Testaankoop klaagt over energieleverancier Mega: “Ongekende praktijk van prijsstijgingen”

Volgens Testaankoop passen sommige energieleveranciers nu de prijzen de hoogte in schieten door het conflict in het Midden-Oosten “de spelregels in hun voordeel aan”. Zo hekelt de consumentenorganisatie het publiceren van nieuwe tariefkaarten met hogere prijzen door energieleverancier Mega. Testaankoop kaart de zaak aan bij de federale energieregulator CREG en de Economische Inspectie. 

Door de oorlog in het Midden-Oosten zijn de energieprijzen de afgelopen week sterk gestegen. Testaankoop riep de consument al op om niet meteen te panikeren door de stijgende prijzen voor elektriciteit en gas. 

De leveranciers publiceerden al hun tariefkaarten voor maart, en die zijn gebaseerd op de prijzen van februari, voor de uitbraak van het wapengekletter. Tarieven gelden voor een maand, stelt Testaankoop en dus heeft de consument nog tijd om de prijsontwikkeling op te volgen.

Nieuwe tariefkaarten

Maar sommige leveranciers grijpen al in, merkt Testaankoop op . De consumentenorganisatie verwijst bijvoorbeeld naar het verminderen of schrappen van de welkomstkortingen voor vaste contracten. Of leveranciers zouden nieuwe tariefkaarten publiceren of vaste contracten uit het aanbod halen.

Energieleverancier Mega wordt daarbij concreet bij naam genoemd: “Vanaf morgen, 6 maart 2026, worden de tarieven voor de maand maart herzien met stijgingen van 14 tot 29 procent voor gas en van 12 tot 22 procent voor elektriciteit”, aldus Testaankoop.

“We stellen ons vragen bij deze ongekende praktijk. Zoiets hebben we zelfs tijdens de zwaarste energiecrisis niet meegemaakt”, stelt woordvoerder Laura Clays. “Wij beschouwen de tarieflijst als een aanbod met een geldigheidsduur tot het einde van maart, dat niet kan worden ingetrokken.”

“De leveranciers daarentegen menen dat het principe van vrije prijsvorming hen niet alleen toestaat om de prijzen vast te leggen, maar ook om ze te wijzigen.” De autoriteiten moeten nu de situatie verduidelijken.

Mega reageert

Mega reageert intussen kort en zegt “slachtoffer te zijn van zijn succes”. “We hebben in enkele dagen tijd zowat 35.000 vaste contracten verkocht. Onze voorraad aangekocht voor de vaste contracten is ‘sold out’. We kunnen natuurlijk niet met verlies verkopen.”

Om de aanbiedingen niet te moeten intrekken, heeft Mega beslist weer energie aan te kopen aan de best mogelijke prijs om die opnieuw op de markt te brengen. We zullen vanaf morgen nieuwe competititieve prijzen blijven aanbieden.”

Bron: VRT.nws

Demir komt met meldpunt voor klachten over dienstenchequesector

Vlaams minister van Werk Zuhal Demir (N-VA) wil het systeem van dienstencheques grondig hervormen. Ze werkt aan een pakket maatregelen dat het makkelijker moet maken om van dienstenchequebedrijf te veranderen, misbruik door bedrijven moet tegengaan en huishoudhulpen beter moet beschermen.

Het systeem van dienstencheques is een van de grootste arbeidsmarktsystemen in Vlaanderen. Zo’n 115.000 huishoudhulpen en honderdduizenden Vlaamse gezinnen maken er gebruik van.

Tegelijk krijgt de overheid steeds meer signalen dat er in sommige gevallen problemen zijn. Zo zijn er meldingen van contracten die huishoudhulpen verhinderen om van werkgever te veranderen, of klachten over teveel administratieve rompslomp voor wie wil overstappen naar een ander dienstenchequebedrijf.

Uitbreiding online prijsvergelijker

Een van de maatregelen moet het voor gebruikers eenvoudiger maken om van dienstenchequebedrijf te veranderen. Demir wil daarvoor een zogenaamde ‘easy-switch’-procedure invoeren, naar het voorbeeld van de telecom- en energiesector.

Concreet zou het nieuwe dienstenchequebedrijf de volledige overstap regelen, inclusief de opzeg bij het vorige bedrijf. De Vlaamse regering werkt daarvoor samen met de nieuwe zelfstandige federatie van dienstenchequebedrijven.

Demir zette vorig jaar al een eerste stap met een online prijsvergelijker voor dienstenchequebedrijven. Volgens haar maakten al ongeveer 35.500 mensen gebruik van dat platform.

De tool wordt de komende weken verder uitgebreid. Zo zullen bedrijven verplicht worden hun commerciële naam te vermelden (vandaag staat vaak enkel de administratieve naam op de website) en komt er een filter waarmee gebruikers bedrijven kunnen vinden die geen administratiekosten aanrekenen.

Centraal klachtenregister

Nog voor de zomervakantie wil de minister ook een centraal klachtenregister lanceren: de zogenaamde ‘dienstencheck’. Daar kunnen zowel huishoudhulpen als klanten problemen melden, die zullen worden doorgestuurd naar de bevoegde inspectiediensten of administraties.

Daarnaast wil Demir strengere regels invoeren voor dienstenchequebedrijven die zich niet aan de regels houden. Zo wil ze contracten aanpakken die het voor huishoudhulpen moeilijk maken om van werkgever te veranderen. Bedrijven die de arbeidswetgeving of consumentenregels overtreden, riskeren in de toekomst hun erkenning te verliezen.

De minister wil daarover nog deze maand een uitgewerkt voorstel voorleggen aan de Vlaamse regering. “Bedrijven die werknemers vastzetten met wurgcontracten horen niet thuis in de dienstenchequesector”, klinkt het.

