Blauwe partij blijft zakken in de peilingen

Blauwe partij blijft zakken in de peilingen

Anders (vroeger Open-VLD) blijft zakken in de peilingen
Hoe Open-VLD de energiesector verkocht.
De regering van Guy Verhofstadt was politiek betrokken in de periode waarin Electrabel volledig in Franse handen kwam.
Hoe kwam Electrabel in Franse handen?
Electrabel was oorspronkelijk een Belgisch energiebedrijf, maar zat al decennialang in een ingewikkelde aandeelhoudersstructuur rond de Société Générale de Belgique (Generale Maatschappij). In de jaren 80 en 90 kreeg de Franse groep Suez steeds meer controle over die Belgische holdings.
Belangrijke stappen:
• 1998: Suez neemt de Generale Maatschappij volledig over. Daardoor krijgt Suez indirect controle over Electrabel.
• 2005-2007: Suez koopt ook de resterende aandelen van Electrabel op en wordt volledig eigenaar. Electrabel verdwijnt van de beurs.
• 2008: Suez fuseert met Gaz de France tot GDF Suez, het latere Engie. Daardoor wordt Electrabel uiteindelijk onderdeel van Engie.
Welke rol speelde Verhofstadt?
Guy Verhofstadt was premier van 1999 tot 2008. Dat betekent dat hij aan het roer stond tijdens de cruciale periode waarin Suez de laatste aandelen van Electrabel verwierf.
Maar:
• Electrabel was toen geen staatsbedrijf dat de regering rechtstreeks kon verkopen.
• Het bedrijf was al grotendeels gecontroleerd door Suez vóór Verhofstadt premier werd.
• De echte machtsverschuiving naar Franse controle begon al onder eerdere regeringen, vooral in de jaren 80 en 90.
• de Belgische overheid juridisch beperkte mogelijkheden had om een private overname tegen te houden.
Samengevat
Een vaak gehoorde uitspraak is:
“Verhofstadt heeft Electrabel aan de Fransen verkocht.
Electrabel kwam geleidelijk in Franse handen via de overname van de Generale Maatschappij en de opbouw van Suez als meerderheidsaandeelhouder. Onder de regering-Verhofstadt werd dat proces voltooid doordat Suez de resterende aandelen van Electrabel verwierf en het bedrijf van de beurs haalde.

Een andere frats van Verhofstadt is de verkoop van het Belgisch goud.
De Belgische goudverkopen gebeurden vooral in de jaren 90 en begin jaren 2000. Een groot deel van de verkopen gebeurde tijdens de regering Guy Verhofstadt.
Historische gegevens:
• toen had België ongeveer 1.000 ton goud;
• werden in 1989, 1992, 1995 en 1996 grote hoeveelheden verkocht;
• daalde de voorraad uiteindelijk tot ongeveer 300 ton en later tot ongeveer 227 ton
In de jaren 90 noteerde goud vaak rond 250 à 400 dollar per ounce. Ondertussen bereikte goud de prijs van 5500 dollars per ounce. Goud is vooral belangrijk in tijden van geopolitieke spanningen, oorlog, en oplopende inflatie.
Hoeveel zou dat goud vandaag waard zijn?
Een ruwe schatting:
• België verkocht sinds eind jaren 80 ongeveer 700 à 800 ton goud.
• Tegen de huidige goudprijs vertegenwoordigt 1 ton goud ruwweg 90 à 120 miljoen euro.
• Dat betekent dat die verkochte hoeveelheid vandaag ongeveer 120 miljard euro waard zou geweest zijn.
Waarom blijft dit politiek gevoelig?
Omdat veel mensen kijken naar het verschil tussen:
• de relatief lage verkoopprijzen toen;
• en de enorme goudwaarde vandaag.
Daardoor ontstaat de indruk dat België een strategische reserve heeft weggegeven net vóór goud opnieuw een belangrijk financieel en geopolitiek actief werd.

Ondertussen hebben de Open-VLD-kiezers wel begrepen dat het “Anders” moet en ze keren massaal de rug naar die blauwe partij die alleen maar aan eigenbelang en winst denkt. Anders blijft dalen in de peilingen.

