Alles herstelbaar maken, geldt dan niet enkel voor producten, maar ook voor bouwprojecten en de ecosystemen errond. En indien het niet herstelbaar is, dan mag het niet worden gemaakt, gebouwd, verkocht.
Het klinkt alvast goed, het ‘Right to Repair’ voorstel dat de Europese Commissie publiceerde op 22 maart 2023. Met dit voorstel wil ze de eerste aanzet geven voor gemeenschappelijke regels om het recht op herstel van goederen te bevorderen. De volgende stap is nu aan het Europese Parlement en de Raad van de Europese Unie om amendementen voor te stellen en tot een akkoord te komen met de Commissie.
Alle Europese burgers samen consumeren een massa aan goederen en laten ook een massa aan afgedankte goederen achter. Zowel de producenten als consumenten zijn verantwoordelijk voor deze afvalberg van 35 miljoen ton per jaar in de EU, maar dit voorstel moet vooral duidelijk maken dat het recht op herstel een andere manier van produceren en van consumeren moet inluiden. En daar maakt de EU best snel werk van omdat het voorstel niet alleen de Green Deal van Europa activeert, maar ook omdat het kan bijdragen tot een essentiële verandering van ondernemen en consumeren op korte termijn.
Het ‘Right to Repair’ voorstel heeft betrekking op twee periodes: tijdens en na de garantieperiode. Tijdens de garantieperiode heeft elke fabrikant de plicht om gratis te repareren wanneer reparatie goedkoper blijkt dan vervangen. Ook wanneer de schade duidelijk is veroorzaakt door de consument, is er recht op herstel, maar de kosten zijn dan wel voor de consument. De Europese Commissie blijft vasthouden aan de wettelijke garantieperiode van twee jaar. Dit is natuurlijk erg kort en een mogelijk amendement zou kunnen zijn om deze termijn te verlengen. Bovendien is het onduidelijk wie gaat bepalen of herstel nog mogelijk en goedkoper is dan vervanging. Onderdelen zijn vaak heel duur in verhouding tot de aanschaf van een nieuw product zodat de berekening snel gemaakt is.
Na de garantieperiode worden een aantal maatregelen voorgesteld om herstel te faciliteren, zoals verplichting tot het herstellen van goederen, tot tien jaar na de aankoop afhankelijk van het type toestel, en het informeren van consumenten via een online platform. Voorlopig slaat de ‘Right to Repair’ na de garantieperiode op een beperkt gamma aan elektronische producten die in de EU verkocht worden, zoals televisies, (vaat)wasmachines, stofzuigers, koelkasten. Op termijn zal dit uitgebreid worden naar tablets en gsm’s wanneer de Ecodesign Richtlijn is aangenomen. Vooral bij deze producten is de nood het hoogst, want geplande veroudering en de verleiding om steeds de nieuwste versie aan te kopen, zijn precies het grootst bij gsm’s en tablets.
Het ‘Right to Repair’ voorstel geeft een eerste aanzet in de richting van een drastische breuk met de oude cultuur van produceren en consumeren. Echter, alle producten zouden vanuit een herstelgedachte moeten worden geproduceerd en geconsumeerd. Dit vraagt uiteraard om een geheel nieuw business model waarbij verkopers opnieuw inzetten op het herstellen van de producten en waarbij kopers zich bij de aanschaf op de eerste plaats afvragen hoe makkelijk het product kan worden hersteld bij een defect en wat de kostprijs zal zijn.
Alle EU-landen kunnen het voorbeeld nemen aan Frankrijk waar sinds 2021 een index bestaat die aangeeft in welke mate een product herstelbaar is. Dergelijke ’Indice de réparabilité’ is nuttig wanneer de score niet enkel gaat over de praktische mogelijkheden van reparatie, maar ook over de kostprijs ervan. De score zou ook een ideale vergelijkingsbasis kunnen bieden voor verschillende producten. Inspiratie kan alvast worden gevonden in het verplichte energielabel bij de verkoop van auto’s, elektrische apparaten, lampen en gebouwen of bij de vrijwillige Nutriscore, dat de voedingswaarde van voedsel en dranken visualiseert. Met een systeem van rood tot groen, waarbij rood staat voor een zeer slechte reparatiescore wegens te duur en te moeilijk, zullen consumenten meer geneigd zijn om te opteren voor een product met een groene score. Producenten kunnen hierdoor positief worden gestimuleerd om in te zetten op betaalbare reparatie.
Zo ver zijn we echter nog niet, want de industrie loopt niet warm voor een dergelijke herstelscore. Ook voor de consument is het nog steeds veel eenvoudiger, goedkoper en sneller om een nieuw product te kopen, dan te wachten op herstel. Herstel moet dicht bij de bron gebeuren, is dus lokaal waardoor rekening moet worden gehouden met Europese arbeidskosten die veel hoger zijn dan de arbeidskosten van de landen waar de toestellen worden gemaakt. In vele Europese landen is er ook geen echte reparatiecultuur meer. Bovendien zet het onderwijssysteem steeds minder in op het aanleren van deze vaardigheden waardoor consumenten geen andere uitweg hebben dan een ander product aan te kopen en dat is meestal een nieuw.
