‘Behandel wonen als grondrecht, niet als beleggingsproduct’

De druk op de huidige woningmarkt is niet te overzien. De wachtlijsten voor sociale woningen zijn enorm hoog en op de reguliere huurmarkt blijven de prijzen stijgen.  Volgens John Vanwynsberghe, algemeen directeur bij Hefboom, laten we kansen liggen: “Het debat zit muurvast in een ideologische patstelling: tussen wie alles van de overheid verwacht en wie gelooft dat de markt zich vanzelf wel zal herstellen.”

Monopoly

De woningmarkt voelt steeds meer als een spelletje Monopoly dat al lang beslist is: de straten zijn bezet en de aankoop- en huurprijzen schieten omhoog. Heb je geluk, dan kan je cashen. Heb je pech, dan beland je keer na keer bij ‘Ga terug naar start’.

Maar wonen is geen spelletje. Het is een recht voor iedereen. Het is de basis waarop een rechtvaardige samenleving rust. Toch is wonen herleid tot een financieel product in plaats van een grondrecht. Politieke keuzes en financiële logica bepalen de woonkansen van duizenden mensen.

De wooncrisis is structureel

De woningmarkt kraakt in haar voegen. Vlaanderen telt 180.000 sociale huurwoningen en maar liefst 209.000 gezinnen stonden eind 2025 op de wachtlijst. Dan spreek je niet van een tijdelijk onevenwicht, maar van een structurele crisis. De overheid investeert wel in sociale huisvesting, maar de hervorming van sociale verhuurkantoren en huisvestingsmaatschappijen zorgt voor grote vertragingen. Die maatschappijen hebben wel budget maar bouwen te weinig.

En de vrije markt slaagt er niet in om deze kloof te dichten. De klassieke redenering dat meer bouwen automatisch leidt tot goedkopere woningen is een halve waarheid. Promotoren bouwen namelijk vooral in de hogere prijscategorie, waar de winstmarges groter zijn. Volgens onze berekeningen liggen de nieuwbouwprijzen twintig tot vijfentwintig procent boven wat een gemiddeld gezin kan betalen.

Woningen die wel beschikbaar en betaalbaar zijn, blijken vaak verouderd en slecht geïsoleerd. Het trickle-down-effect, waarbij er vanzelf betaalbare woningen vrijkomen wanneer mensen doorstromen naar duurdere woningen, blijft beperkt. De prijzen blijven stijgen en het aanbod van vrijgekomen woningen is ruim onvoldoende.

Groeiende kloof

De huurprijzen in Vlaanderen stijgen sneller dan de inkomens. Wie een woning wil huren, betaalt volgens de Vlaamse Woonmonitor vandaag een gemiddelde huurprijs van 766 euro per maand. Voor een grote groep mensen is deze maandelijkse bijdrage moeilijk of niet haalbaar. Spaar je of bouw je vermogen op, dan verlies je door de vermogenstoets bovendien je recht op sociale huisvesting. Op die manier ontmoedig je sociale vooruitgang, in plaats van ze te stimuleren.

Het gevolg is een groeiende kloof tussen sociale en reguliere huisvesting. De betaalbare huisvestingsmarkt – kwalitatieve woningen die ten minste vijftien tot twintig procent onder de marktprijs liggen – is veel te klein. Verhuurders hebben geen enkele reden om ze goedkoper ter beschikking te stellen. Dat betekent dat er nauwelijks een aanbod is voor wie net te veel verdient voor een sociale woning, maar net te weinig voor de gewone huizenmarkt. Deze groep wordt buitenspel gezet.

Een kwestie van keuzes

De Vlaamse overheid concentreert zich momenteel op sociale huisvesting. Een positieve ontwikkeling, en dat beleid verdient erkenning, maar het gaat veel te traag. Ook lokaal botst sociale huisvesting op weerstand. Gemeenten vrezen namelijk dat hun gemiddelde (belastings)inkomen daalt waardoor ze minder aantrekkelijk worden voor nieuwe inwoners. Daardoor blijft sociale woningbouw hangen in bezwaarschriften en politieke koudwatervrees.

Het beleid zet daar nu op in met het Bindend Sociaal Objectief zodat alle gemeenten hun verantwoordelijkheid opnemen. Opnieuw een goede maatregel, maar dat zou ons 56.000 extra sociale huurwoningen opleveren tegen 2042. Dat is wel heel ver in de toekomst.

Tegelijk zetten ook demografische en economische trends druk op de woonmarkt. Alleenstaanden en gescheiden gezinnen vergroten de vraag, terwijl bouw- en grondkosten stijgen. Ook de huidige energienormen en renovatieverplichtingen zijn voor de meeste gezinnen helaas financieel onhaalbaar. Die combinatie vormt de perfecte storm.

Financiële kansen bieden

Het debat zit bovendien muurvast in een ideologische patstelling: tussen wie alles van de overheid verwacht en wie gelooft dat de markt zich vanzelf wel zal herstellen. Die tegenstelling verlamt het beleid en voedt de ongelijkheid. Die verlamming moeten we in beweging brengen.

De woningmarkt is een complex geheel. Laten we ze voor het gemak indelen in vier blokken: dak- en thuisloosheid, sociale huisvesting, betaalbaar wonen en de vrije markt. De grootste maatschappelijke nood zit bij die eerste drie. Daar faalt de vrije markt, omdat het aanbod structureel te laag is. Hier kan doelgerichte financiering en een correct fiscaal kader het verschil maken.

