Hier is een heldere samenvatting van het arrest Trade Union of Social Sector Workers Hongarije en de belangrijkste gevolgen ervan.
De zaak gaat over een Hongaarse vakbond die in 2020 verschillende stakingsdagen wilde organiseren. Volgens de Hongaarse wet moest vooraf worden vastgelegd welke minimale dienstverlening tijdens de staking verzekerd moest blijven.
De vakbond deed hiervoor een voorstel, maar de regering wees dit af. Daarom werd een verplichte arbitrageprocedure opgestart om de minimale dienstverlening vast te leggen. Die procedure liep echter ernstige vertraging op door administratieve fouten, bevoegdheidsdiscussies tussen rechtbanken en een trage behandeling door de hoogste rechter (de Kúria).
Het definitieve oordeel over de minimale dienstverlening kwam pas eind december 2020, terwijl de laatste geplande stakingsdag al voorbij was. Daardoor konden de aangekondigde stakingen in de praktijk niet meer plaatsvinden zoals bedoeld.
De vakbond en enkele leden stapten naar het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) en voerden aan dat hun stakingsrecht feitelijk onmogelijk was gemaakt.
Het Hof gaf hen gelijk.
Oordeel van het EHRM
Het Hof vertrekt van het principe dat het stakingsrecht een essentieel onderdeel vormt van de vrijheid van vereniging beschermd door artikel 11 EVRM.
Het Hof aanvaardt dat staten regels mogen opleggen over minimale dienstverlening, vooral in essentiële openbare diensten. Dergelijke regels mogen echter niet zo worden toegepast dat het stakingsrecht illusoir wordt.

Volgens het Hof:
• heeft de langdurige arbitrageprocedure de uitoefening van het stakingsrecht daadwerkelijk verhinderd;
• waren de vertragingen grotendeels toe te schrijven aan de nationale autoriteiten;
• gaf de Hongaarse regering geen overtuigende verklaring voor die vertragingen;
• verloor de staking haar betekenis omdat de beslissing pas kwam nadat alle aangekondigde stakingsdagen waren verstreken.
Het gevolg was dat de beperking van het stakingsrecht niet proportioneel was.
Daarom besloot het Hof dat artikel 11 EVRM was geschonden.
Kernboodschap van het arrest
Het arrest zegt niet dat minimale dienstverlening strijdig is met het EVRM.
Het Hof zegt wel dat:
Een procedure om minimale dienstverlening vast te leggen moet snel en effectief verlopen. Als de overheid door vertragingen verhindert dat een staking nog zinvol kan plaatsvinden, kan dat een schending van artikel 11 EVRM opleveren.

Juridische consequenties

  1. Positieve verplichting voor staten
    Lidstaten moeten niet alleen afzien van onrechtmatige beperkingen van het stakingsrecht, maar ook zorgen voor een procedure die tijdig werkt.
    Een procedure die zo lang duurt dat een staking onmogelijk wordt, kan op zichzelf een schending van artikel 11 EVRM vormen.
  2. Snelle geschillenbeslechting wordt essentieel
    Wanneer een staking afhankelijk is van een voorafgaande beslissing over minimale dienstverlening, moeten rechtbanken en overheden bijzonder snel handelen.
    Het arrest legt dus sterk de nadruk op spoedprocedures.
  3. Feitelijke verhindering telt evenzeer als een juridisch verbod
    Het Hof maakt duidelijk dat een overheid het stakingsrecht niet enkel kan schenden door een staking formeel te verbieden.
    Ook een procedurele vertraging die een staking praktisch onmogelijk maakt, kan een ontoelaatbare beperking vormen.
  4. Belang voor landen met regels over minimale dienstverlening
    Het arrest is relevant voor alle landen waar minimale dienstverlening geldt, waaronder ook België.
    Wanneer vakbonden afhankelijk zijn van administratieve of gerechtelijke procedures voordat zij effectief kunnen staken, moeten die procedures voldoende snel zijn om de actualiteitswaarde van de staking te behouden.
  5. Belang van de “relevantie” van een staking
    Een opvallend element in dit arrest is dat het Hof uitdrukkelijk kijkt naar de relevantie en actualiteit van de staking.

Een staking is meestal verbonden aan een concreet sociaal conflict of een bepaalde onderhandelingsfase. Als een beslissing pas komt nadat dat conflict voorbij is, wordt het stakingsrecht grotendeels uitgehold.

Het EHRM oordeelde in Trade Union of Social Sector Workers e.a. t. Hongarije (12 mei 2026) dat buitensporige vertragingen in een verplichte arbitrageprocedure over minimale dienstverlening tijdens een staking een schending kunnen vormen van artikel 11 EVRM.

Hoewel staten minimale dienstverlening mogen organiseren, moeten de procedures daarvoor tijdig en effectief verlopen. Omdat de Hongaarse autoriteiten de beslissing pas namen nadat alle geplande stakingsdagen waren verstreken, verloor de staking haar relevantie en werd het stakingsrecht op disproportionele wijze beperkt. Hierdoor stelde het Hof een schending van de vrijheid van vereniging vast.