Wat verandert er in september 2023?

Wat verandert er in september 2023?

Een nieuwe maand, nieuwe maatregelen, wijzigingen van de wetgeving, enz. Hierbij een kort overzicht.
  • Vier keer Vlaamse toets

Vanaf dit schooljaar moeten alle Vlaamse leerlingen op vier momenten in hun schoolcarrière een centrale toets voor Nederlands en Wiskunde afleggen. Dat gebeurt in het vierde leerjaar, het zesde leerjaar, het tweede jaar secundair en het zesde jaar secundair. De Vlaamse toets moet bijdragen aan de strijd tegen de dalende onderwijskwaliteit.

Vlaams minister van Onderwijs Ben Weyts (N-VA) is al lang pleitbezorger van centrale toetsen. Hij ziet ze als een tool om de onderwijskwaliteit op te krikken. “We zijn een van de weinige landen waar ze niet bestaan. Vandaag moeten we ons nog altijd beroepen op buitenlandse onderzoeken, die slechts om de paar jaar plaatsvinden en bij een select aantal leerlingen”, zegt hij. “Dankzij deze toetsen krijgen scholen een instrument om zich te vergelijken met andere scholen, met een gelijkaardige populatie.”

Voor de scholen zouden de toetsen geen extra werk mogen betekenen, aangezien de correctie digitaal en automatisch gebeurt. Tegen 2027 moeten de Vlaamse toetsen volledig uitgerold zijn.

  • Premie voor opleiding knelpuntberoep

Wie een opleiding volgt met het oog op een knelpuntberoep, krijgt kan daar vanaf 1 september een premie voor krijgen. De nieuwe knelpuntpremie moet de vele vacatures voor knelpuntberoepen helpen invullen.

De premie komt er op initiatief van Vlaams minister van Werk Jo Brouns (CD&V) en is er voor mensen die langer dan twee jaar niet actief waren op de arbeidsmarkt en zich engageren om een langdurige knelpuntopleiding te volgen van minstens één schooljaar.

Wie met de opleiding start krijgt 750 euro. Na het succesvol voltooien van de opleiding komt daar 1.000 euro bij, en wie binnen de vier maanden na de opleiding minstens 28 dagen heeft gewerkt krijgt 1.500 euro. De financiële stimulans geldt voor de opleidingen die starten vanaf september tot oktober 2024. Nadien wordt de maatregel geëvalueerd.

De knelpuntberoepenlijst van de VDAB telt momenteel 234 beroepen, 27 meer dan vorig jaar. In de top 10 staan onder meer verpleegkundigen, werfleiders, poetshulpen en onderhoudsmecaniciens.

  • Eengemaakt premiesysteem voor werkplekleren

Vanaf 1 september treedt er een nieuw eengemaakt premiesysteem voor werkplekleren in werking. De premie kwalificerend werkplekleren moet duaal leren en stages ten goede komen.

Bedrijven krijgen een premie van 600 euro per leerling die een opleiding volgt op de bedrijfsvloer via systemen als duaal leren, alternerend leren of stages. Bedrijven die jongeren een vergoeding betalen krijgen 1.000 euro premie.

De premie kwalificerend werkplekleren wordt één keer per schooljaar uitbetaald en een bedrijf kan het bedrag tot drie keer ontvangen per leerling. Het systeem vervangt premies als de stagebonus en de RSZ-korting voor bedrijven met een mentor om leerlingen te begeleiden.

De startbonus voor leerlingen verandert dan weer in een leerlingenpremie van 500 euro per jaar. Ook die premie kan maximaal drie keer worden uitgekeerd.

  • Nieuwe minimumdoelen voor tweede en derde graad

De leerlingen van de tweede en derde graad secundair onderwijs starten dit schooljaar met de nieuwe minimumdoelen. Er wordt niet langer gesproken over eindtermen en de bedoeling is dat de minimumdoelen de onderwijskwaliteit versterken.

Er komen nu 596 minimumdoelen basisvorming. Er wordt gefocust op Nederlands, talen en wiskunde-wetenschappen. De nieuwe naam moet duidelijk maken dat het niet gaat om een “eindhalte” voor het onderwijs, maar over het minimum wat leerlingen moeten kunnen. De scholen mogen heel wat verder gaan.

Naast de minimumdoelen voor de basisvorming, zijn er ook specifieke minimumdoelen voor bepaalde studierichtingen. Daarin zijn heel wat vernietigde eindtermen opgenomen die belangrijk zijn voor de eigenheid van een studierichting.

  • Verplichte taaltest voor inburgeraars

Vanaf 1 september moeten anderstalige nieuwkomers een verplichte gestandaardiseerde taaltest afleggen. De Vlaamse regering zet door met de hervorming ondanks kritiek uit het onderwijsveld en een waarschuwing van het Grondwettelijk Hof.

