uit China teruggekeerd en er was er zelfs een die de hele week heeft overgeslagen. Volgens mij ligt ook dat aan al die vooroordelen over leerkrachten: sommige ouders nemen het onderwijs niet meer ernstig.

Greet Keunen (kleuterleerkracht): Aangezien mijn kleuters geen leerplicht hebben, zijn er veel ouders die tijdens de schoolweken met hun kind op vakantie gaan. Ik geef hun geen ongelijk, want dat is natuurlijk veel goedkoper. Maar het zegt wel iets over de manier waarop mensen naar het kleuteronderwijs kijken. Alsof hun kinderen er alleen maar spelen en helemaal niets leren.

Cas Vanommeslaeghe (leerkracht Nederlands, Engels en geschiedenis): Ik heb er geen probleem mee om lesvrije dagen op te geven, maar dan moet die tijd wel nuttig worden ingevuld. Ik geloof niet dat het meer zin heeft om helemaal aan het eind van het schooljaar nog wat les te geven dan om al onze leerlingen grondig te bespreken. Dat zeg ik niet omdat ik dan niet voor de klas wil staan, want klassenraden zijn echt niet plezanter dan lesgeven.

Simon Heijens (leerkracht zedenleer en filosofie): Ik ben ervan overtuigd dat minister Demir zelf ook niet gelooft dat die paar dagen het verschil zullen maken.

Vanommeslaeghe: Dat is louter politieke framing.

Heijens: Klopt. Door de hele tijd te herhalen dat er werkdagen zijn waarop wij niet voor de klas staan, versterkt ze alleen maar de stereotypen die over ons bestaan.

Monica Joris (beleidsondersteuner in het lager onderwijs): Ik heb er geen probleem mee dat er in het lager onderwijs twee facultatieve verlofdagen wegvallen. Minder begrip heb ik voor het feit dat de pedagogische studiedagen ter discussie worden gesteld. Zeker nu al die nieuwe leerdoelen moeten worden ingevoerd. Waar moeten we de tijd vinden om ons daarover te informeren, met elkaar te overleggen en ze dan daadwerkelijk in lessen te gieten? Als de minister de onderwijskwaliteit wil optrekken, zal het echt niet volstaan om extra lestijd in te lassen. Belangrijker is dat leerkrachten meer tijd krijgen om te overleggen en van elkaar te leren. Daar worden onze lessen beter en efficiënter van.

Heijens: Wij zijn net door de inspectie op de vingers getikt omdat we te veel buiten de schooluren vergaderen. Geen idee wanneer we dat dan wel zouden moeten doen.

Laura Vranken (leerkracht buitengewoon lager onderwijs): Toen ik nog in het gewone onderwijs werkte, was het ook moeilijk om daar tijd voor te vinden. Hier in het buitengewoon onderwijs hebben we wekelijks overlegmomenten tijdens de lesuren. Dan zitten we samen over projecten waar we aan werken of bespreken we situaties die zich hebben voorgedaan. Dat is een enorme meerwaarde.

Caroline Coppens (leerkracht godsdienst): Onze directie heeft een paar jaar geleden beslist dat alle leerkrachten uit de derde graad op maandag al om halfdrie moeten stoppen met lesgeven. Dan is er een verplichte vergadering of kunnen we samenzitten met collega’s met wie we iets moeten bespreken. Het gevolg is wel dat onze leerlingen op maandag maar zes uur les hebben terwijl ze op andere dagen acht uur in de klas zitten.

Ulenaers: Wij hebben over het schooljaar verspreid vier namiddagen waarop onze leerlingen thuis een taak moeten maken. Eerst hebben we personeelsvergadering en daarna zitten we in aparte groepen samen. Omdat iedereen die tijd zo goed mogelijk wil benutten, levert dat echt veel op.

Zien jullie dan iets in de 38-urenwerkweek die de Commissie van Wijzen voorstelde? Dan zouden overlegmomenten wellicht ook gemakkelijker kunnen worden ingepland.

Coppens: Wie elke dag tot halfvijf op school wil blijven, kan dat toch gewoon doen? Zelf kies ik daar ook geregeld voor, want ik vind het fijn om al mijn werk op school af te maken. Maar dat is wel een persoonlijke keuze. Er zijn ook dagen dat ik na mijn laatste lesuur meteen naar huis ga. Die vrijheid is een heel leuk aspect van onze job.

Joris: Vroeger, als jonge mama, vond ik het heel fijn om meteen na school met mijn kinderen naar huis te kunnen gaan. Nu heb ik daar minder behoefte aan. Ik zeg niet dat er per se een 38-urenweek moet worden ingevoerd, maar het kan wel veel opleveren om na de lesdag met een paar collega’s door te werken. Een school kan dat moeilijk opleggen, want dan zullen veel leerkrachten protesteren, maar het beleid zou daar wel over kunnen nadenken.

Keunen: Bij ons op school zijn er veel leerkrachten die dat totaal niet zouden zien zitten. Zelf blijf ik vaak tot halfvijf op school om mijn werk af te maken en ’s ochtends kom ik ook altijd een uur vroeger. Dat wil natuurlijk niet zeggen dat ik geen werk mee naar huis neem.

Vranken: Het is inderdaad heel moeilijk om al je werk op school te doen. Tegenwoordig probeer ik zoveel mogelijk over de middag af te werken, maar vroeger nam ik alles mee naar huis. Ik kwam thuis, deed het huishouden en hield me met de kinderen bezig. Maar vanaf een uur of zeven liet ik die aan hun vader over zodat ik voor school kon werken. Meestal tot tien uur, maar soms werd het ook later.

