Zorg moet toegankelijk en betaalbaar zijn. Dat vereist een uitbouw van de publieke zorg

ACOD-LRB West-Vlaanderen weert zich met een voorbeeldige campagne tegen de aanvallen op de zorgverstrekking en het personeel van het AZ Sint-Jan ziekenhuis Brugge. Dat is het laatste openbare ziekenhuis van West-Vlaanderen. We spraken met Stan Geernaert, voorzitter van de LRB-jongeren, militant bij ACOD en tewerkgesteld op de spoedafdeling van AZ Sint-Jan. 

Interview door Andrej uit maandblad De Linkse Socialist

Hoe kwam het zo ver dat het AZ Sint-Jan het laatste openbare ziekenhuis in de provincie is?

“Op 1 november 2023 werd het laatste publieke ziekenhuis in Oostende geprivatiseerd. Het Henri Serruysziekenhuis in Oostende scheurde zich los van het AZ Sint-Jan in Brugge en fuseerde met het AZ Damiaan tot één groot Oostends ziekenhuis.”

“Sinds de privatisering van Serruys staat de kwaliteit van de zorg onder druk. Op VRT NWS verscheen op 18 april een artikel waarin getuigen praten over een toxische sfeer en veel wantrouwen. Sinds de fusie vertrokken al heel wat werknemers en de personeelsuitval door ziekte is niet te overzien. Ook de werkdruk is dramatisch toegenomen, de teams zijn er te klein en er is bijna geen marge meer om ziektes en verloven op te vangen.” 

“Recent voerde een extern bureau een audit uit op de spoedafdeling van Damiaan en die is uiterst kritisch. De kwaliteit van de zorg en de veiligheid van de patiënt komt in het gedrang. De focus ligt op meer behandelingen, minder tijd per behandeling, financiering van prestaties en niet op kwaliteitsvolle zorg. Ten slotte hekelt de audit ook de chaos en heeft het ernstige bedenkingen over de leiding van de eengemaakte spoedafdeling. Medewerkers worden niet gehoord door het management en er is te weinig appreciatie voor het harde werk van het personeel.”

Dat willen ze nu ook in het AZ Sint-Jan bekomen?

“Vorig jaar ontstond er al onrust op de gemeenteraad toen de vraag rond fusie en eventuele privatisering van het AZ Sint-Jan gesteld werd. Uit het antwoord van burgemeester Dirk de Fauw (CD&V) konden we opmaken dat er een zekere druk van de katholieke zuil wordt uitgeoefend in de richting van een privatisering van het AZ Sint-Jan.” 

“Een eengemaakt openbaar Brugs ziekenhuis kan en mag zeker, maar we zullen ons blijven verzetten tegen een privatisering. Als we zien wat dit in Oostende heeft teweeggebracht, moeten we absoluut eenzelfde of misschien wel erger scenario in Brugge vermijden. Daarom hebben we een campagne opgestart voor een sterke publieke zorg voor iedereen onder de slogan: niet winst, maar welzijn.”

“Met een opvallende actie tijdens de 1 mei-optocht in Brugge werd de campagne opgestart. Op 3 juni voerde ABVV-ACOD actie aan het AZ Sint-Jan te Brugge. Niet toevallig net voor de verkiezingen van 9 juni. De Europese Commissie wil dat België 30 miljard euro bespaart en een groot deel daarvoor willen ze vinden in de zorg. 30 miljard, dat is drie keer het jaarlijks budget voorzien voor ziekenhuizen. Met een rechts beleid krijgt de gezondheidszorg de rekening toegestopt. Met een links beleid doen we de rekeningen kloppen door het geld te halen waar het zit.”

Waarom is publieke zorg net nu zo belangrijk?

“Als de volgende regering alleen bespaart, zal de rekening zéér pijnlijk zijn voor alle werknemers, voor werklozen, voor wie arbeidsongeschikt is, voor alle gezinnen in ons land. Veel mensen stellen nu al medische zorg uit omdat ze de factuur vrezen. In 2023 ging het 90.000 mensen! Uitgaven voor gezondheidszorg slorpen een serieus deel van het gezinsbudget op voor wie ziek is. Rusthuizen zijn bijna onbetaalbaar: gemiddeld €2200/maand, zonder medicijnen, tegenover een gemiddeld pensioen van €1900/maand. Huisartsen zijn overbevraagd en lassen steeds vaker een patiëntenstop in.” 

“De besparingsmaatregelen werken de privatisering van de zorg in de hand! Nochtans is een publiek ziekenhuis de beste garantie voor betaalbare zorg. De aanwezigheid van een publiek ziekenhuis werkt immers regulerend. Als er publieke zorg in de nabijheid is, zal dat alle prijzen in de buurt drukken. Privézorg zit in de handen van privéondernemers, van bepaalde grote bedrijven. En dat is toch een groot verschil in benadering naar de zorg toe. Je hebt de winstlogica, die vooral primeert bij de private zorginstellingen. En dan heb je eigenlijk ook de patiëntveiligheid en de kwaliteitszorg. Die zaken primeren uiteraard bij de publieke zorg.” 