Inburgeraars volgen verspreid over 113 locaties in Vlaanderen een opleiding ‘Nederlands als tweede taal’, bekend onder de noemer ‘NT2’. Tot nu toe had de Centra voor Volwassenenonderwijs (CVO) en de Ligo-centra voor basiseducatie (CBE) een eigen opleiding en een eigen toets Nederlands, maar vanaf september moeten alle anderstaligen een gestandaardiseerde test afleggen. Het resultaat van die test heeft juridische gevolgen. Zo bepaalt ze onder meer mee of iemand recht heeft op een sociale huurwoning.

De test gaat echter gepaard met 180 euro inschrijvingsgeld. Vrijwillige inburgeraars konden een vrijstelling of vermindering van dat bedrag krijgen, voor verplichte inburgeraars was daar niet in voorzien. Spelers als het Vlaams Netwerk tegen Armoede, vakbond ACV en Vluchtelingenwerk Vlaanderen trokken naar het Grondwettelijk Hof tegen de regels en kregen gelijk. Ook verplichte inburgeraars moeten aanspraak kunnen maken op een verminderd inschrijvingsbedrag, oordeelde het Hof.

  • Lerarentekort aanpakken

Bij de start van het nieuwe schooljaar gaan extra maatregelen van kracht in de strijd tegen het lerarentekort. Zo is het mogelijk om onder meer leerkracht-specialisten aan te stellen en adjunct-directeuren in het basisonderwijs aan te duiden om directies te ontlasten.

Een van de maatregelen is dat scholen vanaf september de mogelijkheid krijgen om leerkracht-specialisten of expertleerkrachten aan te duiden. Die leraars krijgen een mandaat binnen de school van minstens drie jaar in ruil voor een specifieke expertise. Die leerkrachten zullen ook extra verloond worden, waardoor er loondifferentiatie komt tussen leerkrachten.

Daarnaast wordt ook ruimte gemaakt voor gastleerkrachten. Het gaat om mensen uit bijvoorbeeld de privésector of ambtenaren die enkele uren per week ook hun diensten aanbieden in het onderwijs, zonder dat ze een volledige overstap moeten maken.

Verder kunnen mensen met een pedagogisch bekwaamheidsbewijs die in een bedrijf werken dat aan het herstructureren is, voltijds ingezet worden in het onderwijs. Voor die mensen verandert er aan hun loonsvoorwaarden niets. De overheid betaalt hen zoveel als een leerkracht. “We storten dat loon aan het betrokken bedrijf en het bedrijf zorgt ervoor dat het resterende loonverschil wordt gedicht”, zegt Vlaams minister van Onderwijs Ben Weyts (N-VA).

En er ook nog  de invoering van adjunct-directeuren in het basisonderwijs om directies te ontlasten.

Daarnaast krijgen dit schooljaar 216 Vlaamse scholen ook de kans om de bestaande regelgeving even terzijde te schuiven en te experimenteren met nieuwe formules om leraren aan te trekken. Het gaat om 127 basisscholen en 89 scholen in het secundair onderwijs.

Sommige gaan flexibelere schoolteams uittesten, schooluren aanpassen of de opdracht van de leraren beperken tot 38 uur. Andere zullen leraren de mogelijkheid geven om zich meer te professionaliseren of te specialiseren in bepaalde vakken, of experimenteren met duobanen, waarbij mensen in de praktijk enkele uren extra of deeltijds les komen geven.

  • Vervanger voor veelbesproken M-decreet

Vanaf dit schooljaar vervangt het leersteundecreet het veelbesproken M-decreet. Bedoeling is om de beste plaats te zoeken – in het gewoon of in het buitengewoon onderwijs – voor leerlingen met speciale zorgnoden.

Met het nieuwe leersteundecreet worden 46 leersteuncentra ingevoerd, om het gewoon onderwijs te steunen. De leerondersteuners worden versterkt en krijgen voor het eerst een vast ambt en een vast statuut. In de lerarenopleidingen komt er structureel meer aandacht voor speciale zorgnoden in de klas.

Maar het nieuwe decreet stelt ook duidelijk dat het bijzonder onderwijs voor sommige leerlingen de beste optie is. Die tak van het onderwijs krijgt daarom extra middelen. Op drie jaar tijd is de capaciteit in het bijzonder onderwijs gestegen van 46.000 naar 53.000 plaatsen.