Het wordt dus hoog tijd om als samenleving meer financiële kansen te bieden aan organisaties, ontwikkelaars en initiatieven die betaalbaar wonen realiseren. Zij kunnen de kloof tussen sociale huisvesting en de reguliere woningmarkt proberen dichten.

Een nieuwe visie op grondeigendom

Bij Hefboom zien we dat het anders kan. De verschillende wooncoöperaties en private sociale ondernemingen die we begeleiden en financieren, zijn spelers die nog te vaak over het hoofd worden gezien in de oplossingen voor de wooncrisis.

Wat moet je je daarbij voorstellen? Als bewoner bij een wooncoöperatie, zoals Wooncoop, Fairground Brussels, Collectief Goed, ben je coöperant en huur je aan een voordeliger tarief. Bij een Community Land Trust ben je mede-eigenaar van het gebouw. De grond zelf blijft in beide gevallen eigendom van een stichting of de overheid, en enkel de woning wordt verhuurd of verkocht. Zo doorbreek je de klassieke logica van winstmaximalisatie en houd je de prijs structureel en op lange termijn laag.

Met andere woorden: wanneer je de grondeigendom scheidt van de gebruikswaarde, het woonpand, of voorwaarden bij doorverkoop inbouwt, voorkom je speculatie en zorg je voor stabiele én betaalbare woonprijzen. Dat is geen theoretisch concept. We zien dat deze oplossing nu al werkt, en gezinnen een betaalbaar dak boven het hoofd garandeert. Het mag alleen niet in de testfase blijven hangen.

Win-win situatie

De nood aan meer betaalbare en sociale huurwoningen is hoog. Het is dringend tijd voor politieke moed. De eerste stap is alvast eenvoudig: behandel wonen als een grondrecht, niet als een beleggingsproduct. Er zijn structurele investeringen nodig, geen symbolische ingrepen.

Vandaag zijn de financiële spelregels vooral geschreven voor commerciële spelers zoals gereglementeerde vastgoedvennootschappen. Daar is op zich niets mis mee, maar voor private sociale ondernemingen en coöperaties is de toegang tot financiering en fiscale voordelen vaak een hindernissenparcours.

Doordat zij minder inkomsten opstrijken voor een woning, beschouwen banken hen als een risico omdat ze een beperktere terugbetalingscapaciteit hebben. Met als gevolg dat ze geen of duurdere leningen krijgen om renovatie of bouw mee te financieren.

Gerichte maatregelen nodig

Daarom dienen er gerichte maatregelen te worden genomen. Anders blijven betaalbare woonprojecten steken in goede bedoelingen. Denk aan gunstige collectieve leningen of cofinanciering door de overheid, toegang tot EU-garantiefondsen zoals bij de Europese Investeringsbank, btw-verlagingen tot zes of twaalf procent bij bouw en renovatie, en aangepaste procedures die geen maanden aanslepen.

We kunnen impactinvesteerders en institutionele beleggers zoals pensioenfondsen en verzekeraars stimuleren om mee te investeren, bijvoorbeeld via fiscale voordelen en minimumquota. Publiek-private samenwerkingen kunnen eenvoudiger en sneller. Dat moet geen fortuinen kosten, want op middellange termijn zorgen deze extra betaalbare woningen ook weer voor extra inkomsten in het laatje van de overheid.

Kiezen voor een rechtvaardige samenleving

Kortom: er is een mentaliteitswijziging nodig. De wooncrisis is niet onvermijdelijk. Ze is het gevolg van keuzes en dus ook op te lossen.

Als samenleving moeten we beslissen wat we belangrijker vinden: winst voor sommigen op korte termijn, of algemeen welzijn op lange termijn. Betaalbaar wonen is dé hefboom om de woningmarkt opnieuw menselijk te maken en armoede terug te dringen. Een stabiele woonsituatie zorgt immers voor positieve effecten op vlak van onder andere tewerkstelling, onderwijs en gezondheidszorg.

Daarvoor is samenwerking nodig, maar vooral overtuiging. Iedereen verdient een dak boven het hoofd. Een rechtvaardige samenleving speelt geen Monopoly met haar burgers. Het draait niet om wie de meeste huizen (of hotels) verzamelt, maar wel dat we voorkomen dat iemand van het spelbord valt. Wie in betaalbaar wonen investeert, bouwt aan een toekomst zonder verliezers.

Bron: Sociaal.net

OCMW’s onder druk: ‘Blijft recht op menswaardig bestaan overeind?’

Onze grondwet stelt dat iedereen recht heeft op een menswaardig bestaan. OCMW’s moeten dat mee mogelijk maken. Al zijn die mooie principes gebeiteld in wetten, toch staat de praktijk op losse schroeven. OCMW maatschappelijk werker Sushmitha Hanssen pleitte pas nog om die schroeven weer aan te draaien door begeleidingen meer controlerend te organiseren. ‘Coalitie Humaan OCMW’ is vooral bezorgd dat de oorspronkelijke opdracht van dat maatschappelijk werk aan het wegglijden is: een laatste maar betrouwbare schakel zijn van solidariteit.

Uit het leven gegrepen

Stel: je bent al enkele jaren werkloos. Door de inkorting van je werkloosheidsuitkering zal je die in 2026 verliezen. In theorie werd je tijdens die periode van werkloosheid begeleid door een VDAB-arbeidsbemiddelaar, op zoek naar een duurzame job. Maar de praktijk is vaak anders: de meeste mensen kregen nauwelijks begeleiding.

Kan je – nu in 2026 je werkloosheidsuitkering stopgezet wordt – nog aanspraak maken op begeleiding naar werk door de VDAB? In theorie wel, maar met de geplande forse besparing op de VDAB zal deze dienst nog minder capaciteit hebben om je te ondersteunen in je zoektocht naar een job.