“Als we het over de patiëntveiligheid en de kwaliteitszorg hebben dan zien we dat in bepaalde publieke centra het bovennormpersoneel ongeveer 30% is. Dat betekent dat bovenop de norm van 100% die door het RIZIV bepaald is, er 30% bij komt. Bij de rusthuizen die afhankelijk zijn van steden en gemeenten, de vroegere OCMW rusthuizen, is er een bovennormpersoneel van ongeveer 30%. Bij de rusthuizen onder een VZW’s, dan zit je al met private spelers, varieert dit rond de 15%. Dat is juist het bedrag dat nog gesubsidieerd wordt door de overheid. Bij de echte privéspelers, de profitorganisaties, is er geen bovennormpersoneel.” 

“Het maakt dat de werkdruk in een privaat rusthuis of ziekenhuis veel hoger is. Er is veel minder marge voor mensen die uitvallen door ziekte of andere afwezigheden, zoals verlof. In de publieke zorg is er meer marge en zijn er dus ook meer handen aan bed.”

“Voor het personeel zijn er ook verschillen tussen de publieke en de private zorgsector. Het hangt af van je statuut en er zijn plaatselijke verschillen. Als er een uitgebouwde vakbond is die zijn werk doet, zijn de voorwaarden die het personeel collectief kan afdwingen beter.” 

De campagne ‘Niet winst maar welzijn’ wil het openbare karakter van het AZ Sint-Jan behouden, maar roept ook breder op tot meer publieke zorg?

“Het is belangrijk dat we het ziekenhuis publiek kunnen houden omwille van de betaalbaarheid en toegankelijkheid. We mogen niet aan klassengeneeskunde doen, waarbij sommigen bepaalde aspecten van de zorg of geneeskunde niet kunnen betalen. Zorg moet toegankelijk en betaalbaar zijn. Dat vereist een uitbouw van de publieke zorg.”

“Openbare diensten zijn de motor van de samenleving. Het dagelijkse leven kan niet zonder de inspanning van die duizenden mensen die voor openbaar vervoer, onderwijs, zorg, cultuur en zoveel meer zaken zorgen. De lokale besturen zijn een cruciale speler omdat ze heel dicht bij de burgers staan en actief zijn op veel van die domeinen, zoals onderwijs en zorg. Zorg is met name heel belangrijk, een samenleving zonder zorg voor elkaar is geen samenleving.” 

“Zorg is de lijm die alles samenhoudt. Als we niet zorgen voor mensen, zijn er niet genoeg mensen met de energie en kracht om hun dagelijks werk te doen. Zorg valt in die zin onder wat met een duur woord reproductieve arbeid wordt genoemd. Dat is alle arbeid die ervoor zorgt dat onze samenleving op een dagelijkse basis kan voortbestaan.”

30 miljard besparen, wat betekent dit?

3 keer het jaarlijks budget voorzien voor ziekenhuizen

2 jaar aan terugbetalingen van patiënten van dokters, tandartsen, kinesisten, logopedisten, verloskundigen, wijkgezondheidscentra en psychologen

Met een rechts beleid krijgt de gezondheidszorg de rekening toegestopt. Met een links beleid doen we de rekeningen kloppen door het geld te halen waar het zit.Iedereen heeft recht op kwaliteitsvolle gezondheidszorg.

We hebben de rekening al vaak genoeg betaald!

1993 Start van de verkoop van overheidsbedrijven

1994 BTW van 19.% naar 21%

1995 Accijnzen op brandstof, tabak en alcohol

1996 Loonnormwet, waardoor de lonen niet meer groeien

1997 Verlenging van de loopbaan alvorens op pensioen te kunnen gaan van 40 naar 45 jaar

2008 Financiële crisis, de staat redt de privébanken met overheidsgeld

2012 Degressiviteit van de werkloosheidsuitkeringen

2015 Indexsprong

Het wordt tijd dat de regering het geld eens bij een ander gaat zoeken!

Vermogensbelasting op het vermogen boven 1 miljoen euro

= €10 miljard inkomsten per jaar

Belastingschijven van 52.5% en 55% opnieuw invoeren

= €4 miljard inkomsten per jaar

Meerwaardebelasting op winst uit aandelen

= €3 miljard inkomsten per jaar

Hoe kunnen we deze strijd winnen?

“We moeten als vakbond veel strategischer nadenken. Wie zijn onze mensen, wat zijn onze doelen en welke middelen zetten we in om die doelen te bereiken? Ons doel voor de zorgsector is heel duidelijk: het behouden en uitbreiden van de openbare zorginfrastructuur en voorzieningen. We willen een betere toegankelijkheid en een groter aanbod. Hoe gaan we de strijd hiervoor aan? We moeten de publieke opinie veel meer aan onze kant krijgen, onder meer door campagne te voeren.”

“De campagne ‘Niet winst, maar welzijn’ is vanuit West-Vlaanderen opgestart, maar het moet volgens mij verder gaan. Dit is een strijd die veel mensen beroert. Commercialisering en privatisering van de zorg, is iets waar de meeste mensen niet naartoe willen. Er is een groot potentieel om de bredere werkende bevolking mee te krijgen in onze strijd. We zullen dat bereiken door veel meer in te zetten op communicatie en campagnes. Dat doen we in de bredere samenleving, in de publieke ruimte. Maar ook op de werkvloer, door militanten vormingen te laten geven over de gevaren van privatisering, door gesprekken op de werkvloer aan te gaan. Het is immers daar dat we een kracht kunnen uitbouwen waarmee we een tegengewicht bieden tegen die krachten van privatisering die vandaag nog steeds heel sterk zijn. Daar moeten we ons ook geen illusies over maken.”