Als een leerling met een speciale nood in het gewone onderwijs les volgt, kan de klassenraad beslissen dat het niet lukt om die leerlingen de juiste zorg aan te bieden of dat de zorg voor die ene leerling ten koste gaat van de andere leerlingen. “Het is niet realistisch om elke leerling naar het gewoon onderwijs te sturen. Je moet ook durven zeggen dat niet ieder kind daar terechtkan. Daarom investeren we volop in het bijzonder onderwijs”, verklaart Vlaams minister van Onderwijs Ben Weyts. Hij benadrukt wel dat kinderen met zorgnoden indien mogelijk maximaal terecht moeten kunnen in het gewoon onderwijs.

  • Korte celstraffen effectief uitvoeren

Vanaf september worden in principe ook de korte celstraffen tussen zes maanden en twee jaar effectief uitgevoerd. Het gaat om een sluitstuk van de hervorming van minister van Justitie Vincent Van Quickenborne (Open VLD).

Celstraffen tot drie jaar werden jarenlang zelden tot nooit effectief uitgevoerd door plaatsgebrek in de gevangenissen. Ze werden vervangen door elektronisch toezicht, en onder de zes maanden vaak zelfs helemaal niet uitgevoerd. Die straffeloosheid ligt echter mee aan de basis van de hoge recidivegraad en dus ook van de overbevolking in de gevangenissen, aldus Van Quickenborne.

Om de korte straffen te kunnen uitvoeren, opende Justitie nieuwe detentiehuizen, kleinschalige locaties met een lagere beveiligingsgraad waar gedetineerden actief begeleid worden in hun re-integratie in de maatschappij. De nieuwe gevangenissen van Haren en Dendermonde zijn een tweede flankerende maatregel.

  • Onbetaald zorgverlof

Onderwijspersoneelsleden hebben vanaf 1 september jaarlijks recht op vijf dagen zorgverlof. Het gaat om onbetaald verlof.

Het onderwijspersoneel kan die dagen opnemen als een partner, kind of ouder persoonlijke steun of zorg nodig heeft. Het gaat om maximaal vijf dagen afwezigheid per kalenderjaar om een gezins- of familielid bij te staan.

  • Betere bescherming tegen represailles

Leraren die op school een inbreuk op de regelgeving vaststellen en melden, zijn vanaf dit schooljaar beter beschermd tegen represailles of bedreigingen. Het gaat op inbreuken op regelgeving, zoals EU-wetgeving op overheidsopdrachten of bescherming van de privacy of milieu.

Elke school, academie of centrum moet een intern kanaal hebben om inbreuken te melden. Daarnaast kunnen inbreuken ook gemeld worden bij de Vlaamse ombudsdienst voor niet-hoger onderwijs of bij de regeringscommissarissen voor hoger onderwijs.

De bescherming geldt niet voor leerlingen, studenten of ouders.

  • Eerste herinnering voor factuur gratis

Vanaf 1 september treedt een reeks maatregelen in werking om consumenten beter te beschermen tegen de schuldindustrie. Een eerste herinnering wordt gratis en er komt een plafond op de extra kosten bij een te late betaling.

Wie een kleine schuld heeft openstaan, kan die vandaag al snel zien escaleren tot een groot bedrag, door dure herinneringsbrieven en bijkomende kosten van gerechtsdeurwaarders, incassokantoren en advocaten.

De federale regering besliste daar een mouw aan te passen. Op initiatief van minister van Werk en Economie Pierre-Yves Dermagne (PS) is een eerste herinnering voor een factuur vanaf 1 september gratis. De herinnering moet ook vermelden of er mogelijk bijkomende kosten zijn bij een te late betaling, en consumenten moeten minstens 14 dagen de tijd krijgen alvorens die eventuele kosten in rekening worden gebracht.

Er komt daarnaast een plafond op extra kosten bij te late betaling voor alle contracten afgesloten vanaf 1 september. Voor schulden onder de 150 euro kan er maximaal 20 euro bij komen, bedragen de schulden meer dan 150 euro maar minder dan 500 euro, dan geldt een plafond van 30 euro plus 10 procent van het verschuldigde bedrag.

Tot slot komen advocaten en gerechtsdeurwaarders die schulden invorderen onder het toezicht van de FOD Economie te staan, zoals nu al het geval is voor incassobureaus.

  • ‘Competentiebalans’ voor jonge werkzoekenden

Brusselse werkzoekenden jonger dan 30 jaar worden vanaf 1 september beoordeeld op hun professionele, taalkundige en digitale vaardigheden. De Brusselse overheid wil daarmee nagaan of de vaardigheden van de Brusselaars zin afgestemd op de behoeften van de arbeidsmarkt. De ‘competentiebalans’ gaat gepaard met een traject naar werk via bedrijfsstages of opleidingen. Het is de bedoeling om de maatregel uiteindelijk voor alle werkzoekenden in Brussel in te voeren.  Bron:  Nieuwsblad

Miljonairs vragen zelf om superrijken harder te belasten, ook Yves Leterme en Bernie Sanders ondertekenen open brief

Bijna 300 miljonairs, economen en politieke vertegenwoordigers uit bijna alle G20-landen hebben in een open brief de staatshoofden van het economische topoverleg opgeroepen om tot een nieuwe internationale overeenkomst over vermogensbelasting te komen. De ondertekenaars, onder wie Yves Leterme, Thomas Piketty en Bernie Sanders, willen “voorkomen dat extreme rijkdom onze collectieve toekomst blijft aantasten”.