Werkbereidheid

Vind je toch geen plaats op de arbeidsmarkt? Dan is er een laatste dam om niet in armoede terecht te komen: wie financieel in de problemen komt, kan de stap naar het OCMW zetten en een leefloon aanvragen.

Maar ook dan zal ‘werk’ meteen opduiken in je traject. Om een leefloon te kunnen ontvangen, moet je je bereid tonen om te werken. Hoe je die werkbereidheid moet aantonen, heeft de wetgever niet gespecificeerd. Gelukkig maar, want een uniforme omschrijving van het aantonen van de werkbereidheid, zou elke vorm van maatwerk voor individuele situaties onmogelijk maken.

Begin en einde

Dat maatwerk is noodzakelijk. Mensen die naar het OCMW stappen, hebben zelden enkel een financieel probleem. Ze worden bijvoorbeeld ook geconfronteerd met dreigende uithuiszetting, relationele problemen of een kind met ernstige gezondheidsproblemen.

Deze mensen hebben eerst stabiliteit en ondersteuning nodig in plaats van bijkomende druk. De idee om van elke leefloongerechtigde te verwachten dat die wekelijks vijf realistische sollicitatiebewijzen indient, zonder rekening te houden met de problemen die zich ondertussen opstapelden, is ronduit absurd. Toch stellen we vanuit onze praktijkervaringen vast dat dit de realiteit is in steden zoals Antwerpen. Daar verplaatst men het eindpunt van een traject richting arbeidsactivering naar het begin van dat traject.

Controle als administratieve vereenvoudiging

Ook onze regionale en federale beleidsvoerders voeren de druk op en vragen OCMW-maatschappelijk werkers om sterker in te zetten op controle en een (te) snelle stap naar de arbeidsmarkt.

Dat lijkt een administratieve vereenvoudiging voor maatschappelijk werkers die kreunen onder de dossierlast. Op vlak van die werkdruk is er geen beterschap in zicht: in 2026 zal het aantal mensen dat een leefloon moet aanvragen sterk stijgen. Dan is het verleidelijk om dat binnen de perken te houden met snelle en eenvoudige tools om die controles uit te voeren.

Weinig winst

Toch zal die beleidskeuze weinig winst opleveren: een beleid dat inzet op activering zonder oog te hebben voor de complexe realiteit van mensen mist zijn doel. Mensen geraken niet vooruit vanuit druk, repressie, wantrouwen en administratieve opgejaagdheid. Wel vanuit vertrouwen, maatwerk en het wegnemen van drempels.

Dat wegnemen van drempels is een onderschat maar cruciaal probleem. Mensen die voor het eerst een OCMW binnenstappen om hulp te vragen, zien vaak geen andere uitweg meer. Ze moeten onder andere gevoelens van schuld en schaamte opzij zetten om die hoge drempel te nemen.

Voor een grote groep blijft de drempel te hoog. Zij zetten de stap naar het OCMW niet en hun precaire leefsituatie blijft verborgen. Zo wordt geschat dat de helft van de mensen die wel recht heeft op een leefloon daar toch geen gebruik van maakt. Die hoge ‘non take-up’ staat in schril contrast met de bijzonder kleine groep mensen die onrechtmatig een leefloon ontvangt: ongeveer 5 procent.

Wat deze mensen nodig hebben

Wat mensen die geen uitweg meer zien nodig hebben, is iemand die luistert. Iemand die de situatie helpt ontrafelen. Iemand die het overleven terugbrengt tot zekerheid over basisbehoeften. Iemand die met hen op pad gaat om opnieuw stabiliteit te vinden. Iemand die ondersteunt, die in hen gelooft en waar nodig telkens terug een vangnet biedt.

Deze korte opsomming van wat deze mensen nodig hebben, is geen rocketscience. Deze inzichten worden telkens opnieuw bevestigd door pedagogische, sociologische en  psychologische onderzoeken.

Dikke bult

Toch staat alles wat maatschappelijk werk zo belangrijk maakt onder druk. Stereotypes regeren zonder tegenspraak. Armoede zou vooral het gevolg zijn van onverstandige beslissingen: ‘eigen schuld, dikke bult’. Te veel profiteurs zouden  onrechtmatig gebruik van een riant leefloon. Feiten en onderzoeken die staalhard het tegendeel aantonen, verdwijnen naar de coulissen.

Te veel beleidsvoerders surfen mee op die golven. Ze kiezen ervoor om angst als wapen te gebruiken door rechthebbenden te framen als onbetrouwbaar of crimineel. ‘De profiteurs moeten eruit, want anders is er niet meer genoeg voor u, gij hardwerkende Vlaming.’ Die polariserende retoriek van ‘goede’ en ‘slechte’ armen dreigt ook sommige maatschappelijk werkers te voeden.

Laatste, betrouwbare schakel

Verschuift de wettelijke basis van het OCMW binnenkort naar het ‘recht op menswaardig bestaan voor wie binnen de beoogde tijdspanne toegelaten wordt op de arbeidsmarkt’? Of hebben we de moed om radicaal vast te houden aan een menswaardig bestaan voor iedereen, om samen pal te blijven staan voor een OCMW dat niet afglijdt naar een controle- en sanctioneringsdienst?

Blijven we de krachten bundelen om trouw te blijven aan onze oorspronkelijk en wettelijke opdracht: een laatste maar betrouwbare schakel te zijn van solidariteit?

