Socialisme, communisme, limitarisme?

Prof. dr. Ingrid Robeyns

De filosofe en econome Ingrid Robeyns (Universiteit Utrecht) pleit voor een bovengrens op individuele vermogens. ‘Extreme rijkdom veroorzaakt extreme schade’, stelt ze.

“Extreme rijkdom ondermijnt de democratie, het is niet verenigbaar met ecologische noodwendigheden, is bijna altijd onverdiend en schaadt de belangen van iedereen, superrijken incluis.” Zo vatte De Wereld van Morgen (22 februari 2021) de onderzoeksresultaten van Robeyns samen. Het verheldert in één klap waarom zij pleit voor limitarisme, het begrenzen van rijkdom met een vermogensgrens: “Net zoals er ook een armoedegrens bestaat.”

Limitarisme is niet hetzelfde als socialisme of communisme, benadrukt Robeyns. “Het betekent dat je een bepaalde mate van ongelijkheid kunt accepteren”, legt ze uit in de podcast Goede gesprekken (10 april 2023). In de Volkskrant (1 december 2023) noemt ze inspanning en het nemen van risico’s als legitieme gronden voor beloningsverschillen. “Iemand die 40 uur werkt, krijgt meer dan iemand die 20 uur werkt. Een bepaalde mate van risico nemen mag ook beloond worden, daar heb ik geen problemen mee. Het is prima dat mensen ambities hebben, dat ze betaald worden voor wat ze doen, maar er moet een grens aan zitten.”

Morele vermogensgrens van het limitarisme

Waar deze grens moet worden getrokken is nog onderwerp van gesprek. Volgens Robeyns is dat een politiek en moreel vraagstuk, en zijn er verschillende redeneringen mogelijk om die grens te bepalen. Een van de mogelijkheden is om de grens daar te trekken waar vermogen niets meer toevoegt aan de kwaliteit van leven.

In de Volkskrant (1 december 2023) noemt ze een bovengrens van 10 miljoen euro. “Dat is de politieke grens, het rijkdomsmaximum waar het systeem op gericht zou moeten zijn”, legt ze uit. “Ik zeg met nadruk dat het een inschatting is. Een bijdrage aan de discussie. Dit zou het kunnen zijn. En het is voor de Nederlandse situatie. Ik kan me voorstellen dat het als je in New York woont en geen pensioen hebt, dan meer moet zijn.”

Limitarisme betekent dat je ongelijkheid inperkt, terwijl je ook een bepaalde mate van ongelijkheid accepteert.

“Ik noem ook nog een persoonlijke, ethische grens. Die ligt op 1 miljoen euro. Voor een gezin is het dan 2 of 4 miljoen euro. Dat is ruim zat om een goed leven te leiden. Waarom zou een mens meer moeten hebben? De wereld staat in brand en heeft veel geld nodig om het vuur te blussen. De rijksten bezitten veel geld dat ze helemaal niet nodig hebben. We moeten ons bluswater dus gaan halen bij de superrijken. Pas daarna bij de middenklasse, en zeker niet bij de armen.”

Uit haar onderzoek blijkt dat de Nederlandse bevolking ook wel een idee heeft waar de grens zou moeten liggen. “Een grote meerderheid van de Nederlanders (tegen prijsniveaus van 2018) vindt dat men bij een vermogen van 2,2 miljoen meer dan genoeg heeft”, schrijft ze in Vrij Nederland (13 maart 2023).

Ongelijkheid verkleinen

De grens zou bovendien niet alleen ‘top down’ moeten worden ingesteld. Superrijken zouden ook deels zelf de morele beslissing moeten maken om een deel van hun vermogen weg te geven, vindt Robeyns. “Limitarisme is simpelweg een woord voor de opvatting dat er een morele grens zou moeten zitten aan hoeveel rijkdom je kunt vergaren” (CBS News, 23 januari 2022). “Het is prima is om welgesteld te zijn, maar op een gegeven moment heb je te veel.”

Extreme rijkdom verbeeld door o.a. een privévliegtuig, helikopter en dure sieraden

In de Volkskrant (1 december 2023) vertelt Robeyns dat extreme rijkdom bijna altijd onverdiend is. “Bij grote vermogens speelt geluk vaak ook een rol, waardoor het maar de vraag is in hoeverre je moreel recht hebt op al die miljoenen. Bovendien: niemand wordt superrijk in zijn eentje, zonder de steun van de samenleving.” Ze vervolgt: “Het idee van een rijkdomsgrens is eigenlijk dat je het hele economische systeem zo probeert te hervormen dat het de ongelijkheid vermindert.”

Limitarisme zou de ongelijkheid in de samenleving dus verkleinen. Argumenten voor het belang hiervan heeft Robeyns genoeg. Zo wijst ze erop dat de alsmaar groeiende ongelijkheid een bedreiging vormt voor de samenleving.

“De maatschappelijke onvrede over de grote vermogensongelijkheid en de toename van de kloof tussen de rijksten en de achterblijvers wordt steeds heftiger”, schrijft ze in  Vrij Nederland (13 maart 2023).

Macht en invloed

Robeyns noemt ook de bedreiging van de democratie als argument voor limitarisme. Ze ziet dat de superrijken in de Verenigde Staten hun financiële rijkdom bijvoorbeeld relatief eenvoudig omzetten in politieke macht. “Dat kan door een universitair instituut te kopen of zwaar te financieren, en zo het maatschappelijke debat vorm te geven”, vertelt ze bij CBS News (23 januari 2022). “Of doordat rijken iemand financieren die zich kandidaat stelt en vervolgens president of congreslid wordt.”

