Wat kiest u het best: een extra werknemer of een freelancer?

Welke opdrachten kunnen ondernemers uitbesteden aan freelancers of zelfstandigen? Voor welke taken nemen ze het best iemand op de loonlijst? Een overzicht.

Het antwoord op de vraag of een ondernemer het best in zee gaat met een vaste werknemer of een freelancer, hangt af van verschillende factoren. “De eerste vraag die je je moet stellen is: gaat het om kernactiviteiten?” zegt Frank Vander Sijpe, directeur HR Trends & Insights bij Securex. “Als je een schrijnwerker bent en je meer opdrachten hebt dan je alleen aankunt, dan wil je een schrijnwerker aanwerven met een vast contract. Een freelancer zal wellicht niet exclusief voor jou willen werken. Als je klanten heel tevreden zijn van het werk van die andere schrijnwerker, zullen ze de volgende keer misschien rechtstreeks bij hem aankloppen. Of misschien kan die persoon elders een vast contract krijgen en dan verlies je je werkkracht.”

Voor de eerste aanwerving bestaat in België de doelgroepvermindering: een vrijstelling of vermindering van RSZ-bijdragen van maximaal 3.100 euro per kwartaal, onbeperkt in de tijd. Voor de volgende twee werknemers is er een kleinere korting, die wel beperkt is in de tijd. Daarnaast kan de werkgever een tussenkomst van 36,45 euro in de administratiekosten krijgen om aan te sluiten bij een sociaal secretariaat, voor de kwartalen waarin hij een doelgroepvermindering voor een eerste werknemer aanvraagt.

Als diezelfde schrijnwerker een website wil hebben, kan hij die het best door een externe partij laten bouwen. Mocht die website een cruciaal onderdeel van de activiteiten worden, omdat de klanten er zelf hun droomkeuken kunnen ontwerpen en materialen kunnen kiezen, dan ontstaat weer een andere situatie. Vander Sijpe: “Als je daarvoor een beroep doet op een freelancer, moet je goede afspraken op papier zetten, zodat die website bijvoorbeeld eigendom van het bedrijf blijft wanneer het contract afloopt. Bij Securex is een groot deel van de medewerkers van het IT-departement vast in dienst. Wij zijn een sociaal secretariaat en de programma’s om de lonen te berekenen moeten goed werken en regelmatig een update krijgen. De gegevens moeten extra worden beveiligd. Alles wat een werknemer tijdens de werkuren maakt, is automatisch eigendom van het bedrijf.”

Gewaarborgd loon

Als u heel snel iemand nodig heeft en het te lang zou duren om de vacature in te vullen, dan kunt u beter met een zelfstandige werken, desnoods om de periode te overbruggen tot u iemand vast in dienst kunt nemen. “Er zijn gemiddeld 3,08 werkzoekenden per vacature in Vlaanderen. Dat is heel weinig. In sommige sectoren is dat nog krapper”, weet Vander Sijpe. Ook als u niet zeker bent dat uw omzet op lange termijn zal stijgen, werkt u het best met zelfstandigen. “Je kunt die contracten vrij snel stopzetten of verlengen.”

Een werknemer in vast dienstverband moet u doorbetalen, ook als uw bedrijf een crisis doormaakt. Het kost meer om een werknemer te ontslaan. “Een werknemer die ziek uitvalt, heeft recht op een gewaarborgd loon. Vakantiegeld, betaald zwangerschapsverlof: voor een zelfstandige bestaat dat allemaal niet”, stelt Vander Sijpe.

De kosten van een zieke werknemer komen in de eerste maand voor arbeiders slechts gedeeltelijk op de rekening van de werkgever, voor bedienden helemaal. De regering-De Wever wil dat werkgevers vanaf 1 januari 2026 de kosten voor de eerste maand volledig dragen en meer bijdragen in de daaropvolgende maanden. Vander Elstraeten: “Vooral voor kleine ondernemingen is het moeilijk om afwezigheden op te vangen. Stel dat je met twee werknemers een winkel openhoudt en ze allebei tegelijk uitvallen. Vanaf wanneer moet je dan vervanging zoeken? Straks heb je een medewerker te veel als de zieke werknemer terugkomt. Als er maar enkele mensen voor een bedrijf werken, dreigen de resterende mensen te bezwijken onder al het werk dat ze moeten opvangen. Dat zijn drama’s die tot faillissementen kunnen leiden. Langdurig zieken zijn hoe dan ook een dure zaak voor werkgevers.”

Kortere opzegtermijn

Vander Sijpe merkt op dat de opzegtermijnen van een vast contract niet meer zo stringent zijn als vroeger. De federale regering wil de opzegtermijn voor wie minder dan zes maanden aan de slag is vanaf januari zelfs beperken tot één week. Tot nu bedraagt de opzeggingstermijn voor iemand die vijf maanden aan het werk is bij een werkgever vijf weken.

Vander Elstraeten vindt ook dat we in België niet mogen klagen over het arbeidsrecht. “In vergelijking met Duitsland, Nederland en Frankrijk kunnen wij in België makkelijk mensen aanwerven en er ook vrij gemakkelijk weer afscheid van nemen. In andere landen moet je voor een ontslag vaak een goedkeuring krijgen van de rechtbank.”

Evenwaardige partners

“Bij een vast contract is er een gezagsrelatie”, vervolgt Vander Sijpe. “Als je iemand aanwerft met een arbeidsovereenkomst van onbepaalde duur, kun je zeggen wat die persoon moet doen en wanneer. Als in het contract staat dat iemand van 9 tot 17 uur moet werken, maar de werkgever die persoon geen opdrachten geeft, dan staat het de werknemer vrij om de hele dag niets te doen. De werknemer stelt zich gedurende een aantal uren per week ter beschikking. Dat is een middelenverbintenis. Met een freelancer maak je doorgaans een resultaatsverbintenis: tegen die deadline moet het resultaat er liggen”, zegt Vander Sijpe.

“In werkomgevingen waarin de werkgever meer flexibiliteit toestaat, zoals een aantal aantal dagen thuiswerken of zelfs vanuit het buitenland werken, zien we dat ook werknemers en werkgevers meer evolueren naar een resultaatsverbintenis. In een supermarkt of in een fabriek is dat veel minder het geval en is sturing door een leidinggevende heel belangrijk”, stelt Vander Sijpe vast.

“De relatie tussen een ondernemer en een zelfstandige of freelancer die opdrachten uitvoert voor het bedrijf, komt vaak neer op een partnerschap. Als beide partners evenwaardig zijn, hebben ze evenveel recht om het contract op elk moment op te zeggen. Die freelancer kan zeggen: ik doe dit liever niet, of dit is een opdracht die mij niet ligt, of ik moet mij te ver verplaatsen. Voor een werknemer is dat moeilijker.”