Momenteel kiest ruim 65% van de Europeanen ervoor om hun product te vervangen in plaats van het te laten herstellen, ondanks de vele initiatieven die bottom up zijn ontstaan en reeds lang in verschillende EU-landen actief zijn, zoals de Repair Cafés. Het eerste Repair Café zag het licht in Amsterdam in 2009. Ondertussen is dit een wereldwijde organisatie geworden die als doel heeft om reparatievaardigheden te behouden en om herstelbare producten te promoten. De stichtster Martine Postman had de EU niet nodig om een beweging te starten die herstel van alle producten beoogt en die inzet op leren van elkaar. Immers, vooral de jongere generatie weet vaak niet of, en hoe, producten kunnen worden hersteld.
Het ‘Right to Repair’ voorstel moet dus een veel bredere scope hebben en alle producten omvatten, inclusief de niet-elektronische. Alleen op die manier kan er werk worden gemaakt van een duurzame verandering van produceren en consumeren. Ieder product moet zo gemaakt worden inclusief recht op herstel. In plaats van geplande veroudering wordt het dan gepland herstel! ‘Planned obsolescence’ ontstond in 1924 toen General Motors kleine designveranderingen voorstelde om de consumenten te overhalen om een nieuwe wagen te kopen en zo een boost te geven aan de verkoop. Bijna 100 jaar later is het meer dan tijd om af te stappen van die productiestrategie en volop te gaan voor ‘Planned Repair’. Alles herstelbaar maken, geldt dan niet enkel voor producten, maar ook voor bouwprojecten en de ecosystemen errond. En indien het niet herstelbaar is, dan mag het niet worden gemaakt, gebouwd, verkocht.
Het Right to Repair voorstel draagt bij tot de doelstelling van de Europese Commissie om tegen 2050 het eerste klimaatneutrale continent te zijn. De verschroeiende temperaturen en verwoestende stormen in verschillende landen binnen en buiten Europa, tonen dat het sneller moet gaan en dat niet mag worden getalmd om voorstellen in acties om te zetten. Wie van de beleidsvoerders zal nog actief zijn in 2050? En wie zal dan nog tot verantwoording kunnen worden geroepen wanneer de doelstelling niet wordt bereikt? Een eerste actiepunt zou daarom al zijn om niet langer 2050 als einddoel te beschouwen. Met een doelstelling die zo ver weg ligt in de tijd, krijgt de burger vooral het fout signaal dat het nog niet zo dringend is.
Bij Tele-Onthaal kun je 24 op 7 terecht voor een anoniem gesprek. Of je nu in crisis zit of gewoon eens je hart moet luchten: je kan je zorgen kwijt op het gratis nummer 106 of via de chat. Sociaal.Net nam een kijkje achter de schermen van de hulplijn.
Verborgen en geborgen
Tele-Onthaal heeft in elke provincie een locatie waar anonieme vrijwilligers de telefoon opnemen. Om die anonimiteit van de vrijwilligers te waarborgen, wordt er discreet omgegaan met adressen van deze locaties. In Antwerpen zit Tele-Onthaal verscholen in een doorsnee kantoorgebouw. Woordvoerder Jennifer en stafmedewerker Anke leiden ons rond.
Waarom het allemaal zo discreet moet? Volgens Jennifer is de anonimiteit van de vrijwilligers cruciaal in de laagdrempeligheid van de hulplijn. “Voor de beller betekent het dat je niet beoordeeld wordt op hoe je eruitziet, waar je vandaan komt of wat voor job je beoefent. Elk gesprek begint zonder vooroordelen. Daardoor kun je echt een gesprek van mens tot mens hebben.”
Iets terug doen
Al snel schakelen we over op fluistertoon. Een vrijwilliger heeft iemand aan de lijn. We verplaatsen ons vlug naar de keukentafel, waar een andere vrijwilliger wacht op de volgende telefoon. “De keuken noemen we ook wel de praatbarak”, zegt Anke. “Hier kunnen vrijwilligers napraten of elkaar om advies vragen.”
“Eigenlijk is dit atypisch voor Tele-Onthaal, zo’n kantoorkeuken”, vertelt Jennifer. “In andere provincies zitten de vrijwilligers in huizen of appartementen, om de sfeer zo geborgen mogelijk te maken.” Een geborgen sfeer, omdat de gesprekken die de vrijwilligers hier voeren best heftig kunnen zijn.