De ondertekenaars vragen de G20 om door internationale samenwerking de rijkste personen ter wereld te belasten en een einde te maken aan de belastingcompetitie en -ontwijking. “Het moet onze gedeelde ambitie zijn om internationale en nationale systemen te hebben in dienst van iedereen, en niet alleen van wie geld en macht heeft”, klinkt het in de brief.

Volgens de ondertekenaars ondermijnt de grote ongelijkheid de politieke stabiliteit over de hele wereld. “De accumulatie van extreme rijkdom door de allerrijksten is een ramp op het vlak van economie, ecologie en mensenrechten. Decennia aan belastingverlagingen voor de rijken, gebaseerd op de valse belofte dat iedereen zou profiteren van rijkdom aan de top, hebben geleid tot de toename van extreme ongelijkheid.”

“Last wordt onevenredig gedragen”

Een recent rapport van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) toont bovendien aan dat in de rijkste landen de belasting op inkomen uit arbeid systematisch hoger is dan die op kapitaal, laat Oxfam weten in een persbericht. “De last van de solidariteit wordt dus onevenredig gedragen door gewone werkende mensen, terwijl de rijksten gebruik kunnen maken van een belastingsysteem dat in hun voordeel is aangepast om hun bijdragen te verminderen of deze solidariteit te omzeilen. België is een van de koplopers in deze rangschikking van fiscale ongelijkheid.”

Bron: HLN

Schoolbevolking basis- en secundair onderwijs

Schoolbevolking basis- en secundair onderwijs

Ruim 1,2 miljoen leerlingen in basis- en secundair onderwijs

Het Vlaamse basis- en secundair onderwijs telde in het schooljaar 2022-2023 iets meer dan 1,2 miljoen leerlingen. Het kleuteronderwijs (gewoon en buitengewoon) telde afgerond 259.000 leerlingen en het lager onderwijs (gewoon en buitengewoon) 465.000 leerlingen. In het secundair onderwijs (gewoon (voltijds en deeltijds) en buitengewoon) waren er 495.000 leerlingen. In bovenstaande cijfers zijn telkens ook de leerlingen van het Vlaamse onderwijs in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest inbegrepen.

In het kleuteronderwijs daalt het aantal leerlingen licht sinds het schooljaar 2014-2015. In het lager onderwijs was in 2020-2021 voor het eerst een daling merkbaar. Maar zowel in het kleuter- als het lager onderwijs viel in het schooljaar 2022-2023 een lichte stijging te noteren. In het secundair onderwijs stijgt het leerlingenaantal sinds 2015-2016.

Trendbreuk in de aandelen aso, bso en tso

Binnen het voltijds gewoon secundair onderwijs telde het algemeen secundair onderwijs (aso) in het schooljaar 2022-2023 het grootste aantal leerlingen (121.000 leerlingen of 39,7% van het totaal). Het technisch secundair onderwijs (tso) kwam op de 2de plaats met 97.000 leerlingen (31,7%). Dan volgden het beroepssecundair onderwijs (bso) met 78.000 leerlingen (25,7%) en het kunstsecundair onderwijs (kso) met 9.000 leerlingen (2,9%).

In bovenstaande cijfers wordt geen rekening gehouden met de 1ste graad en het onthaaljaar voor anderstalige nieuwkomers (okan). De 1ste graad wordt niet ingedeeld in de onderwijsvormen aso, tso, bso en kso. De 1ste graad telde in het schooljaar 2022-2023 152.000 leerlingen. In okan waren 8.000 leerlingen ingeschreven. In het duaal leren in Centra voor Deeltijds Onderwijs (CDO) zijn de anderstalige nieuwkomers niet ingeschreven in een apart onthaaljaar voor anderstalige nieuwkomers. Deze leerlingen zijn daar geteld bij tso of bso.

Het leerlingenaandeel van het aso steeg tussen het schooljaar 2016-2017 en 2020-2021 van 41,0% naar 42,8% maar is daarna gedaald tot 39,7% in 2022-2023. In het tso en bso is een omgekeerde beweging aan de gang: na een dieptepunt in 2020-2021 is het aandeel in beide onderwijsvormen de laatste schooljaren toegenomen. Het tso-aandeel steeg van 30,3% in 2020-2021 tot 31,7% in 2022-2023, het bso-aandeel van 24,5% tot 25,7%. Ook het aandeel van het kso is in die periode toegenomen.