Lijst met veilige poetsproducten

Ook de gezondheid van huishoudhulpen moet beter beschermd worden. Volgens Demir krijgen veel poetshulpen te maken met luchtwegproblemen, hoofdpijn of huidirritaties door schoonmaakproducten.

Daarom wil ze samen met sectorfederaties en vakbonden een lijst opstellen van producten die veilig zijn om te gebruiken tijdens het werk. Bedrijven en klanten zouden in de toekomst enkel producten mogen gebruiken die op die lijst staan.

Tot slot onderzoekt Demir of er een plafond kan komen voor administratiekosten die sommige dienstenchequebedrijven aanrekenen. Uit een recente studie van de Inspectie van Financiën blijkt volgens de minister dat grote dienstenchequebedrijven ook zonder die extra kosten rendabel kunnen zijn.

“Dienstenchequebedrijven halen het gros van hun inkomsten uit belastinggeld. Ik vind het dan ook niet meer dan normaal dat we er op toezien dat deze middelen correct gebruikt worden”, zegt ze.

Bron: vrt.nws

Help uzelf, maar help vooral de bedrijven

Help uzelf, maar help vooral de bedrijven

‘Over welvaart’ van Bart De Wever is geen open intellectueel essay, maar moet de systemische ingreep van Arizona legitimeren.

Eind januari 2026 had premier Bart De Wever het in een toespraak over gedeelde waarden. Hij noemde liberté en fraternité, een ondubbelzinnige allusie op de Franse Revolutie. Maar één van haar waarden verdonkeremaande hij: égalité, gelijkheid. Wie zijn nieuwe boek Over welvaart leest, zal dat niet verbazen. Voor rechts-liberale conservatieven als De Wever is gelijkheid geen absoluut streven.

Over welvaart sluit pompeus met een soort envoi: ‘Voor Vlaanderen, voor Wallonië, voor Europa, voor welvaart’. Voor hij federaal premier werd, had hij Wallonië vast niet vermeld, en Europa evenmin. Dat kan een premier zich moeilijk veroorloven. En ‘Wallonië’ kan hier dienen als pars pro toto, een fantoomwoord om België niet te moeten noemen. Maar wat met Brussel dan? Het resultaat is een verkrampt formalisme, waarin de feitelijkheid moet wijken voor nationalistische symboliek. En voor de contingentie van De Wevers persoonlijke lotgeval.

Dat geldt ook voor de ‘leeslijst’ achterin. Die – bibliografisch zeer bedenkelijke – lijst opent met de drie recentste boeken van De Wever zelf en bevat verder enkele evergreens van het liberale vooruitgangsdenken, met, uiteraard, Adam Smith, maar ook Karl Marx (Das Kapital, let wel, alleen deel 1). Liefst twee boeken van de Singaporese politicus Lee Kuan Yew staan erin en verder zowat alles wat ooit de titel Arm Vlaanderen kreeg. Met onder meer het even antikapitalistische als antiklerikale reisverslag van August De Winne, journalist bij de Waalse socialistische krant Le Peuple. Dat werd echter niet als Arm Vlaanderen vertaald, zoals De Wever beweert, maar als Door arm Vlaanderen. Het verschil is futiel, maar wel indicatief voor hoe De Wever de feitelijkheid met een foute titel ondergeschikt maakt aan de symboliek. De titels zijn ledenpoppen in een ideologische etalage.

Over welvaart is niet vrijblijvend en al zeker geen open intellectueel essay. Het moet functioneel zijn en legitimeren wat De Wevers Arizona-regering in de zin heeft, en dat is een systemische ingreep. Het uitgangspunt is simpel: eerst welvaart, dan pas welzijn. Eerst productie en groei, dan pas zorg, sociale zekerheid en eventueel herverdeling. Zoals het in de jaren 1980 klonk in rechts-patronale hoek: op een economisch kerkhof kan geen sociaal paradijs bloeien. Opzienbarend origineel is die gedachte dus niet. Ze kan zelfs herinneren aan marxistische ideeën over historisch materialisme en de samenhang van onder- en bovenbouw. Het hangt er maar van af wat de concrete praktijk ervan is. Op zijn ergst eindigt dat in de structurele ongelijkheid van trickle down economics, ook populair in de jaren 1980: hoe rijker de rijken worden, hoe groter de kruimels die ze de armen willen gunnen.

Welvaartcreatie, fase 1 dus, komt bij De Wever haast exclusief op conto van bedrijven en ondernemers (en de markt). Dat drukt werknemers en al zeker zieken, werklozen of ouderen maatschappelijk in de marge, anoniem, passief en ondergeschikt, tot verdachtmakingen van fraude en profitariaat toe. Die ongelijke posities laten zeer weinig ruimte voor sociaal overleg. Het middenveld, zeker vakbonden, krijgt in het boek dan ook geen aandacht. Tussen twee haakjes, van de klassieke trias van economische factoren – kapitaal, arbeid en natuur – blijft ook de derde component (klimaat, duurzaamheid, …) buiten beeld.

Zo neemt De Wever afscheid van de Belgische sociaaleconomische traditie, waarin de overheid haar beleid delegeert naar het paritaire beraad tussen werkgevers, werknemers en zelfstandigen. Het paritaire model neutraliseerde na de invoering van het algemeen enkelvoudig mannenstemrecht (1919) het numerieke overwicht van de lagere sociale klassen in het parlement, nu duwt De Wever die helemaal uit de besluitvorming. In zijn apodictische visie zijn compromissen van het sociaal overleg irrelevant. De prioriteiten liggen al van tevoren vast, groei door competitiviteit, en ze zijn niet voor discussie vatbaar want vermeend objectief. Causa finita. Dit is de enige kans om de tanende economie, begroting en sociale zekerheid te ‘redden’. Rechts-conservatisme uit zich graag apocalyptisch om de eigen agenda op te dringen. Of zoals het neoliberalisme dat in de jaren 1990 verkocht: there is no alternative.

