Het Internationaal Olympisch Comité voert vanaf de Olympische Spelen van Los Angeles 2028 een geslachtstest in. Atleten met een ‘mannelijke ontwikkeling’ worden geweerd uit vrouwencategorieën. Door de nieuwe regel mogen transgender vrouwen niet meer deelnemen aan vrouwensporten. Lector biotechnologie Suzy Eeckelaerts verwelkomt die beslissing.
Vanaf 2028 moeten vrouwen een genetische screening ondergaan voor ze mogen deelnemen aan de Olympische Spelen. Met die nieuwe regel heeft het Internationaal Olympisch Comité (IOC) opnieuw de touwtjes in handen. De voorbije jaren mochten internationale sportbonden grotendeels zelf bepalen wie in de vrouwencategorie kon uitkomen.
Nu kiest het IOC weer voor een duidelijk uitgangspunt: niet genderidentiteit, maar biologische ontwikkeling bepaalt wie in de vrouwensport mag deelnemen. Daarvoor moeten vrouwen een eenmalige screening op het SRY-gen onderdaan. Dat gen ligt op het Y-chromosoom en speelt een belangrijke rol bij de ontwikkeling van mannelijke geslachtskenmerken.
De redenering is dat een mannelijke puberteit blijvende voordelen oplevert in kracht, snelheid en uithouding, ook als testosteron later wordt onderdrukt.
Die beslissing raakt niet alleen transgender vrouwen, maar ook sommige atleten met een DSD-aandoening. DSD (Differences of Sex Development) is een verzamelnaam voor meer dan 40 genetische aandoeningen. Het gaat om mensen bij wie chromosomen, geslachtsklieren, hormonen of uiterlijke geslachtskenmerken zich niet volgens het gebruikelijke mannelijke of vrouwelijke patroon ontwikkelen.
Tegen de nieuwe IOC-lijn klinkt ook kritiek. In een artikel in The British Journal of Sports Medicine, ondertekend door meer dan dertig wetenschappers, onder wie onderzoekers van de KU Leuven, klinkt het dat zo’n beleid sekse herleidt tot één genetische marker en te weinig rekening houdt met de complexiteit van DSD-variaties. Suzy Eeckelaerts, lector biotechnologie, verwerpt die kritiek en noemt de koerswijziging van het IOC noodzakelijk.
Waarom juicht u de beslissing toe?
Suzy Eeckelaerts: Omdat sport objectieve criteria moet hanteren. Voor de vrouwencategorie is mannelijke ontwikkeling het uitsluitingscriterium. Veel argumenten om transvrouwen of bepaalde DSD-atleten toch toe te laten, vertrekken vanuit medeleven, en dat begrijp ik. Maar sport draait niet om medeleven, wel om duidelijke en controleerbare categorieën.
Voor mij is de volgorde duidelijk: inclusie stopt wanneer eerlijkheid en veiligheid worden bedreigd. Over transvrouwen kan geen discussie bestaan: sporten doe je met je lichaam, niet met je identiteit.
Speelt het fysieke prestatievoordeel van mannelijke DSD-atleten een rol?
Eeckelaerts: Op zich niet. Omdat sportcategorieën niet worden afgebakend op basis van hoe goed iemand presteert, maar op basis van fysieke kenmerken die prestaties beïnvloeden.
Dat geldt voor geslacht, leeftijd, gewicht en handicap. Een bokser mag ook niet in een lichtere gewichtsklasse uitkomen omdat hij toevallig niet harder slaat dan zijn tegenstander. Zo werkt sport niet.
De vraag is dus niet of een mannelijke DSD-atleet individueel slechter presteert dan sommige vrouwen. De vraag is welk criterium je gebruikt om de categorie af te bakenen. Dat blijft vrouwelijke ontwikkeling.
En ook belangrijk: mannelijke DSD-atleten worden niet verbannen uit de sport. Er is een geslachtscategorie voor iedereen. Wie niet in aanmerking komt voor de vrouwencategorie, kan deelnemen in de mannencategorie.
Critici zeggen dat er onvoldoende bewijs is dat mannelijke DSD-atleten altijd een fysiek voordeel hebben ten opzichte van vrouwen. Wat antwoordt u daarop?
Eeckelaerts: Je moet vertrekken van de meest logische hypothese: mannen hebben gemiddeld een sportief voordeel ten opzichte van vrouwen. DSD-atleten die een mannelijke puberteit hebben doorgemaakt, blijven mannen met die ontwikkeling. Dan is het logisch om ervan uit te gaan dat er een voordeel is.
Critici draaien de redenering om en zeggen: zolang er geen perfecte, specifieke studie is, is niet bewezen dat die atleten een voordeel hebben. Maar het ontbreken van bewijs is nog geen bewijs dat zo’n voordeel níét bestaat. Zulke studies zijn bovendien moeilijk, omdat die aandoeningen zeldzaam zijn.
Dat voordeel is ook biologisch verklaarbaar. Mannen hebben gemiddeld meer spiervolume en spierkracht. Afhankelijk van de sport loopt dat prestatieverschil op van ongeveer 10 procent in loopnummers tot zelfs 50 procent in gewichtheffen. Hoe meer een sport draait om kracht, en zeker om bovenlichaamskracht, hoe groter het voordeel.
