De Wever: Regering moet btw-hervorming herbekijken

De regering moet de btw-hervorming herbekijken. Dat zegt premier Bart De Wever zaterdag. “Het is een typisch Belgisch compromis geworden: je denkt aan een raspaard, maar komt buiten met een kameel.”  

De Raad van State schoot de geplande btw-hervorming van de federale regering vrijdag af. De criteria op basis waarvan sommige zaken aan 12 procent worden belast, terwijl andere het tarief van 6 procent behouden, zijn juridisch niet waterdicht.

Zo wordt voor de definitie van een afhaalmaaltijd gekeken naar de houdbaarheidsdatum en behouden sommige concerttickets het tarief van 6 procent op basis van het muziekgenre.

De regering moet dus opnieuw naar de tekentafel, beaamt premier Bart De Wever zaterdag in een interview met Belga. “Ik had dat een beetje verwacht. Het is een typisch Belgisch compromis geworden: je denkt aan een raspaard, maar komt buiten met een kameel. En als die dan nog naar water wandelt is dat nog oké, maar deze is gehandicapt. De Raad van State windt er geen doekjes om.” 


De Wever wil nu met de coalitiepartners in het kernkabinet bekijken hoe de hervorming kan worden gerepareerd. De opbrengst moet in elk geval dezelfde blijven, zegt hij. 


De btw-hervorming moet normaal gezien op 1 maart ingaan. Het is niet duidelijk of die datum nog wordt gehaald.

Bron: knack.be

Beperking werkloosheid: ‘Een stevig staaltje draaideurpolitiek’

Beperking werkloosheid: ‘Een stevig staaltje draaideurpolitiek’

Volgens beleidsvoerders zal de impact van de beperking van de werkloosheid in de tijd best meevallen. OCMW-medewerker Dirk Lissens vindt dat larie en apekool: “Ik verwacht menselijke drama’s en toenemende agressie ten aanzien van maatschappelijk werkers. Al hoop ik dat ik ongelijk zal hebben.”

Draaideurpolitiek

Vanaf 1 januari 2026 werd de werkloosheidsuitkering in de tijd beperkt. Op zich is dat een te verdedigen maatregel: activering en responsabilisering zijn legitieme doelstellingen. Het kan niet dat mensen twintig jaar op werkloosheid staan zonder vooruitgang of doel. Dus alle credits voor de durf van een regering om dit eindelijk aan te pakken.

Maar wat volledig ontbreekt in deze hervorming is een doordachte en gedragen voorbereiding. De gevolgen van deze snelle beslissing worden bijna integraal doorgeschoven naar de OCMW’s en de lokale besturen, zonder dat zij daar structureel op zijn voorbereid.

Deze hervorming is een stevig staaltje draaideurpolitiek: de federale deur wordt gesloten, terwijl de lokale deur geopend wordt. Want mensen die hun recht op werkloosheidsuitkering verliezen, verdwijnen niet uit de samenleving. Velen kloppen aan bij het OCMW voor leefloon, maatschappelijke dienstverlening en begeleiding.

Een derde

Er werd in aanloop van de invoering van de maatregel met cijfers gegoocheld om te stellen dat het allemaal best zal meevallen. Beleidsvoerders voorspelden dat een op drie weer aan het werk zal gaan. Experts vragen zich af waarop die prognose gebaseerd is en vinden het een weinig realistisch scenario. Vandaag is het te vroeg om de reële impact in beeld te brengen.

Mensen mogen niet herleid worden tot cijfers, enkel en alleen voor het bespelen van de publieke opinie. Want niemand die eraan twijfelt dat de druk op kwetsbare groepen en wie hen begeleidt, fors zal toenemen. Los van de stijgende groep leefloongerechtigden, zal ook de financiële steun voor bijvoorbeeld energie, huur of medische kosten de hoogte ingaan. En ja, vaak moet dat allemaal warm geflankeerd worden door moeilijke gesprekken van hulp- en dienstverleners met deze mensen.

Dit is geen besparing, maar een kostenverschuiving van het federale naar het lokale niveau dat al heel lang naar adem hapt. Moeten de noodlijdende OCMW’s nu op korte tijd het gat dichtrijden dat al veel langer gaapt? Zullen lokale besturen vanaf 2028 financieel gestraft worden omdat ze hun ‘targets’ niet realiseerden, lees: te weinig leefloongerechtigden lieten uitstromen naar de arbeidsmarkt? Maatschappelijk werk is geen hocus pocus. Een mens zou van minder cynisch worden.

Fetisj

De terechte beleidsmaatregel lijkt nu op een fetisj die kost wat kost moest ingevoerd worden, zonder rekening te houden met de uitvoeringsrealiteit. Mijn punt is dat er onvoldoende nagedacht is over wie deze mensen zal begeleiden, hoe zij opnieuw duurzaam aan werk kunnen geraken en vooral met welke middelen.