In Nederland loopt dit minder vaart, al moeten we wel degelijk waken voor Amerikaanse toestanden, waarschuwt Robeyns. “Er ontstaat een machtsconcentratie”, licht ze toe in Het Parool (23 januari 2023). “Je kunt Mark Rutte bellen op zijn 06-nummer of grote donaties doen aan politieke partijen. Dat komt bovenop overheidsbeleid dat doorgaans al goed uitpakt voor mensen met veel vermogen.”

Limitarisme en de klimaatcrisis

Extreme rijkdom is niet alleen funest voor de saamhorigheid en democratie, maar ook voor het klimaat. Een recent onderzoek van Oxfam liet bijvoorbeeld zien dat de rijkste 1 procent mondiaal meer uitstoot dan de armste 66 procent. Kijkend naar de geschiedenis heeft het Westen de plicht als eerste stappen te zetten om de klimaatcrisis te beteugelen, zegt Robeyns bij Goede gesprekken (10 april 2023). “Nu zie je dat landen als India en China steeds meer uitstoten, maar historisch is dat nog steeds een kleine component. Al helemaal als je gaat kijken naar per hoofd van de bevolking.”

Het limitarisme is volgens Robeyns een goed begin. “Het is absurd dat er mensen op miljoenen en miljarden zitten die alleen dienen ter verdere accumulatie van die miljoenen of miljarden. Al het geld dat mensen niet nodig hebben voor hun eigen welzijn zouden we kunnen gebruiken om de klimaattransitie aan te jagen.”

De filosofe en econome Ingrid Robeyns (Universiteit Utrecht) pleit voor een bovengrens op individuele vermogens. ‘Extreme rijkdom veroorzaakt extreme schade’, stelt ze.

Over welke schade hebt u het dan?

Robeyns: Extreme rijkdom ontwricht de democratie. Superrijken kunnen hun belangen zomaar doordrijven door lobbygroepen te financieren. Ze kunnen debatten sturen omdat ze betrokken zijn bij mediabedrijven en de politiek beïnvloeden met hun donaties.

Het is een fabeltje dat superrijken hun geld in hun eentje verwerven.

En superrijken tasten niet alleen de economie aan, maar ook de planeet. Met hun buitensporige levensstijl veroorzaken ze een jaarlijkse CO2-uitstoot van meer dan 100 ton per persoon. Bij de gemiddelde inwoner is dat ongeveer 10 ton.

Ik wil geen volledige gelijkheid nastreven, wel een grens op rijkdom.

Ook in een ‘limitaristische’ wereld zouden er nog inkomensverschillen bestaan, maar ze zouden niet meer zo groot zijn als nu. Ik wil geen volledige gelijkheid nastreven, wel een grens op rijkdom. Zo’n grens kan zelfs economisch gestaafd worden.

Wat is te veel geld voor u?

Robeyns: We hebben daarover een representatief onderzoek verricht in Nederland. De bevraagden gaven grotendeels aan dat een vermogen van hoogstens 1 miljoen euro per persoon genoeg is om een goed leven te leiden. Voor mij is dat in landen met een functionerend sociaal systeem de ethische grens. Daarboven kan rijkdom bijna niet gerechtvaardigd worden.

Een woning met goede ligging kost in sommige steden al een miljoen.

Robeyns: Ik ben me ervan bewust dat het afhangt van de context. Er is ook nog een tweede grens, die hoger ligt. We moeten streven naar een samenleving waarin niemand meer dan 10 miljoen euro bezit. Vanaf die grens brengt vermogen ook politieke schade toe. Zo’n vermogen kan worden omgezet in extreme invloed op de politiek en de media.

Die grens lijkt willekeurig.

Robeyns: Het precieze getal maakt uiteindelijk niet echt uit. Het gaat erom dat geld boven een bepaalde drempel schadelijke effecten heeft. In de VS zal die grens wellicht iets hoger liggen, omdat daar minder sociale zekerheid is dan in België. Bovendien is de schade niet alleen maatschappelijk. Zelfs de superrijken halen geen voordeel uit extreme rijkdom.

Dat zien zij misschien anders.

Robeyns: Er zijn veel rijken die niet geloven dat onze maatschappij het nog lang zal volhouden met de groeiende kloof tussen arm en rijk. De multimiljardair Nick Hanauer waarschuwt dat ‘de hooivorken eraan komen’. Volgens hem is het maar een kwestie van tijd voor er een opstand uitbreekt. Dat rechts-populistische partijen steeds populairder worden, hoeft niet te verbazen, gezien de groeiende kloof.

Ik heb voor mijn onderzoek met verschillende rijke mensen gesproken, en enkelen hebben ook persoonlijke redenen om een bovengrens op te leggen. Velen voelen zich eenzaam of zijn omringd door vrienden met slechte bedoelingen. Abigail Disney, bijvoorbeeld, de achternicht van Walt Disney, noemt haar rijkdom een enorme last.

Waar moet hun geld naartoe gaan? Belastingen?

Robeyns: Volgens Thomas Piketty en andere economen is de staat de afgelopen decennia systematisch verzwakt. Door het limitarisme kunnen we hem weer versterken.

Promoot u hiermee het socialisme?