Bron: Sociaal.net

Administratieve rompslomp: ‘Overheid moet complexiteit dragen, niet de burger’

Hulp zoeken betekent voor kwetsbare mensen vaak: zich een weg worstelen doorheen een doolhof van diensten, papieren en procedures. Onderzoeker Marjolijn De Wilde (KU Leuven en Odisee) pleit voor een simpele oplossing: een overheid die zelf voor deze mensen de weg door het doolhof aflegt.

Geconstrueerde complexiteit

Ik ben mantelzorger van een vrouw in een complexe gezinssituatie. Haar meerderjarige zoon is recent opnieuw bij haar komen wonen. Ze wil dat melden aan het OCMW, zodat de ondersteuning via de voedselbank correct wordt aangepast. Ze twijfelt er geen moment aan dat dit een stap is die zij zelf kan en moet zetten. Het verloopt allemaal logisch en eenvoudig.

Maar wanneer ze hulp nodig heeft in een juridisch geschil en een pro-Deoadvocaat probeert aan te vragen, verloopt het anders. Ze bezorgt alle gevraagde informatie correct en volledig, maar krijgt bijkomende vragen. Niet omdat zij iets vergeten is, maar omdat het systeem ingewikkeld is. Zo moet ze ook het inkomen van haar zoon doorgeven, zonder dat duidelijk is hoe dat inkomen zal worden verrekend. Haar eerste reflex is: “Dan zal ik wel geen recht hebben op zo’n advocaat.” Die conclusie is fout, maar dat kan ze onmogelijk weten.

Daarnaast moet ze expliciet verklaren dat ze geen onderhoudsgeld ontvangt. Nochtans verklaarde ze eerder al geen andere inkomsten te hebben dan haar uitkering en het kindergeld. Wie die extra check bedacht, had daar waarschijnlijk een reden voor. Maar voor haar voelt het als ballast.

Dat deze aanvraag stroef verloopt, is niet het gevolg van onwil of onbekwaamheid. Het is geconstrueerde complexiteit: een systeem dat op papier logisch lijkt, maar sputtert als je het toepast op echte mensen in kwetsbare levenssituaties.

Complexiteit is geen individueel falen

Het idee van een ‘Bijzondere Overheid’ biedt een eenvoudig antwoord op dit probleem. Het komt uit de koker van Tim ’S Jongers en Albert Jan Kruiter. Maar eerst meer over het probleem: complexiteit.

In het sociaal werk is complexiteit zelden het gevolg van één slechte regel. Vaak zijn afzonderlijke regels op zich verdedigbaar. Het probleem ontstaat wanneer regels zich opstapelen, elkaar kruisen en samen een werkelijkheid creëren die voor mensen nauwelijks nog hanteerbaar is. Wat administratief overzichtelijk lijkt, wordt in de praktijk een kluwen van voorwaarden, uitzonderingen en bewijsstukken die telkens opnieuw moeten worden aangeleverd.

De eerste verantwoordelijkheid ligt dan ook bij beleid: vereenvoudigen waar mogelijk om rechten toegankelijk te maken.De twee onderzoeksprojecten waarbij ik betrokken ben, kaderen binnen deze vraag. Aan Odisee werk ik, in opdracht van de POD MI en samen met Erik Claes, Kaat Van Acker en Katrien Van den Bosch, aan een onderzoeksproject over vereenvoudiging in OCMW-beleid en -praktijk. Aan de KU Leuven werk ik met Wim Van Lancker en Koen Hermans aan een project rond een vereenvoudigd sociaal onderzoek voor het leefloon.Tegelijk weten we dat vereenvoudiging haar grenzen kent. Niet alles kan eenvoudiger zonder rechtszekerheid of gelijkheid aan te tasten. Bovendien vraagt structurele hervorming tijd — tijd die mensen die vandaag vastlopen niet hebben. De complexiteit is er al. En iemand moet haar dragen.

We overschatten wat van burgers gevraagd kan worden wanneer regelgeving zich opstapelt, aldus ’S Jongers en Kruiter.Ze schreven hier voor het eerst over in 2023 in een essay op de Correspondent: ‘Wat de allerkwetsbaarsten nodig hebben: bijzondere behandeling van een Bijzondere Overheid’. Het komt ook aan bod in ‘S Jongers boek ‘Armoede uitgelegd aan mensen met geld’ en artikel ‘Goed plan: een bijzondere overheid’.Ze vertrekken niet vanuit het analyseren van zelfredzaamheid van mensen, maar vanuit het analyseren van complexiteit. De kernvraag is niet of mensen voldoende competent zijn, maar of het redelijk is om deze complexiteit bij hen te leggen.

Hun voorstel is eenvoudig én radicaal: wanneer complexiteit mensen doet struikelen, moet de overheid die complexiteit zelf dragen in plaats van ze door te schuiven. De Bijzondere Overheid is daarbij geen nieuwe bestuurslaag, maar een manier van werken. Een referentiekader waarin samenhang, toegankelijkheid en professionele verantwoordelijkheid centraal staan.

Het idee is opgebouwd rond drie principes: verantwoordelijkheid nemen voor complexiteit, denken in maatschappelijke rendabiliteit en één toegangspoort.

Verantwoordelijkheid nemen voor complexiteit

De Bijzondere Overheid is de baas over systemen, niet over mensen. Niet burgers, maar professionals nemen verantwoordelijkheid voor de complexiteit die door beleid en procedures wordt geproduceerd. Dat betekent niet dat mensen niets meer zelf doen, wel dat hen geen administratieve lasten worden opgelegd die geen zinvol maatschappelijk doel dienen.