Hoge tarieven

“Het grote voordeel van zelfstandigen die aan een opdrachtgever factureren, is de flexibiliteit”, vindt Anneleen Vander Elstraeten van het advocatenkantoor Four & Five. “Het grote nadeel is dat ze vaak veel hogere tarieven factureren. Zij hebben extra kosten, zoals een boekhouder. De voorbije maanden was er veel aandacht voor managementvennootschappen. De regering zou die strenger willen aanpakken. Ik was onlangs op een evenement voor ondernemers, die daarvoor spontaan begonnen te applaudisseren. Zij krijgen posities niet meer ingevuld met werknemers. Werknemers die veel verdienen, willen soms een slag slaan door een vennootschap op te richten en alles fiscaal te optimaliseren. Die voormalige werknemers willen als zelfstandige netto wel evenveel overhouden en de voordelen behouden die ze als werknemer hadden. De kostprijs voor de opdrachtgevers ligt daardoor een pak hoger.”

In de vorige afleveringen zochten Mohamed Ouaamari en Ilse De Witte met behulp van allerlei experten uit hoe ze een pitch en een businessmodel moesten maken, hoe ze een goed werkend team kunnen samenstellen en waar ondernemers terechtkunnen voor een duw in de rug of een sjot onder hun kont. We legden verschillende experten uit verschillende hoeken de vraag voor wanneer we een vennootschap moeten opstarten en welke vennootschap dan en we zochten ook uit of we kunnen ondernemen zonder vennootschap. We bespraken ook de belangrijkste cijfers voor ondernemers.

Bron: trends.be

Meerwaardebelasting uitgesteld: Vooruit-trofee sleept zich door de Kamer

‘Gewone belegger betaalt, niet sterkste schouders’, waarschuwt Van Quickenborne

De befaamde meerwaardebelasting van de Arizona-coalitie – de grote trofee van Vooruit – sleept zich maar moeizaam door de Kamer. De tweede lezing van het voorstel wordt met een maand uitgesteld, zo meldt Vincent Van Quickenborne (Anders) op sociale media.

De gewezen minister van Justitie vond zich de voorbije maanden opnieuw uit als nagel aan de doodskist van minister van Financiën Jan Jambon (N-VA). Hij brengt zo dossiers onder de aandacht die de regering-De Wever in verveeldheid brengen

Eerst was er ‘Money Control’, het Arizona-voorstel om de fiscus via algoritmes en artificiële intelligentie financiële data van burgers proactief te laten analyseren met het oog op aangescherpte fiscale controles. Vandaag is er de meerwaardebelasting. ‘Ik noem het een meerwaardemonster’, vertrouwt het liberale Kamerlid ons toe. Op LinkedIn geeft Van Quickenborne een lijst van een dertigtal ‘Kafka’s’ die volgens hem opheldering of aanpassing vereisen. ‘Het zijn niet de “sterkste schouders” die deze belasting zullen betalen, wel de gewone belegger.’

Enige trofee

De meerwaardebelasting wordt momenteel door de Kamer geloodst. Een hele klus, zo blijkt. De tweede lezing van het wetsontwerp in Kamercommissie Financiën werd door de meerderheid met een maand uitgesteld, van 13 februari naar 11 maart. De belasting op meerwaarden verwezenlijkt bij de verkoop van ‘financiële producten’ is een pilaar van de tandem N-VA-Vooruit, maar dus nog geen feit. Al is de kans klein dat ze werkelijk gevaar loopt, duidt politicoloog Dave Sinardet (VUB/ULB).

‘Voor Vooruit is de meerwaardebelasting cruciaal, naast de verhoging van de effectentaks. Als de meerwaardebelasting er niet zou komen, stort het politieke evenwicht helemaal in elkaar. Het equivalent voor de N-VA als de werkloosheidsbeperking in de tijd er toch niet zou zijn gekomen; dat zou voor De Wever onaanvaardbaar zijn geweest. Maar voor Vooruit is de meerwaardebelasting eigenlijk de enige échte trofee; N-VA heeft er meer. Ook daarom is ze voor Conner Rousseau zo belangrijk.’

Hoe dieper, hoe lelijker

De tekst die momenteel voorligt in het parlement, blinkt volgens Van Quickenborne niet uit in elegantie, precisie of verstaanbaarheid. ‘Het is een ontwerp van 272 bladzijden’, steekt het Anders-zwaargewicht van wal. ‘De minister las vorige week drie uur aan één stuk antwoorden voor op de honderd vragen die ik hem had gesteld. Dat klinkt veel, maar is logisch: hoe dieper je graaft, hoe lelijker het voorstel wordt.’

Zo bestaat volgens Van Quickenborne onduidelijkheid over de tarieven die van toepassing zijn. ‘De meerderheid vertelt dat het een belasting is van 10 procent. Maar dat klopt niet, toch niet altijd. Er zijn maar liefst négen mogelijke tarieven, afhankelijk van de situatie waarin men zich bevindt. De meerwaardetaks is zo complex, een kat vindt er haar jongen niet in terug.’

De moeilijkheid van de meerwaardebelasting is niet enkel een last voor liberale parlementsleden, maar ook voor het overleven van de belasting zelf, waarschuwt Sinardet. ‘Voor Vooruit is deze “rijkentaks” een antwoord op critici die vinden dat de socialisten veel toegevingen hebben gedaan in de sociale zekerheid. N-VA en MR wilden die belasting natuurlijk liever niet. Wat je dan krijgt, is een compromis met speciale regelingen dat politiek wel werkt, maar juridisch-technisch misschien niet.’

‘Aan flarden schieten’

‘Het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel doemt dan op’, waarschuwt de politicoloog. ‘Want ook al bestaat er over uitzonderingen en afwijkingen een politiek akkoord, dat betekent nog niet dat ze ook grondwettelijk zijn. Beleggers in private-equityfondsen ontsnappen bijvoorbeeld aan de taks. Aandeelhouders die minstens 20 procent van de aandelen van een vennootschap bezitten, krijgen ook een vrijstelling voor de eerste één miljoen euro. Vooruit en N-VA hebben dat afgesproken, maar we zullen zien wat de Raad van State en het Grondwettelijk Hof vinden van zo’n bijzondere regimes. En mocht, bijvoorbeeld, het Grondwettelijk Hof die meerwaardebelasting vernietigen, dan zal de regering iets anders moeten verzinnen om Vooruit te paaien.’