Robeyns: (lacht) Nee. Sommige mensen maken me uit voor socialist of communist, maar zie ik mezelf eerder als groene sociaaldemocraat. Ik vind privébezit positief. Bovendien geloof ik dat de markt een belangrijke rol kan spelen, ze is alleen te dominant geworden.

Hoe zou een limitaristische wereld eruitzien?

Robeyns: In zo’n wereld zou er niet alleen een armoedegrens zijn, maar ook een grens op extreme rijkdom. De overheid zou weer beter functioneren dankzij hogere belastinginkomsten. Daarnaast zouden de lonen van managers worden begrensd en erfenissen beperkt. De wereld zou eerlijker zijn.

Zelfs de superrijken handelen niet altijd in hun eigen belang. Bill Gates en Warren Buffett hebben aangekondigd dat ze een groot deel van hun vermogen zullen wegschenken. Is dat geen goed begin?

Robeyns: Het is belangrijk om ons af te vragen hoe ze hun vermogen zullen schenken en aan wie. Dat soort grootschalige filantropie is zeer twijfelachtig. Hoe mooi de doelen ook zijn, uiteindelijk bepalen de miljardairs waar het geld voor gebruikt wordt, en daarmee beïnvloeden ze de politiek. Bovendien gaat het maar om een handvol superrijken. De meesten willen hun geld aan hun familie nalaten, het liefst zonder daar belastingen op te betalen.

Erfenissen vallen moreel niet te rechtvaardigen.

Verschillende filosofen pleiten er zelfs voor om het erfrecht volledig af te schaffen. Ik vind alleen die bovengrens belangrijk. Iedereen zou maar een bepaald bedrag mogen erven, de rest zou door de staat verdeeld kunnen worden onder jongere burgers. Zo erft iedereen een deel van het vermogen van eerdere generaties.

Hoe reageren de superrijken op uw voorstellen?

Robeyns: Ik word vaak uitgenodigd door rijke mensen die geïnteresseerd zijn in mijn ideeën. Ik was onlangs op een evenement in Londen, waar ik werd aangesproken door een zakenman. Eerst vond hij mijn suggesties te radicaal, maar nu stelt hij zelf het systeem ter discussie en raadt hij mijn boek aan bij anderen. Neutr-On is het eens met bovenstaande visie: op 9 juni krijgt iedereen de kans om voor een vermogensbelasting de stemmen. Dan hebt u goed gekozen.

Verkiezingen 2024

Verkiezingen 2024

Knack-enquête: 1 miljoen Vlamingen zijn tegen de politiek, justitie én de media

Hoe kijken Belgen naar de democratie? Het ongenoegen is erg groot, blijkt uit een exclusieve Knack-enquête. 1 miljoen Vlamingen zijn anti-systeem.

Op verzoek van Knack en Le Vif hield onderzoeksbureau Kantar een online enquête bij 1012 Belgen van 18 jaar of ouder. De resultaten zijn bij momenten alarmerend.

Laten we maar met de deur in huis vallen: bijna één derde van de Belgen vindt dat we niet in een democratie leven. Bij Franstaligen leeft dat gevoel iets sterker dan bij Nederlandstaligen, maar het valt vooral op dat dit sterker leeft bij jongeren: 37% van de 18- tot 35-jarigen vindt België geen democratie, tegenover 24% van de 65-plussers.

Het kan nog erger: bijna 40% van de ondervraagden oordeelt dat de Europese Unie geen democratie is. Maar opvallend, de jongeren zijn hierover positiever gestemd dan de ouderen: 36% van de jongeren zegt dat de EU geen democratie is, tegen 43% van de ouderen. De Belgische democratie heeft het dus vooral verkorven bij jongeren, de EU-democratie eerder bij ouderen.

Zo’n 38% van de Belgen vindt dat een coalitie van verschillende partijen de beste manier is om een land te besturen, 16% opteert een regering met één partij. Als we dieper in de cijfers duiken, merken we dat ouderen duidelijk enthousiaster zijn over coalitieregeringen dan jongeren. Nog opmerkelijk: in Vlaanderen is 43% ervan overtuigd dat coalitieregeringen het beste zijn, in Wallonië slechts 28%.

Een regering gevormd door experts of een burgerpanel, een kleine vaste groep inwoners die geregeld wordt bevraagd over bepaalde onderwerpen, wordt telkens door 14% genoemd als de efficiëntste manier om het land te besturen.

Maar hier zien we toch grote verschillen. Terwijl in het zuiden van het land 23% gelooft dat een burgerpanel de beste bestuursvorm is, vindt dat maar bij 8% van de mensen in het noorden weerklank. Ook het houden van referenda scoort onder de taalgrens met 22% beter dan de 14% boven de taalgrens. Maar in Vlaanderen meent dan weer 18% dat een regering met experts de beste bestuursvorm is, tegenover 9% in Wallonië. Vlaanderen neigt meer naar deskundigen, Wallonië meer naar de mening van de bevolking als het gaat over efficiënt besturen.

Het idee dat verkozenen door lottrekking moeten worden aangeduid, zoals bijvoorbeeld auteur David Van Reybrouck bepleit om alvast de Senaat te bevolken, wordt door een ruime meerderheid afgewezen: 65% van de Nederlandstaligen ziet dat niet zitten, tegenover 58% van de Franstaligen.

Bijna de helft van de Belgen, 46%, vindt dat de regering samen met het parlement de meeste macht heeft in ons land. Zo’n 35% oordeelt dat de politieke partijen hier de macht uitoefenen, op de voet gevolgd door de rijkste mensen, financiële markten en banken. Voor 15% van de landgenoten zit de meeste macht in ons land in handen van de vakbonden.