Bronnen

20.000 gezinnen kunnen woonlening niet meer betalen:

“Eén ding mag je zeker niet doen”

Liefst 20.327 kredietnemers kunnen hun hypothecaire lening niet betalen, zo blijkt uit nieuwe cijfers. Tijdens de dure maand september zal het bij veel mensen krabben zijn, maar wat doe je als het water je financieel aan de lippen staat en je je woonlening niet meer kan aflossen?

Kristof Simoens, Jeroen Deblaere

Vandaag om 19:18

Volgens de laatste cijfers van de Nationale Bank konden afgelopen juli 264.301 kredietnemers hun lening niet meer afbetalen. Bij de overgrote meerderheid gaat het om consumentenkredieten, maar bij 20.327 gezinnen gaat het dus om de woonlening. Dat is een daling van 6,5 procent tegenover het jaar voordien, maar het gemiddelde achterstallige bedrag wordt wél groter. Dat bedraagt gemiddeld 3.500 euro voor een consumentenkrediet, gemiddeld 41.504 euro tegenover 40.516 euro het jaar voordien.

“Als je bedrijf de deuren sluit en je werkloos wordt of bij andere onvoorziene gebeurtenissen zoals een slepende ziekte, heeft dat een impact op je financiële situatie. Je hypothecaire krediet weegt dan plotseling veel meer op je budget”, zegt Isabelle Marchand van Febelfin. “Steek je kop dan niet in het zand, maar neem maatregelen. De eerste stap: praat erover met je bankier. In goede verstandhouding kan je naar oplossingen zoeken. Want die bestaan.”

“Je hebt daar overigens alle baat bij”, zegt Yves Evenepoel, expert hypotheekleningen bij Test-Aankoop. “Zolang je de maandelijkse aflossingen niet betaalt, komen er nalatigheidsintresten bovenop. En ook aan herinneringsbrieven en ingebrekestellingen zijn kosten verbonden.” Wie drie aflossingen niet (volledig) op tijd betaalt, riskeert zelfs op de ‘zwarte lijst’ van wanbetalers te komen bij de Centrale voor Kredieten aan Particulieren. “Er wordt dan een procedure opgestart voor de beslagrechter, waarbij de bank beslag kan leggen op je loon en in het meest extreme geval zelfs op je huis. Dat wordt dan openbaar verkocht om met de opbrengst je schuld aan te zuiveren.”

Wat je zeker niet mag doen? Een tweede lening nemen om de eerste af te betalen. “Dan is de kans groot dat je je alleen maar dieper in de financiële nesten werkt”, klinkt het bij Test-Aankoop. “Als je de eerste lening al niet kon afbetalen, kun je er wellicht geen twee aflossen. Bovendien is die tweede lening dan wellicht een consumentenkrediet, met een hogere intrestvoet en een kortere looptijd.”

Deze pistes kunnen mogelijk wel een uitweg bieden.

Piste 1: Terugbetaling van kapitaal tijdelijk opschorten

De aflossing van een hypotheek bestaat zoals net uitgelegd dus uit twee delen: een stukje kapitaal en de intrest. Is je afbetalingsprobleem slechts tijdelijk, vraag je bankier dan om de terugbetaling van het kapitaal tijdelijk op te schorten (voor de intrest is dat in principe niet mogelijk). “Je maandelijkse aflossing ligt dan lager”, zegt Yves Evenepoel, “maar ze is wel beperkt in de tijd, bijvoorbeeld zes maanden. Daarna betaal je weer de volle pot. En het kan ook maar een paar keer tijdens de looptijd van de lening.”

Sommige banken spreiden de terugbetaling van het niet-betaalde kapitaal uit over de rest van de looptijd, andere verlengen de looptijd van de lening met het aantal maanden dat je geen kapitaal afloste. Reken op enkele honderden euro’s dossierkosten.

LEES OOK. Zelfs de staatssecretaris voor Begroting maakte ooit een geldblunder: “Daar kan die gratis koffiemachine niets aan veranderen”

Piste 2: Looptijd van de lening verlengen

Dreigt het probleem langer aan te slepen, bijvoorbeeld omdat jullie allebei in hetzelfde bedrijf werkten dat over de kop is gegaan, dan is de verlenging van de looptijd een betere optie. “Die optie verlicht de maandelijkse afbetalingslast blijvend”, zegt Yves Evenepoel, “maar je betaalt dan wel langer af. Overigens is de verlenging die de bank zal toestaan, vaak beperkt in de tijd – bijvoorbeeld 5 jaar – en sommige banken doen het alleen voor een lening met variabele rentevoet.”