Wie zijn de mensen die zich vrijwillig aan die heftige gesprekken wagen? We spreken twee vrijwilligers, Elise, die al jaren bij Tele-Onthaal werkt, en Lucas, die in januari 2023 startte. “Ik heb het goed in de wereld,” zegt Elise, “dus besloot ik dat ik iets wil terug doen.” Lucas sluit zich daarbij volledig aan: “Ik werkte lang in een hele zakelijke omgeving. Naast dat ik iets wilde terugdoen, zocht ik ook meer intermenselijk contact. Je komt bij Tele-Onthaal echt dicht bij mensen, dat is bijzonder.” De namen Elise en Lucas zijn pseudoniemen. Alle vrijwilligers bij Tele-Onthaal zijn anoniem.
Alle lijnen open
De vrijwilligers van Tele-Onthaal leveren stevig werk, dat is aan de jaarcijfers wel te zien. In 2022 voerden ze 83.030 telefoongesprekken en 15.941 gesprekken via chat. En dat met 622 vrijwilligers aan de knoppen.
Die gesprekken gaan over van alles. Een vierde van de gesprekken is een echt crisisgesprek, bijvoorbeeld over zelfmoord, de andere drie kwart is dat niet. De top drie thema’s zijn: relaties (30 procent van de gesprekken), gezondheid (21 procent) en eenzaamheid (12 procent).
En hoe een gesprek verloopt, is ook wisselend. Lucas vertelt: “Met sommige mensen heb je snel een klik, met anderen moet je wat meer zoeken tot ze echt hun verhaal durven vertellen.” Elise vult aan: “Soms geraak je niet ver in een gesprek. Daar moet je je bij neerleggen. Mensen zijn soms al blij dat ze even aandacht hebben gehad. Veel mensen bellen omdat ze niet gehoord, niet gezien worden. Dan is een korte babbel al genoeg.”
Geen therapie
Bij Tele-Onthaal staat luisteren centraal. “De vrijwilligers zijn geen therapeuten, maar gewoon mensen die tijd willen maken voor hun medemens”, zegt stafmedewerker Anke. “Ze gaan dus ook geen behandelplan opstellen of oplossingen voor je problemen aanreiken. Ze zijn er om te luisteren naar je zorgen, zodat je opgelucht de telefoon kan neerleggen. Zodat je daarna weer verder kan.”
“En dat is ook het mooie aan onze werkwijze”, vindt Anke. “Onze vrijwilligers zetten mensen terug in hun kracht. Je krijgt geen oplossing aangereikt van iemand anders, maar de vrijwilliger zoekt mee naar wat je zelf kan en wil doen.”
Elise is het daarmee eens: “De meest toffe gesprekken zijn die waarin je mensen inzicht kan geven in hun problematiek. Dat je met hen kan verkennen wat ze zelf kunnen doen en zo samen alle opties uitpluist. Als iemand zegt: ‘Zo had ik het nog nooit gezien’, dan is het voor mij geslaagd.”
Indruk
Lucas en Elise vertellen over de gesprekken die hen bijblijven. Van mensen die bellen over seksueel misbruik, zelfmoordgedachten of bellers die op het moment zelf iets meemaken. “Dan hoor je bijvoorbeeld iemand tegen de beller schreeuwen op de achtergrond. Wij kunnen niets doen. We sporen hen aan om de hulpdiensten te bellen. Zo staan ze rechtstreeks in contact met de politie en kunnen ze hun bijvoorbeeld laten weten waar ze zijn of hoe de politie binnen kan komen.”
‘Ik was bang dat ik de moeilijke verhalen mee naar huis zou pakken.’
Maar over het algemeen weten ze de verhalen goed achter zich te laten wanneer ze de telefoon inhaken. “Ik had schrik dat het veel meer impact zou hebben”, zegt Lucas. “Dat ik die moeilijke verhalen mee naar huis zou nemen. Maar verrassend genoeg blijkt dat niet het geval. Je kan na een zwaar gesprek steeds terecht bij de andere vrijwilligers of het team, dat helpt.”
“Soms heb je wel een rot gesprek, maar het voordeel is dat je hier altijd met meerdere vrijwilligers aanwezig bent”, bevestigt ook Elise. “Ik kom bovendien met de fiets. Op de terugweg kan ik het even van me af laten glijden. Dan denk ik wel eens: ‘Oh, wat is mijn leven simpel’. Als je zelf over iets piekert, kun je dat na een shift echt relativeren.”
Het verschil maken
Hebben de vrijwilligers het gevoel dat ze mensen vooruithelpen? “Je weet niet altijd wat voor impact je op de oproeper hebt”, zegt Elise. “Je weet natuurlijk niet wat iemand doet nadat die de hoorn inhaakt.”
“En andere keren weet je het wel zeker, omdat mensen je expliciet bedanken, bijvoorbeeld”, zegt Lucas. Elise vult aan: “Je hoort soms letterlijk dat je een verschil maakt. Sommige mensen komen hyperventilerend aan de lijn maar op het einde van het gesprek zijn ze rustig. Soms is het ook intuïtie. Je voelt dan aan je hart dat die persoon er beter van is geworden.”