Al tempert Sinardet wel meteen de risico’s of verwachtingen. ‘Het Grondwettelijk Hof zoekt ook naar evenwichten. Als iets flagrant ongrondwettig is, heeft het natuurlijk weinig keus. Maar in andere gevallen is het niet blind voor de context. Niet dat het aan partijpolitiek doet, maar grondwetstoetsing is evenmin een exacte wetenschap. Ik denk niet dat het Hof erop aast een belangrijk en gevoelig politiek akkoord aan flarden te schieten.’

Gebroken belofte

Van Quickenborne maakt zich sterk dat de meerwaardebelasting aan de N-VA blijft kleven. ‘De Wever had beloofd dat beleggers die hun belegging minstens tien jaar aanhielden, niet geviseerd zouden worden. Hij zal die belofte nu breken. Door die breuk zullen langetermijnbeleggers duizenden, tienduizenden euro’s aan belasting betalen. Dat zijn helemaal niet de “sterkste schouders”, hé, dat zijn normale mensen. De sterkste schouders organiseren zich via vennootschappen en zullen door deze belasting geen euro extra betalen.’

Het Kamerlid maakt het concreet: ‘Iemand die elke maand 200 euro belegt voor zijn dochter en dat doet tot haar 25ste zodat zij dan een huis kan kopen, zal snel vierduizend euro meerwaardebelasting betalen. Terwijl die belegging gebeurde uit een loon dat in België al tot vijftig procent belast wordt. Of mensen – werknemers en zelfstandigen – die beleggen om ervoor te zorgen dat ze op hun 67ste een even hoog pensioen hebben als een ambtenaar. Daarvoor moet je een kapitaal opbouwen van tussen de vier- en vijfhonderdduizend euro. Met deze nieuwe belasting wordt dat bedrag stevig afgeroomd. En moet je dus nóg meer bij elkaar zien te krijgen.’

De fiscus moet ook weten welke meerwaarden net gerealiseerd werden. Ook dat brengt risico’s met zich mee, legt Van Quickenborne uit. ‘Door de aangifteplicht krijgt de fiscus inzage in uw transacties. Dat zal leiden tot een heksenjacht, waarbij de fiscus zal proberen om de realisatie van private meerwaarden te herkwalificeren als ‘abnormaal beheer’ of speculatie. Daarop is een tarief van toepassing van 33 procent, plus aanvullende gemeentebelasting. Ik begrijp dan ook goed waarom Jambon 371 nieuwe belastingcontroleurs nodig heeft: ze zullen veel werk hebben.’

Bron: doorbraak.be

Het immobiliteitsbeleid van Annick De Ridder

Het immobiliteitsbeleid van Annick De Ridder

Reizigers betalen steeds meer voor hun bus of tram, terwijl het personeel de gevolgen opvangt op de werkvloer. Vlaanderen verdient een minister die kiest voor sterk openbaar vervoer.

Immobiliteit. Aan dat woord moet ik denken als ik aan minister van Mobiliteit, Annick De Ridder (N-VA), denk. Sinds zij Vlaams minister is, staat het beleid omtrent De Lijn en een performant openbaar vervoer stil. Het gevolg? Jij betaalt meer voor minder zekerheid. Het personeel vangt de frustratie op. En de minister? Die blijft buiten schot.

Wie-kan-betalen-mag-mee-model

Ten eerste, dat voelen we meteen in onze portemonnee. Vanaf februari stijgen de tarieven bij De Lijn gemiddeld met 4,2%, terwijl de index op 2,6% blijft steken. Vorig jaar kwam daar al een verhoging van 18% bovenop. Vooral wie elke dag de bus of tram neemt, wordt geraakt.

Hier zie je datzelfde patroon opnieuw opduiken. De Omnipas voor 25- tot 64-jarigen stijgt met 20%, van 416 naar 499 euro per jaar. Alleen wie maar af en toe de bus of tram neemt, of wie nog studeert, komt er wat goedkoper vanaf. Toegegeven, voor 18- tot 24-jarigen daalden de prijzen, maar voor wie elke dag afhankelijk is van het openbaar vervoer, is dit gewoon een stevige factuur extra. En laat dat nu net de mensen zijn die geen alternatief hebben: werknemers met vroege of late shiften, mensen zonder auto, gezinnen die elke euro moeten omdraaien. Op papier lijkt het een technische maatregel, in de praktijk is het een keuze die de zwaarste lasten legt bij wie het minst kan uitwijken.

Mobiliteit wordt zo geen basisdienst meer, maar een maandelijkse hindernis. Het idee van openbaar, collectief vervoer krijgt midscheeps een torpedo, ten voordele van het individuele, wie-kan-betalen-mag-mee-model.

Tariefautonomie

Ten tweede dan. Als er kritiek komt, dan verschuilt de minister zich achter wat Vlaamse nieuwspraak, de zogenaamde ’tariefautonomie’. Dat klinkt kordaat, maar is een alibi. De Vlaamse regering snijdt jaar na jaar in de middelen en laat De Lijn daarna de prijsverhogingen verdedigen. Dit jaar krijgt De Lijn opnieuw 35,5 miljoen euro aan besparingen voor de kiezen, bovenop wat al vastlag in het regeerakkoord. En het stopt daar niet, blijkt recent en wat de vakbonden opnieuw tot actie brengt. Dan hoef je geen betrouwbare dienstverlening te verwachten. Dan maak je afspraken in een openbaar dienstencontract leeg. Dan jaag je reizigers weg. En zo bestuur je zonder verantwoordelijkheid te nemen: je beslist niet, je schuift door.

Zo’n manier van werken laat sporen na, en niet zo’n beetje. Dat voel je elke dag op de werkvloer. Onze kameraden van ACOD-TBM waarschuwden er al langer voor: de ene besparing is nog niet verteerd of de volgende dient zich aan. Er is geen ademruimte meer. Elke nieuwe ‘efficiëntie-oefening’ vertaalt zich in meer druk, minder zekerheid en steeds wisselende regels. Voor het personeel betekent dat vooral: improviseren, opvangen, doorgaan. Tegelijk lijkt geld geen probleem als het gaat over externe consultants, peperdure studies en uitbesteding. Voor wie het werk dag in, dag uit doet, blijft de boodschap hardnekkig dezelfde: trek uw plan. De Vlaamse regering belooft beterschap, maar voorlopig blijft het afwachten wat daarvan echt terechtkomt.

En laat ons daar duidelijk over zijn: dit is geen natuurwet, dit is beleid. Er zit bakken kennis en ervaring bij het eigen personeel, maar die wordt keer op keer genegeerd. In plaats daarvan halen we externe bureaus binnen die met dezelfde oude recepten aankomen, verpakt in gladde slides en gefactureerd tegen forse tarieven. Wat dat oplevert? Een rekening die niet bij de beslissers belandt, maar bij chauffeurs, techniekers en reizigers. Zij betalen de prijs, elke dag opnieuw.