Er zijn ook indirecte aanwijzingen in de topsport. Kijk naar de olympische 800 meter in Rio in 2016: Caster Semenya, Francine Niyonsaba en Margaret Wambui stonden alle drie op het podium. Dat waren geen biologische vrouwen (Semenya, Niyonsaba en Wambui hebben DSD, nvdr). Dat toont hoe groot het voordeel kan zijn wanneer atleten met een mannelijke ontwikkeling in een vrouwencategorie uitkomen.
Ik verwijs ook naar onderzoek van UGent-sportfysioloog Wim Derave, die vergeleek hoe vaak zulke DSD-varianten voorkomen in de algemene bevolking en hoe vaak zulke atleten opduiken in de topsport. De conclusie: in de topsport zijn ze sterk oververtegenwoordigd, en dat is op zich al een aanwijzing dat ze een voordeel hebben.
Waarom zijn de voormalige Zuid-Afrikaanse halveafstandsloopster Caster Semenya en de Algerijnse boksster Imane Khelif voor u geen uitzonderingen?
Eeckelaerts: Dat zijn atleten met 5-alpha-reductasedeficiëntie. Zij maken wel degelijk een mannelijke puberteit door. Ze zijn dus biologisch mannelijk ontwikkeld en hebben ook de voordelen die daarbij horen. Het feit dat iemand bij de geboorte verkeerd geregistreerd werd omdat de genitaliën ambigu waren, verandert daar niets aan.
Het IOC laat uitzonderingen toe. Zijn die verdedigbaar?
Eeckelaerts: Ja, bij aandoeningen zoals complete androgeeninsensitiviteit, CAIS of het syndroom van Swyer, is er geen androgeniserende puberteit. Dan ontstaan die typische mannelijke voordelen niet.
Bij CAIS reageert het lichaam niet op testosteron. Bij Swyer ontwikkelt het lichaam ondanks een Y-chromosoom niet volgens het mannelijke patroon. Dat zijn extreem zeldzame gevallen.
Wat is volgens u de grote breuk met het IOC-beleid van 2021?
Eeckelaerts: In 2021 schoof het IOC de verantwoordelijkheid grotendeels door naar de sportfederaties. Het maakte zelf geen duidelijke keuze, en dat was laf. World Rugby, later gevolgd door World Athletics, deden dat wel: zij lieten alleen biologische vrouwen toe.
Het IOC-kader vertrok te veel van het idee dat toelating kon, tenzij er een sluitend bewijs van voordeel was. Daardoor ontstond er een grijze zone, met allerlei compromissen zoals testosteronsuppressie. Maar testosteron verlagen neemt die mannelijke voordelen niet weg.
Slechts één parameter schuift dan op richting de vrouwelijke range: de hematocrietwaarde. De rest, zoals kracht, niet. Dat is duidelijk aangetoond in een wetenschappelijk onderzoek, en dat is ook de referentietekst geworden voor de koerswijziging van het IOC.
Hoe betrouwbaar is die eenmalige SRY-screening?
Eeckelaerts: Het SRY-gen is niet de definitie van mannelijk geslacht, maar het correleert er bijna perfect mee. Daarom is het een bruikbaar screeningsinstrument. Het gaat om een objectieve test die meestal met een wanguitstrijkje kan worden afgenomen – of eventueel via een bloedstaal. Dat is snel, schaalbaar en weinig belastend.
Bovendien verandert je genoom niet, dus één test volstaat. En belangrijk: een positieve screening alleen volstaat niet om iemand uit de vrouwencategorie te weren. Daarna volgt uitgebreider biomedisch onderzoek.
Critici hebben ethische bezwaren tegen de SRY-screening en spreken over privacyproblemen.
Eeckelaerts: Ik vind de ingreep beperkt en niet buiten proportie. Een wattenstaafje langs de binnenkant van de wang is veel minder invasief dan een klassieke dopingcontrole, waarbij een official toekijkt terwijl een atleet in een potje plast. Natuurlijk is privacy belangrijk, maar wie aan topsport doet, aanvaardt controleprocedures.
Ziet u ook gevolgen voor de breedtesport?
Eeckelaerts: De IOC-regel geldt voor de topsport en voor de Olympische Jeugdspelen, niet voor de recreatiesport. In de topsport gaat het debat vooral over DSD-atleten. In de breedtesport gaat het vaker over transgender atleten, van wie het biologische geslacht meestal bekend is. Ik denk dat federaties door die nieuwe beleidslijn transgender atleten vlugger zullen weren.
Wat is uw mening daarover?
Eeckelaerts: Gemengde competities kunnen natuurlijk, maar dan moet dat vooraf duidelijk worden gecommuniceerd. Ook een exclusieve meisjescategorie moet volgens mij voorbehouden worden voor jongeren van het vrouwelijke geslacht.
Zelfs vóór de puberteit bestaan er immers al meetbare prestatieverschillen tussen jongens en meisjes. Ik vind dat ook meisjes in de breedtesport het recht hebben om te winnen.
Bron: Knack.be