Qua kosten moet je rekenen op maximaal 250 euro dossierkosten. “Voor een verlenging mag de bank geen wederbeleggingsvergoeding – doorgaans drie maanden intrest – vragen, omdat het om een wijziging van de lening gaat en niet om een vervroegde terugbetaling.” De specialist waarschuwt wel: “Een verlenging van je lening verlaagt dan wel je maandelijkse aflossing, maar zelden het totale afbetalingsbedrag: op het einde van de rit heb je vaak meer betaald dan bij je oorspronkelijke lening.”

LEES OOK. Jonge ondernemer die bank oprichtte geeft tips om met geld om te springen: “Zonder risico’s zou het leven maar saai zijn”

Piste 3: Je huis verkopen

De meest drastische oplossing is misschien wel je huis verkopen. “Probeer hoe dan ook een gedwongen verkoop door de bank te vermijden”, klinkt het bij Test-Aankoop. “Een verkoop ‘uit de hand’ levert vaker een hogere prijs op tegen lagere kosten dan een openbare verkoop.”

Veel hangt af van je plannen. “Ga je huren, dan zal je jouw lening vervroegd moeten terugbetalen – dat betekent dus een wederbeleggingsvergoeding betalen aan de bank – en notariskosten ophoesten om de hypotheek te schrappen. Koop je daarentegen een kleiner huis, dan brengt een ‘pandwissel’ of ‘hypotheekoverdracht’ soelaas, tenminste als de bank die toestaat”, zegt Yves Evenepoel. Omdat de lening dan blijft bestaan, zal je in principe lagere notariskosten betalen en bespaar je de wederbeleggingsvergoeding, de handlichtingskosten en de registratierechten bij de inschrijving van een nieuwe hypotheek. “Onderhandel dan met je bankier over betere voorwaarden – een lagere rente of een langere looptijd – en laat die vastleggen in een bijlage aan het contract. Bijkomend pluspunt: aangezien je lening blijft bestaan, speel je de eventuele woonbonus niet kwijt en behoud je de eerdere fiscale voordelen.”

Moeten basisscholen kinderarmoede oplossen?

Moeten basisscholen kinderarmoede oplossen?

Kinderarmoede toont zich op de basisschool. Maar is die school ook vragende partij om armoedebestrijding toe te voegen aan haar lange lijst van opdrachten? Onderzoekers van HOGENT spraken daarover met directies, leerkrachten en sociale professionals.

Kroongetuigen van ongelijkheid

Hoe kinderen op school functioneren, hangt ook af van hun thuissituatie. Kinderen die in armoede leven, hebben het moeilijker om zich op school goed te ontwikkelen. Financiële zorgen werpen hun schaduw op schoolprestaties.

Niet iedereen heeft dezelfde mogelijkheden om te voldoen aan schoolse verwachtingen. De coronapandemie en het noodgedwongen afstandsonderwijs toonde nogmaals het verschil tussen kinderen die een studeerruimte, laptop en internetverbinding hebben en zij die hier niet over beschikken.

Scholen zijn kroongetuigen van die ongelijkheid: ze botsen op lege brooddozen of onbetaalde schoolfacturen. Kinderarmoede stopt niet aan de schoolpoort, maar stapt mee de klas binnen.

Aan de schoolpoort

Daarom is de schoolpoort uniek: hier passeren alle gezinnen. Voor sommige ouders en kinderen zijn scholen zelfs het enige aanspreekpunt.

Hier komen verhalen samen die elders moeilijk hun weg vinden: getuigenissen over dure leermiddelen, ontoegankelijke vrijetijdsactiviteiten, geweigerde asielaanvragen of dreigende uithuiszettingen. Voor gezinnen in kwetsbare situaties is de school een laagdrempelig aanspreekpunt, een belangrijke toeleider en mede-ondersteuner.

Ook welzijnsdiensten zoals OCMW’s, Centra voor Algemeen Welzijnswerk of Huizen van het Kind beseffen dat scholen een belangrijke bondgenoot zijn in de strijd tegen kinderarmoede.

Een opdracht voor de school?

Vanuit welzijnsperspectief wordt stevig aan de mouw van de school getrokken. Maar ze weet niet altijd hoe te reageren. Die vaststelling raakt een cruciale vraag: horen die welzijnstaken tot de opdracht van de school? We vroegen aan directies en leerkrachten van basisscholen hoe ze dat zelf zien.