Helaas zijn de reacties niet altijd zo positief. Elise: “Het gebeurt ook dat mensen niet leuk reageren. Dan doe je alle moeite om te luisteren en empathisch te zijn en na een halfuur zeggen die mensen dan ‘Niemand luistert’, waarna ze kwaad de hoorn neergooien.”
Wie vrijwilliger bij Tele-Onthaal wil worden, start met een intensieve opleiding, waarin je naast veel theorie, ook praktische oefeningen meekrijgt. Zo zit je goed voorbereid klaar voor je eerste gesprek.
“Het is een gedegen opleiding en voor iedereen toegankelijk, je hebt geen voorkennis nodig”, vertelt Lucas. Elise licht toe: “Je leert er vooral empathisch luisteren en natuurlijk ook specifiek wat je moet doen bij een zelfmoordgesprek, bijvoorbeeld. Ik herinner me dat ik de uitwisseling met andere deelnemers echt een meerwaarde vond. Wat een ander als antwoord geeft in de oefengesprekken, is toch steeds wat anders dan jij bedacht had.”
‘Je hebt geen voorkennis nodig om vrijwilliger te worden.’
Voelden ze zich voorbereid op het eerste gesprek? “Ons eerste telefoongesprek deden we in de helft van de opleiding”, vertelt Lucas. “Toen dacht ik wel: ‘Oei, zijn we daar al klaar voor?’ Maar achteraf bleek dat wel het geval. Je voelt direct dat de opleiding impact heeft.”
“Ik was heel zenuwachtig voor mijn eerste gesprek”, zegt Elise. “Ik zie mezelf daar nog zitten. Ik had een jong meisje aan de telefoon met examenstress. Het was super spannend.”
Blijvende steun en vorming
De stafmedewerkers van Tele-Onthaal leiden de vrijwilligers op. Ook staan zij dag en nacht klaar om de vragen van vrijwilligers te beantwoorden of hen op te vangen na een heftig gesprek. “We hebben allemaal ook andere taken, maar zodra een vrijwilliger ons nodig heeft, laten we alles vallen”, vertelt stafmedewerker Anke. “Mijn deeltaak is werving en dat is eigenlijk onze grootste uitdaging. Mensen blijven wel lang vrijwilliger bij ons, gemiddeld 8,6 jaar, maar we zien een sterke vergrijzing.” Ze komen vrijwilligers tekort.
De stafmedewerkers van Tele-Onthaal beantwoorden zelf geen telefoons. Maar om de vrijwilligers beter te kunnen ondersteunen, volgen ze wel dezelfde opleiding. “We nemen ook een keer de telefoon op”, zegt Anke. “Zo begrijp je wat vrijwilligers meemaken. En het geeft je een nog groter respect voor hun engagement.”
Naast de opleidingen voor starters, worden er ook continue vormingen voor de huidige vrijwilligers georganiseerd, vertelt Anke. “Rond nieuwe thema’s waar mensen over bellen, zoals narcisme, bijvoorbeeld. Ook kunnen vrijwilligers mee op uitstap naar welzijnsvoorzieningen, zoals het CAW, om een beter zicht op de sociale kaart te krijgen.”
Uitdagingen
Persoonlijke verhalen staan centraal, maar ook de trends uit de jaarcijfers zeggen veel over de mensen die het meest naar Tele-Onthaal bellen. Wat opvalt is dat vrouwen Tele-Onthaal opmerkelijk vaker contacteren dan mannen. Aan de telefoon zijn ze goed voor 65 procent en op chat zelfs 79 procent. “Dat baart ons wel zorgen”, zegt woordvoerder Jennifer. “Maar dat is een algemene trend in de hulpverlening. Mannen zoeken minder snel hulp. Al zou onze anonimiteit die drempel toch moeten verlagen. Het blijft een uitdaging.”
Jongeren weten de hulplijn wel steeds beter te bereiken. Vooral de chat is bij hen populair. In 2019 waren tieners tussen de 12 en 18 jaar nog goed voor 34 procent van de chatgesprekken. In 2022 steeg dat naar 48 procent. De grote meerderheid van de chatters, 76 procent, waren in 2022 mensen onder de 25 jaar oud. De openingsuren van de chat zijn daarom ook gefocust op de momenten dat jongeren online zijn: ’s avonds en in het weekend.
‘Er kloppen steeds meer jongeren bij ons aan.’
“Het verbaast ons wel dat we zoveel jongeren bereiken, want eigenlijk is Awel de jongerenhulplijn. En toch kloppen er steeds meer jongeren bij ons aan.” Negatief is dat niet, vertelt Jennifer: “Het betekent ook dat er stappen vooruitgezet zijn in het taboe rond mentaal welzijn bij jongeren. De bereidheid om hulp te zoeken wordt bij jongeren steeds beter, vermoeden we. Toch spelen waarschijnlijk de wachtlijsten elders ook een rol.”