De uitgaven zullen door het dak gaan. Voor lokale besturen wordt de financiële druk onhoudbaar. Maar ook organisatorisch duwt deze hervorming waar het al pijn doet. OCMW’s kampen vandaag al met personeelstekorten, complexe dossiers en toenemende maatschappelijke noden. De instroom van nieuwe doelgroepen, vaak met langdurige problemen op vlak van werk, gezondheid of opleiding, zal de sociale diensten verder overbelasten.

Dit loopt niet goed af. Op basis van mijn 36-jarige loopbaan binnen een OCMW, verwacht ik menselijke drama’s en toenemende agressie ten aanzien van maatschappelijk werkers. Al hoop ik dat ik ongelijk zal hebben.

Geen afstemming

Mits een grondige voorbereiding, kon het ook helemaal anders. Als je een dergelijke impactvolle beleidsmaatregel installeert, hoor je te weten dat er veel afgestemd moeten worden. Sociale zekerheid, activering, leefloon en arbeidsmarktinstrumenten sluiten niet naadloos op elkaar aan.

Een voorbeeld: OCMW’s moeten binnen de dertig dagen na aanvraag een beslissing nemen terwijl vakbonden bij behandeling van een werkloosheidsdossier geen tijdsgrens hebben. In afwachting van zo’n beslissing, hebben sommigen mensen geen bestaansmiddelen. Het OCMW springt dan bij door via het leefloon een voorschot uit te keren. Die extra vertraging en bijkomende werklast is niet nodig maar dan dient er wel gesleuteld te worden aan vakbonden en mutualiteiten. Deze botsende mechanismen smeken naar afstemming en hervorming. Maar niets daarvan.

Werkbereidheid onder de loep

Ook de leefloonwet – in casu de voorwaarde ‘werkbereidheid’ – moet onder de loep genomen worden met het oog op betere afstemming.

Is werkbereidheid bij VDAB niet hetzelfde als werkbereidheid bij het OCMW? Er gaan sociale onderzoeken moeten worden gevoerd in dossiers waar de VDAB al een niet-werkbereidheid vaststelde. OCMW’s gaan hier soms na drie maanden dezelfde conclusie moeten trekken met intrekking of schorsing leefloon tot gevolg. Dat zal voor veel onbegrip en tumult van cliënten zorgen. Met de boodschapper-maatschappelijk werker als schietschijf.

Superman

Recent deed N-VA-voorzitter Valerie Van Peel daar nog een schep bovenop. Volgens haar zetten heel wat mensen die langdurig werkloos zijn hun uitkering in om hun verslaving te financieren. Nu ze bij het OCMW aankloppen voor een leefloon, zullen ze niet langer aan hun lot overgelaten worden, klonk het.

Maatschappelijk werkers van het OCMW zouden goed geplaatst zijn om deze begeleidingen op te nemen. Naast activeringscoach, psycholoog, jurist, administratieve duizendpoot moeten maatschappelijk werkers nu ook nog experten verslavingszorg worden? Wat voor superman of superwoman kan men zijn? De N-VA-voorzitter sust met een stevige stok achter de deur: wie onvoldoende meewerkt, zal geen leefloon krijgen.

Dergelijke redeneringen die veel te kort door de bocht zijn, helpen ons geen stap verder. Integendeel. We zullen als boodschappers nog meer onbegrip, frustratie en agressie te verwerken krijgen.

Ongelijk

Hervormingen mogen niet blind zijn voor hun gevolgen. Lokale besturen krijgen die rekening gepresenteerd. Maatschappelijk werkers verdrinken in onmogelijke werkomstandigheden.

Wie werkelijk wil besparen en activeren, moet investeren in coherentie, begeleiding en lokale draagkracht. Zonder die randvoorwaarden wordt deze maatregel geen hervorming. Problemen zullen verschuiven en helaas hier en daar ook escaleren. Al hoop ik dat ik ongelijk zal hebben.

Bron: sociaal.net

OCMW’s onder druk: ‘Blijft recht op menswaardig bestaan overeind?’

Onze grondwet stelt dat iedereen recht heeft op een menswaardig bestaan. OCMW’s moeten dat mee mogelijk maken. Al zijn die mooie principes gebeiteld in wetten, toch staat de praktijk op losse schroeven. OCMW maatschappelijk werker Sushmitha Hanssen pleitte pas nog om die schroeven weer aan te draaien door begeleidingen meer controlerend te organiseren. ‘Coalitie Humaan OCMW’ is vooral bezorgd dat de oorspronkelijke opdracht van dat maatschappelijk werk aan het wegglijden is: een laatste maar betrouwbare schakel zijn van solidariteit.

Uit het leven gegrepen

Stel: je bent al enkele jaren werkloos. Door de inkorting van je werkloosheidsuitkering zal je die in 2026 verliezen. In theorie werd je tijdens die periode van werkloosheid begeleid door een VDAB-arbeidsbemiddelaar, op zoek naar een duurzame job. Maar de praktijk is vaak anders: de meeste mensen kregen nauwelijks begeleiding.