Engie maakt 10 miljard winst

Engie maakt 10 miljard winst

Hoge energiewinsten en dure facturen: de energiesector pluimt de consument.
De voorbije jaren werden veel gezinnen geconfronteerd met sterk stijgende energiefacturen. Door de geopolitieke spanningen en de energiecrisis bereikten de prijzen voor elektriciteit en gas niveaus die voor veel huishoudens moeilijk betaalbaar waren. Tegelijk rapporteerden verschillende energiebedrijven aanzienlijke winsten, wat leidde tot maatschappelijke en politieke discussie.
Critici wijzen erop dat consumenten vaak weinig zicht hebben op de manier waarop energieprijzen tot stand komen. De uiteindelijke factuur bestaat uit een combinatie van energieprijzen, netkosten, heffingen en belastingen. Daardoor is het voor veel klanten moeilijk te beoordelen welk deel van de factuur rechtstreeks naar het energiebedrijf gaat.
Daarnaast klinkt er geregeld kritiek op de commerciële praktijken binnen de sector. Consumentenorganisaties ontvangen regelmatig klachten over ingewikkelde contractvoorwaarden, telefonische verkoopcampagnes, tijdelijke promoties die later aflopen en prijsvergelijkingen die voor klanten niet altijd eenvoudig te begrijpen zijn. Hoewel dergelijke praktijken niet noodzakelijk onwettig zijn, ervaren sommige consumenten ze als misleidend of onvoldoende transparant.
De energiesector verdedigt zich door te wijzen op de grote investeringen die nodig zijn voor productie-installaties, netwerken, hernieuwbare energie en bevoorradingszekerheid. Bedrijven benadrukken ook dat de energieprijzen sterk beïnvloed worden door internationale markten en geopolitieke gebeurtenissen, waarop zij slechts gedeeltelijk controle hebben.
Toch blijft de fundamentele vraag bestaan: hoe kan men ervoor zorgen dat energiebedrijven voldoende investeren en rendabel blijven, zonder dat gezinnen en kleine ondernemingen het gevoel krijgen dat zij de rekening betalen? Die vraag staat centraal in het debat over de toekomst van de energiemarkt.
Voor veel burgers gaat het uiteindelijk niet alleen over winsten, maar ook over vertrouwen. Transparante contracten, duidelijke communicatie en eerlijke concurrentie zijn essentieel om dat vertrouwen te behouden in een sector die voor iedereen onmisbaar is.

De Morgen bericht dat het Belgische energiebedrijf Electrabel in 2025 een uitzonderlijke winstuitkering van ongeveer 10,4 miljard euro heeft doorgestort naar zijn Franse moederbedrijf Engie. Dat komt boven op eerdere miljardenuitkeringen van de voorbije jaren.
De geldstroom hangt samen met een grote herstructurering binnen de Engie-groep. Electrabel verkocht en verschoof voor tientallen miljarden euro’s aan internationale participaties en activa naar het moederbedrijf. Daardoor werd de balans van Electrabel aanzienlijk kleiner.
De operatie houdt verband met de zogenaamde Phoenix-deal tussen de Belgische overheid en Engie rond de verlenging van de kernreactoren Doel 4 en Tihange 3. In dat akkoord kreeg Engie onder meer de mogelijkheid om bepaalde internationale activiteiten uit Electrabel weg te halen, terwijl de Belgische staat een deel van de nucleaire risico’s overnam.
Het nieuws zorgt voor politieke kritiek omdat veel mensen het moeilijk vinden dat enorme winsten die mee voortkomen uit activiteiten op de Belgische energiemarkt uiteindelijk naar Frankrijk vloeien, terwijl Belgische gezinnen de voorbije jaren geconfronteerd werden met hoge energiefacturen. Voorstanders wijzen er dan weer op dat Engie als eigenaar juridisch het recht heeft om dividenden uit te keren en interne herstructureringen door te voeren.

Electrabel heeft meer dan 10 miljard euro doorgestort naar moederbedrijf Engie als onderdeel van een grootschalige financiële herstructurering, wat opnieuw het debat aanwakkert over energieprijzen, buitenlandse controle over strategische infrastructuur en de vraag hoeveel van de in België gecreëerde waarde uiteindelijk in België blijft.

De bezuinigingen gaan verder

De bezuinigingen gaan verder

De federale regering onder leiding van Bart De Wever moet mogelijk nog 7 miljard euro extra vinden om aan de Europese begrotingsregels te voldoen. Daarom zijn nieuwe onderhandelingen gestart over bijkomende besparingen en eventuele belastingverhogingen.
De belangrijkste pistes die op tafel liggen zijn:
• Btw-hervorming: een verhoging van bepaalde btw-tarieven of een bredere hervorming van het btw-stelsel.
• Managementvennootschappen: hogere belastingen voor bedrijfsleiders die via een vennootschap werken om fiscaal voordeliger inkomsten uit te keren.
• Gezondheidszorg: een verhoging van het remgeld voor huisarts- of specialistbezoeken en een beperking van sommige tegemoetkomingen.
• Ziekenfondsen: besparingen op hun werkingsmiddelen en een hervorming van hun rol bij de begeleiding van langdurig zieken.
• Defensie: mogelijk een vertraging van geplande militaire investeringen, hoewel daar binnen de regering verdeeldheid over bestaat.
• Bedrijfssubsidies: afbouw van bepaalde steunmaatregelen en lastenverlagingen voor ondernemingen.
• Personenbelasting: de geplande belastingverlaging tegen 2030 zou eventueel kunnen worden uitgesteld of geschrapt.
Wat betekent dit concreet?
Voor de gemiddelde werknemer zijn drie zaken relevant:

  1. Hogere btw zou iedereen voelen via duurdere aankopen.
  2. Hoger remgeld zou medische bezoeken duurder kunnen maken.
  3. Het niet doorgaan van een toekomstige belastingverlaging betekent dat werknemers minder netto zouden winnen dan eerder beloofd.
De kernvisie  is eigenlijk: de regering heeft al een reeks hervormingen doorgevoerd, maar moet mogelijk nog eens miljarden vinden. De discussie gaat nu vooral over wie de extra inspanning zal leveren: consumenten, bedrijven, gebruikers van de gezondheidszorg, of een combinatie van die groepen.

Opvallend is dat er weinig plannen zijn om de bedrijven extra te belasten op hun winsten en dat er niet gesproken wordt over een eerlijke vermogensbelasting.

Superrijken betalen minder belastingen op overdracht vermogen naar volgende generatie

Superrijken betalen minder belastingen op overdracht vermogen naar volgende generatie

De allerrijksten geven hun geld via schenkingen fiscaal veel voordeliger door aan hun kinderen en kleinkinderen, in vergelijking met de minder vermogenden. De rijkste 1 procent staat daarbij in voor 58 procent van die schenkingen. Dat blijkt uit nieuw onderzoek van econoom Arthur Apostel (Universiteit Gent).
Fortuin te geef
Zelden heeft een generatie zoveel welvaart opgebouwd als de babyboomers, en dus viel er nooit eerder zo’n groot vermogen aan de volgende generatie over te dragen. Wie zijn de winnaars en de verliezers van die grote wissel van fortuin? Zal de erfenisexplosie de ongelijkheid vergroten? En wordt de plaats van je wieg weer belangrijker dan wat je presteert? In de reeks ‘Fortuin te geef’ onderzoekt De Standaard bij wie de erfenis van de boomers terechtkomt.
Het zou een scène uit een film kunnen zijn. De kinderen verzamelen zich met een notaris rond het bed van hun doodzieke vader, en vragen hem om met zijn laatste krachten nog een schenkingsverklaring te tekenen. Er komt dus geen erfenis na het overlijden, wel een schenking bij leven. De volgende dag blaast de vader zijn laatste adem uit, en hebben de kinderen de belastingen op de overdracht flink kunnen reduceren.
In België is dat geen fictie, maar dagelijkse realiteit, zo blijkt uit onderzoek van de econoom Arthur Apostel (Universiteit Gent). Van alle schenkingen gedaan tot drie jaar voor overlijden wordt een onevenredig groot deel een of enkele dagen voor het overlijden geregistreerd. Dat scheelt een slok op een borrel, want de schenkbelasting is met drie procent doorgaans veel lager dan de erfbelasting, die oploopt tot 27 procent. Een belronde van De Standaard bij enkele notarissen leert dat zij zulke lastminute-schenkingsaktes voor op sterven liggende erflaters adviseren “voor een liquide vermogen van minstens 100.000 euro”. Vastgoed zo laat wegschenken is moeilijker “omdat wij allerlei akten moeten opvragen”, klinkt het.
Dat zeer vermogenden de erfbelastingen minimaliseren, gaat in tegen de intentie van de wetgever. Het Belgische systeem voor successierechten is al sinds 1921 geschoeid op een progressieve belastinglogica: hoe meer je erft, hoe meer je moet betalen. “Maar in feite is het Belgische systeem regressief aan de absolute top, ondanks de sterk progressieve tarieven op nalatenschappen”, schrijft Apostel.


Typisch Belgisch

In elk van de drie gewesten worden schenkingen veel minder zwaar belast dan erfenissen, en vermogende huishoudens doen daar vaker hun voordeel mee dan minder welgestelde gezinnen. De rijkste 1 procent staat in voor 58 procent van alle schenkingen voor overlijden, en de rijkste 0,1 procent voor 28 procent. Mannen, hogeropgeleiden en Vlamingen maken vaker gebruik van schenkingen dan vrouwen, lager opgeleiden en Walen. Daar staat tegenover dat in 90 procent van de gevallen – vooral de middenklasse en de minder welgestelden – helemaal geen vermogensoverdracht plaatsvindt in de vorm van schenkingen. Dat slechts 10 procent de overdracht via die weg optimaliseert, noemt Apostel “opmerkelijk”.
Apostel kon als een van de eersten erfenissen in België onderzoeken op basis van geanonimiseerde overheidsdata, en niet via minder nauwkeurige peilingen. Zijn onderzoek komt op een belangrijk moment. We staan aan de vooravond van de grootste intergenerationele vermogensoverdracht ooit. De particuliere vermogens zijn in België in vier decennia met 80 procent gestegen. Ze zijn nu ongeveer 6,5 maal zo groot als de totale economische output in ons land. Er zijn ook aanwijzingen dat het aandeel van het geërfde vermogen in het totale vermogen snel toeneemt. Dat zou betekenen dat erven belangrijker wordt in vergelijking met andere vormen van vermogensopbouw. In de loop van de 20ste eeuw steeg de effectieve belastingdruk op vermogenstransfers, terwijl die nu juist daalt.
“Het is belangrijk dat we goed begrijpen hoe die transfers van de ene generatie op de andere in elkaar zitten, en welke invloed ze hebben op de verdeling van rijkdom”, schrijft Apostel. “Dat geldt ook voor de belasting op die overdrachten, omdat die onder meer gezien wordt als een manier om de vermogensongelijkheid te verkleinen.”