Hoe ontoegankelijk de zorg met haar wachtlijsten ook mag zijn, over elk onderwerp lijkt wel een hulplijn te bestaan: 1712, de druglijn, Lumi… Hoe zien ze dat bij Tele-Onthaal? “We zijn heel complementair”, zegt Jennifer. “Mensen komen soms bij ons aankloppen voor ze zelf weten wat hun probleem precies is. Wanneer we merken dat iemand specifieke ondersteuning kan gebruiken, sturen we hen door naar de juiste dienst. En andersom geldt dat ook.”
“Het Vlaamse welzijnsveld is heel breed en in dit geval is dat een win-winsituatie”, zegt Jennifer. “We kunnen veel bruggetjes leggen. Als je buiten de kantooruren naar 1712 belt, dan staan wij op het antwoordapparaat, bijvoorbeeld. Maar we horen ook van veel oproepers dat het niet altijd evident is om je weg te vinden. Dat begrijpen we. Daarom krijgen onze vrijwilligers vorming rond de sociale kaart. Zo kunnen zij mensen mee wegwijs maken.”
‘Tele-Onthaal heeft mij als mens echt veranderd. Het verruimt je blik op de samenleving.’
Concreet wordt 26 procent van de bellers en 34 procent van de chatters doorverwezen. Vrijwilliger Elise vertelt dat ze regelmatig mensen bewustmaakt van de verschillende diensten. “Op de chat spreek ik veel jongeren die in moeilijke situaties zitten en echt hulp nodig hebben. Dan vertel ik ze over Tejo, bijvoorbeeld, en stuur ik ze een aantal linken door die ze na het gesprek kunnen bekijken.”
Moeilijk om niet trots te zijn
Voor de vrijwilligers zijn er maar twee dingen echt moeilijk aan hun werk: de nachtdiensten en de anonimiteit. “Het is lastig om niemand te kunnen vertellen dat ik dit doe”, zegt Elise. Om te zorgen dat ook voor het netwerk van de vrijwilligers de drempel om naar Tele-Onthaal te bellen laag blijft, vertellen ze het aan zo weinig mogelijk mensen. “Mijn gezinsleden weten het natuurlijk wel”, legt Elise uit. “Anders weten ze niet waar ik ’s avonds laat naartoe ben.”
Wanneer vrienden bellen om iets te doen in het weekend, is het soms excuses zoeken waarom dat niet gaat. “Ik woon ook in een straat met veel sociale controle”, schetst Elise. “In coronatijden was dat heel onwennig om na de avondklok nog op de fiets te stappen naar Tele-Onthaal.
Zo is dit interview ook een zeldzame gelegenheid om reclame te maken voor het vrijwilligerswerk. “Ik zou een zeer goede ambassadeur zijn voor Tele-Onthaal en zou graag mensen overtuigen om ook vrijwilliger te worden. Maar ik mag er niks over zeggen”, aldus Elise.
Nu ze er dan wel over mogen vertellen, leggen ze graag uit wat de meerwaarde van het vrijwilligerswerk is. Elise: “Tele-Onthaal heeft mij als mens echt veranderd. Het verruimt je blik op de samenleving.” Lucas: “Door de anonimiteit voer je zeer persoonlijke gesprekken met mensen. En als je dan iets kan betekenen voor iemand, verrijkt dat ook je eigen leven.”
‘Zorg- en welzijnsorganisaties dienen zich heruit te vinden’, schrijft Dirk Doucet naar aanleiding van de wachtlijsten in de woonzorgcentra. ‘Maar ook overheden moeten hun huiswerk maken.’
Wachtlijsten in heel wat woonzorgcentra zwellen terug aan. Geen evidentie voor zij die hiermee geconfronteerd worden. Deze confrontatie kan soms zeer hard zijn omdat hoe langer hoe meer mensen vanuit een crisissituatie naar een woonzorgcentrum verhuizen. Na bijvoorbeeld een val, fout medicatiegebruik, het plots wegvallen van de mantelzorger, komt men in het ziekenhuis terecht. Na de nodige zorgen wordt vastgesteld dat een terugkeer naar huis, ondanks heel wat ondersteuning, niet langer mogelijk is. Het woonzorgcentrum is het enige (negatief) alternatief.
Vele mensen weten niet dat de gemiddelde verblijfsduur van mensen in een woonzorgcentrum jaar na jaar spectaculair vermindert. In de meeste centra schommelt dit thans tussen de 18 en 24 maanden. De oorzaak hiervan is de hoge zorggraad die het gevolg is van het financieringsmechanisme van woonzorgcentra. Een recente studie van de Koning Boudewijnstichting geeft aan dat 62% van de 60-plussers het vooruitzicht van zorgbehoevendheid angst inboezemt en dat 40% negatief tot zeer negatief kijkt tegenover het ouder worden. Is het daarom verwonderlijk dat 71% van de 60-plussers hoopt om nooit in een woonzorgcentrum terecht te komen? Het is niet zozeer het woonzorgcentrum zelf, maar vooral de angst om zorgbehoevend te worden dat de oorzaak van deze negatieve perceptie is.