“We boksen tegen iets op, maar hebben de mogelijkheden om een tegenmacht uit te bouwen. Dat is wat wij als vakbond moeten doen.” 

“Met ACOD LRB stuurden we een engagementsverklaring naar parlementsleden en lokale mandatarissen. We vroegen om maximaal werk te maken van de versterking van de publieke zorg en om die niet af te stoten, te privatiseren of te commercialiseren. We hebben ongeveer 270 handtekeningen uit heel Vlaanderen, uit heel veel belangrijke centrumsteden, van toch wel een aantal vooraanstaande figuren, uit de progressieve partijen, maar ook uit soms onverwachte hoek, soms uit andere partijen, ook veel mensen van lokale lijsten die zich achter dat voorstel scharen.”

“Het maakt duidelijk dat we als vakbond een belangrijke factor zijn in deze strijd. Veel politici erkennen dit door onze engagementsverklaring te ondertekenen. Het is ook duidelijk dat we het samen met elkaar moeten doen. We hebben elkaar nodig, de progressieve krachten in dit land, vanuit de politieke zijde, maar ook vanuit het middenveld. Samen gaan we de strijd aan om de openbare diensten te realiseren die we als samenleving verdienen.” 

Volg deze strijd via de website nietwinstmaarwelzijn.be, waar er ook een podcast te horen is.

Bron: socialisme.be

‘AI biedt enorme kansen voor sociaal werk’

Artificiële Intelligentie (AI) biedt enorme mogelijkheden voor de hulpverlening. Vooral AI-chatbots kunnen de toegang tot rechten aanzienlijk verbeteren. Dat schrijft sociaal werker Jonathan Vander Elst.

Versnipperde informatie

Als maatschappelijk werker zie ik dagelijks hoeveel moeite mensen ondervinden om de juiste informatie te vinden over verschillende rechten, premies, toeslagen en ondersteuning. Informatie hierover is vaak versnipperd.

Hoewel er al veel stappen ondernomen zijn om informatie online te bundelen, leidde dit voornamelijk tot nog meer websites die overladen zijn met inhoud en links. Uiteindelijk blijft het moeilijk om het overzicht te behouden.

Bovendien vergt het tijd, geld, bekendheid en goed beheer om zo’n website succesvol te maken. Het blijft onzeker of de site zal aanslaan, of net als vele voorgangers zal verdwijnen in de obscuriteit van het internet.

Complex

Voor wie goed met het internet overweg kan, kunnen zulke overzichtssites echt tijd besparen. Maar de informatie die men ter beschikking wil stellen, is niet voor iedereen duidelijk.

Neem nu rechten of toeslagen: vaak moeten mensen voldoen aan verschillende criteria om ervoor in aanmerking te komen. Het kan best lastig zijn om op een site te navigeren tussen de wirwar van regels en voorwaarden.

Dezelfde complexiteit zien we bij hulpvragen: die zijn vaak multidimensionaal. De huidige informatiewebsites kunnen niet altijd de volledige context vatten.

Generalisten

Gelukkig hebben we de maatschappelijk werker als generalist om de cliënten bij te staan. Deze professional probeert bij elke hulpvraag te navigeren door het uitgebreid aanbod van projecten, organisaties, premies en rechten.

Ondanks hun goede wil, lopen ook die hulpverleners vaak verloren. Het blijft een uitdaging om het overzicht te bewaren over alle regelgeving en netwerken die voortdurend veranderen, komen en gaan.

Door de complexiteit en de dynamiek van het aanbod, kan het best gebeuren dat sociale uitkeringen of passende vormen ondersteuning toch niet tot bij de hulpvrager geraken.

Rondbellen en navragen

Zonder continue scholing is het praktisch onmogelijk om op de hoogte te blijven van alle rechten en bijbehorende regelgeving, procedures en aanvraagformulieren. Sociaal werkers moeten vaak zelf rondbellen naar verschillende organisaties, die vervolgens aan andere teams moeten navragen hoe het zit met specifieke regelgeving, procedures en bijbehorende formulieren.

Om deze uitdagingen het hoofd te bieden, is het essentieel dat sociaal werkers over up-to-date informatie beschikken en flexibel kunnen inspelen op veranderingen binnen het hulpaanbod. Het optimaliseren van de samenwerking en communicatie tussen verschillende organisaties kan helpen om dit proces te stroomlijnen. Daarnaast kunnen digitale platforms en databanken een waardevolle bron zijn waar je snel en effectief de benodigde informatie terugvindt.

Non-take-up van rechten

Ondanks de stappen die al genomen zijn om informatie te stroomlijnen, zijn we er duidelijk nog niet. Een grote groep van de mensen die recht hebben op een leefloon, ontvangen dit niet, blijkt uit een onderzoek van Belspo. Afhankelijk van de meetmethode gaat het om maar liefst 43 of 46 procent.

Ook lokale rechten worden vaak niet benut. Zo blijkt uit onderzoek van Welzijnszorg Kempen naar de aanvraag van het sociaal tarief voor buitenschoolse kinderopvang in Balen, de huurtoelage in Ravels en de onderwijscheques in Rijkevorsel dat 25 tot 50 procent van de burgers niet alle lokale rechten benut.