Kijken we naar de 0,01 procent rijkste overledenen, dan is de vermeden belasting niet min. Door gebruik te maken van giften, betalen zij 50 procent minder dan wanneer ze die strategie niet zouden toepassen. Deze groep superrijken draagt 60 procent van het vermogen over via giften. Voor de rest van de rijkste 10 procent is dat 20 procent. Bovendien bestaan de vermogens van de zeer vermogende huishoudens voor een kleiner deel uit vastgoed, dat zwaarder belast wordt. Terwijl in deze groep de nalatenschap 160 maal zo groot is als gemiddeld, zijn de schenkingen 1.300 keer zo groot. De allerrijksten doen ook vaker een gift vlak voor de datum van overlijden dan de minder rijken. Niet zelden dus slechts een dag voordat het sterfgeval zich voordoet.
Het onderzoek houdt geen rekening met schenkingen die volledig onbelast blijven. Dat is het geval met ongeregistreerde hand- en bankgiften. Voor die giften geldt een wettelijk nultarief, tenzij de schenker binnen de vijf jaar overlijdt.
Dat giften lager worden belast dan erfenissen, is een typisch Belgisch fenomeen. “Frankrijk, Duitsland, Italië, Spanje en Nederland belasten schenkingen tegen hetzelfde tarief als erfenissen”, stelt Apostel vast. Ook het onderscheid dat in België gemaakt wordt tussen schenkingen van vastgoed of roerend vermogen, is uniek. Onbelast schenken via hand- of bankgiften is in andere landen ook niet of slechts beperkt mogelijk.

Vlaamse bevoegdheid De sterk uiteenlopende tarieven voor erfenissen en schenkingen bestaan nog niet zo lang. “Historisch gezien werden erfenissen en schenkingen tegen hetzelfde tarief belast”, schrijft Apostel. Maar nadat de deelstaten bevoegd waren geworden, verlaagde Vlaanderen als eerste het tarief op schenkingen, met het doel meer geld binnen te halen. Dat is gelukt: de inkomsten vervijfvoudigden tussen 2003 en 2005. Tegen een laag tarief bleken meer mensen bereid de schenking te registreren. Zo verlaagden ze het risico dat bij een onvoorzien overlijden alsnog erfenisbelasting moest worden betaald. Nadien volgden Brussel en Wallonië het Vlaamse voorbeeld.

De onderzoeker heeft via een simulatie uitgezocht wat het effect zou zijn van het gelijktrekken van de belastingen voor erfenissen en giften. Abstractie makend van gedragsveranderingen, zou de meeropbrengst tot 767 miljoen euro per jaar kunnen bedragen, als alle giften tot 7 jaar voor de dood even zwaar worden belast als de erfenis. Die opbrengst zou dan gebruikt kunnen worden om de fiscale last eerlijker te verdelen, stelt Apostel.  

Bron:  De Standaard

Vrouwen krijgen 21 procent minder  pensioen

Vrouwen krijgen 21 procent minder  pensioen

Het totaal pensioen (wettelijk en aanvullend pensioen samen) van vrouwen lag in 2024 gemiddeld 21 procent lager dan dat van mannen, blijkt uit recente cijfers van ­PensionStat.be. In 2019 was dat nog 24 procent. In 2024 hebben 114.862 mensen voor het eerst hun rustpensioen ontvangen.

Volgens PensionStat.be wordt het verschil tussen mannen en vrouwen vooral beïnvloed door het aantal gewerkte jaren. Bij een gelijke loopbaanduur verkleint de kloof, vooral wanneer het aantal gewerkte jaren hoger ligt. Zo bedraagt het verschil bij gepensioneerden met een loopbaan van 35 tot 39 jaar nog slechts 8 procent, terwijl het oploopt tot 13 procent voor mensen met een loopbaan van 10 tot 14 jaar. 

Bron: De Standaard