Laat het duidelijk zijn dat hoogstaande professionele residentiële zorg voor oudere kwetsbare mensen op de één of andere manier altijd nodig zal blijven. Maar ik durf te betwijfelen dat het gewoon uitbreiden van beschikbare plaatsen de enige oplossing is. De reflex om enkel naar de overheid te kijken om dit probleem op te lossen door het creëren van bijkomende plaatsen is niet enkel onbetaalbaar, maar ook niet steeds wenselijk. We dienen allen onze verantwoordelijkheid op te nemen. U en ik die het geluk hebben om ouder te worden, zorg- en welzijnsorganisaties en de verschillende overheden (lokaal, Vlaams en Federaal).
We vinden het allemaal belangrijk om de regie van ons eigen leven in handen houden, ook als we ouder en/of zorgbehoevender worden. Maar waar we kunnen hier zelf een grotere invloed op hebben dan we ons realiseren. Op het vlak van preventie kunnen we nog zoveel winnen. In de eerste plaats door zoveel mogelijk zo lang mogelijk al dan niet professioneel maatschappelijk geëngageerd te blijven. Hoe ouder, hoe groter de kans wordt op een vorm van kwetsbaarheid. Maar ook hier kan je impact hebben. Niet enkel op het vlak van fysieke kwetsbaarheid (denk maar aan gerichte krachttraining om de spieren te versterken of de preventie van diabetes), ook op het vlak van dementie (zie ook www.2voordeprijsvan1.be), het investeren in de uitbouw van je netwerk of op tijd verhuizen naar een aangepaste woning of co-housing. Maar zelf ook (opnieuw) nadenken of en hoe we iets voor kwetsbare mensen in onze eigen buurt kunnen betekenen. Een klein gebaar kan soms bijzonder veel betekenen.
Zorg- en welzijnsorganisaties dienen zichzelf her uit te vinden. Niet “meer op dezelfde wijze “. Wel meer samenwerken, zich enten op de buurt, differentiëren en vooral nog meer richten op kwaliteit van leven en sterven. Het zou een evidentie moeten zijn dat in iedere buurt naast de klassieke eerstelijnszorg ook een dienstencentrum, een (oriënterend) kort verblijf en dagverzorgingscentrum geïntegreerd samenwerken om mensen de mogelijkheid van kwaliteit van leven in hun eigen buurt te kunnen aanbieden. Een mooi voorbeeld hiervan is het buurtzorghuis te Holsbeek.
Maar ook de overheden dienen hun huiswerk te maken. In de eerste plaats opnieuw het gekende euvel van de versnippering van bevoegdheden. Beslissingen op het ene niveau hebben nu éénmaal zijn gevolgen op andere niveaus. Terecht wil men bijvoorbeeld de opnameduur in ziekenhuizen beperken. Mag het daarom verwonderlijk zijn dat dit tot een verhoogde druk leidt in de eerstelijnszorg (en dus ook woonzorgcentra)? Maar deze uitgespaarde middelen dan overhevelen om specifieke ondersteuning voor mensen met een chronische zorgnood in de buurt te organiseren? Neen hoor, dat is een ander bevoegdheidsniveau. Een tweede heikel punt is de goedbedoelde over-reglementering en over-registratie die de overheden opleggen aan zorg- en welzijnsaanbieders. Hoe meer regels en hoe meer registratie, hoe betere zorg? Misschien, maar in ieder geval minder tijd die aan de cliënt kan worden besteed.
Een laatste punt is nadenken over hoe we opnieuw niet enkel de mantelzorger, maar ook de professional, die dag in dag uit de cliënt ondersteunt, opnieuw de waardering kunnen geven die hij (meestal zij) verdient. En dat is niet door telkens opnieuw experten of structuren bovenop te creëren, maar echte (dus ook financiële) waardering.
Het kan allemaal goed, maar werk op de plank voor mij, voor u, voor bestuurders en alle overheden die dit land rijk is.
Federaal fractieleider voor N-VA Peter De Roover heeft vraagtekens bij ‘het promopraatje’ rond de staatsbon.
De staatsbon werd vannacht afgesloten en de intekening zou afklokken op vermoedelijk 20 miljard euro. Dat wordt een groot succes genoemd en naar opbrengst is het dat zeker ook. Ons Agentschap voor de Schuld levert dan ook al jaren puik werk. Als schuldbeheerder van een schuldenziek België kan dat vanzelfsprekend bogen op ruime ervaring, maar ze verdient alleszins een pluim voor het geleverde werk.
De ruime inschrijving zou bewijzen dat er nog groot vertrouwen heerst in de Belgische staat, beweert premier Alexander De Croo (Open VLD) jubelend, waarmee hij de lat om vertrouwen te meten wel heel laag legt. Dat mensen ervan uitgaan dat de Belgische staat volgend jaar haar verplichtingen als lener nog zal nakomen, is wel iets anders dan ‘groot vertrouwen’ hebben.