Enigszins paradoxaal, gezien De Wevers anti-etatisme, is dat diens model wel een aanzienlijke staatsmacht veronderstelt, als (naar een term van Hendrik De Man) commandocentrum van wat welhaast een planeconomie wordt, als organisator van wat hier welzijn heet, als regulator van de sociale verhoudingen en als bewaker van de concurrentiekracht. De staat dereguleert, legt de loonnorm of indexsprongen op, past bij met de jobbonus, financiert infrastructuur en onderzoek, subsidieert ondernemingen, verlaagt hun bijdrage aan de sociale zekerheid, en is fiscaal mild voor winsten, dividenden, huurinkomsten, erfenissen en vermogens. Want, zegt De Wever, ‘men vergeet vaak dat risico nemen ook moet lonen’. En ‘een economie zonder (…) winstprikkels verliest haar dynamiek’.

De staatsdwang krijgt reliëf in De Wevers fascinatie voor Singapore. De bloei van deze stadsstaat verleidt hem tot lyrische maar weinig accurate clichés uit het nationalistische register: ‘één van de meest indrukwekkende verhalen van nationale wederopstanding’. ‘Arm Singapore’ no more. Maar dat succes heeft een prijs: sociale discipline en politiek conformisme, afgedwongen met controle, hoge boetes, lijfstraffen en de doodstraf. Dat deert De Wever niet, ook niet dat dit model lastig te verenigen valt met West-Europese, op vrijheid gestoelde tradities. Aalst carnaval, vergeet het maar.

Het historische verhaal dat Over welvaart stut, is even eenzijdig en manipulatief. Aandacht voor de armoede waarin de bevolking verzeilde tijdens de Industriële Revolutie in de 19de eeuw wijst De Wever exclusief toe aan enkele flamingantische kleinburgers. Dat nationalistische ressentiment is historiografisch niet ernstig meer. Idem als De Wever de elite van toen veeleer haar Franstaligheid kwalijk neemt dan de sociale uitbuiting zelf. Dat verdoezelt de kern van de kapitalistische ongelijkheid door de kritiek naar de periferie te schuiven. Alsof wat de historicus Maarten Van Ginderachter zo schrijnend analyseerde in, inderdaad, Arm Vlaanderen (2025), ‘zeer lezenswaardig’ aldus De Wever, slechts pittoreske exotica betrof, een frictie van tijdelijke aard.

Meer nog, De Wever wist de hele arbeidersbeweging, vooral de socialistische, uit de geschiedenis. Er zouden in Duitsland alleen wat revolutionaire herrieschoppers zijn geweest, al was de electoraal sterke SPD bij uitstek reformistisch, net als de BWP in België. Sociale wetgeving zou er alleen zijn gekomen onder impuls van de encycliek Rerum novarum, de kordate kanselier Otto von Bismarck of industrieel Lieven Gevaert. Die ‘derde weg’ is het alternatief voor wat De Wever eerder beschreef, het duel Smith-Marx. En dat die laatste het voor De Wever fout had, legitimeert voor hem dat alles wat van dicht of ver iets met Marx te maken had, vergeten mag worden.

Dat belooft voor wat Arizona nog kan aanrichten in sociale regimentering en politieke bevoogding. Die donkere schaduw hangt er al van toen De Wever in zijn incoherente pamflet Over woke (2023) liet verstaan: dat sociale of culturele minderheden hun emancipatie niet in eigen hand horen te nemen, maar dat een paternalistische elite wel zal oordelen hoe dat kan en wanneer de tijd ervoor rijp is.

Over welvaart

Bart De Wever

Borgerhoff & Lamberigts, 2026

Bron: Sampol.be

Doorgeprikt: 7 mythes over ziekenfondsen

N-VA en MR willen het model van de ziekenfondsen ontmantelen. Maar veel van de kritiek is gebaseerd op verouderde beelden of ideologische voorkeuren, en niet op de data van 2026.

In 2015 verscheen in Samenleving & Politiek het artikel ‘Zeven ziekenfondsmythes doorprikt’. Dit stuk trachtte de kritieken op ziekenfondsen – ze zijn ‘te duur’, ‘te inefficiënt’, ‘te bureaucratisch’, ‘te verzuild’, … – te weerleggen met feitelijke argumenten. Vandaag, meer dan tien jaar later, zien we dat deze mythes niet zijn verdwenen, maar gemuteerd en versterkt terugkeren in het politieke discours, met name vanuit de regeringspartijen N-VA en MR. In het regeerakkoord van Arizona worden ziekenfondsen reeds meer geresponsabiliseerd maar blijven ze vooralsnog grotendeels gespaard, mede door het verzet van Vooruit en cd&v.

Voor N-VA en MR is het jachtseizoen op de ziekenfondsen intussen duidelijk geopend. Georges-Louis Bouchez (MR) viel de ziekenfondsen aan op de nieuwjaarsreceptie van zijn partij wegens hun belastingvoordelen. Eind 2025 nam Axel Ronse (N-VA) de ziekenfondsen op de korrel wegens hun aanpak van langdurig zieken. N-VA wil het takenpakket van de ziekenfondsen grondig hervormen. Wie goed luistert, hoort echter geen neutrale zoektocht naar efficiëntie, maar een diepere systeemkeuze. Deze aanvallen hebben duidelijk het uitkleden van ons beschermend model van sociale zekerheid als doel. Laat ons dus stoppen met praten in slogans en beginnen met spreken in feiten. Niet om kritiek te smoren – transparantie en goed bestuur zijn essentieel, ook voor ziekenfondsen – maar om het debat te bevrijden van rookgordijnen.