Non-take-up van rechten blijft dus een groot probleem. Voor een groot deel kunnen we dit wijten aan de complexiteit van de procedures voor bepaalde rechten, de onmogelijkheid om al je rechten te kennen en de drempels om hulp te zoeken.

In de praktijk merk ik dat klanten met een sterker netwerk beter op de hoogte zijn van hun rechten, zoals goedkopere telecomabonnementen, korting op schoolfacturen en toegang tot het energiefonds. Maar er is ook een grote groep met een minder groot netwerk die niet geïnformeerd raakt over hun rechten.

Automatische rechtentoekenning

Om de non-take-up aan te pakken, kunnen we denken aan oplossingen zoals automatische rechtentoekenning. Dit betekent dat we, in plaats van manuele aanvraagformulieren, als overheid aan de hand van beschikbare data automatisch bepalen wie recht heeft op bepaalde zaken en wie niet.

Een voordeel hiervan is dat geen enkele burger wordt uitgesloten van een bepaald recht. De vraag is hoe ver je hierin wilt gaan. Voor zaken zoals een jobbonus zal dit makkelijker te implementeren zijn doordat een beperkt aantal parameters bepaalt of je er recht op hebt of niet. Maar voor bijvoorbeeld een huursubsidie zijn er veel meer parameters, zoals de huurprijs, rijksregistergeschiedenis, inkomsten… Om een sociale uitkeringen te kunnen toekennen is er dan weer zodanig veel persoonlijke informatie nodig, waardoor er privacykwesties kunnen opduiken.

Mogelijkheden van AI

Laten we tegelijk ook artificiële intelligentie (AI) inzetten in de strijd tegen onderbescherming. Deze snel ontwikkelende technologie biedt enorme kansen voor het sociaal werk. Ik denk dan vooral aan chatprogramma’s gebaseerd op AI. Ze kunnen mensen wegwijs maken in de wirwar van sociale rechten en hulpverlening.

Het gaat hier voor alle duidelijkheid niet om de al iets oudere geautomatiseerde chatboxen die voorgeprogrammeerde antwoorden geven op veelgestelde vragen. Nee, moderne AI-chatbots kunnen in een natuurlijke taal meteen relevante antwoorden geven op vragen van burgers.

Die chatbots kunnen bovendien zeer ruime vragen aan. Je kan het systeem voeden met interne documenten en databases, zodat ze over zeer specifieke informatie beschikken. Zoals bijvoorbeeld OCMW-regelgeving of een sociale kaart.

Orde in de chaos

Via zo’n gesprek met een chatbox kan een burger zijn rechten verkennen en makkelijker de weg vinden naar steun. Zo kan iemand die plots dakloos wordt, vragen wat die kan doen. De chatbot kan direct advies geven op basis van de informatie die de burger meegeeft over de sociale en financiële situatie. Is het antwoord niet duidelijk, dan kan je gewoon doorvragen. De bot kan ook op basis van de locatie doorverwijzen naar de relevante instanties om hulp op te starten.

Ook voor hupverleners kan een AI-chatbot wat orde in de chaos scheppen. Het kan een handig middel zijn om efficiënt te navigeren tussen die grote hoeveelheid aan informatie over relevante rechten, procedures, premies en organisaties die nu overal versnipperd te vinden is. Zo kan AI de toegang tot sociale rechten en diensten enorm verbeteren.

Niet altijd nauwkeurig

Hoewel de huidige AI-technologieën indrukwekkend zijn, garanderen ze geen volledige nauwkeurigheid. Al maken ze alsmaar minder fouten, soms zijn de antwoorden die de bots geven gewoon verkeerd.

Daarom blijft het essentieel dat burgers contact opnemen met mensen van vlees en bloed, professionals die definitieve antwoorden kunnen geven op hulpvragen. Maar ook een goede doorverwijzing kan je instellen in een AI-chatbot. De bot kan bijvoorbeeld naar je locatie vragen en op basis daarvan de contactgegevens tonen van het dichtstbijzijnde sociaal huis of andere relevante dienst.

Digitale kloof verkleinen

Een andere uitdaging is de digitale geletterdheid van mensen. Niet iedereen kan overweg met een smartphone of een computer. Maar ook op dit vlak biedt AI een oplossing. Zo werken verschillende bedrijven aan voice-assistance: door gewoon op een natuurlijke manier te praten tegen je telefoon of computer, kan je die bedienen.

Eén ding staat vast: AI evolueert snel en wordt steeds intelligenter en veelzijdiger. Dit betekent dat de drempels tot het digitale alleen maar kleiner zullen worden.

Binnen de komende jaren zullen mensen geavanceerde digitale assistenten kunnen hebben. Gebruikers kunnen eenvoudig met deze assistent praten en opdrachten geven. In plaats van zelf door talloze complexe websites te navigeren, voert de assistent dit voor je uit.

Deze technologieën zullen de digitale kloof verkleinen. Dit betekent dat iedereen, ongeacht hun digitale vaardigheden of fysieke beperkingen, toegang kan krijgen tot de benodigde diensten en informatie.

Goede kwaliteit van data

Met behulp van AI kunnen we een revolutie ontketenen in de sociale dienstverlening en toegang tot rechten. De beschikbare data centraliseren over de verschillende sociale diensten heen is dan wel cruciaal.

