Hoe kan je kwetsbare mensen begeleiden richting duurzaam werk? Een relevante vraag, nu de werkloosheid in de tijd beperkt werd en activering zo’n hot issue is. We gingen te rade bij psycholoog en casemanager zorg Mieke Vermeulen. “De sleutel ligt in een aanpak die op twee sporen loopt: zorg en werk.”
Arbeidsmarkt bezaaid met drempels
Iedereen heeft het over activering. Zo veel mogelijk mensen aan het werk krijgen staat hoog op de politieke agenda. Het is het doel van de beperking van de werkloosheid in de tijd en van de re-integratie van langdurig zieken.
Maar wat met mensen voor wie ‘gewoon’ gaan werken geen evidentie is? Voor wie de arbeidsmarkt bezaaid is met drempels omwille van hun kwetsbaarheid? Neem mensen met psychische en psychiatrische moeilijkheden, geheugen- of aandachtsproblemen, chronische vermoeidheid of pijn. Of bijvoorbeeld mensen die erg moeilijk met stress om kunnen gaan of zo angstig zijn dat ze niet buiten durven komen. Of mensen met een verslaving en mensen die problemen hebben met hun woonsituatie. Hoe ziet duurzaam begeleiden naar werk er voor hen uit?
Zorg én werk naast elkaar
“De sleutel ligt in een aanpak die op twee sporen loopt: zorg en werk”, zegt psycholoog en casemanager zorg Mieke Vermeulen van UPC KU Leuven Campus Kortenberg. “Je moet holistisch kijken naar de problematiek van de persoon en naar de invloed daarvan op de werkvloer. Door niet alleen begeleiding te bieden, maar ook een stage, kan je in de praktijk zien waar iemand op botst en er vervolgens mee aan de slag gaan.”
Mieke werkt al sinds 1990 in het psychiatrisch ziekenhuis in Kortenberg en is daar al bijna twintig jaar bezig rond activering. De tweesporenaanpak is sinds 2014 decretaal verankerd in zogenaamde ‘werk- en zorgtrajecten’. In die intensieve activeringstrajecten van maximum 18 maanden begeleidt een casemanager zorg, zoals Mieke, in duo met een casemanager werk mensen die nog niet klaar zijn voor betaald werken.
Het doel? Samen met de persoon achterhalen of die na het wegwerken van drempels wel betaald aan de slag kan. Bij ongeveer de helft blijkt dat mogelijk. Velen gaan kort na het traject aan de slag. En die tewerkstelling is dankzij deze aanpak ook duurzaam, vertelt Mieke. “Ook een jaar later blijken de meesten nog aan het werk. Je ziet dus dat als je de componenten zorg en werk naast elkaar zet, mensen echt wel kunnen groeien.”
Samenwerkingsverband
Het begint allemaal bij de VDAB wanneer een bemiddelaar inschat dat betaald werk niet, niet meer of nog niet mogelijk is en dat komt door cognitieve, medische, psychische, psychiatrische of sociale (CMPPS) belemmeringen. Het gaat om erg diverse profielen van alle mogelijke leeftijden. Sommigen zijn werkloos, anderen arbeidsongeschikt of ontvangen een leefloon. Sommigen nog maar recent, anderen al jarenlang.
Kort gezegd belandt het dossier van de persoon uiteindelijk bij het ‘samenwerkingsverband zorg’ van zijn regio. Rond de tafel van dit samenwerkingsverband zitten regionale welzijnspartners, zoals CAW, OCMW’s of mutualiteiten, partners uit de geestelijke gezondheidszorg en VAPH-partners.
Naast haar job als casemanager coördineert Mieke ook dit intersectoraal netwerk in Vlaams-Brabant. “Afhankelijk van de kwetsbaarheden van de persoon, bekijken we met de organisaties rond de tafel wie het best geplaatst is om de rol van casemanager zorg op te nemen. Omwille van mijn achtergrond, volg ik vooral mensen op met een psychische of psychiatrische problematiek”, vertelt Mieke. “Al gaat het in de praktijk vaak om multiproblematieken.”