Die bewering gaat dan ook voorbij aan het banalere en wélbepalende feit dat de spaarder kan tellen. Die 20 miljard aan 2,805% netto-rente verplicht de overheid volgend jaar op de vervaldag tot een rente-uitbetaling van 561 miljoen euro. Die moet worden opgehoest door de belastingbetaler, dus kan je als medebetaler door inschrijving best ook mee aanschuiven bij de ontvangers van die rente.
Dat is gebruikelijk bij de uitgifte van staatsbons maar in dit geval opmerkelijk. Was het niet juist de bedoeling dat de staatsbon de banken moest aanzetten tot hogere rentezetting? Alvast, zo klonk het promopraatje.
Nochtans is de kasbon het bankenproduct dat vergelijkbaar is met de staatsbon, niet de altijd opvraagbare spaarrekening. De grootbanken mochten dus niet concurreren met de staatsbon via een vergelijkbare formule. Opmerkelijk detail toch.
Eigenlijk is het slechts opmerkelijk en pas een detail voor wie de windowdressing van de regering geloofde. De bewering dat de staatsbon de banken moest aanzetten om wakker te worden uit hun zomerrenteslaap, is natuurlijk praat voor de tribune. Dat effect was trouwens minimaal en vermoedelijk uitdovend.
Een staatsbon, en deze vormde daarop geen uitzondering, dient om de overheid in staat te stellen haar tekorten te financieren. De hype rond deze uitgifte en de hoge rente zorgden voor de hoge inschrijving maar dat is maar goed ook voor vadertje staat. Alleen al de rente die betaald moet worden op de overheidsschuld bedraagt zowat negen miljard en daarnaast wordt dit jaar een bijkomende schuld opgebouwd door de federale regering ter waarde van ruim 20 miljard. Nieuwe schuld en rente samen kunnen niet eens betaald worden met de opbrengst van deze staatsbon.
Stel je voor dat de grootbanken een concurrentiële kasbon hadden mogen uitgeven én dat ook gedaan hadden – wat zogezegd de bedoeling was van deze operatie – dan was dat eigenlijk een zware streep door de rekening van de overheid geweest. Dan had het Agentschap voor de Schuld op zoek moeten gaan naar andere bronnen om de rekeningen te kunnen laten betalen en te vermijden dat de spreekwoordelijke deurwaarder aan de federale overheidspoort zou komen aankloppen.
Deze bon vormt dus een tijdelijke pijnstiller die niet mag doen vergeten dat we blijven wachten op hét medicijn: het intomen van de uitdijende overheidsschuld door de begrotingstekorten te verminderen. Met een totale overheidsschuld van 500 miljard zou een financiering met staatsbonnen à 2,805% rente neerkomen op een totale rentelast van ruim 14 miljard.
In hoeverre doet de overheid daarvoor in de toekomst verder beroep op staatsbonnen – deze moet volgend jaar weer worden hernieuwd, wellicht aan hogere rentes maar de schuldenhonger zal tegen die tijd weer hoger zijn – is een interessante vraag. Want de ruime spaarpot van onze inwoners is ook weer niet onuitputtelijk en blijkbaar moet de armlastige federale staat er nu al beroep op doen.
Kortom, het succes van de pijnstiller die zo’n staatsbon blijft, mag niet doen vergeten dat daarachter een lamentabel begrotingsbeleid schuilt, waarvoor geen geneesmiddelen worden toegepast. Daar ligt de kern van het probleem dat niet wordt opgelost door steeds meer geld te lenen bij de burgers.
‘Chaos in het leerlingenvervoer en afgeschafte ritten: het is niet toevallig. De Vlaamse Regering, met rechtse partijen als N-VA, Open VLD en CD&V verwaarloost ons openbaar vervoer al jarenlang’, schrijft Vlaams volksvertegenwoordiger Stijn Bex (Groen). Hij reageert op het interview met Lydia Peeters over het leerlingenvervoer.
Elk jaar bij de start van het schooljaar duiken ze op: schrijnende verhalen van kwetsbare kinderen, zoals Louis, die urenlang onderweg zijn naar school. En elk jaar zoekt de Vlaamse Regering (na veel media-aandacht) nieuwe halfslachtige en tijdelijke oplossingen. Dit jaar betekent 1 september ook voor de andere reizigers extra chaos. Want op 1 september, morgen dus, moet De Lijn bussen schrappen. Niemand kan precies zeggen waar en wanneer. Vlak voor de start van het schooljaar weten duizenden Vlamingen dus nog niet hoe ze morgen op hun werk of school moeten geraken.