Kan je – nu in 2026 je werkloosheidsuitkering stopgezet wordt – nog aanspraak maken op begeleiding naar werk door de VDAB? In theorie wel, maar met de geplande forse besparing op de VDAB zal deze dienst nog minder capaciteit hebben om je te ondersteunen in je zoektocht naar een job.

Werkbereidheid

Vind je toch geen plaats op de arbeidsmarkt? Dan is er een laatste dam om niet in armoede terecht te komen: wie financieel in de problemen komt, kan de stap naar het OCMW zetten en een leefloon aanvragen.

Maar ook dan zal ‘werk’ meteen opduiken in je traject. Om een leefloon te kunnen ontvangen, moet je je bereid tonen om te werken. Hoe je die werkbereidheid moet aantonen, heeft de wetgever niet gespecificeerd. Gelukkig maar, want een uniforme omschrijving van het aantonen van de werkbereidheid, zou elke vorm van maatwerk voor individuele situaties onmogelijk maken.

Begin en einde

Dat maatwerk is noodzakelijk. Mensen die naar het OCMW stappen, hebben zelden enkel een financieel probleem. Ze worden bijvoorbeeld ook geconfronteerd met dreigende uithuiszetting, relationele problemen of een kind met ernstige gezondheidsproblemen.

Deze mensen hebben eerst stabiliteit en ondersteuning nodig in plaats van bijkomende druk. De idee om van elke leefloongerechtigde te verwachten dat die wekelijks vijf realistische sollicitatiebewijzen indient, zonder rekening te houden met de problemen die zich ondertussen opstapelden, is ronduit absurd. Toch stellen we vanuit onze praktijkervaringen vast dat dit de realiteit is in steden zoals Antwerpen. Daar verplaatst men het eindpunt van een traject richting arbeidsactivering naar het begin van dat traject.

Controle als administratieve vereenvoudiging

Ook onze regionale en federale beleidsvoerders voeren de druk op en vragen OCMW-maatschappelijk werkers om sterker in te zetten op controle en een (te) snelle stap naar de arbeidsmarkt.

Dat lijkt een administratieve vereenvoudiging voor maatschappelijk werkers die kreunen onder de dossierlast. Op vlak van die werkdruk is er geen beterschap in zicht: in 2026 zal het aantal mensen dat een leefloon moet aanvragen sterk stijgen. Dan is het verleidelijk om dat binnen de perken te houden met snelle en eenvoudige tools om die controles uit te voeren.

Weinig winst

Toch zal die beleidskeuze weinig winst opleveren: een beleid dat inzet op activering zonder oog te hebben voor de complexe realiteit van mensen mist zijn doel. Mensen geraken niet vooruit vanuit druk, repressie, wantrouwen en administratieve opgejaagdheid. Wel vanuit vertrouwen, maatwerk en het wegnemen van drempels.

Dat wegnemen van drempels is een onderschat maar cruciaal probleem. Mensen die voor het eerst een OCMW binnenstappen om hulp te vragen, zien vaak geen andere uitweg meer. Ze moeten onder andere gevoelens van schuld en schaamte opzij zetten om die hoge drempel te nemen.

Voor een grote groep blijft de drempel te hoog. Zij zetten de stap naar het OCMW niet en hun precaire leefsituatie blijft verborgen. Zo wordt geschat dat de helft van de mensen die wel recht heeft op een leefloon daar toch geen gebruik van maakt. Die hoge ‘non take-up’ staat in schril contrast met de bijzonder kleine groep mensen die onrechtmatig een leefloon ontvangt: ongeveer 5 procent.

Wat deze mensen nodig hebben

Wat mensen die geen uitweg meer zien nodig hebben, is iemand die luistert. Iemand die de situatie helpt ontrafelen. Iemand die het overleven terugbrengt tot zekerheid over basisbehoeften. Iemand die met hen op pad gaat om opnieuw stabiliteit te vinden. Iemand die ondersteunt, die in hen gelooft en waar nodig telkens terug een vangnet biedt.

Deze korte opsomming van wat deze mensen nodig hebben, is geen rocketscience. Deze inzichten worden telkens opnieuw bevestigd door pedagogische, sociologische en  psychologische onderzoeken.

Dikke bult

Toch staat alles wat maatschappelijk werk zo belangrijk maakt onder druk. Stereotypes regeren zonder tegenspraak. Armoede zou vooral het gevolg zijn van onverstandige beslissingen: ‘eigen schuld, dikke bult’. Te veel profiteurs zouden  onrechtmatig gebruik van een riant leefloon. Feiten en onderzoeken die staalhard het tegendeel aantonen, verdwijnen naar de coulissen.

Te veel beleidsvoerders surfen mee op die golven. Ze kiezen ervoor om angst als wapen te gebruiken door rechthebbenden te framen als onbetrouwbaar of crimineel. ‘De profiteurs moeten eruit, want anders is er niet meer genoeg voor u, gij hardwerkende Vlaming.’ Die polariserende retoriek van ‘goede’ en ‘slechte’ armen dreigt ook sommige maatschappelijk werkers te voeden.