Volgens 56% van de ondervraagden is onze democratie in gevaar. In Wallonië en bij jongeren leeft dat oordeel sterker, rond de 65%. Degenen die vinden dat onze democratie bedreigd wordt, wijzen vooral migratie, desinformatie en extreemrechts als de grootste gevaren aan. Ook hier zijn er enkele regionale verschillen: 45% van de Nederlandstaligen noemt migratie een bedreiging, tegen 33% van de Franstaligen. En omgekeerd ziet 45% van de Franstaligen extreemrechts als bedreiging, tegen 31% van de Nederlandstaligen. Maar ze vinden elkaar als het gaat over extreemlinks: telkens 30% bestempelt dat als een bedreiging voor onze democratie.

Iets meer dan een kwart van de Belgen beschouwt religie als een bedreiging voor onze democratie. Doorgevraagd over welke religies het dan gaat, duidt 82% de islam aan. In Vlaanderen (89%) ligt dat duidelijk hoger dan in Wallonië (75%), bij ouderen (89%) ligt het hoger dan bij jongeren (79%). De andere religies scoren heel wat lager: 22% noemt het christendom een gevaar, 15% het jodendom, 11% het boeddhisme en 7% het hindoeïsme.

Zowat de helft van de Belgen vindt dat zijn of haar stem niet telt. Dat gevoel geldt in gelijke mate voor mannen en vrouwen, Nederlands- en Franstaligen, jong en oud, en ook hoe lang men heeft gestudeerd maakt geen verschil: welke bevolkingsgroep je ook bekijkt, de helft vindt dat hij/zij niet meetelt.

De enquête peilde ook naar wie of wat een essentiële tegenmacht moet vormen om de democratie te waarborgen. De politieke oppositie komt dan met 39% het vaakst uit de bus, gevolgd door de burgerbeweging (33%), vakbonden (28%), burgerpanels (27%), de media (25%) en sociale media (16%). Ook hier schatten de Franstaligen de burgerbeweging en -panels hoger in, samen met de vakbonden. De Nederlandstaligen hechten wat meer waarde aan de media en sociale media.

Op de vraag wat nuttig is om je stem te laten horen en de democratie te bevorderen, antwoordt 64% ‘gaan stemmen’. Verder noemt men een petitie ondertekenen (35%) en vreedzaam manifesteren (29%) ook nuttig. Voor zo’n 10% mag dat zelfs niet-vreedzaam manifesteren zijn of burgerlijke ongehoorzaamheid. Als vorm van burgerlijke ongehoorzaamheid vindt 25% dat het geoorloofd is om bedrijven te boycotten en 23% om openbare ruimte te bezetten. Opvallend is dat slechts 6% het toegelaten vindt om zich vast te kleven of te ketenen, een actievorm die de laatste tijd in trek is.

Er zijn regionaal wel grote verschillen als het gaat over de tolerantie voor burgerlijke ongehoorzaamheid: 59% van de Nederlandstaligen zegt dat geen enkele vorm van burgerlijke ongehoorzaamheid toegelaten is, tegen 27% van de Franstaligen. Ook hier is er een groot verschil tussen jongeren en ouderen: van de 18- tot 35-jarigen verwerpt 25% burgerlijke ongehoorzaamheid, bij de 65-plussers is dat 63%.

Slechts 3% van de Nederlandstaligen vindt dat een burgerbeweging de wet mag overtreden, tegenover 8% van de Franstaligen. Zo’n 10% van de jongeren vindt dat men zich niet aan de wet hoeft te houden, bij de ouderen is dat minder dan 1%. Nederlandstaligen en ouderen willen duidelijk minder weten van burgerlijke ongehoorzaamheid dan Franstaligen en jongeren.

Meer dan de helft van de Belgen, zo’n 56%, voelt zich niet vertegenwoordigd door de federale staat. Regionaal zit er een licht verschil op: 58% van de Nederlandstaligen vindt zich niet gerepresenteerd door de Belgische overheid, tegen 54% van de Franstaligen. En bij ouderen ligt het cijfer ook hoger dan bij jongeren (60 tegen 53%). Meer mensen die alleen een diploma lager secundair hebben, voelen zich in vergelijking met de landgenoten met een diploma hoger (universitair) onderwijs minder vertegenwoordigd (62 tegen 52%).

Evenveel burgers, 55%, voelen zich niet vertegenwoordigd door het Vlaams, Brussels of Waals Gewest. We zien hier dezelfde kleine verschillen als bij de vraag over de federale overheid: 56% van de ondervraagden uit het Vlaams Gewest voelt zich niet vertegenwoordigd door het Vlaams Gewest, dat geldt voor evenveel Brusselaars ten opzichte van het Brussels Gewest en voor 51% van de inwoners van Wallonië voor het Waals Gewest. Ouderen en mensen met een lager diploma voelen zich niet alleen minder gerepresenteerd door de federale overheid, maar ook door hun regionale overheid.

Bijzonder interessant wordt het als de uitkomsten op beide vragen aan elkaar worden gekoppeld. Dan blijkt dat het grotendeels dezelfde mensen zijn die zich niet vertegenwoordigd voelen door de nationale regering én de regionale regering. Zo’n 45% van de Belgen voelt zich noch door de federale overheid, noch door de regionale overheid vertegenwoordigd. En 70% van de mensen die vinden dat hun stem niet meetelt, voelt zich door niets vertegenwoordigd.