MYTHE 1: “Ziekenfondsen zijn dure en inefficiënte doorgeefluiken”

De perceptie dat ziekenfondsen een onnodige, kostenverslindende tussenlaag vormen, blijft hardnekkig. Critici wijzen vaak op de absolute bedragen die naar administratiekosten vloeien. In 2024 werd het totale budget van de vijf ziekenfondsen vastgelegd op 1,285 miljard euro. Dat klinkt inderdaad als een duizelingwekkend bedrag, maar in de politieke retoriek wordt dit bedrag voor administratie vaak geïsoleerd gepresenteerd, zonder context over de totale geldstromen die worden beheerd. Dat leidt dan tot de conclusie dat dit ‘verloren geld’ voor administratie niet naar de zorg gaat.

Om deze mythe te doorprikken, is het noodzakelijk om de administratiekosten niet als een absoluut bedrag maar als een relatieve efficiëntieratio te beschouwen. Wat blijkt dan? Wanneer we de administratieve toelage van 1,285 miljard euro afzetten tegenover de totale begroting voor de geneeskundige verzorging en uitkeringen van 42,7 miljard euro, komen we op een administratieve kost van ongeveer 3% (en zelfs 2,4% als we de 11 miljard uitkeringen toevoegen aan de totale begroting). Dat valt zeer goed mee. Van elke 100 euro die bestemd is voor de gezondheidszorg, vloeit meer dan 96 euro effectief naar de terugbetaling van zorgverleners (artsen, ziekenhuizen, apothekers) en de uitkering van zieken. Dit is een efficiëntieratio die in de private sector zelden wordt gehaald. De recente stijging van de administratiekosten in absolute cijfers (van 1,19 miljard in 2023 naar 1,28 miljard in 2024) is procentueel in lijn met, of zelfs lager dan, de indexering van de loonkosten en de inflatie, terwijl het takenpakket exponentieel is toegenomen.

Critici verwijzen ook vaak naar OESO-studies die de Belgische administratiekosten als hoog bestempelen. Ook dat is niet helemaal correct. Door de complexiteit van de Belgische staatsstructuur is het appelen met peren vergelijken. Uit cijfers van de FOD blijkt dat de totale administratiekosten voor 2021 zo’n 3,6% bedragen, waarmee we lager zitten dan onze buurlanden die ook met uitbetalingsinstellingen werken, zoals Duitsland (4,2%), Nederland (4,7%) en Frankrijk (5,0%).

N-VA wil evolueren naar een ‘Fins model’ dat goedkoper zou zijn op vlak van administratiekosten. Maar ook deze vergelijking gaat niet op. Want in dat Finse model vallen administratieve kosten gemaakt door zorgverstrekkers zelf (ziekenhuismanagement of facturatie door artsen) buiten de statistieken. Hierdoor lijken landen met zo’n geïntegreerd systeem artificieel efficiënter dan landen met een prestatiegebonden financieringssysteem, zoals het onze, waar administratieve taken expliciet worden gescheiden van de zorgverlening.

En dan is er nog de claim dat de private sector efficiënter werkt. Ook die is te weerleggen. Uit data van Assuralia blijkt dat de administratieve kosten en commissielonen in de private Belgische verzekeringssector schommelen rond de 17% tot 20% van de premies. Dat is een pak hoger dan de 3% van ziekenfondsen. Dat is ook logisch: private verzekeraars moeten winstmarges genereren voor aandeelhouders, besteden enorme budgetten aan marketing om jonge, gezonde klanten te werven, en hebben hoge kosten voor het beheer van polissen. De ziekenfondsen daarentegen hebben geen winstoogmerk, geen aandeelhouders, en hun marketingbudgetten zijn strikt gereguleerd. De vergelijking met de Verenigde Staten, hét land van de private verzekeraars, is nog schrijnender. Daar vloeit tot 18% van het budget weg naar administratie, winst en de complexe bureaucratie van het weigeren van claims.

En dan is er nog de mythe dat de administratiekost enkel dient voor het ‘terugbetalen van briefjes’. Dit is een karikatuur die voorbijgaat aan de realiteit van 2026. De administratiekosten omvatten vandaag een breed scala aan maatschappelijke diensten zoals proactieve rechtentoekenning, complexe berekening van de maximumfactuur of juridische bijstand voor patiënten die het slachtoffer zijn van medische fouten.

MYTHE 2: “Ziekenfondsen liggen in een hangmat en worden slapend rijk”

De kritiek luidt dat ziekenfondsen een gegarandeerde dotatie krijgen, ongeacht hun prestaties. Ze zouden geen incentive hebben om de uitgaven te beheersen of om langdurig zieken weer aan het werk te krijgen. In de huidige legislatuur vertaalt dit zich in een felle politieke focus op ‘responsabilisering’, waarbij partijen als N-VA eisen dat de financiering van ziekenfondsen afhankelijk wordt gemaakt van hun succes in re-integratietrajecten.

Het beeld van de ‘hangmat’ is anno 2026 feitelijk onjuist. De ziekenfondsen opereren vandaag in een strak keurslijf van financiële sanctiemechanismen en resultaatverplichtingen. De regering-De Wever scherpte de financiële responsabilisering van de ziekenfondsen al aan. Ze legde een direct verband tussen de administratieve dotatie en de inspanningen rond de re-integratie van langdurig zieken. Ziekenfondsen worden nu financieel gestraft indien zij niet voor elke arbeidsongeschikte (waar medisch mogelijk) een traject naar werk opstarten.

