by Frans Dams | sep 2, 2023 | Varia
Op 9 en 10 september vindt de dertiende editie plaats van ManiFiesta. Dit grootste solidariteitsfeest van België is in veel opzichten uniek. Blikvangers dit jaar zijn o.a. Axelle Red, Metejoor, Coely, Jeremy Corbyn en Chris Small, de oprichter van de vakbond van Amazon in de VS. Om meer over deze editie te weten gingen we langs bij Mario Franssen, directeur programmatie.
Hoe is ManiFiesta ontstaan en wie zijn daar de trekkers van?
Mario Franssen: “ManiFiesta is een initiatief van Geneeskunde voor het Volk en Solidair, het maandblad van de PVDA. De eerste editie was in 2010. De bedoeling was om een groot solidariteitsfeest te organiseren waar al wie progressief is in België zijn plaats en rol kan krijgen.”
“Het is dan ook een heel participatief feest. Naast de twee initiatiefnemers nemen zo’n honderdtal organisaties deel, gaande van vakbonden en mutualiteiten tot vredesorganisaties, sportclubs en jongerenverenigingen. Zij nemen heel diverse initiatieven: debatten, tentoonstellingen, een schaaktornooi, een boekenforum, … Te veel om op te noemen.”
“Het feest gaat door op de Wellingtonrenbaan in Oostende. Daar hebben de vakbonden hun eigen plein. ACV en ABVV werken er samen en voorzien een rijk gevuld programma, met onder andere debatten. Er is een jongerenplein waar veel aan sport wordt gedaan en waar debatten plaatsvinden.”
“Ook Geneeskunde voor het volk heeft een eigen plein met heel wat activiteiten. En er is het plein van internationale solidariteit. Daar vind je de tent van Che Presente, veel andere organisaties zoals Intal, Vrede, en tal van standjes van landen uit het Zuiden.”
“Er is voor de eerste keer een cultuurtent met een heel divers aanbod: klassieke muziek, jazz, theater, stand up, boombal, … Uiteraard zijn er ook nog verschillende podia met muziekoptredens. Het is een solidariteitsfeest, maar tezelfdertijd is het ook een groot festival.”
“We hebben tenslotte ook twee mediapartners: DeWereldMorgen en de Oostendse radiozender Melinda FM die met ons samenwerken in Radio ManiFiesta.”
Zoveel activiteiten, dat vergt ongetwijfeld een gigantische organisatie?
“Zeker. Wij zijn daar met een equipe van acht mensen een heel jaar mee bezig. Daarnaast steunt het feest op zo’n 2000 vrijwilligers, waarvan er een deel doorheen ook al tijdens het jaar actief zijn.”
“In tegenstelling tot veel andere festivals is de infrastructuur bij ons voor een groot deel het werk van vrijwilligers. De opbouw bijvoorbeeld is al begonnen op 29 augustus, met tientallen vrijwilligers. Voor een feest met 300 activiteiten en 15.000 aanwezigen is dat wel nodig.”
Wie zijn de blikvangers dit jaar?
éWe hebben een aantal heel interessante internationale sprekers. Zo bijvoorbeeld Chris Smalls, oprichter en ook voorzitter van de vakbond van Amazon in de VS. Jeremy Corbyn, de voormalige voorzitter van Labour in Groot-Brittannië en zijn landgenote Allyson Pollock. Zij is experte en activiste op vlak van gezondheidszorg. Er zijn daarnaast een heel reeks sprekers uit verschillende landen van Afrika, Cuba, China, …é
“Bekende sprekers uit ons eigen land zijn Marc Leemans en Thierry Bodson, de voorzitters van de groene en rode vakbond. Topjournalist Paul Goossens komt zijn boek voorstellen. Verder zijn er bijvoorbeeld nog Milo Rau, artistiek directeur van NT Gent, zuster Jeanne Devos en Raoul Hedebouw en Peter Mertens van PVDA.”