Liefst 70% van de ondervraagden zegt dat de politici in België hun eigen belangen boven die van het volk stellen. Die overtuiging wordt breed gedragen door alle bevolkingsgroepen, al zien we het iets meer bij Nederlandstaligen en ouderen, maar ook bij de anderen gaat het steeds om zo’n 65%.

Drie op de vier Belgen zijn er voorstander van om de inkomsten van politici te plafonneren op het gemiddelde loon. Dat idee wordt opnieuw door velen gedeeld, welke positie ze ook bekleden in de samenleving. Zo’n 70% vindt dat het cumuleren van openbare ambten onder alle omstandigheden moet worden verboden. Vooral Franstaligen, ouderen en hoger opgeleiden zijn die mening toegedaan.

Iets meer dan de helft van de ondervraagden, 54%, vindt dat de meeste Belgische politici incompetent zijn. Zowat de helft van de Belgen vindt zelfs dat de meeste politici corrupt zijn. Terwijl de uitspraak dat politici ‘incompetent’ zijn door zowat alle lagen van de bevolking evenveel wordt uitgesproken, ligt dat voor ‘corrupt’ lichtjes anders: bij Franstaligen, jongeren en mensen met een lager diploma ligt dat aandeel iets hoger.

Van de Belgen die vinden dat de meeste politici corrupt zijn, verwerpt de helft een coalitieregering als de efficiëntste manier van besturen. De grootste voorkeur van die groep mensen gaat uit naar een regering met één partij (69%) of naar het organiseren van referenda (66%). Een regering van experts (55%) of een burgerpanel (51%) vinden wat minder instemming. Een op de drie onder hen zegt dat een dictatuur het beste zou zijn.

Van de mensen die vinden dat hun stem niet meetelt, oordeelt 72% dat de meeste politici in België corrupt zijn.

Twee op de drie Belgen vindt een democratie het meest efficiënte politieke systeem. Opnieuw is dat een overtuiging waarin veel Nederlandstaligen en Franstaligen, mannen en vrouwen, jong en oud, kort en lang opgeleid zich kunnen vinden. Het grootste deel van die mensen, 75%, is ervan overtuigd dat een coalitieregering de beste bestuursvorm is, en veel beter dan bijvoorbeeld een regering gevormd door één partij of door experts.

Maar een derde van onze landgenoten vindt dat de macht moet worden uitgeoefend door een sterke leider, zonder invloed van het parlement. Die overtuiging is iets groter bij de Franstaligen (36%) dan bij de Nederlandstaligen (30%), wat misschien verwondering kan opwekken omdat in het noorden van het land een partij als het Vlaams Belang hoog scoort. Opmerkelijk is ook dat heel wat jongeren (43%) voor zo’n sterke leider zijn in tegenstelling tot de 65-plussers (25%). Een vergelijkbare breuk zien we bij lager opgeleiden (46%) en mensen met een hogere studie (24%).

Van de Belgen die voor een sterke leider zijn zonder inspraak van het parlement denkt 52% dat een dictatuur de efficiëntste bestuursvorm is voor ons land, voor 50% mag het ook een burgerpanel zijn en voor zowat evenveel landgenoten een regering gevormd door één partij. Voor bijna 40% kan ook een regering gevormd door experts zorgen voor doortastend beleid.

In België geldt de stemplicht voor iedereen van 18 jaar of ouder, maar voor de lokale verkiezingen in oktober 2024 is de opkomstplicht afgeschaft. Benieuwd hoeveel mensen dan zullen opdagen aan het stembureau. In elk geval wil zo’n 43% van de Belgen dat de stemplicht helemaal wordt afgeschaft en 32% zou niet gaan stemmen als het niet verplicht was. Vooral bij de jongeren leeft dat sterk: 45% van hen zou dan niet meer opdagen. Dat hoge cijfer is opmerkelijk omdat jongeren van 16 tot 18 jaar volgend jaar voor het eerst mogen stemmen (niet verplicht) voor het Europees Parlement.

Ook interessant: de helft van de ondervraagden vindt dat een blanco stem moet worden weerspiegeld in lege zetels in het parlement. En een op de drie zegt dat migranten dezelfde rechten moeten hebben als autochtonen, inclusief stemrecht. Zo’n 54% is daartegen, en daarbij zien we geen verschil tussen Nederlandstaligen als Franstaligen: in beide groepen is iets meer dan de helft tegen gelijke rechten inclusief het stemrecht voor migranten. Dat druist in tegen de vaak gehoorde overtuiging dat Vlamingen het minder begrepen zouden hebben op migranten en ‘racistischer’ zouden zijn dan Franstaligen.

Er is dus niet zoveel animo voor een opkomstplicht, wél voor referenda: 70% van de Belgen wil dat zeker over de belangrijke vraagstukken in onze samenleving telkens een volksraadpleging wordt gehouden. Ouderen (78%) zijn meer te vinden voor referenda dan jongeren (57%). Zo’n 17% van de landgenoten vindt referenda de efficiëntste manier om een land te besturen. In Wallonië staat men daar met 22% iets positiever tegenover dan in de rest van België.