Het beeld van de hangmat klopt ook niet omdat ziekenfondsen een financieel risico dragen. Ze zijn niet louter doorgeefluiken. Een aanzienlijk percentage van hun budget wordt toegekend op basis van theoretische profielen. Als hun leden meer uitgeven dan dit risico-gecorrigeerde profiel toelaat, moet het ziekenfonds een deel van het tekort zelf bijpassen uit de reserves. Dit dwingt hen tot voorzichtig beheer en controle op overconsumptie.

De rol van ziekenfondsen wordt vandaag fundamenteel anders ingevuld dan vroeger: van administratieve verwerking naar actieve begeleiding. Zo hebben ziekenfondsen massaal geïnvesteerd in gespecialiseerde ‘Terug Naar Werk’-coördinatoren. Begin 2025 waren er meer dan 100 voltijdse medewerkers actief die uitsluitend bezig zijn met het screenen en begeleiden van langdurig zieken naar aangepast werk of opleiding. De Terug Naar Werk-barometer toont aan dat het aantal opgestarte trajecten stijgt. Dit arbeidsintensief maatwerk staat haaks op het beeld van een ‘slapende’ organisatie.

Ziekenfondsen doen ook aan fraudebestrijding. In het kader van het Actieplan Handhaving 2024-2026 voeren ze eerstelijnscontroles uit. In 2022 werden miljoenen euro’s aan onterechte uitgaven gedetecteerd en teruggevorderd. Ziekenfondsen analyseren via het Intermutualistisch Agentschap datastromen om afwijkend voorschrijfgedrag van artsen te detecteren.

In tegenstelling tot een overheidsmonopolie – het systeem van één Hulpkas voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering HZIV, waar N-VA naartoe wil – staan de ziekenfondsen in competitie met elkaar. Leden kunnen eenvoudig veranderen van ziekenfonds. Deze ‘gereguleerde competitie’ dwingt de ziekenfondsen om te innoveren in hun dienstverlening, hun apps te verbeteren (zoals de Vity-app van Solidaris, Mijn CM-app of de Helan-app) en hun wachttijden te verkorten. Een organisatie in een hangmat zou in dit systeem onmiddellijk leden verliezen.

MYTHE 3: “Ziekenfondsen verdedigen de patiënt niet meer”

Een terugkerende kritiek is dat ziekenfondsen, door hun historische verzuiling en hun rol als medebeheerder, te veel compromissen sluiten met artsensyndicaten en de overheid, ten koste van de patiënt. Ook de stijgende ereloonsupplementen in de zorg voeden het beeld dat ziekenfondsen onvoldoende macht hebben.

Nochtans zijn ziekenfondsen vandaag de enige structurele machtsfactor die een dam opwerpt tegen de commercialisering van de zorg. Zonder hun collectieve onderhandelingsmacht zou de patiënt vogelvrij zijn.

De kern van de patiëntenbescherming is het akkoord artsen-ziekenfondsen: de zogenaamde Conventie. Ze is het schild tegen tariefchaos. Ziekenfondsen onderhandelen elke twee jaar harde tariefakkoorden met artsen en tandartsen. In ruil voor het sociaal statuut (pensioenopbouw) beloven zorgverleners zich aan de officiële tarieven te houden. Zonder deze onderhandelingen zouden specialisten vrije marktprijzen hanteren, wat de zorg onbetaalbaar zou maken. Ondanks hoge inflatie en druk van artsensyndicaten om de tarieven vrij te laten, zijn de ziekenfondsen erin geslaagd een akkoord te sluiten dat tariefzekerheid biedt voor het overgrote deel van de bevolking. De conventiegraad bij huisartsen blijft hoog. Bij logopedisten is er sprake van enige verbetering. Bij tandartsen is de tendens omgekeerd.

En dan is er de befaamde strijd tegen de ereloonsupplementen. Die is inderdaad niet evident. Ziekenfondsen voeren actief strijd tegen de wildgroei ervan, met name in de ziekenhuissector. Solidaris en CM voerden in de afgelopen jaren campagnes en oefenden politieke druk uit om ereloonsupplementen bij opnames in tweepersoonskamers te verbieden en transparantie af te dwingen. Ook het systeem van de maximumfactuur, dat garandeert dat geen enkel gezin meer dan een aan een bepaald inkomen gerelateerd plafond aan remgeld betaalt, is een constructie die door de ziekenfondsen werd bedacht, operationeel gemaakt en verdedigd.

De beste verdediging van patiënten is natuurlijk dat waar de patiënt niet om hoeft te vragen, namelijk de Proactieve Toekenning. De automatisering van de Verhoogde Tegemoetkoming is zo’n gamechanger. Waar vroeger de sociaal zwakkeren zelf hun weg in de bureaucratie moesten zoeken, krijgen zij nu automatisch hun recht toegekend. CM rapporteerde dat 18.000 leden in één klap hun statuut kregen dankzij deze proactieve aanpak.

Ook investeren ziekenfondsen fors in ‘gezondheidsgeletterdheid’ van hun patiënten. Ze informeren leden via apps en campagnes over preventie, goedkoop medicijngebruik en patiëntenrechten.

MYTHE 4: “De overheid of private verzekeraars zouden het beter doen”

Vanuit N-VA en MR wordt geregeld gesteld dat de ‘tussenlaag’ van ziekenfondsen overbodig is. De redenering is tweeledig: ofwel moet de overheid (RIZIV/de Hulpkas voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering HZIV) alles doen om ‘efficiëntie’ te winnen, ofwel moet de markt (private verzekeraars) spelen om ‘concurrentie’ te bevorderen.

Deze mythe berust op een fundamentele misvatting over de aard van sociale zekerheid versus private verzekering.