Dit verschilt subtiel van bestaande vormen van integrale begeleiding. Daar wordt complexiteit tijdelijk mee gedragen, met altijd als doel gezinnen sterker te maken zodat zij die complexiteit opnieuw zelf aankunnen. Het vertrekpunt van de Bijzondere Overheid is anders: het is principieel niet de taak van gezinnen om te compenseren voor complexiteit die door de overheid wordt gecreëerd.

Deze benadering sluit nauw aan bij het evenredigheidsbeginsel: de lasten die een overheid oplegt, mogen niet zwaarder zijn dan het maatschappelijk doel dat ermee wordt nagestreefd. De Bijzondere Overheid vertaalt dat juridisch beginsel ook naar de praktijk. Professionals krijgen expliciet de ruimte om af te wegen of wat van mensen wordt gevraagd nog proportioneel is en de last zo nodig zelf op te nemen.

De eerste vraag in dienstverlening verschuift dan fundamenteel: niet “hoe maken we gezinnen sterker?” maar “waar hoort deze complexiteit thuis?”

Denken in maatschappelijke rendabiliteit

Een tweede leidend principe is maatschappelijke rendabiliteit: wat wint of verliest de samenleving door bepaalde keuzes? Niet in de betekenis van winst op korte termijn, maar op langere termijn. Het gaat over het bewust afwegen of het zinvol is om van burgers nog bijkomende stappen, bewijzen of handelingen te vragen, wanneer die op langere termijn meer schade dan opbrengst betekenen voor de persoon zelf én voor de samenleving.

In de praktijk worden vandaag al uitzonderingen gemaakt op regels. Denk bijvoorbeeld aan een OCMW dat een gezin maandelijks energiesteun geeft, terwijl dit OCMW dat eigenlijk normaal niet doet. Zonder expliciete afweging leidt dat soms tot willekeur, soms tot nieuwe informele regels. Wanneer het denken in rendabiliteit ontbreekt, verschuift de beoordeling naar morele categorieën: wie ‘verdient’ een uitzondering op de regel, wie is ‘zielig genoeg’?

Een rendabiliteitslogica vertrekt vanuit een ander uitgangspunt. Ze beschouwt het vermijden van bepaalde stappen niet als afwijking, maar als een bewuste keuze binnen een groter geheel. Zo kan een sociaal werker beslissen geen huisbezoek te plannen bij een vrouw met een angststoornis, die mogelijk de deur niet zal openen. Want staat de sociaal werker voor een gesloten deur, zou dat in de praktijk de toegang tot rechten blokkeren. Door het recht toe te kennen zonder huisbezoek, vergroot de kans op stabiliteit en verdere begeleiding. Dit is geen toegift aan ‘de zieligheid’ van de vrouw, maar kan net de enige reële kans zijn op een eerste stabiliserend anker: een noodzakelijke voorwaarde om verdere positieve evolutie mogelijk te maken.

Telkens opnieuw afwegen

Ook op organisatieniveau spelen dit soort afwegingen. Sommige OCMW’s hanteren bijvoorbeeld de regel dat schulden niet worden meegenomen in de berekening van de uitgaven van een cliënt. Daardoor worden de reële uitgaven lager ingeschat dan ze in werkelijkheid zijn, wat leidt tot lagere bijkomende financiële ondersteuning.

Die regel is op zich verdedigbaar. Ze vertrekt vanuit de wens om als samenleving niet op te draaien voor schulden die mensen maken. Tegelijk toont dit voorbeeld de noodzaak van een rendabiliteitsafweging. Want soms kan het systematisch niet meetellen van schulden ertoe leiden dat cliënten met een blijvend tekort worden geconfronteerd, waardoor schulden verder oplopen en de problematiek verergert.

De vraag is dan niet of de regel juist of fout is, maar of de toepassing ervan in deze concrete situatie bijdraagt aan stabiliteit op langere termijn. Een rendabiliteitslogica vraagt dat zulke regels niet automatisch worden toegepast, maar telkens opnieuw worden afgewogen in functie van hun effect. ’S Jongers en Kruiter stellen hier een fundamentele vraag: wat kost het ons als we blijven vertrekken van  kortetermijnlogica?

Eén toegangspoort: een integrale poortwachter

Wanneer het systeem de complexiteit draagt en rendabiliteit beslissingen stuurt, verandert ook de organisatie van hulpverlening. De vaak genoemde ‘één toegangspoort’ is daar een logisch gevolg van.

Vandaag worden mensen met complexe problemen doorverwezen tussen OCMW, CAW, VDAB, mutualiteit, advocaat en tal van andere instanties. In plaats van burgers te laten schakelen tussen procedures, bewaakt één professional de samenhang. Niet om alles over te nemen, maar om regie te voeren over complexiteit.

Daarbij hoort expliciet ruimte voor professionele oordeelsvorming. Regels kunnen – wanneer dat maatschappelijk verantwoord is – niet of niet volledig worden toegepast. Niet uit willekeur, maar uit verantwoordelijkheid. Regels zijn middelen, geen doelen op zich.

Nieuw referentiekader voor het sociaal werk

Toen ik het begrip Bijzondere Overheid voor het eerst hoorde, tijdens een optreden van Tim ’S Jongers in de Arenbergschouwburg in Antwerpen, vond ik het een interessant idee. Prikkelend en scherp, maar ook veraf. Het leek te gaan over het anders omgaan met regelgeving en het interpreteren van regels in functie van concrete levenssituaties. Dat leek mij iets wat enkel op federaal of regionaal niveau vorm kon krijgen, als onderdeel van grootschalige hervormingen. Een sterk concept, maar voorlopig moeilijk voorstelbaar in de dagelijkse praktijk van het sociaal werk.