GTB – Gespecialiseerd Team Bemiddeling – levert de casemanager werk aan. Samen met de cliënt en de casemanager werk maakt Mieke een trajectplan op met concrete doelen en acties rond zorg en werk. Wat willen ze bereiken? Hoe? En met wiens hulp? “De cliënt wordt de hele tijd betrokken. Ze zijn evenwaardig en beslissen mee.”
Voor de uitvoering van het plan worden er dienstverleners mee aan boord getrokken, zowel voor het luik werk als het luik zorg. In Vlaams-Brabant staan de casemanagers zorg vaak zelf in voor de begeleiding of behandeling van de cliënten. En de dienstverlener op vlak van werk zorgt dat er tijdens een werkervaringsstage geoefend kan worden.
Draagkracht als rode draad
“Mensen zijn in het verleden altijd om een of andere reden vastgelopen of uitgevallen”, zegt Mieke. “Daarom is de rode draad van elke begeleiding draagkracht: wat iemand kan en niet kan. We proberen de draagkracht te verhogen door te werken aan de moeilijkheden die het zetten van stappen naar werk verhinderen.”
“Neem bijvoorbeeld een jonge vrouw die op haar vorige job in de zorg uitgevallen was”, vertelt Mieke. “Na haar opname lukte het niet meer om de draad weer op te pikken en opnieuw te gaan werken. Onderliggend bleek een angstprobleem te spelen. We probeerden uit te klaren waar de angst vandaan kwam en zagen dat het om angst voor het onbekende ging die haar volledig verlamde. Het voordeel bij haar was dat we haar ouders mee konden inschakelen. Zij hebben haar toen de eerste keren naar de stage gebracht, dat bood veiligheid.”
Tijdens de stage werd duidelijk dat ze zeer intelligent was. “Ze had veel uitdaging nodig, maar tegelijk durfde ze die uitdaging niet aan. Het was paradoxaal. Uiteindelijk bleek dat ze hoogbegaafd was, en zowel ADHD als een autismespectrumstoornis had. Plots was er een verklaring voor waarom het in het verleden zo moeilijk ging. Daarnaast legde ze de lat voor zichzelf altijd heel hoog, waardoor ze uiteindelijk onderuitging.”
Over grenzen gaan
In de werk-zorgtrajecten is het belangrijk om te zoeken naar die achterliggende problemen, vertelt Mieke. “Zo weten we waaraan we moeten werken. Is iemand over zijn grenzen heengegaan? Dan werken we aan het herkennen en bewaken van die grens.”
De hele tijd tot aan de grens gaan, is intens. Daarom heeft Mieke daar ook bij de stages aandacht voor: na zo’n stagedag volgt soms een weerslag. “We onderzoeken goed hoe de recuperatie verloopt. Wat doet een halve dag stage met je? Kan je nog heel je huishouden doen? Of lig je een ganse dag in bed om te recupereren? Door die stage kan je dingen testen en oefenen, en waar nodig proberen bijsturen.”
“Neem opnieuw die hoogbegaafde jonge vrouw. Ze wilde graag meer uitdaging en moeilijkere taken opnemen, maar dat bleek tegelijk te overweldigend. Dus gingen we op zoek: hoe kan je enerzijds accepteren dat je draagkracht niet mee volgt, maar toch af en toe nog uitgedaagd worden? Doorheen het traject is ze daarin gegroeid. Vandaag werkt ze op haar voormalige stageplek en doet ze een mix van uitdagende en minder uitdagende taken. Belangrijk daarbij is natuurlijk dat de werkgever daarvoor openstaat.”