Waumans: Als mijn dochter in bed ligt, ga ik meestal ook weer aan de slag. Ik zou het liever anders organiseren, maar ik weet niet goed hoe.

Joris: Het probleem is dat je in het onderwijs altijd nog tien dingen kunt verzinnen die je zou kunnen doen. Het stopt nooit. Daarom denk ik dat mijn gezin destijds zonder aarzelen voor die 38-urenweek had gekozen. Dan was het tenminste duidelijk geweest wanneer ik werkte en wanneer niet.

Vanommeslaeghe: (geëmotioneerd) Zelf ben ik doosbang voor zo’n regime. In de private sector heb ik jarenlang geprobeerd om in zo’n vastgelegde 38-urenweek te functioneren, maar dat lukte gewoon niet. Ondertussen weet ik dat ik ADHD heb waardoor ik het ene moment niet kan stoppen met werken terwijl ik het andere maar niet aan werken toe kom. In het onderwijs heb ik eindelijk een uitweg gevonden, want ik heb er veel vrijheid om mijn werk zelf te organiseren. Ik werk niet minder, maar wel meer op mijn eigen ritme. Als die vrijheid mij weer zou worden afgenomen, heb ik geen idee wat ik zou moet doen.

De Leraarskamer van Knack komt tot stand met de steun van de Koning Boudewijnstichting en de Nationale Loterij.

Lees ook:

Bron: Knack.be

Vlaanderen veroordeeld wegens falend jeugdbeleid: “Dit is een baanbrekend precedent”

Vlaanderen veroordeeld wegens falend jeugdbeleid: “Dit is een baanbrekend precedent”

De vier aanvragen van de ouders tot versnelde opname in een Multifunctioneel Centrum (MFC), “de geschikte plek voor onze zoon”, werden telkens afgewezen. “In wezen werd hulp geweigerd wegens personeelsgebrek en een gebrek aan opvangplaatsen”, aldus hun advocaat Stijn Verbist. De minderjarige belandde later nog ongewild in jeugddetentie en zelfs voor de jeugdrechter.

Ten einde raad dagvaardden de ouders de Vlaamse Gemeenschap. “Het ging ons nooit om een schadevergoeding, dat interesseert ons niet, maar om de simpele erkenning dat het hele systeem faalt”, vertelt de moeder. “We deden dit voor onze zoon, maar eigenlijk voor elk kwetsbaar kind.”

“Dit is een baanbrekend precedent. Er is geoordeeld dat de Vlaamse Gemeenschap zich niet heeft gedragen als een zorgvuldige overheid”, zegt advocaat Verbist. “Door de systeemcrisis in de jeugdhulp in stand te houden en door niet tijdig adequate maatregelen te treffen om deze crisis te verhelpen.”

Bron: HLN.be

Rousseau gaat op 1 mei vol voor miljonairstaks: “Sommigen van dat selecte clubje vragen er zelf om”

Rousseau gaat op 1 mei vol voor miljonairstaks: “Sommigen van dat selecte clubje vragen er zelf om”

Vooruit-voorzitter Conner Rousseau gaat in zijn toespraak aan de vooravond van 1 mei opnieuw vol voor een miljonairstaks. Wie het echt meent met de begroting, zal niet anders kunnen, zei hij aan de Koninklijke Bibliotheek. MR liet deze week echter al verstaan dat het regeerakkoord weinig ruimte laat voor extra belastingen. Opvallende afwezige in de speech: de energiemaatregelen die Vlaams minister Hans Bonte al twee keer tevergeefs door de ministerraad trachtte te loodsen.

De Vlaamse socialisten blazen net als vorig jaar verzamelen in het centrum van Brussel, voor speeches van de Vooruit-voorzitter, de topman van ABVV en de algemeen secretaris van Solidaris.

Rousseau klopt zich tegenover enkele honderden leden op de borst met de bescherming van de automatische index. “Honderd jaar geleden gebouwd door socialisten en honderd jaar later gered door socialisten.” De huidige federale regering waar Vooruit in zetelt, behield wel degelijk de index maar wil hem wel afvlakken voor de hogere lonen. “De tijden veranderen, maar één ding zal nooit veranderen. Ik zal niet toestaan dat ze die index afpakken. Niet vandaag, niet morgen, nooit”, aldus Rousseau.

Om de begroting te redden, ziet de voorzitter op de Dag van de Arbeid enkele andere oplossingen. Om te beginnen moet de verhoogde tegemoetkoming opnieuw terechtkomen bij wie ze nodig heeft. Vooruit ijvert al enkele dagen opnieuw voor een uitgebreide vermogenstoets, iets dat onder meer N-VA niet ziet zitten.

Daarnaast wil Rousseau een miljonairstaks. “Een bijdrage van een klein select clubje. Een bijdrage waar sommigen van die club zelf om vragen.” Anders komt het volgens hem niet meer goed met de federale begroting. “Gewone mensen betalen vandaag te veel omdat een kleine groep te weinig betaalt. Dat kan je alleen oplossen met een miljonairstaks. Alleen zo betalen gewone werkmensen minder, houden ze netto meer over en krijgen we ons land op orde.”

Rousseau houdt ook een pleidooi voor meer Europa, dat zijn eigen lot in handen moet nemen. De socialisten stelden eerder dit jaar al voor om enkel nog bedrijfswagens van Europese makelij fiscaal aftrekbaar te maken. Nu pleit de voorzitter voor “één Europese toekomst”. “Met eigen energie, eigen industrie en eigen technologie.”

Morgen neemt Rousseau deel aan de optocht in thuisstad Sint-Niklaas en geeft hij een speech in Zelzate.

Bron: HLN.be