Meerdere chatbots, gebaseerd op beperkte kennisdatabases, kan leiden tot gefragmenteerde en onvolledige informatie. Een geïntegreerde benadering, waarbij informatie over bijvoorbeeld leefloon en werkloosheidsuitkeringen samenkomt, is essentieel voor de nauwkeurigheid van de adviezen die chatbots geven.

De effectiviteit van een AI-chatbot is bovendien sterk afhankelijk van de kwaliteit en organisatie van de onderliggende data. Net zoals de nauwkeurigheid van een Excel-bestand direct afhankelijk is van zorgvuldige data-invoer en -updates, geldt dit ook voor de databases die chatbots voeden. De data moeten ook actueel en relevant zijn.

We staan vandaag slechts aan het begin van wat er kan met AI, en er is aanzienlijke ruimte voor verdere ontwikkeling. Door te blijven innoveren en investeren in deze technologieën kunnen we een revolutionaire impact in het sociaal werk realiseren.

Bron: DeWereldMorgen

Aan Vlaams minister Hilde Crevits (CD&V): fraude is het gevolg van gebrek aan handhaving

Er is heel wat te doen over fraude in het toekennen van leefloon door het OCMW van Anderlecht. Vlaamse politici en media wijzen de PS aan als de schuldige. Fraude in lokale besturen is echter allesbehalve een Waalse/Franstalige exclusiviteit, zoals blijkt uit de plaag van fraude met bouwpromotoren in talrijke Vlaamse gemeenten. Wat doet minister Hilde Crevits eraan?

“In de Kamercommissie Sociale Zaken ontplofte woensdag 27 november 2024 een bommetje. Een debat over de vermoedens van vriendjespolitiek en fraude met leeflonen in Anderlecht krijgt extra munitie door de brief van een klokkenluider (De Morgen, 28 november 2024).”

Dezelfde vriendjespolitiek komt in de media uitvoerig aan bod door de reeks van burgemeesters die verdacht worden van gesjoemel in de samenwerking met bouwpromotoren. Mag het gezegd? De corruptie is ook op gemeentelijk vlak een fenomeen geworden. Vraag is daarom wat zij die verantwoordelijk zijn voor de sanctionering van dit fenomeen er mee doen.

De vraag richt zich vooreerst naar de betrokken voogdijministers. Federaal Minister van Pensioenen en Sociale integratie Karine Lalieux (PS)verweerde zich door te stellen dat haar diensten al enkele jaren op de hoogte zijn van de problemen bij het OCMW van Anderlecht én er ook tegen optreden met sancties.

Commissielid Wouter Raskin (N-VA) was verbolgen dat de betrokken OCMW-voorzitters afwezig waren, maar ook dat de minister niet antwoordde of haar kabinet contact met hen had voor deze hoorzitting. Raskin: “Het doet vermoeden dat het PS-apparaat heel wat te verbergen heeft”.

In Vlaanderen is dat niet anders.

Vorig Vlaams minister van Binnenlands bestuur Bart Somers (Open VLD) nam geen sancties en bedacht een eigen zelf bedachte maatregel om dat niet te moeten doen. Hij keek erop toe en stelde gemeentesturen onder verscherpt toezicht. Hij meende ook dat het parlement niet de geschikte plaats is om er een debat over te voeren. Plots gaf hij er vervolgens de brui aan en verdween naar zijn eigen stad Mechelen. Om er zijn eigen dossiers te bewaken?

Aan toezicht is er nochtans geen gebrek. Daarvoor heeft de Vlaamse regering een onafhankelijk agentschap Audit Vlaanderen. Dat agentschap doet forensische onderzoeken over het wanbeheer en rapporteert daarover zowel aan de minister als, wanneer er ook misdrijven worden ontdekt, aan de procureur des Konings. Wat heeft dat voor gevolg?

Bart Somers nam geen sancties omdat hij wenste te wachten op het resultaat van de strafrechtelijke afhandeling. Dat duurt in ieder geval lange tijd. Intussen gebeurt er niets. Er is ook een merkwaardig verschil naargelang de procureur die er moet over oordelen.

In West-Vlaanderen worden verkeerd gelopen burgemeesters vervolgd. In Antwerpen seponeert de procureur de in de rapporten van Audit Vlaanderen aangegeven, bewezen en besproken misdrijven van belangenvermenging en schending van het beroepsgeheim. Bovendien roept ook de verantwoording die wordt gegeven voor het zonder gevolg laten grote vraagtekens op.

Het rapport van Audit Vlaanderen over het beheer van de gemeente Boechout zou volgens de procureur een tekort aan bewijzen hebben. Dat is een flagrante miskenning van wat er in het rapport staat. Daarin worden aan de hand van het eigen e-mailverkeer tussen de burgemeester en de twee lokale promotoren onweerlegbare bewijzen vermeld, besproken en toegelicht.

In een ander dossier over corruptie waarin de burgemeester en twee advocaten zijn betrokken zouden de daders onbekend zijn gebleven. Ook dat is in flagrante tegenspraak met de stukken van het dossier. De verdachten werden zelfs persoonlijk door de onderzoeksrechter gehoord.

Omdat de verdachte advocaten als getuige werden gehoord konden zij zich beroepen op het beroepsgeheim. Dat is hier echter niet van toepassing. Het gaat niet over de bescherming van de belangen van hun cliënt maar om de door deze advocaten zelf gestelde handelingen.