Helemaal op maat
Zoals het voorbeeld van de hoogbegaafde vrouw illustreert, verloopt de begeleiding helemaal op maat. Zo kan er ingezet worden op het versterken van stressbestendigheid, verandering brengen in coping, vergroten van het zelfvertrouwen en zelfbeeld, grenzen bewaken, perfectionisme, slaapproblemen, chronische pijn… De lijst is lang.
Dat gebeurt via individuele gesprekken, indien nodig psychodiagnostisch onderzoek, opbouw van het netwerk rond de cliënt en regelmatig ook groepsmodules, schetst Mieke. “Psycho-educatie is belangrijk. Omdat bepaalde thema’s vaak terugkeren, hebben we samen met zorgpartners van ons netwerk een groepsaanbod ontwikkeld. In kleine groepjes brengen we mensen bijvoorbeeld samen rond omgaan met chronische pijn. Dat benaderen we niet medisch, want we zijn geen dokters, maar vanuit de vraag: hoe ga je daarmee om? Het gaat over dit leren dragen, aanvaarden en vaak ook jezelf weer graag zien.”
Parallel met de begeleiding die Mieke biedt, loopt ook een werk-luik met de casemanager en dienstverlener werk. Dat traject biedt een veilige ruimte om in anderhalf jaar tijd te voelen en proberen: wat lukt en wat niet, en kan die grens nog opschuiven? Mieke: “Die veilige experimenteerruimte is belangrijk, want veel mensen zijn bang om opnieuw stappen naar werk te zetten. Ze zijn bang om hun moeilijkheden te vergroten, hun symptomen te verergeren en in een nog diepere put te vallen.”
Beginnen met wat wel lukt
Het startpunt is dus altijd gebaseerd op wat de persoon op dat moment wél kan, vertelt Mieke. “Je mag niet onderschatten wat een opeenstapeling van faalervaringen met deze mensen gedaan heeft. Vaak hebben ze al andere trajecten doorlopen die niet op maat bleken en niet het gewenste resultaat opleverden. Daardoor zijn ze moedeloos geworden.”
“We beginnen daarom met iets waar iedereen van denkt: dit gaat wel lukken. Een functie, een sector, binnen de mensen hun interessegebied en sterktes. Iets waar ze zelf enthousiast over zijn. De collega’s van het werkspoor zoeken dan een werkgever in de regio die wil meewerken. Meestal is dat in de reguliere economie.”
De werkervaringsstage begint meestal klein. “Het start bijvoorbeeld met twee halve dagen per week. Na een tijdje bekijken we samen of het lukt. Kan er misschien wat meer? Zo bouwen we stilaan op. Maar we checken ook in: zijn er dingen die moeilijk lopen? Daar gaan we dan verder rond aan de slag.”
“Dat is het voordeel van het werk- en zorgspoor tegelijk te lopen. Komt iemand op de werkvloer bijvoorbeeld ongemotiveerd over, dan houdt het elders bij die feedback vaak op. Wij kijken naar: wat speelt er waardoor die persoon zo overkomt? En hoe werken we daaraan?”
Tot slot: een advies
Op het einde zit de cliënt rond de tafel met de casemanagers en de zorg- en werkactoren om tot een gedeeld eindadvies voor de VDAB te komen. Is de persoon klaar om betaald te werken? En kan dat in het regulier economisch circuit, of heeft de persoon nog extra hulp of zorg nodig op de werkvloer en is bijvoorbeeld maatwerk aangewezen?
Bij ongeveer 30 procent van de mensen is de conclusie na het traject dat betaald werk nog niet lukt. Er is eerst nog andere hulp of zorg nodig. Zij krijgen een advies Welzijn. Maar dat betekent niet terug naar af. “Het grootste deel van deze mensen doet nadien zogenaamde ‘arbeidsmatige activiteiten’: vrijwillige werkgerelateerde acties op het niveau van hun draagkracht in de sociale economie of bij welzijnsorganisaties. Zo hebben ze een doel en verantwoordelijkheid en betekenen ze iets in de maatschappij. Herstelgerichte zorg blijft ook in die begeleiding aanwezig. Nazorg is erg belangrijk in de werk- en zorgtrajecten, op beide sporen.”