Pakweg 38% van de Belgen vindt een cordon sanitaire, waarbij geen politieke akkoorden of afspraken gemaakt zouden worden met een extremistische partij zoals het Vlaams Belang, essentieel voor onze democratie. Hier zien we een groot verschil onder de bevolking: 22% van de Nederlandstaligen staat achter een cordon sanitaire, tegenover 57% van de Franstaligen. Omgekeerd vindt 57% van de Vlamingen een cordon sanitaire niet essentieel voor de democratie, tegen 18% van de Franstaligen. Ouderen en lager opgeleiden tonen zich grotere tegenstanders van het cordon.

Een derde van de Belgen vindt dat het cordon sanitaire het best wordt uitgebreid naar extreemlinkse partijen. Ook hier zijn Franstaligen (42%) grotere voorstanders dan Nederlandstaligen (25%). Ook jongeren en hoger opgeleiden zijn het idee iets meer genegen. Samenvattend zijn vooral Franstaligen, jongeren en hoger opgeleiden gewonnen voor een cordon sanitaire, zowel tegen extreemlinks als extreemrechts.

Zo’n 54% vindt dat de media extremistische partijen aan het woord moeten laten. In Franstalig België bestaat een cordon médiatique tegen het Vlaams Belang, maar 49% van de Franstaligen is het daar niet mee eens, 35% is voorstander van zo’n cordon médiatique en de rest heeft er geen mening over. Onder Nederlandstaligen vindt 57% dat de media ook extreme partijen aan bod moeten laten komen, 29% vindt van niet en de rest heeft geen mening.

Iets meer dan 40% van de Belgen zegt dat onze rechtbanken niet onafhankelijk zijn. Iets meer dan de helft vindt dat onze rechters geen voeling hebben met de realiteit. Vooral ouderen (58%) en lager opgeleiden (54%) delen die mening, Nederlandstaligen en Franstaligen verschillen daarover nauwelijks van overtuiging. Wat duidelijk blijkt: het gaat vooral op voor mensen die vinden dat hun stem niet meetelt. 70% van hen vindt rechters wereldvreemd.

Velen vinden ook de media niet onafhankelijk. Iets meer dan de helft van de Belgen oordeelt dat de media en de politiek elkaar indekken. Die conclusie wordt door zowat alle bevolkingsgroepen in onze samenleving evenveel gedragen, maar toch vooral opnieuw bij mensen die vinden dat hun stem niet meetelt: 68% van hen vindt dat de media en de politiek onder één hoedje spelen.

Conclusie

De conclusie na dit onderzoek is ontluisterend. Een wel érg grote groep mensen lijkt alle geloof in de samenleving kwijt te zijn. Een vijfde van de Belgen (19% Nederlandstaligen, 21% Franstaligen met een betrouwbaarheidsmarge voor deze combinatievraag van 2,5%) is ervan overtuigd dat zijn stem niet meetelt, dat hij niet vertegenwoordigd wordt, dat de meeste politici corrupt zijn, dat rechters wereldvreemd zijn, en dat de media en de politiek elkaar indekken. Dat betekent dat zo’n 1,8 miljoen Belgen, onder wie 1 miljoen Vlamingen, zich niet alleen afkeert van de politiek maar ook de juridische wereld en de traditionele media. Kortom: van het hele systeem. 

Bron: Knack

Uitslagen Sociale Verkiezingen 2024

Uitslagen Sociale Verkiezingen 2024

Voorlopige resultaten

Zo’n 7 407 bedrijven startten in december 2023 de procedure sociale verkiezingen op, tot de oprichting of hernieuwing van ongeveer 7 407 comités en 4 170 ondernemingsraden. Hierbij waren 1 858 338 werknemers betrokken voor de ondernemingsraden en 2 194 438 werknemers voor de comités.

777 448 kiezers brachten hun stem uit voor de ondernemingsraden en 841 987 brachten hun stem uit voor de comités. Er is sprake van een participatiegraad van 59,60 % voor de ondernemingsraden en 60,45 % voor de comités. De participatiegraad houdt enkel rekening met de ondernemingen waar is gestemd.

De kandidaten voor deze verkiezingen worden voorgedragen door de representatieve werknemers-organisaties (ACLVB, ACV, ABVV). Voor de ondernemingsraden zijn er voor de kaderleden ook kandidaten voorgedragen door de NCK. Ook zijn er voor deze categorie individuele lijsten (huislijsten) ingediend.

Voor de raden werden er 20 990 kandidaten verkozen. Voor de comités werden er 26 772 kandidaten verkozen. Merk op dat men het aantal kandidaten en verkozenen voor de comités en ondernemingsraden niet zomaar kan samentellen, aangezien dezelfde werknemer vaak kandidaat is voor beide overlegorganen.

Alle resultaten vindt u via: Sociale verkiezingen 2024 Voorlopige resultaten (belgie.be) Neutr-On protesteert tegen het machtsmisbuik van de grote vakbonden om geen kleine vakbonden de kans te geven aan de sociale verkiezingen deel te nemen. Dat is geen democratie!

Een echt wijs plan zou in school en leerling investeren

In mei waren er  provinciale betogingen van het onderwijs. De noden zijn dezelfde: meer middelen voor beter onderwijs.

Het rapport der wijzen schokte het Vlaamse onderwijs. Met alle problemen in het onderwijs komt er plots een voorstel dat de statuten van leerkrachten aanvalt en directies en schoolbesturen meer macht zou geven. Dit rapport wordt voorgesteld als samengesteld door experts die op basis van ervaring en wetenschappelijk onderzoek conclusies brengen over hoe het onderwijs van de toekomst eruit moet zien om kwalitatief te zijn.

