De ongelijkheid in ons land is groter dan verwacht. Dat blijkt uit een studie van de KU Leuven op basis van nieuwe data. Die nam niet alleen inkomen uit arbeid onder de loep, maar ook het vermogen, zoals spaargeld of aandelen. En dan ziet het plaatje er de laatste 15 jaar plots helemaal anders uit.
Qua inkomensongelijkheid gold België jarenlang als het Gallische dorp van Asterix en Obelix. Ons land was een uitzondering op de algemene internationale trend. Terwijl de inkomensongelijkheid overal om ons heen toenam, toonden rapporten van de OESO, de club van rijke landen, dat dat in België niet het geval was. Ons land kende volgens studies een zeer laag niveau van ongelijkheid, te vergelijken met egalitaire landen als Finland en Zweden.
Dat de ongelijkheid bij ons stabiel bleef, is allesbehalve evident. Want maatschappelijke veranderingen zoals een oudere bevolking en kleinere (eenouder)gezinnen wegen daarop. “Het is het beleid dat ervoor gezorgd heeft dat de ongelijkheid niet is gestegen”, zegt professor economie André Decoster van de KU Leuven.
“We hebben een herverdelend belasting- en uitkeringssysteem en dat heeft er tamelijk goed voor gezorgd dat de ongelijkheid min of meer stabiel is gebleven. Althans: op basis van de tot nu toe gebruikte bronnen.”
Voor hun boek ‘De paradox van ongelijkheid in België’ heeft een onderzoeksgroep van de KU Leuven, UAntwerpen en de ULB het beleid van de verschillende regeringen sinds 1985 onder de loep genomen. Onder bijna alle regeringen (Martens, Dehaene, Verhofstadt, Leterme, Van Rompuy, Di Rupo en De Croo) blijft de ongelijkheid bijna altijd stabiel.
“Als er fors moest bespaard worden, bijvoorbeeld in de jaren 1990 onder Dehaene, dan spaarde men zoveel mogelijk de laagste inkomensgroepen”, zegt Decoster. “Als er een belastingverlaging kon toegekend worden, bijvoorbeeld onder Verhofstadt begin jaren 2000, dan wonnen de laagste inkomensgroepen relatief meer dan de hogere.” Er is maar 1 uitzondering en dat is de regering Michel, waar alle inkomensgroepen evenveel wonnen.
Nieuwe bronnen, andere conclusies
De inkomensenquêtes, die doorgaans aan de basis liggen van zulke conclusies, zijn volgens de onderzoekers van de KU Leuven niet ideaal. Ze geven wel een goed beeld van inkomen uit arbeid, maar veel minder uit vermogen. Bovendien zouden rijke mensen minder snel deelnemen aan zulke enquêtes. Voor dit onderzoek zijn daarom andere bronnen gebruikt: een enquête naar het (inkomen uit) vermogen, de belastingaangiftes en de nationale rekeningen.
Die bronnen werpen nu een nieuw licht op de ongelijkheid in ons land. De inkomensongelijkheid is niet alleen hoger dan uit de klassieke enquêtes blijkt, ze verloopt ook minder stabiel dan we tot nog toe dachten. De dalende trend tot ongeveer 2010 komt tot stilstand, en sinds de financiële crisis neemt de inkomensongelijkheid in ons land toe.
Lage rente
De verklaring ligt in ons land niet bij de toenemende ongelijkheid in inkomen uit arbeid, maar wel bij het inkomen uit vermogen. Sinds 2010 is dat inkomen uit vermogen sterker gegroeid dan het bruto binnenlands product (bbp), de totale waarde aan goederen en diensten die ons land produceert. Bovendien is de ongelijkheid binnen dat inkomen uit vermogen ook nog fors toegenomen. Dat heeft voor een groot deel te maken met de lange periode van lage rente.
De interesten op spaarrekeningen, maar ook andere vastrentende producten zoals obligaties, zijn sinds de financiële crisis stevig gedaald. Deels door het beleid van de Europese Centrale Bank om de Europese economie uit het slop te halen, na de zware financiële crisis. Een lage rente moest lenen goedkoper maken en sparen ontmoedigen.
Denk maar aan de wettelijke minimumrente van 0,11 procent die jarenlang van toepassing was op de spaarrekeningen van veel banken. Of denk aan de periode dat het Agentschap van de Schuld zelfs geen staatsbon uitgaf omdat het rendement te laag zou zijn om het grote publiek te overtuigen. Bovendien zijn spaarrekeningen ruim verspreid onder de bevolking, waardoor voor een groot deel van de bevolking het inkomen uit vermogen afnam.
Aan de andere kant zijn de inkomsten uit meer risicodragend kapitaal, zoals dividenden uit aandelen, fors toegenomen. Zulke beleggingen zitten meer geconcentreerd bij een kleiner deel van de bevolking. Dat verklaart meteen waarom de ongelijkheid in inkomen uit vermogen sterk gestegen is.
“We dachten dat we echt een uitzondering waren en dat de ongelijkheid hier niet toenam. Nu hebben we een aanwijzing dat dat wel het geval is”, concludeert Decoster. “Maar dat betekent niet dat we vergelijkbaar zijn met de Verenigde Staten (zie grafiek, red.). Temeer omdat de toename van de ongelijkheid komt vanuit inkomen uit vermogen. In andere landen, zoals de VS maar ook in Duitsland, is het vooral de ongelijkheid in het arbeidsinkomen die is toegenomen. Bij ons blijft de ongelijkheid in het arbeidsinkomen eerder stabiel.”
Decoster: “Verschuiving naar belasting op inkomen uit vermogen is onvermijdelijk”
Wat kunnen de federale regeringsonderhandelaars met dit onderzoek? Volgens professor Decoster mag de conclusie van het onderzoek in elk geval niet zijn dat we een “absoluut gelijke samenleving” moeten willen, zo zegt hij in De Ochtend op Radio 1. “Sommige ongelijkheden zijn verantwoord, bijvoorbeeld als je veel risico neemt of heel hard werkt. Maar andere ongelijkheden, daar zijn we wel bekommerd over, zoals ongelijke startkansen of tegenslagen. Net daarvoor hebben we een zeer forse sociale zekerheid uitgebouwd.”
In zijn ogen is dé grote uitdaging van de politiek om die sociale zekerheid te blijven financieren, nu de bevolking en de economie aan het veranderen zijn.
“Politici hebben het altijd over de hervorming van de personenbelasting. Maar volgens mij ligt de échte uitdaging van de lasten op arbeid bij het feit dat de sociale zekerheid exclusief door arbeid wordt gefinancierd (en een beetje uit de algemene middelen). Als je dat wilt verschuiven, is er maar 1 andere mogelijkheid: een belasting op inkomen uit vermogen. Ik zou dus wel eerder kijken naar inkomen uit vermogen dan naar een vermogensbelasting zelf. Maar ik denk dat zo’n verschuiving onvermijdelijk is.”
Bron: vrt.nws