Er wordt in de gerechtelijke dossiers ook geen aandacht gegeven aan de persoon van de medeverdachte bouwpromotor. Dat is ongewoon vermits er in corruptiedossiers minstens twee verdachten actief zijn. Bij corruptie moet immers ook steeds de vraag worden gesteld waar het geld vandaan komt en waar het naar toe gaat. Gaat het om witwaspraktijken en eventueel om crimineel geld?

Wat gebeurt er tijdens dit verscherp toezicht? De burgemeester van Boechout weigerde iedere verklaring en deed er alles aan om de inhoud van de rapporten geheim te houden. Hij beschuldigde de auditeurs ervan niet zelf het onderzoek te hebben gedaan.

Hij plaatste een medeverdachte op zijn lijst voor de gemeenteraadsverkiezingen en wees de verkozen dochter van één van de betrokken bouw promotoren aan als schepen. Hij hernam ook het Ruimtelijk Uitvoeringsplan (RUP) dat aan de grondslag lag van alle herrie.

Daardoor komt ook de vraag naar voor die door de Raad van State werd beantwoord door de vernietiging van het RUP Vijverhof. Gaat het opnieuw over een vooraf gemaakte geheime samenwerkingsovereenkomst tussen de burgemeester en de twee lokale bouwpromotoren, tevens eigenaars? Kan je hier niet spreken van recidive?

“Om het vertrouwen van de burger in justitie te herstellen, moeten we een gemeenschapsgerichte justitie creëren die rekening houdt met de behoeften van een samenleving”. Dat zei Antwerps procureur-generaal Guido Vermeiren bij de opening van het gerechtelijk jaar in zijn eerste mercuriale.

Om vertrouwen te herstellen en te winnen, is volgens de procureur-generaal ook de bereidheid om antwoorden te geven cruciaal. “Uitleggen waarom bepaalde beslissingen zijn genomen, luisteren naar de maatschappelijke kritiek en erkennen wanneer er procedure- of andere fouten zijn gemaakt en aangeven welke lessen eruit getrokken worden en welke acties worden genomen. Justitie kan op die manier een helende kracht hebben, tonen dat ze verantwoordelijkheid neemt.”( Belga, 3 september 2024). De procureur-generaal weet dus precies wat er in zijn rechtsgebied moet gebeuren.

“In haar kersverse beleidsnota benadrukt de nieuwe Vlaams minister van Binnenlands Bestuur Hilde Crevits (CD&V) nu dat ze “integriteit en deontologie van lokale besturen bovenaan op de agenda zal zetten”. Dat betekent onder meer dat het schepencollege in de toekomst meer beslissingen zal moeten voorleggen aan de gemeenteraad. Tegelijk wil Crevits ook het statuut van de gemeenteraadsleden aantrekkelijker maken.

“Belangenvermenging is zeer schadelijk voor de politiek, ook op het lokale niveau, en daar wil ik deze legislatuur nauw op toezien”, zegt Crevits, “niets is zo kostbaar voor een schepen, mandataris of ambtenaar als een onberispelijke deontologie en ethiek. Het is vandaag meer dan ooit essentieel voor het geloof en vertrouwen in de politiek.”

Zowel de procureur-generaal als de voogdijminister zijn dus erg bewust van het fenomeen. Zij willen erop toezien, er een uitleg voor geven en het op de agenda zetten. Maar wat doen zij eraan? Dat zal binnen kort zichtbaar woorden.

Kan een burgemeester wel worden benoemd tegen wie Audit Vlaanderen twee erg negatieve rapporten opstelde, waarin zowat alle bestuurlijke inbreuken die hij kan begaan worden opgesomd en bovendien ook bewijzen worden geleverd voor de aangegeven misdrijven?

Wat gaat de procureur-generaal in zijn advies daarover aan de minister schrijven? En vooral wat gaat minister Crevits er mee doen? Enkel toezien en het op de agenda zetten?

Dat zal het gebrek aan vertrouwen van de burger niet helen.

Bron: DeWereldMorgen

Hoe werkgevers en politiek je loon willen verlagen

Hoe werkgevers en politiek je loon willen verlagen

De Wever beweert dat zijn toekomstige regering je nettoloon gaat verhogen. Natuurlijk is niemand daar tegen. De vraag is hoe. Het meest logische is de verhoging van het brutoloon, maar dat is precies wat patroons en de Arizonaonderhandelaars niet willen. Integendeel, ze willen het totale loon verlagen.

Het ligt voor de hand dat een vermindering van de belastingen op je brutoloon, je nettoloon doet stijgen. Die belastingvermindering financiert men door andere belastingen te verhogen, BTW bijvoorbeeld of door besparingen bij openbare diensten en sociale zekerheid. Eigenlijk betekent dit dat je zelf de verhoging van je nettoloon financiert. Een nuloperatie dus.

Een andere mogelijkheid is het verlagen van de sociale bijdragen. Die bestaan uit twee componenten: een werknemersbijdrage en een werkgeversbijdrage. Laat ons vertrekken van de totale som die een werkgever op tafel moet leggen om een werknemer in dienst te nemen.