De meeste scholen ervaren het oppikken en aanpakken van welzijnsproblemen van gezinnen als een noodzakelijke opdracht, ook al hoort ze niet tot hun kerntaken. Deze scholen investeren in een breed partnerschap met gezinnen, niet alleen om leerprocessen vlot te laten verlopen maar ook om een aanspreekpunt te zijn voor ouders en kinderen.

Bereikbaarheid en toegankelijkheid zijn dan belangrijk, zo stelt deze directeur van een basisschool: “Ik noem de school vaak het huis van vertrouwen. Door onze lage drempel kloppen mensen hier vaak met allerlei vragen aan. Ze vinden hier makkelijk iemand waarbij ze terechtkunnen.”

Noden zien en opvolgen

Dat enthousiasme klinkt aanstekelijk. Toch heeft niet elke basisschool voeling met de leefwereld van kwetsbare gezinnen. Heel wat schoolteams hebben het moeilijk om met ouders in gesprek te gaan over gevoelige thema’s zoals basishygiëne of verwaarlozing. Ondersteuningsnoden blijven onder de radar en de school installeert zelf ook onbewust uitsluitingsmechanismen.

Slaagt de school erin om die signalen op te pikken, dan is de vraag hoe ze die moet opvolgen. Hoe ver dat kan gaan, blijft onduidelijk. Minimaal informeren scholen ouders over het welzijnsaanbod en verwijzen ze hen door.

Sommige scholen gaan veel verder: vanuit een betrokkenheid gaan ze samen met gezinnen op zoek naar gepaste hulp en ondersteuning buiten de schoolmuren. Deze geëngageerde schoolteams botsen onvermijdelijk op grenzen. Dat is logisch: leerkrachten zijn geen hulpverleners. Weten waar je eigen professionele expertise ophoudt en anderen aan zet zijn, is belangrijk.

Een OCMW-medewerker bevestigt dat: “Strikt genomen heeft de school geen opdracht rond het werken aan armoede. Maar omdat dit probleem zich ook binnen de schoolpoorten manifesteert, kan de school niet wegkijken. Dat is enkel werkbaar als de school de verschillende sociale organisaties en welzijnsdiensten in haar buurt beschouwt als partners.”

Een uitdagende samenwerking

Samenwerken is de boodschap. Onderwijs en welzijn zijn twee verschillende werelden die elkaar kunnen versterken. Maar dan moeten eerst enkele hindernissen weggewerkt worden.

Welzijnsdiensten en sociaalwerkorganisaties worden aan de schoolpoort niet altijd met open armen ontvangen. Ze willen graag hun expertise op vlak van armoede en uitsluiting binnenloodsen, maar botsen op de kwetsbare plekken van scholen. Denk bijvoorbeeld aan een basisschool die nog niet veel kaas gegeten heeft van een diversiteitsbeleid. Niet elke school is bereid die lacune openlijk te delen met externen of de noodzaak ervan te erkennen.

‘Onderwijs en welzijn zijn twee verschillende werelden die elkaar kunnen versterken.’

Sociale professionals passeren vaak langs de schoolpoorten voor eenmalige vormings- en infomomenten. Maar om impact te hebben op het hele schoolteam, is een meer duurzame en structurele aanwezigheid belangrijk. Helaas verkiezen scholen vaak acties die op korte termijn vruchten afwerpen.

Door in te zetten op onderwijs als sociaal grondrecht begeven welzijnsorganisaties zich soms op het terrein van de school. Preventief zetten sommige sociale professionals in op een betere communicatie tussen ouders en scholen. Als het stroef loopt, gaan ze curatief aan de slag door te verhelderen, te bemiddelen. Nu en dan wordt de aanpak of het een advies van de school in vraag gesteld. Dat kan gevoelig liggen en tot  grensconflicten leiden.

Ontgoochelde scholen

Ook scholen hebben wisselende ervaringen met sociale professionals.

Buiten de schoolmuren op zoek gaan naar gepaste hulp en ondersteuning voor kwetsbare gezinnen is niet evident. Het landschap van hulp- en dienstverlening is complex, weinig scholen kennen de sociale kaart.

‘Scholen kijken ook kritisch naar de traagheid van sommige begeleidingstrajecten.’

Als scholen een leerling of zijn gezin toeleiden naar hulp- en dienstverlening, dan vernemen ze graag of daar verder ook iets mee gebeurde. Vaak zijn scholen ontgoocheld over de gebrekkige terugkoppeling. Zonder het beroepsgeheim en het recht op privacy van de gezinnen te schenden, is minimale hoffelijkheid belangrijk bij succesvolle samenwerking. Er is een groot verschil tussen radiostilte en het beknopte maar geruststellende bericht “We zijn er mee bezig”.