Snijden in het net

En, last but not least, ten derde. Want alsof dat nog niet volstaat, wordt opnieuw gesneden in het net zelf. Na duizenden geschrapte haltes volgen nieuwe ingrepen in het Kernnet en het Aanvullend net, amper twee jaar nadat ze zijn ingevoerd. Lokale besturen mogen mee tekenen voor het afbouwen van lijnen die nog maar net draaien. Zo lijkt De Lijn een onbetrouwbare partner, terwijl de oorzaak telkens dezelfde is: politieke keuzes die van bovenaf worden opgelegd. De minister staat nooit in de wind. Reizigers en personeel wel.

De afgeschafte sneltram tussen Willebroek en Brussel is daar een pijnlijk symbool van. Jarenlang werd die lijn aangekondigd als alternatief voor de auto in de Noordrand. Willebroek, Londerzeel, Meise, Strombeek, allemaal zouden ze beter verbonden worden. Eerst ging het project ‘on hold‘. Nu is het gewoon stopgezet. Geen geld, geen draagvlak, zo luidt het. Wat overblijft zijn vage studies over fietssnelwegen en vrije busbanen, zonder timing en zonder middelen. Voor pendelaars verandert er niets. En de files? Die dikken lekker aan.

Wat vandaag gebeurt, komt ook niet uit het niets. Onder Ben Weyts en Lydia Peeters werd het openbaar vervoer al stap voor stap geschraapt. Publieke dienstverlening werd herleid tot een rekensommetje. Reizigers tot klanten. Lijnen tot dossiers die moesten renderen. Efficiëntie werd het excuus om af te bouwen, marktdenken het antwoord op sociale noden.

Schade en woede

Minister De Ridder rijdt dat strakke liberale spoor gewoon door. De overheid trekt zich terug, schuift de risico’s door en laat De Lijn doen alsof het een bedrijf is, maar dan zonder middelen en zonder publieke opdracht. Wie kan betalen, mag mee. Wie afhankelijk is, valt uit de boot. Dat is geen ongeluk, dat is beleid.

Op de werkvloer stapelt de schade zich ondertussen op. Chauffeurs en techniekers moeten elke dag uitleggen wat zij niet beslissen. Ze krijgen de woede en frustratie over zich heen, terwijl uurroosters schuiven, lijnen verdwijnen en onzekerheid de norm wordt. Zo trek je een publieke dienst langzaam leeg en zaag je het vertrouwen af waar alles op steunt.

En zo wordt immobiliteit beleid. Reizigers hebben recht op zekerheid. Het personeel verdient respect. Vlaanderen verdient een minister die kiest voor sterk openbaar vervoer en daar ook voor gaat staan.

Bron: sampol.be

Isabelle Larmuseau: ‘Als we al geen kraantjeswater meer kunnen drinken …’

Omgevingsadvocaat Isabelle Larmuseau en haar entourage worden door de Vlaamse politiek onder druk gezet. De PFAS-norm mag niet lager worden, want de werken aan de Antwerpse Oosterweelverbinding en het Saeftinghedok op Linkeroever moeten kunnen doorgaan. Vlaanderen weet ook niet hoe het PFAS uit drinkwater kan halen. En precies dat wil de Europese Unie.

Veel duidelijker kan het niet worden omschreven. Isabelle Larmuseau neemt het als advocaat op voor ‘slachtoffers van chemische verontreiniging’. Zo staat het op de website van haar kantoor. Op het eerste gezicht is dat een extra beperking in de toch al gespecialiseerde niche van het omgevingsrecht. Helaas is daar in Vlaanderen meer dan voldoende werk. Sinds het PFAS-schandaal eerst in Nederland (2019) en twee jaar later in Vlaanderen (2021) uitbrak, mengt de advocaat zich uitdrukkelijk in het maatschappelijk debat over onder meer chemieconcern 3M en Indaver, dat in de Antwerpse haven gevaarlijk en industrieel afval verwerkt.

Twintig jaar geleden stond Larmuseau aan de wieg van de Vlaamse Vereniging voor Omgevingsrecht. Ze is stichter en hoofdredacteur van het Tijdschrift voor Omgevingsrecht en Omgevingsbeleid (TOO), later omgedoopt tot VVOR Omgeving. Op het terrein trekt Larmuseau namens de West-Vlaamse Milieufederatie en vzw Natuurpunt De Bron (Diksmuide) naar de Raad van State voor de nietigverklaring van een door Vlaams minister van Omgeving Jo Brouns (CD&V) verleende afwijking voor pesticiden in voor menselijke consumptie bestemd water. De waterkwaliteit van vier waterproductiecentra in de Westhoek wordt daardoor bedreigd. Of ze verdedigt burgers en actiegroepen die het opnemen tegen Utexbel in Ronse – een textielbedrijf met een lange kwalijke reputatie inzake leefmilieu – of die zich in Kortemark verzetten tegen het deponeren van PFAS-houdend afval op een privéstortplaats.

De voorbije jaren mocht advocaat Larmuseau ervaren hoe de top van de Vlaamse politiek druk op haar en haar omgeving uitoefent. In de Vlaamse politieke cultuur is er amper plaats voor kritische stemmen. Al zeker niet als actiegroepen in beeld komen die op de zwarte subsidielijst van N-VA en bij uitbreiding de Vlaamse regering staan. Die druk maakte dat Larmuseau, jarenlang de L van het bekende advocatenkantoor LDR, in 2023 in Sleidinge bij Gent een nieuw kantoor opende. Op de site van dat advocatenkantoor zegt ze dat er een rechtstreeks verband is tussen het nieuwe kantoor en haar houding in de PFAS-dossiers. “Van bij mijn start als omgevingsadvocaat wilde ik een actor van omgevingsbeleid zijn. Ik wil doordacht kiezen welke belangen ik wel en niet verdedig.”

Daarbij houdt u graag de blik op Nederland.

“Door mijn focus op grote infrastructuurwerken raakte ik betrokken bij Vlaams-Nederlandse projecten zoals de verdieping van de Westerschelde en de ontpoldering van de Hedwigepolder. Daardoor zat ik op de eerste rij toen in 2019 in Nederland de PFAS-crisis uitbrak. Die leidde tot de stillegging van alle bouwprojecten, ook de Vlaams-Nederlandse. Ik was onder de indruk van het Nederlandse staatsmanschap. Toenmalig minister-president Mark Rutte (VVD) wilde weten welke grens de gezondheid niét zou bedreigen. Uiteindelijk is die op 3 microgram per kilogram droge stof gelegd. Er ging een schokgolf door Nederland.