Deze zogenaamde experts hebben maar weinig geluisterd naar de mensen die in het onderwijs werken. Op geen enkel moment in het rapport wordt de vraag gesteld hoe het komt dat het onderwijs zich in de staat van vandaag bevindt. Hoe kan je nu een beleidsplan opstellen om te antwoorden op de problemen zonder de vraag te stellen vanwaar die komen? Dat kan alleen maar als je het probleem niet wilt inzien. Zo komen de zogenaamde experts met voorstellen waar enkel de onderwijsminister blij van wordt. Het gaat om “budgetneutrale” hervormingen die neoliberale ideeën in het onderwijs gieten.

Er zijn hervormingen in het onderwijs nodig om noden aan te pakken. Elke hervorming zonder grote investeringen zal echter leiden tot andere en mogelijk zelfs grotere noden. Leerplannen en onderwijsstructuren werden meermaals hervormd de afgelopen jaren zonder echt oplossingen te bieden. Nooit heeft de minister een echte prioriteit gemaakt van het wegwerken van de leerachterstand na de pandemie door voldoende bijkomstige middelen hiervoor uit te trekken. In plaats daarvan belast hij het personeel met extra hervormingen. Scholen kampen met infrastructuurproblemen zoals te weinig en verouderde klassen, geen of een te kleine sportzaal. Het gebrek aan schoonmaakpersoneel vertaalt zich in overvolle afvalbakken, afval op de speelplaats en vuile klassen, wat de leeromgeving ondermijnt. Ondertussen moeten leerkrachten steeds meer werk verrichten dat niet direct verbonden is met het lesgeven.

In mei zijn er vijf provinciale stakingsdagen. Die zijn belangrijk om een massale campagne in het onderwijs op te starten. De personeelsvergaderingen in de scholen zijn goed, maar er zal meer nodig zijn om tot een strategie te komen waarmee we echte overwinningen kunnen behalen. In actie komen tegen het rapport van de commissie der wijzen is één ding, maar we hebben nood aan onze eigen speerpunten om duidelijk te maken welk onderwijs we willen.

Dit zou druk zetten op elke volgende regeringsvorming. Als een volgende regering het plan der wijzen niet expliciet verwerpt en geen bijkomende middelen voorziet voor onderwijs, moet er meteen een echt syndicaal actieplan vanuit het onderwijs zijn. 

Er is nood aan grote investeringen om tot kwalitatief onderwijs te komen. Dat is nodig voor het personeel en voor de jongeren. Het niveau van leerlingen daalt al jaren, de ongelijkheid blijft toenemen. Dit werd opnieuw bevestigd door de PISA-rapporten. Eén op de vijf beginnende leerkrachten stopt na de eerste paar jaar. Die stoppen niet omdat ze geen 38-urenweek hebben zoals in andere werkplaatsen maar omdat ze het gevoel hebben tegen een muur te lopen, dat ze veel tijd, energie en moeite in hun werk steken zonder het gevoel te hebben iets terug te krijgen.

Om die uitstroom te stoppen zijn er echte maatregelen nodig. Kleinere klassen zijn een belangrijke basis om leerlingen de aandacht en de ruimte te geven om echt te kunnen leren. Er is nood aan een betere begeleiding van beginnende leerkrachten. Niet door zogenaamde “leraar-experten” aan te duiden, maar door extra middelen te voorzien om ervaren leerkrachten de mogelijkheid te geven als coach te werken, waarbij ze dit niet naast de uren moeten doen, maar ter vervanging van (een deel van de) uren. We hebben nood aan sterkere en beter gefinancierde sociale ondersteuning zoals het CLB en de vele andere organisaties die projecten en hulp voorzien voor leerlingen met hulpvragen. In plaats van te besparen op schoonmaak, moeten er meer middelen voor uitgetrokken worden. In een vuil lokaal kan noch leerling noch leerkracht zich focussen op de les. Het spreekt voor zich dat onderwijs kwalitatiever is in goede schoolinfrastructuur, zonder ineenstortende daken en met voldoende klassen om alle lessen vlot te laten plaatsvinden. Meer middelen zijn nodig om alle leerlingen een gratis warme maaltijd aan te bieden. Een hongerige leerling kan immers niet leren.

De actiedagen in mei waren een goede gelegenheid om het gesprek over deze voorstellen aan te gaan onder collega’s, maar ook met leerlingen, ouders en al wie beseft dat meer publieke middelen voor onderwijs betekent dat de gemeenschap investeert in de toekomstige generaties. 

Bron: LSP

Onderwijs is geen luxe

Lancering campagne: Onderwijs is geen luxe, het is een basisrecht!
Het recht op onderwijs centraal voor Vlaamse verkiezingen op 9 juni

“Onderwijs is geen luxe, het is een basisrecht!” Dat is de centrale boodschap van de campagne van het Netwerk tegen Armoede en de 61 lokale verenigingen voor de Vlaamse verkiezingen van 9 juni. Onderwijs kan een hefboom uit armoede zijn, maar is dat momenteel niet. Voor 1 op 8 kinderen in Vlaanderen die opgroeien in armoede, biedt ons onderwijs niet de kans tot maximale zelfontplooiing. “We zetten in op gelijke onderwijskansen voor iedereen zodat alle kinderen en jongeren de kans krijgen zich te ontplooien. Schoolfacturen worden steeds hoger, de werkingsmiddelen voor scholen zijn ontoereikend. Zij zoeken oplossingen, maar zien vaak geen andere uitweg dan de kosten door te rekenen aan de ouders. Dat resulteert in minder kansen voor kinderen in armoede. Ze gaan niet mee op schooluitstap en missen belangrijke levenslessen, ze zitten zonder schoolboeken of -materiaal in de klas en kunnen zo minder goed kunnen opletten of het gezin kan geen dure bijlessen of privé-zwemlessen betalen”, aldus Heidi Degerickx, algemeen coördinator van het Netwerk tegen Armoede.