Laatste, betrouwbare schakel

Verschuift de wettelijke basis van het OCMW binnenkort naar het ‘recht op menswaardig bestaan voor wie binnen de beoogde tijdspanne toegelaten wordt op de arbeidsmarkt’? Of hebben we de moed om radicaal vast te houden aan een menswaardig bestaan voor iedereen, om samen pal te blijven staan voor een OCMW dat niet afglijdt naar een controle- en sanctioneringsdienst?

Blijven we de krachten bundelen om trouw te blijven aan onze oorspronkelijk en wettelijke opdracht: een laatste maar betrouwbare schakel te zijn van solidariteit?

Bron: sociaal.net

Hoe lossen we het tekort aan sociaal werkers op?

Waarom is er een tekort aan sociaal werkers? En hoe lossen we dat tekort op? In het rapport ‘Arbeidskrapte Sociaal Werk’ zoeken onderzoekers Veerle Van Gestel en Andy De Brabander, in opdracht van het Departement Zorg en Sterk Sociaal Werk, naar antwoorden. “Als je bespaart op sociaal werk, ga je uiteindelijk juist meer sociaal werkers nodig hebben om de problemen terug op te lossen.”

Van knelpuntberoep naar oplossingen

Sociaal werk is een knelpuntberoep. Vacatures blijven openstaan en sociaalwerkorganisaties worstelen met het vinden van kandidaten. Hoe lossen we dat op? Op vraag van het Departement Zorg en het Vlaams Platform Sterk Sociaal Werk gingen Veerle Van Gestel (Karel de Grote Hogeschool) en Andy De Brabander (Howest) met deze uitdaging aan de slag.

Ze zochten niet alleen naar verklaringen voor het tekort, maar gingen ook in gesprek met organisaties over de mogelijke oplossingen. In het lijvige rapport komen administratieve werkdruk, het tekort aan stageplaatsen, HR-tips en nog veel meer aan bod. Ik ontmoet hen voor een even lijvig gesprek, waarin ze hun bevindingen koppelen aan de actualiteit.

Sociaal werk is sinds 2022 een knelpuntberoep. Wat zijn daar de oorzaken van?

Andy: “Deel van het probleem is dat de instroom van nieuwe studenten in de bacheloropleidingen Sociaal Werk de laatste jaren daalt. En dat terwijl het totale aantal studenten in het hoger onderwijs stijgt. Tegelijk zien we dat het aantal sociaalwerkjobs de afgelopen tien jaar met 36 procent is gestegen.”

Veerle: “Studenten kiezen er ook steeds vaker voor om door te studeren en een masteropleiding te volgen. Zo stromen ze dus later in op de arbeidsmarkt. Bovendien worden ze dan vaak geen praktijkwerker maar stafmedewerker, bijvoorbeeld. Ze kiezen ook niet allemaal voor een master Sociaal Werk, waardoor ze wegvloeien naar een andere sector.”

“Een misvatting die ik wil ontkrachten is dat de krapte zou komen doordat sociaal werkers uitvallen of een andere job zoeken. Mensen zijn juist zeer trouw aan de sector. En sociaal werk is een zware job, maar sociaal werkers zijn niet vaker ziek dan andere werknemers.”

Dus het tekort komt niet doordat sociaal werkers uitvallen vanwege de hoge werkdruk?

Veerle: “Nee. Burn-out en stress zijn wel sterk toegenomen de voorbije jaren. Maar waar de stress hoger ligt dan het gemiddelde op de Vlaamse arbeidsmarkt, ligt het percentage sociaal werkersAangezien er geen specifieke cijfers bestaan voor de sector ‘sociaal werk’, gaat het hier om cijfers uit de Werkbaarheidsmonitor waarbij de sectoren jeugdbijstand, handicap en welzijnswerk geselecteerd werden. die risico lopen een burn-out te krijgen lager. Binnen het sociaal werk gaat dat om 14,2 procent van de werknemers, gemiddeld ligt dat op 30 procent.”

“De werkdruk neemt wel toe, onder andere door de krapte op de arbeidsmarkt. Het aantal dossiers dat maatschappelijk werkers moeten beheren, loopt op. Dat moeten we dus goed in het oog houden. En die cijfers nemen niet weg dat sociaal werk een emotioneel belastend beroep kan zijn. Werkgevers moeten daar aandacht voor hebben.”

Speelt ook de hoge administratieve last geen rol?

Veerle: “Dat is iets waar ook minister Caroline Gennez vaak op hamert. Ik zou dus zeggen: als je goede ideeën hebt, bezorg ze aan haar. We zien ook steeds meer interessante voorbeelden van het gebruik van AI op de werkvloer om die administratieve last te verlichten. Natuurlijk moet AI altijd op een verantwoordelijke manier gebruikt worden, met respect voor privacy en in afgeschermde databanken.”