Vlaanderen vond die Nederlandse norm van meet af aan veel te streng. Ook Nederland kon er niet meteen mee aan de slag. Nederlands PFAS-afval werd voor verwerking naar Vlaanderen gebracht. Bedrijven als DEME verwerkten die in hun gespecialiseerde grondreinigingscentra. Er was toen geen reden om te denken dat daar iets mis mee was. Tegelijk werd de norm voor bouwkundig bodemgebruik – voor grond die wordt ingepakt – voor de Oosterweelwerf op 70 microgram per kilogram droge stof gesteld. Ook daar was er niks dat mij deed twijfelen. Tot twee jaar later het PFAS-schandaal in Vlaanderen uitbarstte. Op de Oosterweelwerf.”

Wat deed bij u de alarmbellen afgaan bij de Oosterweelwerf?

“Toen ik in juni 2021 voor het eerst over PFAS in Vlaanderen werd geïnterviewd, was mijn standpunt gematigd. Zo van: we kennen de precieze contouren van de impact van PFAS niet en dus is het moeilijk om duidelijke normen te stellen. Applaus op alle banken. Ik zag ook geen graten in de dading tussen Lantis – de bouwheer van de Oosterweelverbinding – en 3M. Ik zag het onevenwicht in de dading, maar bij grote infrastructuurwerken komen nu eenmaal veel problemen kijken. Voor 3M was er geen haast om de met PFAS vervuilde bodem op te ruimen, voor de aanleg van de Oosterweelverbinding was die er wel. Ook daar ging ik mee akkoord. Tot ik de details te zien kreeg. Het bleek te gaan om veel hogere concentraties dan 70 microgram. Er gebeurde geen onderzoek naar impact op de gezondheid of effecten op het grondwater. Het ging niet meer om grondverzet maar om het verwijderen van afvalstoffen.

Toen ik in augustus 2021 als expert in de onderzoekscommissie van het Vlaams Parlement werd gehoord, maakte ik een presentatie met 2 kolommen: de zaak 3M en de zaak Oosterweel. Ik eindigde met de vraag wie nu het meest in de fout was gegaan: 3M of de Vlaamse overheid. Boven een interview in Knack leidde dat tot de kop: ‘Onze eigen overheid is nog crimineler dan 3M’. Mijn doodvonnis was getekend. Na een optreden in De Afspraak liet het kabinet van toenmalig Vlaams minister van Leefmilieu Zuhal Demir (N-VA) aan de pers weten dat ik ‘onbetrouwbaar’ was.”

Want?

“Ik zou de advocaat zijn van concurrenten van 3M en daarom een aanval tegen het bedrijf lanceren. Om ongekende redenen zou ik mij tegen Indaver keren, terwijl ik vroeger voor het bedrijf zou hebben opgetreden. Mensen in mijn omgeving, mijn echtgenoot en mijn collega’s werden onder druk gezet.

Een nieuw dieptepunt was de reactie op een interview in Knack in november 2022 na een reportage van het Nederlandse onderzoeksprogramma Zembla over Indaver. Dat interview werd aangekondigd met de boodschap dat Demir genadeloos was voor de landbouw en coulant voor de industrie. Ik zei daarin dat ik heimwee had naar Joke Schauvliege (CD&V), de voorganger van Demir als Vlaams minister van Leefmilieu, omdat je bij haar wist waar ze wel en niet voor stond. Toen ik eind 2022 besloot om op te treden voor de omwonenden van de PFAS-stortplaats in Kortemark, verhoogde de druk nog verder.”

Wat is druk?

“Uitspraken van de minister in de media dat ik inhoudelijk de bal missloeg. De Vlaamse afvalstoffenmaatschappij OVAM stuurde een aangetekende brief. De bouwheer van de Oosterweelverbinding startte een procedure. Het viel samen met mijn beslissing eind maart 2023 om uit te treden uit het 25 jaar eerder door mij opgerichte omgevingsadvocatenkantoor. Sindsdien behandel ik enkel nog zaken van chemische verontreiniging, onder eigen naam.”

In december 2025 zei u in de media dat er in Vlaanderen een drinkwaterbom zou barsten. Wat bedoelt u daar precies mee?

“Dat er een probleem met drinkwater is, kwam bij het uitbarsten van het PFAS-schandaal in april 2021 aan het licht. In de onderzoekscommissie van het Vlaams parlement nam Dirk Fransaer het woord, toen gedelegeerd bestuurder van de Vlaamse Instelling voor Technologisch Onderzoek (VITO). Jarenlang had ik iets van ‘woh’, wat sterk dat wij in Vlaanderen zo’n gereputeerd instituut hebben met gerenommeerde wetenschappers met internationale uitstraling. Fransaer zei in het parlement dat de Europese Voedselveiligheidsautoriteit EFSA een norm van 0,63 nanogram voor PFAS had vastgelegd – dat was toen nog niet algemeen geweten. Hij voegde eraan toe: als iemand in het Vlaams parlement die norm wil volgen, valt de economie plat omdat Vlaanderen dan één risicogebied wordt.

Het EFSA had inderdaad op 9 juli 2020 een gezondheidskundige grenswaarde bepaald. Dat heet een opinie, maar is een grenswaarde die in 2020 een enorme duik naar beneden heeft gemaakt, naar 4,4 nanogram per kg lichaamsgewicht per week of 0,63 nanogram per kg lichaamsgewicht per dag. Aanleiding voor die duik was onderzoek van de Deense PFAS-autoriteit en milieu-epidemioloog Philippe Grandjean naar de gevolgen van PFAS op kinderen. Bleek dat kinderen die aan een twee keer hogere hoeveelheid PFAS worden blootgesteld, 50% minder antilichamen ontwikkelden. Hun immuunsysteem wordt aangetast. Sinds het vastleggen van die opinie mag drinkwater niet meer dan 4,4 nanogram per liter bevatten.”

Moeten de lidstaten dat nu in eigen regelgeving omzetten?

“Een opinie is geen verordening, niet afdwingbaar en moet niet door de lidstaten in regelgeving worden omgezet. Maar zo’n opinie wordt wel als de nieuwe grens gezien. Bovendien viel juli 2020 samen met de nieuwe Europese drinkwaterrichtlijn die wél door alle lidstaten is goedgekeurd. Voor PFAS bevat die een dubbele norm: 100 nanogram voor 20 PFAS-parameters en 500 nanogram voor alle andere PFAS-parameters – in totaal meer dan 10.000 stoffen. Er is dus een wezenlijk verschil tussen de 4,4 en de 100 nanogram. In 2023 is de drinkwaternorm in Vlaanderen omgezet. En tegen 12 februari 2026 moeten alle lidstaten de norm van 100 en 500 nanogram naleven.