Scholen kijken ook kritisch naar de traagheid en vrijblijvendheid van sommige begeleidingstrajecten. “Het mag wat meer vooruitgaan”, is een vaak gehoorde verzuchting van schoolteams. Nu en dan terecht, maar vaak ook ingegeven door onrealistische verwachtingen en een gebrek aan inzicht in elkaars professionele kaders.

Brugfiguren als antwoord

Goed dus dat er verschillende diensten ontstaan die de samenwerking tussen onderwijs en welzijn faciliteren. Die worden vandaag gebundeld onder de brede noemer van ‘brugfiguren’. Deze initiatieven verbinden gezinnen, scholen en sociale professionals met elkaar. Ze maken daarbij vaak gebruik van de school als laagdrempelige vindplaats van kwetsbare gezinnen.

Vanuit opbouwwerk bijvoorbeeld zoeken brugfiguren contact met ouders die hun kinderen naar school brengen. Met een spontane babbel gaan deze ‘schoolpoortwachters’ op zoek naar zorgen en noden. Ze stimuleren en begeleiden het gesprek daarover tussen gezin en leerkracht. Waar nodig verwijzen ze door naar hulp- en dienstverlening buiten de school.

Die brugfiguren leveren winst op: gezinnen voelen zich gehoord, het schoolteam wordt beter ondersteund en sociale professionals kunnen gericht tussenkomen waar nodig. Die positieve dynamiek kan letterlijk grenzen doorbreken. Een sterke illustratie daarvan zijn de welzijnswerkers die op school zitdagen organiseren.

Grenzen aan brugfiguren

Brugfiguren brengen gezinnen, het schoolteam en sociale professionals dichter bij elkaar. Ze zijn van onschatbare waarde voor gezinnen die een duwtje in de rug kunnen gebruiken en orde te brengen in het aantal vragen die ze hebben. Toch moeten we ons hoeden voor een ondoordachte inzet van brugfiguren.

Want waar begint en eindigt de opdracht van zo’n brugfiguur? Brugfiguren kunnen wederzijdse leerprocessen faciliteren, maar moeten die niet overnemen. Het eigenaarschap van gedeelde zorg voor kwetsbare gezinnen ligt bij schoolteams en sociale professionals, niet bij faciliterende brugfiguren.

Moeten brugfiguren de opdracht rond armoedebestrijding overnemen van scholen? Of moeten ze veeleer schoolteams prikkelen en uitdagen om anders naar gezinnen te kijken? Moet een brugfiguur enkel aanklampend werken naar ouders toe of mogen ze ook moeilijk bereikbare sociale professionals een spiegel voorhouden?

Die vragen moeten op tafel komen. Afspraken over opdrachten en verantwoordelijkheden van alle betrokken actoren moeten vanaf de start helder zijn. Duidelijkheid over wat wel of niet tot de opdracht van een brugfiguur behoort is ook een houvast voor de brugfiguur zelf, die voortdurend een evenwicht moet zoeken tussen ouders, scholen en welzijnsdiensten.

Wat met het CLB?

Hebben Centra voor Leerlingenbegeleiding (CLB) geen sleutelrol op deze brug tussen onderwijs en welzijn? Voor scholen zelf is dat niet zo evident. Sommige problematieken zoals gezinsarmoede verbinden ze niet meteen aan het CLB. Ze verwachten niet dat het CLB hen hier snel en aanklampend zal ondersteunen.

CLB’s zelf tonen bereidheid om hierin een rol spelen. Of ze dit ook kunnen, hangt af van hoe ze lokaal georganiseerd zijn of er ruimte is voor ‘presentie’ en van de kennis en betrokkenheid van individuele medewerkers.In een vervolgonderzoek gaan we dieper in op de draaischijffunctie van het CLB.

Geen nieuwe koker

Willen we sociale grondrechten garanderen voor kwetsbare gezinnen, dan is samenwerking tussen onderwijs en welzijn noodzakelijk. Toch mag die brug tussen onderwijs en welzijn geen nieuwe koker worden.

Samenwerking moet professionals uit beide werelden uitdagen om vanuit een gedeelde verantwoordelijkheid breder naar gezinnen te kijken. Elke interactie tussen professionals van onderwijs en welzijn is een kans om van elkaar te leren en perspectieven en verwachtingen bij te stellen.

We noemen dit de interprofessionele reflex, een zelfkritische en betrokken reflectie op wat je voor elkaar en voor de gezinnen kan beteken. Op die manier kan sneller geschakeld worden, kunnen perspectieven en verwachtingen bijgesteld worden en kunnen gezinnen beter ondersteund worden. Want daar is het uiteindelijk om te doen.

Kan onderwijs zonder welzijn?

En vice versa?

Celine Mertens, Marie Seghers, Katrien De Maegd, Christian Van Kerckhove

Antwerpen | Mammoet | 2021

Meer info