Toen ik iets later in een andere tekst van ‘S Jongers las over de aanpak van het Sociaal Huis van Mechelen kantelde dat beeld. Daar worden de principes van de Bijzondere Overheid al enkele jaren concreet toegepast binnen de lokale sociale diensten: cliënten krijgen er persoonlijke begeleiding en integrale hulp op maat door één vaste sociaal werker. Mechelen toont dat de Bijzondere Overheid geen abstract beleidsidee hoeft te blijven, en geen exclusief federale oefening is.

Zo kan de Bijzondere Overheid een nieuw referentiekader worden voor het sociaal werk. Een manier van werken waarin niet de vraag centraal staat wat individuen aankunnen, maar wat redelijk is om van hen te vragen. Welke administratieve lasten horen bij het leven, en welke zijn door beleid en systemen zelf geproduceerd? En vooral: wie is het meest aangewezen om die laatste te dragen?

Ontlasting is geen paternalisme

Als ik met mensen praat over de Bijzondere Overheid, vinden sommigen het een paternalistisch idee. Overnemen zou mensen afhankelijk maken. Autonomie ondergraven. Groei belemmeren. Hier sluipt echter een denkfout binnen. De Bijzondere Overheid wil niet overnemen wat mensen zelf willen of kunnen doen. Ze wil overnemen wat mensen nooit hadden moeten doen.

In de private sector noemen we dat service. Niemand vindt het problematisch dat een aannemer een volledige verbouwing coördineert of dat een boekhouder belastingen regelt. We begrijpen intuïtief dat sommige taken zo complex zijn dat ze geen maat zijn voor autonomie. Bovendien nemen die taken, moesten we ze zelf uitvoeren, kostbare tijd in die we beter anders kunnen besteden. Waarom hanteren we dan een andere norm voor mensen in kwetsbare situaties?

Een aannemer neemt een verbouwing over zodat jij kan wonen. Een boekhouder bereidt jouw belastingaangifte voor zodat jij geen tijd verliest aan het interpreteren van fiscale regelgeving en je tijd kan richten op wat in jouw leven maatschappelijk belangrijk is. Op dezelfde manier neemt een sociale professional administratieve complexiteit over zodat iemand opnieuw ruimte krijgt om eigenaar te zijn van zijn leven.

Het is waarschijnlijk dat deze ingesteldheid net méér bijdraagt aan zelfredzaamheid. Ze geeft mensen opnieuw tijd en energie voor wat in een leven wezenlijk is, in plaats van hen te belasten met het bemeesteren van systemen die onnodig complex zijn gemaakt.

Het dominante denken in termen van zelfredzaamheid draagt zelf een paternalistische logica in zich. Het onderwerpt mensen voortdurend aan beoordeling: loopt iets administratief vast, is het dan omdat mensen het ‘niet willen’ of ‘niet kunnen’? Ook deze toetsing is paternalisme, maar dan subtieler.

De Bijzondere Overheid vertrekt niet van de vraag of iemand iets aankan of wil doen, maar vraagt eerst of het maatschappelijk redelijk en rendabel is om dit van deze persoon te verwachten. De vragen naar kunnen en willen verdwijnen niet, maar zijn secundair.

Toepassing in de praktijk

De Bijzondere Overheid kan vorm krijgen binnen uiteenlopende sociaalwerkpraktijken, zoals een OCMW, een CAW, gezinszorg of schuldhulpverlening. Er is daarbij geen vast stappenplan of een blauwdruk. Het gaat om een professionele houding: complexiteit actief verminderen, bewuste keuzes maken in het licht van langetermijnrendement, en expliciet afwegen wat iemand wel en niet zelf moet doen.

In Mechelen wordt zichtbaar hoe die houding kan leiden tot een andere organisatie van hulpverlening. Niet door regels af te schaffen, maar door samenloop te bewaken, één aanspreekpunt te creëren en sociale professionals ruimte te geven om dossiers integraal te bekijken.

De professional wordt er niet louter uitvoerder van procedures, maar regisseur van eenvoud. Autonomie wordt er niet afgemeten aan hoeveel een burger zelf doet, maar aan hoeveel ruimte iemand krijgt om opnieuw eigenaar te worden van zijn leven, zonder te verdrinken in een administratief moeras. In die zin biedt de Bijzondere Overheid geen alternatief voor traditionele referentiekaders binnen het sociaal werk zoals empowerment of presentie, maar een noodzakelijke aanvulling erop.

Verschuiving in denken

Wat in dit betoog centraal staat, is niet de vraag of specifieke regels verdedigbaar zijn, maar wat er gebeurt wanneer die regels zich opstapelen en samen een werkelijkheid creëren die voor mensen nauwelijks nog leefbaar is. Zolang vereenvoudiging uitblijft of tijd vergt, kan die complexiteit niet vrijblijvend bij burgers worden gelegd.

Voor het sociaal werk betekent dat een verschuiving in denken: niet alleen kijken naar wat individuen aankunnen en niet alleen benoemen wat op bestuursniveau moet veranderen, maar ook expliciet de vraag stellen wie verantwoordelijkheid draagt voor de ingewikkeldheid zoals ze nu is.

De Bijzondere Overheid benoemt en structureert precies die verschuiving. Het is een manier van werken waarbij professionals complexiteit actief beheren, samenhang creëren en mensen ontlasten van lasten die geen maatschappelijk doel dienen. Precies hier ligt vandaag een kernopdracht voor het sociaal werk: service verlenen in het verminderen en opvangen van complexiteit.