Maar de Europese Unie beseft ook dat ze al met de implementatie van de 4,4 nanogram moet bezig zijn. In 2022 stelde de Europese Commissie voor om de kaderrichtlijnen water en prioritaire stoffen aan te passen en koos ze voor grondwater de norm van 4,4 nanogram voor 24 PFAS-verbindingen. Er wordt daarbij expliciet naar de gezondheidskundige grenswaarde van EFSA verwezen. In landen met staatsmanschap en een goed functionerende rechtstaat zoals Nederland werd die 4,4 nanogram al meteen de kwaliteitseis. Maar bij ons zei de baas van VITO dat zoiets de economie zou plat leggen. Ook in het dossier Indaver zag ik dat VITO niet als een onafhankelijke wetenschappelijke instelling functioneert.”

Dat is een sterke uitspraak.

“VITO valt onder het Vlaams ministerie van Economie. VITO schrijft studies over beste beschikbare technieken (BBT) ten behoeve van de industrie. Het is economisch georiënteerd. Anders dan het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) in Nederland, dat wel onafhankelijk is. Arjen Wintersen van RIVM zei in de onderzoekscommissie dat het als beleidsmaker niet evident is om met een strenge norm om te gaan. Maar RIVM adviseert en het beleid moet daarmee aan de slag. In Vlaanderen vermengen we alles. Demir moest hier niets uitleggen aan de Vlamingen want VITO had de strenge norm zelf al gerelativeerd. Karl Vrancken – die van VITO naar Indaver overstapte, hoe meer kan het Vlaams DNA worden geïllustreerd…”

Wat is het Vlaams DNA?

“We hebben de hoogste PFAS-concentraties ooit opgetekend, maar nergens ter wereld zou een bedrijf als 3M zo met die verontreiniging kunnen omgaan. Omdat wij Vlamingen zijn, tot compromis bereid, gematigd, altijd in om te praten. We kunnen toch niet te veel geld voor de sanering aan 3M vragen?”

Kreeg de Koninklijke Shell in Nederland dan niet de afwijkingen waar ze om vroeg?

(lacht) “Toch wel. Maar laat ons zeggen dat Vlaanderen heel coulant is ten aanzien van 3M en bedrijven in het algemeen. Onze welvaart! Een tweede element van ons DNA is dat nergens een bestuur beslist om op de plek die wereldwijd het meest met PFAS is vervuild, het grootste infrastructuurproject ooit te realiseren: de Oosterweelverbinding. Hoe kan dat?”

Is daar niet over nagedacht?

“Dat is intentioneel gestuurd. Van bij de start hadden ze die locatie op het oog. 3M heeft op de vervuiling gewezen, maar men heeft eerst de omvang van de verontreiniging onderschat en toen die wel gekend was, heeft men ze geminimaliseerd en er niet meer correct over willen communiceren. De werken aan de Oosterweelverbinding moesten doorgaan.”

Terug naar Karl Vrancken die van VITO naar Indaver gaat.

“Ik ken Karl al dertig jaar. Sinds 1996 zijn we allebei actief op het vlak van de Europese regelgeving voor industriële emissies.”

Dat is misschien ook een onderdeel van het Vlaamse probleem, dat iedereen iedereen kent.

(lacht) “Dat is waar. Vrancken kreeg de opdracht om tot een PFAS-normenkader te komen. Zogezegd vanuit technologisch onderzoek. Er blijkt enkel aan wat knoppen te zijn gedraaid. Dat kader leidt tot een overschrijding met tien tot twaalf keer van de 4,4 nanogram per liter voor drinkwater en tot een nog grotere afwijking voor grondwater.”

De norm voor drinkwater is 4,4 nanogram, maar Vlaanderen heeft niet de ambitie die te halen?

“Neen. Toch blijft de Vlaamse Milieumaatschappij communiceren dat Vlamingen niet ongerust moeten zijn. Hier zitten we op 40, daar op 50, ginds op 80 nanogram en in de buurt van Leuven op de grens van 100 nanogram. Waarom niet zoals Nederland de 4,4 nanogram als kwaliteitseis nemen? In december 2025 bleek dat we volgens de Vlaamse Milieumaatschappij (VMM) in 2023 in 13% van de gevallen boven de 4,4 nanogram zaten, maar in 2024 was dat al 25%. Eén waterkraan op 4 overschrijdt de gezondheidsnorm. En voor het eerst zei toxicoloog Greet Schoeters, ex-VITO, dat kleine kinderen beter geen kraantjeswater zouden drinken.”

Het is nog niet helemaal duidelijk waarom de drinkwaterbom precies in februari 2026 gaat ontploffen.

“De gezondheidskundige grenswaarde van 4,4 nanogram per liter geldt enkel voor vier ‘lange keten PFAS’, met zes of meer koolstofatomen. De voorbije jaren is de toxicologische bezorgdheid sterk toegenomen rond trifluorazijnzuur (TFA), een ‘ultrakorte keten PFAS’, met slechts twee koolstofatomen. Die stof blijkt uiterst persistent en uiterst mobiel. Ze is een ware nachtmerrie voor drinkwaterbedrijven. Met de huidige zuiveringstechnieken slagen die er niet of nauwelijks in om TFA uit het drinkwater te verwijderen. Gezien de mogelijke effecten van TFA op de voortplanting en op de ontwikkeling van ongeboren vruchten, vroeg de Europese Commissie aan EFSA om ook voor TFA een gezondheidskundige grenswaarde te bepalen. Het resultaat werd tegen februari 2026 verwacht, maar is inmiddels uitgesteld tot juli 2026.

Voor Vlaanderen betekent dat bang afwachten, want TFA is in hoge concentraties aanwezig in ons drinkwater. De hoogste concentraties worden in West-Vlaanderen opgetekend. Voorlopig hanteert Vlaanderen een gezondheidskundige advieswaarde van 15.600 nanogram per liter. Dat is zevenmaal hoger dan de richtwaarde in Nederland en Wallonië, die 2.200 nanogram per liter bedraagt. Tot het EFSA-verdict over TFA valt, houden wij ‘op Vlaamse wijze’ de TFA-vuilvracht in drinkwater buiten beeld. Maar wat gaan we daarna doen? En wat met de torenhoge TFA-lozingen van bedrijven als 3M en Indaver? Hoelang zal de Vlaamse overheid die blijven vergunnen?”

U noemt Indaver de tweede schandvlek van PFAS-schandaal in Vlaanderen. Wat betekent de PFAS-vervuiling van Indaver voor een naburige gemeente als Stabroek?