“De toppers dit jaar op muzikaal vlak zijn Axelle Red, Metejoor en Coely. Maar er zijn ook nog veel andere pareltjes zoals de rapper Manza Abdeslam of de West-Vlaamse band Turf.”
DWM: Wat de voorbije jaren opviel is dat het feest bijzonder divers en kleurrijk is.
“Ja, voor ons is dat heel belangrijk. Mensen van over heel België, over de taalgrens heen, komen naar hier. Jong en oud en mensen met zeer diverse achtergronden. Voor elk debat is er vertaling voorzien in de twee talen. Die vertaling wordt geleverd door tientallen tolken.”
“In de debatten streven we ernaar om een gelijke man/vrouw verdeling te hebben. Dat doen we ook voor de muziekoptredens en die zin zijn we uniek in vergelijking met de grote muziekfestivals, waar het vooral de mannen zijn die op de podia staan. Daar zijn we fier op.”
“Internationale gasten die hier komen spreken vertellen ons regelmatig dat hen de grote diversiteit van ManiFiesta opvalt. Voor ons is het een doelbewuste politiek. Met die veelkleurigheid en diversiteit willen we laten zien dat als je samenwerkt je heel veel kan bereiken.”
In vergelijking met andere festivals zijn de inkomprijzen zeer goedkoop. Is dat een bewuste politiek?
“Inderdaad. Een dagticket kost 19 euro en een weekendticket 34 euro. Voor mensen die willen steunen is er ook nog de mogelijkheid om een solidariteitsticket te kopen van 70 euro. We kunnen de prijzen ook laag houden omdat we kunnen steunen op veel vrijwilligers.”
“Dat is een bewuste politiek om zo breed mogelijk te gaan en zoveel mogelijk mensen de kans te geven om te komen. De meeste festivals zijn heel duur en daardoor niet altijd toegankelijk voor een deel van de bevolking. Wij houden daarom onze prijzen beperkt en daar krijg je een programma voor van 300 activiteiten.”
Wat is voor jou de belangrijkste reden waarom iemand naar ManiFiesta zou moeten komen?
“(lacht) Er zijn veel redenen, maar de belangrijkste is volgens mij de volgende: Je ontmoet er gelijkgezinde mensen met progressieve ideeën. Je komt er mensen tegen die goed gezind en enthousiast zijn. Je ontmoet er mensen die je mogelijk bent tegengekomen op een betoging het afgelopen jaar, als je vrijwilligerswerk hebt gedaan in Verviers of als je meewerkt aan een lokaal progressief theaterstuk.”
“Kortom, het is een echte ontmoetingsplek. Er is voor elk wat wils. Daarom is het geen festival in de klassieke zin en daarom noemen we het ook een feest van de solidariteit.”
“We steken er met de vele vrijwilligers veel energie in vooraf, maar het feest geeft je ook veel energie. We hadden net een voorbereidingsdag met 80 vrijwilligers. Die liepen er allemaal met een smile rond. Die weten dat het de komende twee weken zwaar zal worden, maar die weten ook dat ze de weken daarna met volle energie weer aan de slag zullen kunnen gaan omdat ze ManiFiesta hebben meegemaakt.”
Het programma van ManiFiesta vind je hier.
De verkoop van tickets gebeurt online (of ter plaatse aan de kassa). Je hier tickets bestellen.
DeWereldMorgen zal er ook staan met een standje. Kom gerust eens lang, of als je wil helpen, mail dan naar redactie@dewereldmorgen.be.