Eerst de illusie van de staat, namelijk het argument voor één Hulpkas voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering HZIV. De HZIV bestaat reeds als één van de vijf huidige ziekenfondsen. Hoewel de HZIV haar taken correct uitvoert, toont een vergelijking direct de beperkingen van een staatsmodel. De HZIV is een ‘kale’ uitbetalingsinstelling. Zij biedt geen aanvullende diensten, geen preventiecampagnes, geen uitgebreid netwerk van maatschappelijk werkers en geen lokale kantoren in elk dorp. De ‘warme’ zorg en nabijheid die ziekenfondsen bieden, ontbreekt. Er is ook een zekere bureaucratische rigiditeit: de HZIV is een staatsinstelling gebonden aan ambtenarenstatuten en hiërarchieën. De ziekenfondsen, als private vzw’s met een openbare taak, hebben de wendbaarheid om sneller te innoveren en personeel flexibeler in te zetten. Een volledige overheveling naar de staat zou dus leiden tot een logge overheidsadministratie zonder de innovatieve prikkels van de huidige gereguleerde competitie.

En dan het gevaar van private verzekeraars, de tweede illusie. De vergelijking met Nederland of de VS toont de destructieve effecten van privatisering aan. Men doet aan risicoselectie: private verzekeraars hebben een commercieel belang om jonge, gezonde mensen aan te trekken en chronisch zieken te weren of hogere premies aan te rekenen. In België concentreert 5% van de patiënten meer dan 50% van de uitgaven. In een privaat model worden deze mensen onverzekerbaar of onbetaalbaar. De ziekenfondsen zijn wettelijk verplicht iedereen te accepteren. Bij private verzekeraars is er bovendien ook altijd een winstlek: in 2024 boekten private verzekeraars in België aanzienlijke winsten in de tak Niet-Leven. Als de 45 miljard euro aan publieke middelen voor gezondheidszorg via private spelers zou lopen, zou een deel van dit belastinggeld weglekken naar aandeelhouders in plaats van naar zorg. Ziekenfondsen herinvesteren hun overschotten in reserves of dienstverlening. De mogelijkheid om privéverzekeraars – naast de ziekenfondsen – de Vlaamse zorgverzekering in utivoering te brengen, toonde het verschil in benadering aan. Het betreft geen winstgevende activiteit. De ingestapte verzekeraars haakten één voor één af.

MYTHE 5: “Ziekenfondsen zijn bureaucratische dinosaurussen”

Het beeld van ziekenfondsen wordt door critici maar al te graag gereduceerd tot ‘kleefbriefjes’ en papieren rompslomp. Ziekenfondsen zouden de digitalisering tegenhouden om hun eigen administratieve jobs te beschermen. De realiteit anno 2026 is tótaal tegenovergesteld. Ziekenfondsen zijn net de drijvende kracht achter de digitale transformatie van onze gezondheidszorg. Ze zijn geen rem, maar de motor.

Zo bouwden ziekenfondsen samen het platform MyCareNet. Vandaag verloopt de overgrote meerderheid van de interacties digitaal. Huisartsen, apothekers, verpleegkundigen en ziekenhuizen controleren de verzekerbaarheid van een patiënt in real-time. De papieren stroom is voor het gros van de prestaties verdwenen. Vanaf september 2025 is e-facturatie verplicht voor artsen en tandartsen. Deze gigantische operatie is technisch en operationeel voorbereid door de ziekenfondsen, waardoor de terugbetalingstermijn voor patiënten is teruggebracht van weken naar dagen (of zelfs onmiddellijk via derdebetaler).

Ziekenfondsen lopen ook voorop in het gebruik van AI. In 2025 namen ziekenfondsen deel aan grootschalige proefprojecten met Microsoft om administratieve taken te automatiseren via Generatieve AI, waardoor medewerkers meer tijd krijgen voor menselijk contact en complexe dossierbehandeling. Ziekenfondsen doen ook aan datamining. Via geavanceerde data-analyse (zoals bij het opsporen van de rechthebbenden op de, eerder vermelde, Verhoogde Tegemoetkoming) tonen ziekenfondsen aan dat ze big data inzetten voor sociale doeleinden.

De digitale toepassingen van de ziekenfondsen (zoals e-mut van Solidaris of Mijn CM-app) behoren tot de meest gebruikte dienstverlenende toepassingen in België. Leden kunnen doktersbriefjes (indien nog op papier) inscannen met hun smartphone, hun dossier opvolgen en documenten digitaal aanvragen. De ‘dinosaurus’ is met andere woorden geëvolueerd tot een hoogtechnologisch digitaal platform.

MYTHE 6: “Ziekenfondsen zijn rechter en partij”

N-VA en andere critici stellen dat er een fundamenteel belangenconflict bestaat: ziekenfondsen moeten via hun adviserend artsen oordelen over arbeidsongeschiktheid en medische uitgaven controleren, terwijl ze tegelijkertijd ‘klanten’ willen binden. De these is dat ze te laks zijn in controles om leden niet weg te jagen. N-VA legt nu het voorstel op tafel om de medische controle te centraliseren bij het RIZIV.

Dit argument miskent de aard van de relatie tussen de adviserend arts en de patiënt, en negeert de financiële incentives die vandaag bestaan.

De rol van de adviserend arts is de voorbije jaren verschoven van pure controle naar re-integratiebegeleiding. Om een langdurig zieke succesvol terug naar werk te begeleiden, is vertrouwen nodig. Een patiënt zal openhartiger spreken met de arts van zijn eigen ziekenfonds die zijn medische en sociale geschiedenis kent, dan met een anonieme ‘staatsinspecteur’ van het RIZIV. Centralisatie zou deze vertrouwensband verbreken en re-integratie bemoeilijken. Bovendien is er binnen de ziekenfondsen een strikte scheiding tussen de medische diensten en de commerciële diensten. De adviserend artsen werken onder een eigen deontologische code en worden niet beoordeeld op ledenbehoud.