Er zijn de laatste jaren steeds meer jobs voor sociaal werkers bij gekomen. Veel van de factoren die dat verklaren, zoals de vergrijzing, laten zich ook in andere sectoren voelen. Wat maakt het tekort aan sociaal werkers dan zo prangend?

Veerle: “De werkdruk stijgt overal, maar als we te weinig sociaal werkers hebben, zijn het de cliënten die daar het slachtoffer van worden. Dat maakt het een dringend probleem.”

“In andere sectoren is het volgens mij eenvoudiger om mensen aan te werven die een ander diploma hebben. Sociaal werk is echt heel specifiek: er zijn juridische en ethische competenties die mensen met een ander diploma vaak niet met zich meedragen.”

Andy: “Sociaal werkers werken veel meer met de context, met de maatschappij. We bekijken problemen niet alleen op niveau van de cliënt, maar ook op niveau van de omgeving en het beleid.”

“En het is ook die context die maakt dat er meer nood is aan sociaal werkers. Want de samenleving wordt steeds complexer. Dat maakt dat er meer mensen zijn die hulp vragen en dat de hulpvragen zwaarder worden. Mensen vinden hun weg niet meer in de maatschappij. Er is meer nodig dan een individualistische, psychologiserende blik op mensen hun problemen.”

Veerle: “Dat wil niet zeggen dat mensen met een ander diploma dat helemaal niet kunnen leren, natuurlijk. Maar uit gesprekken met organisaties die breed wierven, kwam vaak naar voren dat dat toch niet zo simpel is. Mensen hebben meer tijd nodig om de job in de vingers te krijgen en stoppen er ook sneller weer mee.”

Het is niet simpel om sociaal werkers aan te werven. Maar nu de OCMW’s plots heel wat nieuwe medewerkers nodig hebben, lijkt dat toch vrij vlot te gaan.

Veerle: “Ik weet niet hoe vlot de werving ging of welke profielen men aannam, maar het zou kunnen komen door de aandacht in de media voor het belang van het OCMW of doordat sociaal werkers wisselden van job.”

“We hebben ook al signalen gekregen van ziekenfondsen die de laatste jaren moeilijk mensen vonden en nu plots veel kandidaten hebben. Ik denk dat mensen in tijden van besparingen op zoek gaan naar zekerheid. De OCMW’s en ziekenfondsen zijn werkgevers die meer vastigheid kunnen bieden dan een kleine vzw die afhankelijk is van tijdelijke projectfinanciering.”

Het voordeel van de stempel ‘knelpuntberoep’ was dat werkzoekenden zich konden laten omscholen met behoud van hun uitkering. Dat voordeel verdwijnt met de beperking van de werkloosheid in de tijd tot maximaal twee jaar. Hoe kijken jullie daarnaar?

Veerle: “Dat is zeer spijtig. Want alle opleidingen zijn het erover eens dat deze zij-instromers sterke studenten zijn. Dat zijn echt aanwinsten voor de sector. Veel werkzoekenden gaan dat nu niet meer kunnen doen, omdat het financieel niet haalbaar is om enkele jaren zonder inkomen te studeren.”

Andy: “Een graduaatsopleiding kun je wel binnen de twee jaar voltooien. Maar het graduaat Sociaal Werk telt niet als knelpuntberoepsopleiding. Dat komt doordat organisaties in vacatures voor sociaal werkers vaak vragen naar mensen met een bachelordiploma. We willen organisaties daarom oproepen om ook explicieter open te staan voor graduaten, want voor veel functies zijn zij ook geschikte kandidaten.”

Naast zij-instromers, zoeken jullie ook naar manieren om jongeren voor een studie Sociaal Werk te laten kiezen. Deel van het probleem, schrijven jullie, is dat het beroep onvoldoende maatschappelijk gewaardeerd wordt. Hoe komt dat?

Veerle: “Het brede werkveld is een troef en een nadeel voor de beeldvorming. Mensen denken dat sociaal werk maar wat praten is. Ze weten niet dat je er gespecialiseerde kennis en vaardigheden voor nodig hebt.”

Andy: “Dat komt ook doordat sociaal werk niet zomaar snelle resultaten oplevert. Je gaat een duurzame relatie aan met een cliënt, je kunt iemands leven niet plots veranderen. Bovendien hangen problemen waar mensen op botsen allemaal samen: huisvesting, werk… Dat is een complexe puzzel en niet makkelijk uit te leggen aan iemand die zelf geen sociaal werker is.”

Veerle: “Onderzoek uit Nederland heeft dat wel heel helder gesteld: met de inzet van 1 sociaal werker heb je ruim 3,5 zorgmedewerkers minder nodig. Doordat een sociaal werker ook preventief werkt, zijn mensen minder ziek, hebben ze zinvolle vrije tijd, zijn ze minder eenzaam, heb je minder rellen op oudjaar… Als je bespaart op sociaal werk, ga je uiteindelijk dus juist meer sociaal werkers of ander zorgpersoneel nodig hebben om de problemen terug op te lossen.”