“Dat is een drama. Meerdere rundveebedrijven werden op slot gezet omdat de karkassen van de runderen te hoge PFAS-concentraties bevatten. Aan de andere kant van de Schelde worden om dezelfde reden waterbuffels in het Verdronken Land van Saeftinghe afgemaakt. Maar daarover mag niet worden gesproken want er moet in de omgeving een nieuw havendok voor extra containercapaciteit worden gebouwd. Dat project is de reden waarom de PFAS-normen verder moeten worden afgezwakt.”

Is het zinvol om in plaats van bedrijven, bedrijfsleiders te vervolgen, zoals in Italië is gebeurd?

“Ik geloof in de kracht van een milieustrafprocedure. Kijk naar textielbedrijf Utexbel in Ronse. Na een oeverloos aantal procedures voor de bestuursrechter, wordt de strafzaak tegen het bedrijf en de bedrijfsleiding wellicht een ‘gamechanger’. Zowel het Openbaar Ministerie als omwonenden en milieuverenigingen hebben een dagvaarding voor de strafrechter gelanceerd. De PFAS-vervuiling is erg groot in Ronse.”

Maakt u kans?

“Dat is afwachten. De druk op rechters is enorm toegenomen, zeker in beeldbepalende dossiers met een hoog precedentgehalte. Rechters krijgen steeds meer het verwijt dat ze op de stoel van de politiek gaan zitten. Dat ze activistisch zijn. Optreden voor een milieuvereniging als Climaxi, die precies vanwege ‘activisme’ een deel van haar subsidies is kwijtgespeeld, maakt het er niet makkelijker op. De aanvallen op ons grondwettelijk recht op bescherming van een gezond leefmilieu nemen verontrustende proporties aan. Maar misschien wordt drinkwater wel het breekijzer dat mensen doet inzien dat het zo niet verder kan. Als we al geen kraantjeswater meer kunnen drinken…”

Bron: sampol.be

De Wever: derde (en laatste?) besparingspremier

Na Wilfried Martens en Jean-Luc Dehaene presenteert Bart De Wever zich als historisch besparingspremier. Maar hij hervormt in een wereld waarin de oude recepten zich allerminst betrouwbaar tonen en vooral de geopolitieke irrelevantie dreigt voor een Europa dat zichzelf wegbezuinigt.

“Het is een interessante job”, schertste Bart De Wever op nieuwjaarsdag tegen zijn gesprekspartner op Radio 1. De uitspraak drukt de valse bescheidenheid van zijn premierschap goed uit: een kabinet dat zichzelf als de eerste hervormingsregering van de eeuw ziet, maar dat niet van de daken wil schreeuwen. Men heeft klaarblijkelijk een rendez-vous met de geschiedenis, maar wel eentje in de luwte, een date die enkel werd onderbroken door De Wevers glansrol in de Euroclear-saga, waarin het kleine België ver boven zijn gewicht bokste.

Dat De Wever zich als een historische premier ziet, werd tijdens het gesprek op Radio 1 wel duidelijk. Ten eerste: hij is de eerste Vlaamse nationalist aan het stuurwiel van de Belgische staat. Dat is op zich een novum. Figuren als Martens of Leterme hadden misschien flamingante inclinaties maar waren allerminst existentiële nationalisten die partijen uit de grond stampten met het einde van België als levensmissie. Dat ligt bij De Wever wel anders.

Maar ook economisch meet de premier zichzelf een uniek mandaat aan. Hij is, zijns inziens, de eerste naoorlogse premier die over een welvaarts_daling_ zal moeten presideren. “On a peur” parafraseerde hij Paul-Henri Spaak. Eenzelfde argument herhaalde De Wever in zijn radioconversatie: sinds 1945 is het elke generatie iets beter vergaan dan de voorgaande; de groei was constant, de oorlogsdreiging bleef uit.

‘Jammer maar helaas’ politiek

Dat komt onder De Wever I ten einde. Europa gaat een ongeziene economische krimp tegemoet, die ook België niet zal ontzien, en kent voor het eerst sinds de Tweede Wereldoorlog weer gewapende strijd op haar grondgebied (de Balkanconflicten van de jaren 1990 blijven hier gemakshalve onvermeld). Het medicijn zal bitter zijn, maar er rest geen andere kuur. “Hier sta ik, ik kan niet anders” zou Maarten Luther in 1521 hebben gezegd op de Rijksdag van Worms. Eenzelfde politiek der onvermijdelijkheid wordt nu door De Wever bedreven.

Daar komt ook een specifieke visie op het Vlaamse verleden bij kijken. Eind 19de eeuw, zo stelde De Wever in zijn gesprek, kende Vlaanderen nog een kindersterfte even hoog als Congo. De regio diende als arbeidsreserve in de burgerlijke barak van België. In het kielzog van de Amerikaanse macht kwam daar een eind aan: de Vlaming werd op één generatie van de Derde naar de Eerste Wereld gekatapulteerd. Het was een promotie zonder evenknie – het leven van De Wevers grootvader speelde zich in een ander universum af dan dat van zijn kinderen.

Het project voor het premierschap is dan coherent. Verleden en toekomst vallen samen. Het leven van De Wevers grootvader was afzien; dat van zijn kinderen zal dat ook zijn. Het loopt in België allemaal heel slecht – en het zal allemaal nog slechter worden. De eerste minister loopt als geen ander met dit inzicht te koop, maar door een vreemde speling van het lot is het zijn roeping om de uitvoerder te zijn van die staat in verval. BDW specialiseert zich in ‘jammer maar helaas’ politiek.

Zonder zuilenbuffer

Die offerbereidheid is zeker geen onbekend recept voor besparingsregeringen. “Yes It Hurt. Yes It Worked” riep de regering-Thatcher eind jaren 1980 nog tegen haar kiezers. Ook Martens’ Belgisch thatcherisme gebruikte die tactiek – ‘Nu te nemen of te laten’ was de slogan van 1981.

In welk opzicht verschilt De Wever I van die voorgaande besparingsregeringen?

Een eerste onderscheid is alleszins politiek – de zuilenlijm van toen is niet meer beschikbaar. Zowel Martens als Dehaene waren producten van de CVP-staat. Die had pacificatiepolitiek als metier en maakte beide tot uitgekiende crisismanagers. Dat verklaart ook een reeks Belgische eigenaardigheden. Zoals Brecht Rogissart eerder in dit blad toelichtte, kwam de doorbraak naar een neoliberaal regime er in dit land niet door een open offensief tegen de georganiseerde arbeidersklasse (zoals onder Thatcher of Lubbers). Hier diende het katholieke middenveld eerder als buffer voor marktvriendelijk beleid: het ACV weekte zich los van haar syndicale spitsbroeders en onderhandelde eigenhandig met het werkgeversfront.