Een andere groep gaat betaald aan de slag, in de regio van Mieke gaat het over ongeveer de helft. Regelmatig kan dat bij hun stageplek. “Komt iemand in aanmerking voor een subsidie via individueel maatwerk, dan bespreken de collega’s die het werkluik op zich nemen dit met de werkgever van de stageplek.”
Maar ook als die subsidie niet mogelijk is, is het een win-win voor iedereen. Mieke: “In het begin moet de werkgever misschien wat meer tijd in de persoon investeren, maar op het einde van de rit halen ze zo talent binnen dat er via een gewone sollicitatieprocedure niet door was geraakt. Want ondanks de rugzak die ze meesleuren, hebben deze mensen wel sterktes die voor werkgevers interessant zijn.”
Beperking werkloosheid
Mieke gelooft duidelijk in de werk- en zorgtrajecten. “Eigenlijk is dit traject een ideale manier om objectief in te schatten wie kan en wil werken, wie met bepaalde hulp kan werken en voor wie het nog niet lukt.”
Men zou veel vroeger op de rit op deze trajecten moeten inzetten, vindt Mieke. “Wij zien vaak mensen die al heel lang ziek of werkloos zijn. Andere trajecten duwen hen soms te snel richting betaald werk, maar dan loopt het weer mis. Pas na een lange tijd komen ze bij ons terecht, als een andere aanpak niet blijkt te lukken.”
Maar de context waarbinnen het werk- en zorgtraject plaatsvindt wijzigde begin dit jaar grondig doordat de werkloosheidsuitkering in de tijd beperkt werd tot maximaal twee jaar. De impact van deze maatregel is niet te min op de cliënten van Mieke. “Voor veel mensen is dit een drama.”
“Ik hoor de ene na de andere cliënt die een brief kreeg dat de uitkering zal wegvallen. Sommigen reageren gelaten, anderen worden kwaad. Hoe dan ook komen we natuurlijk in een heel andere dynamiek terecht. Er is niet langer sprake van rustig, op maat, gedurende 18 maanden bekijken wat kan. Ineens is er bij bepaalde mensen een harde deadline, veel te vroeg in het traject.”
Het gevolg? “Sommigen stappen naar een interimkantoor, maar dat is niet noodzakelijk duurzaam. En er zijn cliënten die vrij snel een job vinden waarvan je weet dat ze echt nog niet klaar zijn met het aanpakken van de onderliggende problemen. Maar hoe lang tot ze weer uitvallen? Dat is dan weer een nieuwe faalervaring.”
Alles door elkaar geschud
De maatregel maakt het ook moeilijker om mensen aan het einde van hun traject los te laten. Want wat als de conclusie is dat iemand nog niet klaar is om te werken en hij een advies Welzijn krijgt, maar zijn uitkering stopt binnen een maand? Wat gaat er dan gebeuren met deze persoon? “Vroeger kon ik op beide oren slapen, want ik wist dat de persoon verder opgevolgd werd. Nu kan ik het toch niet zo makkelijk loslaten.”
“Alles wordt ineens door elkaar geschud”, vat ze het samen. “We doen dit al zo lang en iedereen die met deze doelgroep werkt, noemt het een good practice. Wie er middenin zit gelooft ook dat er nu eenmaal een groep is die tijd nodig heeft om te groeien. Maar de regering en ook de bredere samenleving scheert iedereen over dezelfde kam: ‘Ga toch gewoon werken!’ Terwijl de maatschappij alsmaar drukker wordt en hogere eisen stelt. Wie niet kan volgen, heeft niet veel nodig om in moeilijkheden te komen.”
Bron: Sociaal.net