Bron: Sociaal.net

Vrouwenorganisaties eisen aanpassing discriminerende pensioenhervorming

“De pensioenhervorming discrimineert vrouwen”, zeggen tien vrouwenorganisaties samen met de vakbonden ABVV en ACV. Zij eisen daarom met de campagne ‘Zorgen genoeg, genoeg gezorgd’ dat de federale regering de pensioenhervorming aanpast.

“My Pension is een hele grote angst voor veel vrouwen”, vertelt Heleen Struyven, woordvoerder van vrouwenorganisatie Femma, woensdagochtend 4 maart in De Ochtend op Radio 1. “Veel vrouwen getuigen dat ze zelfs niet durven te kijken naar hun pensioen, omdat het toch niks gaat voorstellen.” 

Tien vrouwenorganisaties en de vakbonden ABVV en ACV bundelen daarom de krachten en roepen gezamenlijk op voor een rechtvaardige pensioenhervorming die ongelijkheid verkleint in plaats van vergroot. Zelfs de Raad van State waarschuwt voor discriminatie van vrouwen en de vergroting van de pensioenkloof tussen mannen en vrouwen, die nu al 28 procent bedraagt.

“Er is een rechtvaardige pensioenhervorming nodig en niet één die vrouwen discrimineert, financieel kwetsbaar maakt en bestaande ongelijkheid verder vergroot”, legt Struyven uit, in naam van alle vrouwenorganisaties, op Radio 1. Met de campagne Zorgen genoeg, genoeg gezorgd kaarten ze de discriminerende pensioenhervorming aan en stellen ze concrete aanpassingen voor. “Wij vragen een rechtvaardige bijsturing die rekening houdt met de realiteit van vrouwenlevens.” 

Niet realistisch

De huidige pensioenhervorming vertrekt vanuit één norm: de lange, ononderbroken voltijdse loopbaan. Maar zo ziet de realiteit van vrouwenlevens er niet uit. “Dit is een ideaalbeeld dat voor veel vrouwen simpelweg niet haalbaar is”, aldus Struyven. “Als we kijken naar hoe loopbanen in werkelijkheid verlopen, dan is er lang niet zoveel vrije keuze als de regering met dit beleid laat uitschijnen.”

Zo werkt 40 procent van de vrouwen vandaag deeltijds. Bij de mannen is dit slechts 12 procent. Dat komt omdat veel vrouwen naast hun betaalde werk ook nog 68 procent van het onbetaalde werk doen. Ze besteden zelfs gemiddeld 9,5 uur per week meer dan mannen aan zorgtaken. “Met de pensioenhervorming wordt dat extra afgestraft in plaats van gewaardeerd”, aldus Struyven. 

Concreet discrimineert onder andere de retroactieve pensioenknip vrouwen om met vervroegd pensioen te kunnen gaan. “Vroeger telde een werkjaar mee voor een vervroegd pensioen vanaf 104 gewerkte en gelijkgestelde dagen. Nu is die lat verhoogd naar 156 dagen”, legt Struyven uit. 

De vrouwenorganisaties vragen daarom het herstel van de 104-dagenregel voor vervroegd pensioen, zodat de toegang hiertoe haalbaar blijft. De realiteit van vele vrouwen is namelijk geen rechte, voltijdse carrièrelijn, maar een combinatie van arbeid en zorg. Het systeem moet die realiteit erkennen in plaats van bestraffen. Struyven: “Een vrouw die deeltijds of met korte interimcontracten werkt, of die door de thuissituatie niet aan het nieuwe minimum van zes gewerkte maanden komt, ziet anders meteen een volledig werkjaar wegvallen in de telling voor een vervroegd pensioen.” 

“We moeten echt terug naar een minimum van 104 gewerkte en gelijkgestelde dagen per jaar gaan. En als de regering toch de geplande verstrenging naar 156 dagen voor vervroegd pensioen wil doorzetten, dan mag die enkel gelden voor toekomstige loopbaanjaren vanaf 2027”, stelt Struyven.

De nieuwe maatregel geldt namelijk ook met terugwerkende kracht voor de mensen die nu aan het einde van hun loopbaan zijn. “Sowieso moeten nieuwe regels alleen voor de toekomst gelden”, benadrukt Struyven. De spelregels tijdens de loopbaan verstrengen en die vervolgens toepassen op het verleden is fundamenteel onrechtvaardig, stellen de vrouwenorganisaties. 

Werknemers hebben hun loopbaan opgebouwd in goede trouw, binnen het geldende kader. Dat kader achteraf wijzigen, ondermijnt rechtszekerheid en treft vrouwen disproportioneel. De regering zet vrouwen zo voor voldongen feiten met grote financiële gevolgen waaraan ze niets meer kunnen veranderen. Ook de Raad van State oordeelt in haar advies dat deze maatregel vrouwen disproportioneel hard straft.

Financiële sancties werken niet wanneer mensen structureel minder kansen hebben op een voltijdse, ononderbroken loopbaan, aldus de organisaties. “Naast thuissituaties waar zorg nodig is, zijn er ook diverse sectoren waar deeltijdse contracten sowieso de norm zijn”, vertelt Struyven verder. “Neem de dienstenchequesector waar 90 procent van de vrouwen deeltijds werkt. Deze jobs kan je onmogelijk 38 uur per week jaar na jaar volhouden. Toch zitten we nu met een systeem dat hier geen rekening mee houdt en deeltijds werken juist heel hard afstraft.”