Maar ook het argument dat ziekenfondsen laks zouden zijn om leden te plezieren, klopt niet. Zoals besproken in Mythe 2, werden ziekenfondsen tussen 2018 en 2024 financieel zwaar gestraft als ze te veel inactieve langdurig zieken in hun portefeuille hebben. Ze hebben er dus alle belang bij om streng en rechtvaardig te evalueren en mensen te activeren. Een ‘te laks’ beleid kost het ziekenfonds vandaag geld.

En dan is er nog een praktische weerlegging: capaciteit. Het RIZIV kampt nu al met personeelstekorten. Het overhevelen van honderden adviserend artsen en duizenden dossiers naar een centrale overheidsdienst zou leiden tot een administratief infarct, gigantische achterstanden in de erkenning van invaliditeit, en onzekerheid voor de patiënt.

MYTHE 7: “Ziekenfondsen potten miljarden op en zijn politiek verzuild”

De laatste grote aanvalsgolf focust op de financiële reserves. Recent kopte HLN: ‘Exclusief. Zo rijk is jouw ziekenfonds: het verborgen fortuin van 6,1 miljard euro in kaart gebracht’. Zulke krantenkoppen voeden het beeld van rijke, verzuilde bastions die belastinggeld oppotten voor eigen gewin of voor hun politieke zuil.

Het bedrag van 6 miljard euro in kas bij alle ziekenfondsen is een buffer, geen winst. Ziekenfondsen zijn verzekeraars. Net als elke verzekeringsmaatschappij zijn ze wettelijk verplicht om solvabiliteitsmarges aan te houden. Deze reserves dienen om schokken op te vangen, zoals een pandemie, vertraagde overheidsbetalingen of onverwachte uitgavenpieken. Op een jaarlijks budget van 45 miljard euro  stelt 6 miljard euro slechts een buffer van enkele maanden werking voor. Het is geen ‘dood kapitaal’, maar een veiligheidsnet dat de continuïteit van de terugbetalingen aan de leden garandeert. Dit geld kan overigens niet zomaar worden uitgekeerd aan partijen of vakbonden. Het is juridisch afgeschermd en staat onder streng toezicht van de Controledienst voor de Ziekenfondsen.

En dan is er nog het beeld van het ziekenfonds als ‘kassier van de partij’. Ook dat beeld is achterhaald. De wetgeving en de eigen statuten van de ziekenfondsen zijn grondig hervormd. Er zetelen nu verplicht onafhankelijke bestuurders in de raden van bestuur, die waken over de professionaliteit en de belangen van de leden, los van politieke kleur. Topmannen als Paul Callewaert (Solidaris) en Luc Van Gorp (CM) gaan regelmatig in tegen de standpunten van partijen als dat in het belang van de patiënt is. Hun recente verzet tegen remgeldverhogingen in de zorgbegroting van 2025 toont hun onafhankelijkheid aan.

Conclusie

De analyse van de zeven mythes over ziekenfondsen toont aan dat de kritiek vaak gebaseerd is op verouderde beelden of ideologische voorkeuren, en niet op de data van 2026. Een ontmanteling van het model van ziekenfondsen ten voordele van staatscontrole of privatisering zou leiden tot een duurdere, killere en minder solidaire gezondheidszorg.

Het echte debat is eenvoudig: willen we een gezondheidszorg waar iedereen verzekerd is via een sterke, non-profit uitvoerder met maatschappelijke verankering, of willen we experimenteren met andere modellen, die als uiteindelijke doel hebben de gezondheidszorg te ontmantelen? Wie vandaag de ziekenfondsen aanvalt, moet ten minste de eerlijkheid hebben om dat debat expliciet te voeren. En wie solidariteit ernstig neemt, kiest er beter voor om ziekenfondsen te moderniseren, te controleren waar nodig, maar vooral ze te behouden.

Bron; Sampol.be

Arbeidsmarkt: ‘Beleid dat blind blijft voor bereikbaarheid bestendigt sociale ongelijkheid’

Veel mensen zijn op zoek naar werk. Maar omdat verschillende jobs niet bereikbaar zijn, vallen meteen heel wat opties weg. Die drempel beperkt kansen op de arbeidsmarkt en versterkt sociale ongelijkheid. “Om werk toegankelijk te maken voor iedereen, moet bereikbaarheid centraal staan”, aldus Eva De Vrij, projectleider bij Mobiel 21. 

Uitdagingen op de arbeidsmarkt 

Zowel de Vlaamse als federale regering willen tegen 2030 de werkzaamheidsgraad verhogen tot 80 procent. Ondertussen geraken vacatures moeilijk ingevuld en tegelijk zijn er ook veel mensen die maar moeilijk werk vinden. Beleidsmakers en werkgevers zijn op zoek naar manieren om die uitdagingen aan te pakken. Daarbij gaat de aandacht vooral naar competenties, opleidingen en begeleidingstrajecten voor werkzoekenden. Maar ze vergeten nog een andere, minder zichtbare factor die een belangrijke rol speelt: de bereikbaarheid van werkplekken.  

Niet iedereen geraakt eenvoudig van A naar B. We stellen vast dat door een gebrek aan financiële middelen, kennis, voorzieningen of vaardigheden heel wat mensen niet vlot op hun bestemming geraken. Zij leven in mobiliteitsarmoede, waardoor ze niet volwaardig kunnen deelnemen aan de samenleving.  

Mobiliteitsarmoede is veel meer dan een transportprobleem. Het vormt een structurele drempel voor mensen op zoek naar werk. Wie geen auto bezit, onvoldoende kan fietsen en afhankelijk is van beperkt openbaar vervoer, ziet de toegang tot werk drastisch verkleinen. Dat zet een rem op activering. 