Zo werden hier de harde randjes van het neoliberale programma afgevijld – België ontsprong de dans van extreme ongelijkheid en dalende vakbondsmacht die vele buurlanden teistert (hoewel de grootte van de ingreep ook niet moet onderschat: ondanks de behouden index is het sociaal overlegmodel hier te lande allesbehalve gezond en blijft vooral de Belgische vermogensongelijkheid stijgen). Dat België een minder abrupte ruk naar de markt dan andere Europese landen kende, laat zich wel moeilijk ontkennen.

Net die oefening willen De Wever en VOKA vandaag afwerken. Die klus moeten ze evenwel zonder zuilenbuffer klaren – een groot verschil met Martens of Dehaene. ACV voert nu het vakbondsfront tegen de regering aan, in plaats van te kunnen schuilen binnen de voormalige standenpartij. N-VA heeft daarentegen nooit een sociaal middenveld gehuisvest. Dat biedt zeker wat marge voor hun beleidsmakers. Maar het nodigt ook uit tot riskante confrontatie: wat vroeger tijdens een boottocht op de Schelde kon worden bedisseld, moet nu in de Brusselse straten zelf worden uitgevochten. En tijdens een boksmatch kan men zijn tegenstander in één ronde knock-out meppen – maar men kan ook een uitputtingsslag in sukkelen.

Slaapmutskapitalisme

Daarbij voegt zich een significant conjunctuurverschil. De regeringen Martens en Dehaene dateren van het schemertij van een welbepaald systeem: het Belgische holdingkapitalisme. Dat ging in de jaren 1980 zijn doodsstrijd in, gekenmerkt door de uitverkoop van de Société Générale in 1988. Dat gaf een duidelijk contrast tussen verleden en toekomst aan: het “slaapmutskapitalisme” (aldus de Italiaanse koper van de Générale, Carlo de Benedetti) van wat André Mommen de “Belgische burgerij” noemde, tegenover de nieuwe, dynamische Vlaamse exporteconomie, grotendeels van de VS afhankelijk.

Onder Dehaene kwam daar een gunstig internationaal klimaat bij kijken. De Amerikaanse hypermacht en hereniging van Duitsland in de jaren 1990 boden het kader waarin de Belgische economie zichzelf kon heruitvinden: ons land zou niets meer dan een gewillig schakeltje in een mondiale leverketen worden. De bezuinigingen droegen het slaapmutskapitalisme ten grave, met Martens en Dehaene als begrafenisondernemers.

Hartz-IV in Duitsland

Het klopt dat De Wever voor geheel andere uitdagingen staat. Het Belgische holdingkapitalisme bestaat niet meer. De Générale belandde grotendeels in Franse handen. Dan toont een andere vergelijking zich toch handiger: niet de bezuinigingskabinetten van de jaren 1980 en 1990, maar het Duitsland van de regering-Schröder begin jaren 2000, met hun zogenaamde Hartz IV-plan. Dat voerde ook een serieuze sociale knip door, verhief budgettaire discipline tot staatsfilosofie en had degressiviteit en activatie op het programma. Het zou de “zieke man van Europa” weer gezond maken.

Dat is een hoopvolle vergelijking voor De Wever. Duitsland beet op de tanden en werd ervoor beloond. Ze strookt ook met de mentaliteit van zijn partij, die al langer oostwaarts tuurt voor inspiratie. Toch loopt ze onvermijdelijk mank. Schröders inspanning speelde zich in een geheel andere conjunctuur af: China was net tot de Wereldhandelsorganisatie toegetreden, de VS waren een unipolaire macht, elektrische wagens waren nog nergens te bespeuren. In geen geavanceerde sector had Oost-Azië een noemenswaardige voorsprong. Het Duitse exportmirakel was nog maar net begonnen.

Men hoeft de krant maar open te slaan om te zien hoe anders de wereld vandaag oogt. China’s elektrische wagenproducenten verdringen Duitse concurrenten moeiteloos; de VS staan allerminst garant voor globale stabiliteit; het volkerenrecht is afgeschaft. Met meer dan twintig jaar achterstand wordt er een model ingevoerd dat in eigen land in terminale crisis verkeert.

Kwalitatieve sprong

Dat maakt De Wever I inderdaad tot een ongeziene onderneming – zij het niet op de wijze die de premier denkt. Bij elke vorige besparingsoefening waren er herkenbare partners waaraan België zich kon afstemmen. Behalve een onzeker Europees niveau ontbreken die vandaag. Internationaal pretendeert De Wever zeker innovatie: de ‘euro-obligaties’ die zijn aartsvijand Verhofstadt zo vurig verlangde, komen er door zijn weerbarstigheid in het Euroclear-dossier nu wél.

Voor de Europese integratie is dat een kwalitatieve sprong van jewelste. Maar het is onduidelijk of De Wever die ook als aanloop voor meer kan benutten. Terwijl hij zich tegenover de Russische tegoeden een manhaftige verdediger van het internationale recht toonde, was hij tijdens de Haagse veroordeling van Israël nergens te bespeuren. Netanyahu zou ons land vrij mogen doorreizen, en De Wevers minister van Defensie, Theo Francken, hoopt zelfs op méér Amerikaanse koppeling. “Zowel diplomatiek, politiek als militair, is er niet de minste twijfel dat de Amerikanen er zullen zijn voor de NAVO”, verklaarde die vorige maand nog in De Standaard (“niet de mínste twijfel” repeteerde hij vervolgens ontredderd). “De VS kunnen het gewoon niet maken om een bondgenoot militair af te dreigen”, foeterde hij over Amerikaanse claims op Groenland. “De enigen die daar baat bij hebben, zijn onze vijanden.”

Ziehier zelfverklaarde mannen van de toekomst die eigenlijk in het verleden leven. Dat leek De Wever ook wel toe te geven in zijn gesprek met Radio 1. In de peilingen is er alsnog weinig van te merken: N-VA won de verkiezingen met een belofte van ‘Vlaamse welvaart’ en gaat die niet breken met separatistische neuroses. Men wil de fouten van de regering-Michel van 2014 tenslotte niet herhalen en bezet geduldig het fort. In 2029 kan men dan een nieuw communautair offensief inzetten, zeker nu PS weer aan steun wint in Wallonië. Zo slaat men twee vliegen in één klap: de Belgische boekhouding kan enkel op orde worden gesteld als het koppel een scheiding aanvraagt. In één jaar Arizona is die sprong in het duister genomen, zij het zonder de partners waar Dehaene en Martens op beroep konden doen. ‘Historisch’ is zo’n waagstuk zeker.

Bron: sampol.be