Bovenop de verstrenging naar 156-dagen, voorziet de regering ook vanaf 2027 een systeem van beloning en bestraffing. Wie langer werkt dan de wettelijke pensioenleeftijd, krijgt een bonus. Maar wie vroeger wil stoppen, krijgt een malus, een vermindering van het pensioenbedrag. Voor elk jaar dat je voor de wettelijke pensioenleeftijd stopt, verlies je 2 tot wel 5 procent pensioen. Alleen wie aan de strenge werkvoorwaarden voldoet, ontsnapt eraan: namelijk 35 jaar lang minstens 156 dagen per jaar te hebben gewerkt, én in totaal dus 7.020 gewerkte (en gelijkgestelde) dagen te hebben. Dit komt neer op gemiddeld 45 jaar halftijds werken.

In de praktijk treft de pensioenhervorming hiermee vooral wie zorgtaken opneemt of periodes van onderbreking kent om maatschappelijke redenen. Dit vergroot de bestaande ongelijkheid, en in het bijzonder dus voor vrouwen, waarschuwen de vrouwenorganisaties. Daarom pleiten ze voor een afschaffing van de pensioenmalus. Minstens vragen ze een vrijstelling voor wie 7.020 effectief gewerkte dagen kan aantonen over de volledige loopbaan.

“Besparing op de rug van vrouwen”

“Er is begrip dat er bepaalde besparingskeuzes gemaakt moeten worden, maar wat je met dat budget doet is ook een politieke keuze”, stelt Struyven. “Ook al is er nood aan hervorming, moet je ervoor zorgen dat je niet bespaart op oneerlijke normen die specifiek vrouwen treffen.”

“De regering noemt de pensioenhervorming een activeringsbeleid, maar ze besparen hiermee op de rug van vrouwen. Ze presenteren de hervorming als een stimulans om langer te werken, maar zelfs de Raad van State wijst erop dat dit effect enkel hypothetisch is. Dit kan niet genegeerd worden. Bovendien had de Vergrijzingscommissie dit vorig jaar al berekend. De regering weet dit dus al, dit is geen nieuwe informatie voor hen.”

Daarom is deze campagne zo hard nodig, benadrukt Struyven. “Het gaat hier over mensen die zorg opnemen. Het is zo belangrijk dat nu extra duidelijk wordt gemaakt dat je niet onder het mom van een activeringsbeleid, vrouwen extra de put in kan duwen.”

Tot slot blijven de vrouwenorganisaties ervoor ijveren dat zorg, ouderschap en mantelzorg volwaardig worden erkend als onderdeel van de loopbaan. Zorgarbeid is geen individuele luxe of vrijblijvende keuze, maar een essentiële maatschappelijke bijdrage. Zorg is onmisbaar voor de samenleving en het is volgens de organisaties onaanvaardbaar dat vrouwen hiervoor financieel worden afgestraft.  

“Er is nu meer dan ooit het gevoel dat die onbetaalde zorgarbeid totaal niet gezien wordt”, aldus Struyven. “Daarom komen vrouwen op Internationale Vrouwendag deze zondag 8 maart onder andere hiervoor massaal op straat.”

Op Internationale Vrouwendag 8 maart worden er in verschillende steden acties georganiseerd. Bekijk de website van Femma voor meer informatie. 

Bron: Dewereldmorgen.be

Factcheck: Gaat het begrotingstekort tegen 2030 onder de 3 procent liggen?

Nieuwe vooruitzichten van het Federaal Planbureau tonen dat de regering-De Wever het begrotingstekort alleen maar meer doet oplopen. De deur wordt zo opengezet naar nog meer besparingen op de kap van gewone mensen.

‘De regering stelt zich tot doel tegen 2030 het begrotings­tekort te beperken tot onder de Europese drempel van drie procent’, lees je in het regeerakkoord van de regering-De Wever. Eind vorig jaar maakte De Wever (N-VA) zich sterk: ‘Ik ben verkozen om dit land te saneren en dat ga ik ook doen.’

Inmiddels heeft de federale regering hervormingen doorgevoerd, of in de steigers gezet, die samengeteld meer dan 30 miljard euro moeten opleveren, vooral door besparingen in de sociale zekerheid.

Nieuwe vooruitzichten van het Federaal Planbureau tonen dat de Belgische overheidsfinanciën onder de regering-De Wever helemaal niet op de goede weg zijn. Tegen het einde van de huidige regeerperiode in 2029 loopt het begrotingstekort op tot 5,7 procent van het bbp, tegenover 4,9 procent dit jaar. Daarna blijft het tekort stijgen, zelfs met de verwachte stabiele economische groei en een toenemende werkzaamheidsgraad.

Taxshift

Deels dankt De Wever dat aan zichzelf. De taxshift van de regering-Michel (2014-2018), met N-VA als grootste partij, bleek een ongedekte lastenverlaging voor werkgevers en deed de overheidsinkomsten structureel afnemen. Maar de huidige regering deelt net zo goed fiscale geschenken uit. Zo breidde ze de RSZ-korting voor werkgevers op de laagste lonen uit, en plafonneerde ze de sociale bijdragen op de allerhoogste lonen. De beloofde algemene belastingverlaging vanaf 2029 geeft de begroting een volgende dreun. Daarbovenop komen nog de extra uitgaven voor defensie.

‘Ik schat dat we tussen de drie en de vier miljard per jaar moeten wegsnijden’, zegt de premier. Veeleer dan naar een eerlijke bijdrage van grootste vermogens kijkt hij daarvoor opnieuw naar de sociale uitgaven. Bewust legt de premier hier al het fundament op een volgende ronde besparingen en inleveringen door gewone mensen. 

Bron: visie.net