Totale loonkost voor de werkgever is het totale loon van de werknemer 

Wat voor de ondernemer een kost is, is voor de werknemer een inkomen. De som bestaat uit vier delen: het nettoloon, de bedrijfsvoorheffing, de werknemersbijdrage aan de sociale zekerheid en de ‘werkgeversbijdrage’. De eerste drie delen vormen samen het brutoloon.

Wat de werkgever doet, is de werknemers- en werkgeversbijdrage doorstorten aan de sociale zekerheid. Ook de fiscus krijgt zijn deel: de werkgever stort maandelijks een bedrijfsvoorheffing , een voorschot, op de loonbelastingen die een werknemer jaarlijks moet betalen. Wat overblijft is het nettoloon.

Hoe het allemaal begon 

Voor het ontstaan van de sociale zekerheid, moeten we ver terug naar de 19e eeuw. De eerste vergoedingen bij ziekte of ongeval werden in ons land door de werkgevers betaald aan de werknemers van hun eigen bedrijf: de zogenaamde fabriekskassen. De arbeiders hadden geen enkele inspraak in het beheer ervan. Als je aan de deur werd gezet, verloor je alle aanspraken op ziekengeld.

Na de Eerste Wereldoorlog vervingen de werkgevers hun fabriekskassen door beroepsmutualiteiten gefinancierd door de werkgevers van de sector. Deze bescherming op initiatief van de werkgevers, kwam er niet uit liefdadigheid.

Het had tot doel de sociale wantoestanden door veel te lage lonen en ongezonde arbeidsvoorwaarden wat te verzachten om de noodzakelijke arbeidskracht te blijven verzekeren. Wat ze deden was hun loonkost een beetje verhogen, maar ze gaven dit niet rechtstreeks aan de arbeiders.

Het had ook nog een ander doel. Door het nettoloon zo laag mogelijk te houden, hadden de arbeiders niet de financiële middelen om zich te organiseren in vakbonden en mutualiteiten. De patroons probeerden eigen werkloosheidskassen op te richten tegen de groeiende invloed van de socialistische en christelijke mutualiteiten en vakbonden. De sociale strijd besliste er anders over.

Ondanks het risico op vervolging en broodroof, stichtten moedige werkende mensen de eerste hulpkassen. Het waren de voorlopers van de mutualiteiten die zorgden voor een collectieve bescherming tegen ziekte en ongevallen. Uit de hulpkassen groeiden ook de weerstandskassen voor stakingen, de kiemen van de vakbonden.

Onder druk van opstanden keurde de Belgische regering een reeks sociale wetten goed, waaronder die van 1894, die de werking van de ziekenfondsen onttrok aan de patronale inmenging en die de strenge staatscontrole van 1851 versoepelde. Van dan af volgden de wetten die de sociale bescherming regelden elkaar op, met het ritme van de sociale strijd.

1903: verplichte verzekering voor arbeidsongevallen
1907: staatssubsidies voor werkloosheidskassen
1924: verplichte pensioenverzekering voor arbeiders
1930: verplichte kinderbijslag in de privésectoren
1936: minimumloon en één week betaald verlof.
Dat laatste na een grote algemene staking.

Sociaal pact

Om de huidige financiering van de sociale zekerheid te begrijpen, moeten we terug naar het sociaal pact van 28 december 1944. Werkgevers en vakbonden kwamen na de Tweede Wereldoorlog tot een ontwerp van ‘Overeenkomst tot Solidariteit’. Hoewel in 1940 in patronale kringen het verdwijnen van de vakbonden nog werd bejubeld, was het de angst voor een volksopstand die hen eind ’44 het bestaan van de vakbonden deed aanvaarden.

Het communisme had in de antifascistische weerstand immers enorm prestige verworven onder de werkende bevolking. De Sovjet-Unie had veruit de grootste offers gebracht in de Tweede Wereldoorlog. In 1943 had het Rode Leger de Nazi’s teruggedrongen en de beslissende slagen toegebracht aan het Hitlerregime.

Voor het patronaat, dat zag dat het Hitlerregime geen kans meer maakte maar ruim had meegewerkt met de bezetter, stonden enorme belangen op het spel. Geïnspireerd door het oprukkende socialisme in Oost-Europa, werd ook in ons land voorgesteld om sectoren te nationaliseren. Vanuit dit perspectief – de strijd tussen behoud van het kapitalisme of de overgang naar socialisme – hebben de Belgische patronale organisaties in de laatste Oorlogswinter van 1944 grote toegevingen gedaan.

Ze gingen ermee akkoord een stelsel van sociale zekerheid in het leven te roepen. De Belgische Socialistische Partij en de vakbondsleiders van toen kozen voor de weg van gereguleerd kapitalisme, met overleg tussen werkgeversorganisaties en werknemersorganisaties. Dit zou vooruitgang en sociale vrede brengen. De sociale zekerheid was voor de patroons een toegeving om erger te voorkomen.

Rudy De Leeuw, voormalig voorzitter van het ABVV schrijft over het Sociaal Pact in zijn boek ‘Ongelijk spel’ het volgende: ‘Het Sociaal Pact was niet perfect. Als socialisten en zeker als socialistische vakbond moesten we ideologische toegevingen doen. We hebben in een toenadering tussen arbeiders en werkgevers het gezag van de werkgevers aanvaard en de strijd tegen het kapitalisme afgezwakt.’[1]

Wat werd er precies afgesproken in dat sociaal pact?