Hoe sturen we dat beeld bij?

Andy: “Sociaal werkers mogen fierder zijn op wat ze doen. Op het verschil dat ze maken. Dat mogen we meer uitdragen, daar zijn we nog niet zo goed in.”

Veerle: “Wat sociaal werkers doen, mag meer onder de aandacht worden gebracht. De laatste tijd komen sociaal werkers meer in het nieuws, bijvoorbeeld met succesvolle verhalen van activering of het mooie programma ‘Zorgen voor mama’. Helaas ook door triest nieuws, zoals het overlijden van Erik Boone, die deze zomer om het leven werd gebracht. Het was een mooie erkenning dat Knack hem tot ‘Mens van het jaar’ uitgeroepen heeft.”

“Sociaal werkers mogen zelf meer initiatief nemen om deel te nemen aan het publieke debat, vind ik. Als er besparingen of hervormingen in het onderwijs zijn, dan staan de kranten vol met opiniestukken van leerkrachten. Wij doen dat te weinig.”

“Jullie columniste Michelle Ginée doet dat wel heel goed. Ze gaat altijd met mensen in gesprek, ook als ze het niet met hen eens is. Ze is scherp, maar constructief. Straf dat ze dat naast haar job vrijwillig oppakt.”

Sommige organisaties bekijken de optie om diplomavereisten te laten varen. Ze hopen op die manier meer kandidaten te vinden. Zo werd ook de diplomavereiste voor OCMW-maatschappelijk werkers versoepeld. Hoe kijken jullie daarnaar?

Veerle: “Ik denk dat het een oplossing kan zijn als je goed weet wat je zoekt en er heel bewust voor kiest om hen te professionaliseren. Maar denken: ‘We hebben meer mensen nodig, dus laten we het breder openstellen’, dat is te simpel. Zo werf je mensen aan die sneller uitvallen en niet lang blijven. Ook de sociaal werkers die al voor je werken, raken sneller overbelast, omdat zij de nieuwe collega’s moeten ondersteunen.”

Andy: “We kunnen de diplomaversoepeling niet tegenhouden. Dus als sociaalwerkopleidingen moeten we bekijken hoe we organisaties kunnen ondersteunen die mensen met andere diploma’s aanwerven. Bijvoorbeeld door bijscholing te voorzien. Dat moet volgens mij echt maatwerk zijn, met de steunpunten en sociaalwerkopleidingen die per deelsector en provincie bekijken welke bijscholing er nodig is.”

Het rapport bevat veel HR-tips voor sociaalwerkorganisaties. Zijn zij nog zo weinig mee in goed personeelsbeleid? Is er zoveel ruimte voor verbetering?

Andy: “Ze hebben daar gewoon minder tijd en ruimte voor dan andere organisaties. Vooral binnen kleinere vzw’s zie je dat leidinggevenden alles zelf moeten doen. Terwijl HR ook echt een stiel is.”

“Er wordt steeds vaker samengewerkt op dat vlak. Organisaties rekruteren bijvoorbeeld samen, en organiseren samen de eerste fase van aanwerven. Dat doen ze door als koepelorganisatie naar buiten te treden, die herkenbaarder is voor sollicitanten dan een kleine vzw. Ik stel ook vast dat HR-medewerkers van verschillende gemeentes regelmatig samenkomen om kennis uit te wisselen.”

Veerle: “Tijdsgebrek is hier echt een probleem, ook op andere vlakken. We zien bijvoorbeeld dat organisaties die inclusie in hun DNA hebben veel makkelijker personeel vinden. Maar werken aan inclusie is een lang proces, het is veel meer dan een visietekst schrijven of een werkgroepje samenstellen.”

Nog een pijnpunt is het gebrek aan stageplaatsen. In jullie gesprekken met sociaalwerkorganisaties bleek dat organisaties de waarde van stages wel zien, maar geen tijd kunnen vrijmaken om stagiairs goed te begeleiden.

Veerle: “Studenten vinden moeilijk een stageplek. Dat is jammer, want we zien ook dat organisaties die sterk inzetten op stages vaak makkelijker personeel vinden.”

“Ik zag recent het verhaal van een graduaatsstudente in Limburg voorbijkomen. Ze had al vijftig organisaties aangeschreven en vond nog geen stageplek. Eigenlijk vind ik dat we een stageplaats vinden niet aan de studenten mogen overlaten. Je loopt de kans hen te ontmoedigen, zeker studenten die geen netwerk hebben. En je overlaadt organisaties met mails voor stage-aanvragen.”

Andy: “Jammer, want goede stagiairs kunnen vaak doorstromen tot medewerker. Ik denk dat organisaties zich daar soms te weinig van bewust zijn. Maar het moet wel werkbaar zijn voor hen. Een mogelijke oplossing die het iedereen makkelijker zou kunnen maken, is door te werken met een stagedatabank: een website waarop organisaties hun stages publiceren en waar studenten dan op kunnen solliciteren.”