Stad versus platteland 

Om deze maatschappelijke problematiek beter in kaart te brengen, onderzochten Universiteit Antwerpen, Een Nieuwe Kijk en Mobiel 21 in opdracht van de Vlaamse overheid de bereikbaarheid van jobs voor werkzoekenden, hoe medewerkers op hun werk geraken en welke vervoersmiddelen ze daarvoor gebruiken. 

Uit het onderzoek blijkt dat jobbereikbaarheid in Vlaanderen sterk varieert naargelang de woonplaats. Op het platteland zijn mensen sterk afhankelijk van de auto, wat de toegang tot werk beperkt. In steden is er een groter aanbod aan jobs en is het vervoersaanbod uitgebreider, waardoor inwoners meer keuze hebben. Dat wil concreet zeggen dat wie in stedelijke gebieden woont gemiddeld anderhalf keer meer jobs binnen bereik heeft dan mensen die op het platteland wonen. Ook langs belangrijke transportassen en rond knooppunten van openbaar vervoer ligt de jobbereikbaarheid hoger. 

Ook inkomen speelt een rol: hogere inkomensgroepen hebben vaker toegang tot een auto en andere vervoersmiddelen, waardoor ze ongeveer 75 procent van alle jobs kunnen bereiken. Lagere inkomensgroepen ervaren daarentegen financiële en praktische drempels. Zij kunnen nog geen derde van alle jobs bereiken. 

Rol van de overheid  

De cijfers tonen dat jobbereikbaarheid een complexe problematiek is. Er bestaat geen wondermiddel om deze problematiek op te lossen. De aanpak van mobiliteitsarmoede vereist inspanningen van onze verschillende overheden. 

In ons onderzoek verkenden we  hoe verschillende beleidsmaatregelen jobbereikbaarheid beïnvloeden. Zo verhoogt leren fietsen het aantal jobs dat een werkzoekende kan bereiken, zowel in de stad als op het platteland. Elektrisch fietsen verdubbelt zelfs het aantal bereikbare jobs in de stadsrand. Goedkoper openbaar vervoer vergroot de bereikbaarheid, voornamelijk voor de lagere inkomensklasse. Het bezit van een rijbewijs vergroot vooral de bereikbaarheid bij de midden- en hogere inkomensklasse terwijl de lagere inkomensklasse nog steeds financiële drempels ondervindt voor het gebruik van een auto. 

Mix van beleidsmaatregelen

Kortom, sommige maatregelen hebben sterke effecten voor lage inkomensgroepen, terwijl andere vooral in het voordeel spelen van de hogere inkomensgroepen. Er zal een mix van beleidsmaatregelen nodig zijn om de ongelijkheid in jobbereikbaarheid te verkleinen, alle werkzoekenden kansen te bieden en de werkzaamheidsgraad van verschillende bevolkingsgroepen te verhogen. 

De verschillende bestuursniveaus moeten hiermee aan de slag. Lokale besturen kunnen fietslessen aanbieden, fietsinfrastructuur verbeteren en collectief vervoer organiseren richting bedrijventerreinen. De Vlaamse overheid kan rijopleidingen stimuleren, openbaar vervoer goedkoper en sneller maken, fietsen promoten en jobbereikbaarheid opnemen in ruimtelijke planning. Het federaal niveau kan treinstations toegankelijker maken en interregionale treinverbindingen versterken.

Praktische oplossingen voor werkzoekenden

Hoewel deze beleidsmaatregelen belangrijk zijn, zullen ze vooral op langere termijn hun impact tonen. Ook de situatie vandaag vraagt actie. Er is duidelijk nood aan concrete oplossingen voor mensen die zich moeilijk naar werkplekken kunnen verplaatsen. Daarom strijden allerlei organisaties al tegen mobiliteitsarmoede. Zo leent stad Beringen e-bikes uit aan werkzoekendenhelpt 2GO jonge werkzoekenden aan een rijbewijs en verzorgt Max Mobiel collectief vervoer naar de Gentse haven, waar het aanbod van De Lijn te wensen over laat.  

En ook Mobiel 21 strijdt mee. In De Fietsschool geven we laagdrempelige fietslessen aan mensen die het nooit aangeleerd hebben gekregen of het fietsen verleerd zijn. Zo geven we hen de mogelijkheid om ook met de fiets naar het werk te gaan. Daarnaast ontwikkelden we samen met Nazka Mapps het platform NaarJobs.be. Daarop worden vacatures over heel Vlaanderen letterlijk op de kaart gezet en toont het ook de slimste manieren om er te geraken.

Bereikbare jobs voor iedereen 

Jobbereikbaarheid is meer dan een mobiliteitsvraagstuk of een abstract cijferverhaal. Het is een hindernis die de Vlaamse arbeidsmarkt verdeelt. Je kan nog zo gediplomeerd en gemotiveerd zijn, maar als je een job niet fysiek kan bereiken, blijft het bij een intentie. Dat heeft niet alleen persoonlijke consequenties voor die werkzoekende zoals aanhoudende werkloosheid en minder vrije jobkeuze, maar het kost onze maatschappij ook geld. Beleid dat blind blijft voor bereikbaarheid riskeert sociale ongelijkheden te bestendigen en zal haar ambitie om de werkzaamheidsgraad te verhogen niet halen. 

Wij blijven er dan ook op hameren dat bereikbaarheid geen bijzaak is. Meer bereikbare jobs zijn een hefboom naar werk, een sterkere arbeidsmarkt en een hogere werkzaamheidsgraad. Ze zorgen voor meer sociale inclusie en gelijkheid.Laten we jobbereikbaarheid dus centraal stellen in activerings- en arbeidsmarktbeleid. Niet als bonus maar als basisvoorwaarde. 

Bron: Sociaal.net