De sociale zekerheid is niet alleen een kwestie van centen, maar ook van macht. Zowel de vakbonden als de patronale organisaties stonden erop de sociale zekerheid te beheren. Het is om deze reden dat de sociale bijdragen opgesplitst werden in een ‘werkgeversbijdrage’ en een ‘werknemersbijdrage’: het rechtvaardigde voor beide groepen het beheer van de sociale zekerheid.

En zoals het nu stilaan duidelijk wordt, is net als de werknemersbijdrage ook de ‘werkgeversbijdrage’ een deel van het loon dat je toekomt. Beide sociale bijdragen vormen samen het uitgestelde loon dat terechtkomt in de sociale zekerheidskas. Bij ziekte, werkloosheid of bij pensionering wordt het vervangingsinkomen daaruit betaald. Ook de belastingen op je brutoloon zijn een vorm van uitgesteld loon want je krijgt er onderwijs mee, je gebruikt de wegeninfrastructuur, enzovoort.

Dit standpunt leefde ook tijdens de besprekingen van het Sociaal Pact. In een analyse gaf de toenmalige voorzitter van het ACV, August Cool, toe “dat hij zelf zo ver zou gaan te vragen dat het beheer van de sociale zekerheid uitsluitend aan de werknemers zou worden toevertrouwd vermits zij alleen er belang bij hebben en ook zij alleen betalen”.

Een nota van de christelijke mutualiteiten was nog duidelijker: “We begrijpen niet welke argumenten de patronale organisaties zouden kunnen aanvoeren om hun bemoeiingen te rechtvaardigen in de manier waarop de arbeiders de vrucht van hun arbeid besteden.”[2]

De ‘werkgeversbijdrage’ heeft het grootste aandeel in de financiering van de sociale zekerheid. Die afbouwen betekent het ondermijnen van het hele stelsel. Die afbouw is nochtans al even bezig en werkgevers en politici willen vandaag daarmee verder gaan. Herinneren jullie nog de ongedekte taxshift in 2016 van de regering Michel? Die regering met de partijen MR, CD&V, N-VA en Open Vld, verlaagde de ‘werkgeversbijdrage’ van 32,4 procent naar 25 procent. De gevolgen van de taxshift laten zich vandaag de dag nog altijd voelen. Het kostte ons in 2023 zo’n 4 miljard euro.

De opsplitsing van de sociale bijdragen gaf de werkgeversorganisaties nog een voordeel. Omdat de ‘werkgeversbijdrage’ apart lijkt te staan van het brutoloon, en niet altijd verschijnt op de loonfiche, laat men het uitschijnen dat de ‘werkgeversbijdrage’ nog toebehoort aan de werkgever.

Die loskoppeling werd ook door de jaren heen begeleid door een bewust gecreëerde begripsverwarring. Wat in werkelijkheid een deel van het uitgesteld loon is, kreeg de naam ‘sociale bijdrage’. ‘Sociale bijdrage’ werd vervolgens een ‘sociale last’ om tenslotte uit te monden in ‘patronale lasten’. Zo zijn we allemaal beginnen denken dat de werkgever naast ons brutoloon ook nog eens een inspanning doet om onze sociale zekerheid te financieren.

Brutoloon verhogen is de enige juiste weg naar een hoger nettoloon 

Het uitgestelde loon verlagen, betekent uiteindelijk dat je niet meer netto koopkracht zal overhouden. Je zal immers meer moeten betalen voor je gezondheidszorg en steeds meer privéverzekeringen moeten afsluiten voor ziekte of pensioen. Wat je netto wint, verlies je dus elders, met gevolgen op lange termijn voor je welvaart. Zonder sociale zekerheid zouden zelfs vier op de tien Belgen in armoede leven.

Inmiddels pleit het grootste deel van de politiek voor een verlaging van de “lasten op arbeid”. Men draait de werknemers hiermee een rad voor de ogen, door hen steeds iets hogere nettolonen te beloven maar tegelijk te snijden in de sociale bijdragen. Hierdoor zetten ze de sociale zekerheid onder druk. Zij die enkel spreken over het nettoloon, organiseren gewoonweg een nieuw rondje inleveringen op kosten van onze sociale bescherming.

Sociale bijdragen zijn geen lasten, maar uitgesteld loon waar alle werknemers op een bepaald moment in hun leven beroep op doen: wanneer je ziek of werkloos wordt, of wanneer je met pensioen gaat.

Daarom moeten we de sociale zekerheid opnieuw versterken door de inkomsten via de sociale bijdragen te verzekeren. Met een sterke en onafhankelijke financiële basis blijft de sociale zekerheid de beste garantie van de werkende klasse bij tegenslagen. De strijd voor een volwaardig inkomen moet een strijd zijn voor hogere brutolonen. Zo blijf je verzekerd van je koopkracht en van een vervangingsinkomen bij ziekte, werkloosheid en je latere pensioen.

De werkende klasse heeft daar recht op. Zeker in onze huidige economische situatie. Want werknemers brengen alsmaar meer op per uur geleverde arbeid. Toch stijgen hun lonen absoluut niet aan hetzelfde tempo. Waar gaat die extra winst dan naartoe? Naar het kapitaal: in onze economie daalt het deel van de geproduceerde welvaart dat naar werknemers gaat en stijgt het deel van de welvaart dat naar de aandeelhouders (winsten) gaat.

Bron: DeWereldMorgen