Vorig jaar heeft de Vlaamse Zorg- en Welzijnsambassadeur een stagecharter voorgesteld. Ze hoopt daarmee meer jongeren naar zorg en welzijn te trekken. Is dat geen begin?

Veerle: “Dat is positief, maar het blijft een intentieverklaring waar het sociaal werk weinig bij betrokken was. Het is nu aan de onderwijsinstellingen en het werkveld om samen concrete stappen te zetten en elkaar niet te beconcurreren. ”

Dan: we kunnen het niet over het tekort aan sociaal werkers hebben, zonder het over loon- en arbeidsvoorwaarden te hebben. Wat zegt jullie onderzoek daarover?

Veerle: “Daar staat niet veel over in ons rapport. Niet omdat we denken dat sociaal werk een ‘roeping’ is en je het uit overtuiging moet doen. Het is een job en daarvoor moet je deftig betaald worden.”

“Maar we wilden concrete acties aanreiken die een duidelijke impact hebben op het tekort aan sociaal werkers. En we vonden geen direct verband tussen lonen en dat tekort. We spraken organisaties met zeer goede arbeidsvoorwaarden die vacatures niet ingevuld kregen, en organisaties met mindere voorwaarden die niet met een tekort kampten.”

Jullie eindigen jullie rapport met een reeks aanbevelingen voor het beleid, opleidingen, organisaties en sociaal werkers zelf. Wat kunnen sociaal werkers doen?

Andy: “Wees een fiere ambassadeur van het sociaal werk. Durf benadrukken wat jou uniek maakt als sociaal werker.”

Veerle: “Ambassadeur klinkt misschien groot. We bedoelen vooral dat je de impact die jij maakt in beeld kan brengen, dat je je uit kan spreken, misschien eens in je pen kan kruipen… En vertel aan jonge mensen over je job. Ga over je werk spreken op je oude secundaire school. Op scholen wordt namelijk wel voorlichting gegeven over jobs in de zorg, maar het sociaal werk komt daar weinig aan bod.”

Andy: “En vier World Social Work Day op 17 maart, zou ik zeggen!”

Lees het rapport ‘Arbeidskrapte Sociaal Werk’

Benieuwd naar alle bevindingen en aanbevelingen? Het volledige rapport kun je lezen op de website van Sterk Sociaal Werk.

In Limburg (11 februari) en West-Vlaanderen (24 en 27 februari) kun je in het rapport duiken op een van de studienamiddagen van de regionale platforms Sterk Sociaal Werk.

Bron: sociaal.net

‘Stop de uitsluiting van sociale ondernemingen in het economisch beleid’

Sociale ondernemingen zijn in Vlaanderen goed voor bijna één op de vijf jobs en miljarden euro’s aan toegevoegde waarde. “Dag in dag uit zorgen ze voor werk, welzijn en innovatie. Toch worden ze uitgesloten van heel wat steunmaatregelen die commerciële bedrijven wel krijgen”, schrijft Marleen Roesbeke, directeur van SOM, een federatie van sociale ondernemers.

Een sterke economische en maatschappelijke speler 

In de schaduw van het klassieke ondernemerschap groeit een krachtige motor van maatschappelijke verandering: de sociale onderneming.

In de eerste plaats zet die zich in om maatschappelijke uitdagingen aan te pakken. Dat gebeurt heel concreet. Denk aan kringwinkels die werk bieden aan mensen die elders moeilijk aan de slag geraken, en zo hergebruik combineren met sociale tewerkstelling. Of neem de kinderopvang die zich inzet voor de pedagogische en sociale ontwikkeling van onze kinderen.

Sociale ondernemingen vormen een essentieel onderdeel van de Vlaamse economie. Dag in dag uit zorgen deze organisaties voor werk, welzijn en innovatie. Ze zijn goed voor 18 procent van de tewerkstelling in Vlaanderen en genereren een toegevoegde waarde van 21,4 miljard euro. Daarnaast besteden ze jaarlijks 13 miljard euro aan aankopen bij producenten en dienstverleners. Daarmee nemen ze een belangrijke plaats in binnen het economische ecosysteem.

Wat sociale ondernemingen onderscheidt, is hun focus op maatschappelijke meerwaarde. Hun doel is niet winstmaximalisatie, maar het realiseren van maatschappelijke impact. Winst wordt gezien als een noodzakelijke randvoorwaarde om die doelen te kunnen bereiken. Maar die winst moet wel verworven worden met respect voor mensen, milieu en samenleving.

Sterk engagement, maar ook kwetsbaar 

De kracht van sociale ondernemingen ligt bij hun initiatiefnemers en medewerkers. Zij zijn intrinsiek gemotiveerd en geloven in de missie van hun organisatie. Dat vertaalt zich in grote betrokkenheid en inzet. Tegelijk maakt juist dat engagement de sector kwetsbaar.