Aftrap campagne met goede praktijken en verhalen op Inspiratiedag

Op donderdag 25 april trapte het Netwerk tegen Armoede de campagne af tijdens de Inspiratiedag: ‘betrokken scholen, betrokken ouders’ van Vierdewereldgroep Mensen voor Mensen in Aalst. Een goede samenwerking tussen ouders en scholen is één van de aanbevelingen van het Netwerk tegen Armoede voor gelijke kansen op school. De inspiratiedag toonde goede praktijken van samenwerking van brugfiguren, die luisteren naar de noden van ouders én scholen, en hen samenbrengen om zaken structureel te verankeren in de scholen. Met het kennismakingsspel ‘Sterrenschool’, dat ze ontwikkelden, kunnen ouders en leerkrachten en begeleiders meteen het ijs breken en elkaars vertrouwen wekken.

Inzetten op gelijke onderwijskansen voor ieder kind

Onderwijs kan een hefboom uit armoede zijn, maar is het dat op dit moment absoluut niet. Het vergroot eerder de kloof tussen kansrijke en kansarme leerlingen. Wie het kan betalen, laat zijn kinderen mee op schooluitstap gaan. Zij kunnen de lessen omzetten in de praktijk waardoor leerstof beter blijft hangen. Daarnaast biedt het ook andere leermogelijkheden, zoals het openbaar vervoer nemen, onbekenden aanspreken, leren omgaan met klasgenoten … Leerlingen die op school moeten blijven omwille van de kostprijs van de uitstap, zijn dubbel gestraft. Ze missen een fijne dag met hun klasgenoten en krijgen niet de kans om theorie aan praktijk te koppelen.

Aandacht voor drempels, maar ook op oplossingen

Met de campagne ‘Onderwijs is geen luxe, het is een basisrecht’ vestigt het Netwerk tegen Armoede de aandacht op de vele obstakels die kinderen en jongeren in armoede kansen ontnemen om de armoedecirkel te doorbreken. Onderwijs vormt een belangrijke inzet van de verkiezingen in juni 2024. Het Netwerk tegen Armoede brengt mensen in armoede samen om de knelpunten in beeld te brengen en aanbevelingen te formuleren voor het toekomstige beleid rond onderwijs. Die aanbevelingen staan ook in het memorandum 24 speerpunten voor een structureel armoedebeleid in ‘24 van het Netwerk tegen Armoede.

Drie concrete aanbevelingen voor het recht op onderwijs

Goed en betaalbaar onderwijs sluiten elkaar niet uit. Het Netwerk tegen Armoede en de 61 lokale armoedeverenigingen formuleerden drie aanbevelingen om ons onderwijs echt toegankelijk te maken en ervoor te zorgen dat elk kind hun talenten kan ontwikkelen:

1. Beperk schoolkosten in het onderwijs

2. Laat elke leerling het schooljaar starten met de nodige leermiddelen

3. Beschouw ouders en school als evenwaardige partners in het onderwijs

Onderwijs is geen luxe, het is een basisrecht!

Het Netwerk tegen Armoede verzamelde verhalen van mensen uit de verenigingen rond gelijke onderwijskansen. Een van hen is Cindy Van Geldorp, mama van een zoontje en een tweede kindje onderweg. Ze werkt als ervaringsdeskundige bij het Netwerk tegen Armoede. Haar zoontje zit in de lagere school waar een maximumfactuur geldt: “Hier vallen helaas niet alle kosten onder. Zo betalen we 1 euro/dag voor het middagtoezicht. Dat loopt dus enorm op als je meerdere kinderen hebt en is niet altijd voor iedereen betaalbaar. Het is voor ouders niet altijd duidelijk wat wel of niet onder de maximumfactuur valt. Gemiddeld betalen we 13 euro/maand voor middagtoezicht. Dat is dus ongeveer 130 euro op een schooljaar, dat bovenop de maximumfactuur van 105 euro komt.”

Maak een X tegen hoge schoolkosten!

De Inspiratiedag ‘Betrokken scholen, betrokken ouders’ op donderdag 25 april 2024 vormt de aftrap van de campagne ‘Onderwijs is geen luxe, het is een basisrecht’ met goede praktijken en verhalen van ouders en brugfiguren. Intussen start ook een socialemediacampagne met verhalen over drempels naar gelijke onderwijskansen. De campagnesite onderwijsisgeenluxe.be staat centraal en geeft inzicht in het thema en de aanbevelingen, bevat getuigenissen en goede praktijken, campagnemateriaal, foto’s en filmpjes, artikels …

Verder roept het Netwerk tegen Armoede scholen en organisaties op een X te maken tegen hoge schoolkosten en er een foto of video van te posten op sociale media. Met de aanbevelingen en verhalen stapt het Netwerk tegen Armoede naar de volgende Vlaamse Regering en minister van Onderwijs om gelijke onderwijskansen te garanderen.Campagnesite ‘Onderwijs is geen luxe!’      GA NAAR DE CAMPAGNESITE         

Bron: Netwerk tegen Armoede