Eerst en vooral het leerlingenvervoer in het buitengewoon onderwijs. Al 10 jaar klaagt het Kinderrechtencommissariaat aan dat kwetsbare kinderen onmenselijk lang op de bus zitten. Na corona bleek dat bij een aantal tot meer dan zes uur (!) op te lopen. Elke dag. Het leidde terecht tot bijzonder veel verontwaardiging. Na de media-aandacht konden de Vlaamse Regering en minister van Mobiliteit Lydia Peeters (Open VLD) het probleem niet langer negeren. Met veel bombarie werd aangekondigd dat ze de schrijnende situaties zouden oplossen. Maar zoals minister Peeters toegeeft aan Knack, wordt er vooral elk jaar meer geld uitgegeven. De teller staat nu al op 137 miljoen euro, of een verdubbeling op enkele jaren. Maar het probleem wordt niet structureel aangepakt, en er loopt nog steeds verschrikkelijk veel fout.
Kijk naar Louis, hij kreeg (opnieuw dankzij de media-aandacht) een “oplossing”. Elke dag bijna 3 uur onderweg. Daar moeten hij en zijn ouders blij mee zijn. Met een maximale reistijd van 90 minuten heeft de Vlaamse regering de lat voor zichzelf onmenselijk laag gelegd. We hebben een andere aanpak nodig. Proefprojecten hebben al aangetoond dat het anders kan. Veel kinderen zouden op een centraal punt kunnen opstappen of mits wat begeleiding ook zelfstandig naar school gaan. Kinderen als Louis kunnen dan een individuele taxi krijgen, en maximaal een uur onderweg zijn, zoals Groen én het Kinderrechtencommissariaat vraagt. Maar dan heb je wel ministers nodig die beleid voeren in plaats van naar elkaar te kijken, zoals minister van Onderwijs Ben Weyts (N-VA) en Peeters.
En ook de andere reizigers laat de Vlaamse Regering in de kou staan. Op 25 augustus kondigde De Lijn aan dat ze op 1 september busritten schrapt in vervoersregio’s Antwerpen, Gent, Kempen, Kortrijk, Limburg, Mechelen en Vlaamse Rand. We zijn vandaag 31 augustus. Een dag voordien weet nog niemand welke ritten precies wegvallen. De Lijn zegt op haar website dat reizigers bij de start van het nieuwe schooljaar op 1 september zelf zullen moeten uitzoeken of hun bus rijdt. Hallucinant.
Had De Lijn beter kunnen doen? Wellicht. Maar ze moet ook roeien met de riemen die ze heeft. De Lijn werd “hervormd” maar vooral kapot bespaard door de vorig minister van Mobiliteit, Ben Weyts. En zoals veel hervormingen van Weyts, hing ook deze met haken en ogen aan elkaar.
Deftig openbaar vervoer is echt geen rocket science
Chaos in het leerlingenvervoer en afgeschafte ritten: het is niet toevallig. De Vlaamse Regering, met rechtse partijen als N-VA, Open VLD en CD&V verwaarloost ons openbaar vervoer al jarenlang. Het is dan ook geen verrassing dat de Vlaamse minister van mobiliteit Peeters in Knack zegt dat ze zelf pas in september 2021 ontdekte hoe groot de problemen waren bij het leerlingenvervoer voor het buitengewoon onderwijs. Steeds besparen op De Lijn en pas als er media-aandacht komt, kijken naar oplossingen en extra middelen voor het leerlingenvervoer. Het toont het gebrek aan visie en beleid van de Vlaamse Regering. En dat gebrek wreekt zich. Leerlingen en werknemers weten letterlijk niet hoe ze op 1 september op school of hun werk moeten geraken.
De problemen zijn duidelijk, maar de oplossingen ook. Het volstaat naar Brussel te kijken, waar groenen mee besturen. Investeer eindelijk in De Lijn en het openbaar vervoer. Kinderen die maximaal een uur onderweg zijn naar school en duidelijkheid voor de Vlaamse reiziger: het is echt geen rocket science.
Wij gebruiken cookies om de werking van onze website te verbeteren
Functional Altijd actief
De technische opslag of toegang is strikt noodzakelijk voor het legitieme doel het gebruik mogelijk te maken van een specifieke dienst waarom de abonnee of gebruiker uitdrukkelijk heeft gevraagd, of met als enig doel de uitvoering van de transmissie van een communicatie over een elektronisch communicatienetwerk.
Voorkeuren
De technische opslag of toegang is noodzakelijk voor het legitieme doel voorkeuren op te slaan die niet door de abonnee of gebruiker zijn aangevraagd.
Statistics
De technische opslag of toegang die uitsluitend voor statistische doeleinden wordt gebruikt.De technische opslag of toegang die uitsluitend wordt gebruikt voor anonieme statistische doeleinden. Zonder dagvaarding, vrijwillige naleving door uw Internet Service Provider, of aanvullende gegevens van een derde partij, kan informatie die alleen voor dit doel wordt opgeslagen of opgehaald gewoonlijk niet worden gebruikt om je te identificeren.
Marketing
De technische opslag of toegang is nodig om gebruikersprofielen op te stellen voor het verzenden van reclame, of om de gebruiker op een website of over verschillende websites te volgen voor soortgelijke marketingdoeleinden.