Inspanningen om maatschappelijke doelstellingen te realiseren gaan vaak gepaard met het aanvaarden van besparingen, extra regelgeving en beperkte flexibiliteit. Dit brengt druk met zich mee, zowel op menselijk als organisatorisch vlak.

Ongelijke toegang tot ondersteuning 

Sociale ondernemingen voeren vaak opdrachten uit in het algemeen belang en doen dat met publieke middelen. Toch worden ze structureel benadeeld in het beleid. Ze worden uitgesloten van heel wat reguliere steunmaatregelen die commerciële bedrijven wel kunnen gebruiken om te innoveren of te verduurzamen.

Zo komen ze zelden in aanmerking voor de kmo-portefeuille, een subsidieregeling van de Vlaamse overheid. Via deze portefeuille kunnen commerciële bedrijven tot 30 procent van de kosten voor opleidingen of adviestrajecten recupereren. Voor een sociale onderneming die haar medewerkers wil bijscholen of externe expertise inschakelen, is die financiële steun niet beschikbaar.

Ook instrumenten die innovatie op de werkvloer moeten belonen, zijn in de praktijk vooral afgestemd op klassieke bedrijven. Zo laat de innovatiepremie toe om medewerkers financieel te belonen voor een vernieuwend idee dat bijdraagt aan de competitiviteit van de organisatie. In een privébedrijf kan een HR-medewerker die een slimme tool ontwikkelt voor personeelsplanning bijvoorbeeld een premie krijgen. In een sociale onderneming is dat veel minder evident, want de communicatie rond deze steunmaatregel is helemaal niet op hen afgestemd.

Daarnaast zijn er klimaatsubsidies voor bedrijven die investeren in duurzame gebouwen, energiezuinige toestellen of energiebesparing. Tot voor kort konden sociale ondernemingen in de zorgsector hiervoor aankloppen bij het Vlaams Infrastructuurfonds (VIPA). Maar de Vlaamse Regering besloot om deze subsidies voor sociale ondernemingen on hold te zetten. Daardoor staan zij er financieel alleen voor als ze aan strengere energie- of klimaatnormen willen voldoen of daartoe verplicht worden.

Geen juridische grond

Deze ongelijke behandeling is des te pijnlijker omdat er juridisch geen reden meer is om sociale ondernemingen uit te sluiten. Sinds de invoering van het Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen is het onderscheid met commerciële bedrijven grotendeels weggevallen. Toch blijft de uitsluiting bestaan.

Bovendien past Vlaanderen de Europese staatssteunregels strenger toe dan strikt genomen nodig is. Een concreet voorbeeld is de ‘de-minimisregel’, die bepaalt dat een organisatie niet meer dan een bepaald bedrag aan steun mag ontvangen. Anders moet de staatssteun logge Europese procedures volgen. Sociale ondernemingen signaleren ons dat Vlaanderen deze regel vaker toepast dan andere lidstaten, waardoor organisaties sneller aan hun limiet zitten en vormen van steun mislopen.

Gelijke uitdagingen, minder ruimte 

Sociale ondernemingen worden net als andere bedrijven geconfronteerd met arbeidsmarktkrapte, digitalisering, energiekosten en ecologische transitie. Maar in tegenstelling tot veel commerciële spelers hebben zij te maken met bijkomende administratieve lasten door hun subsidiestatuut.

Ze ondervinden bijvoorbeeld extra controleverplichtingen, wat hun wendbaarheid beperkt. Samenwerking binnen de sector en het nemen van ondernemersinitiatieven wordt daardoor bemoeilijkt. Dat wringt met het feit dat ze vaak wel innovatieve oplossingen ontwikkelen voor maatschappelijke noden, zoals zorg, armoedebestrijding of sociale inclusie.

Tijd voor een gelijk speelveld 

Vlaanderen rekent op meer dan 17.000 sociale ondernemingen om zorg en ondersteuning toegankelijk en betaalbaar te houden. Toch worden deze spelers structureel benadeeld in het ondernemersbeleid. Dat is niet houdbaar.

Erken sociale ondernemingen als volwaardige ondernemingen. Ze moeten kunnen rekenen op gelijke toegang tot ondersteuningsmaatregelen. Innovaties die maatschappelijke meerwaarde opleveren, verdienen evenveel waardering en ondersteuning als die met directe economische impact.

Sociale ondernemingen hebben recht op een ondernemersklimaat dat hun werking versterkt, niet belemmert. Daarom vragen wij aan de Vlaamse overheid om te stoppen met het uitsluiten van sociale ondernemingen in het economisch beleid. Zorg voor gelijke toegang tot steunmaatregelen en innovatiepremies. Verminder onnodige administratieve lasten en pas regelgeving proportioneel toe. Herken en waardeer maatschappelijke impact als volwaardige vorm van toegevoegde waarde.

Het is tijd om de veerkracht van sociale ondernemingen niet langer als vanzelfsprekend te beschouwen, maar als wat ze werkelijk is: een essentiële troef voor een duurzamer en warmer Vlaanderen.  

Bron: sociaal.net