Bron: De Wereld Morgen
by Frans Dams | sep 2, 2023 | Antipestteam
Opinie – Els Four (Furia vzw), Ida Dequeecker (BOEH!), Isa Verlaenen (Rebelle), Meron Knikman (Vrouwenraad), Sarah De Coster (Femma), Sarah Scheepers (Ella vzw), Heleen Struyven (Crisiskabinet Kinderopvang) Nina Henkens
Acht vrouwen, actief binnen diverse organisaties, reageren op de uitspraak van Vincent Van Quickenborne over thuisblijvende vrouwen. De ondertekenaars: Els Flour, bestuurslid Furia; Ida Dequeecker, kernlid BOEH!; Nina Henkens, coördinator Kif Kif vzw; Isa Verlaenen, nationaal verantwoordelijke Rebelle; Meron Knikman, voorzitter vrouwenraad; Sarah De Coster, expert gender en diversiteit Femma; Sarah Scheepers, coördinator Ella vzw; Heleen Struyven, Crisiscabinet Kinderopvang.
Als een toppoliticus de aandrang voelt om ‘een kat een kat te noemen’ kan je al vermoeden dat er een racistische oprisping volgt. Vincent Van Quickenborne (Open Vld) is hierop geen uitzondering. In een interview in Humo (en De Morgen, 14/8) toont hij in negen zinnetjes zo’n minachting voor vrouwen en het opvoeden van kinderen en spreekt hij zo stigmatiserend over vrouwen (en mannen) met migratieroots dat een feministisch antwoord niet kan uitblijven.
Kern van zijn betoog: huismoeders met een werkloosheidsuitkering moeten worden geactiveerd door een deel van hun uitkering af te nemen, en dat geldt met name voor huismoeders “van allochtone afkomst”. Het is te zeggen: aangezien de overgrote meerderheid van de huismoeders geen enkele uitkering ontvangt, wil hij de werkloosheidsuitkering van hun partners aanpakken. Huismoeders van allochtone afkomst hebben – het spreekt blijkbaar voor zich – een werkloze man. Een langdurig werkloze man zelfs, want de manier waarop Van Quickenborne wil snoeien in de uitkeringen, kan alleen bij wie langdurig werkloos is.
Om te verklaren waarom deze groep vrouwen weinig tewerkgesteld is, laat hij pro forma even het woord ‘racisme’ vallen, meteen gevolgd door het riedeltje van de ‘twee culturen’. Volgens Van Quickenborne hebben wij “hier” de “vrouw-aan-de-haard-cultuur” (jazeker, het kostwinnersmodel was/is geen beleid, maar een cultuur) al lang achter ons gelaten en wordt het hoog tijd dat vrouwen van een andere cultuur dat ook eens gaan doen. Zij vormen immers de meerderheid van de thuisblijvende moeders voor wie hun partners “een hogere werkloosheidsuitkering krijgen”, zo vervolgt hij. Het woord profiteurs valt net niet, maar goede verstaanders hoeven geen expliciete uitspraken: de suggestie is dat vrouwen met migratieroots niet willen werken én dat zij en hun echtgenoten daar nog voor worden beloond ook. Beleefd en beschaafd gebracht racisme vreet de samenleving misschien meer aan dan de grofgebekte variant.
Plaats van zorg
Om zijn verhaal te normaliseren, orakelt Van Quickenborne dat vrouwen thuis mogen blijven voor hun kinderen maar “niet op kosten van de maatschappij”. Nog los van het feit dat 92 procent van deze vrouwen geen enkel vervangingsinkomen ontvangt, zegt dit veel over zijn visie op de rol van vrouwen en de plaats van zorg in de samenleving. De minister lijkt ervan uit te gaan dat de zorg voor kinderen een vrouwenzaak is. De druk die vrouwen ervaren door de combinatie van zorg en werk is zeker niet zijn probleem. Dat die druk des te zwaarder weegt voor vrouwen die deeltijds en met onmogelijke uurroosters werken aan heel lage lonen, in allesbehalve riante werkomstandigheden, is dat al evenmin. Dat dit soort werk heel vaak weggelegd is voor vrouwen van kleur ook niet. Laat staan dat hij zou beseffen dat sociale omstandigheden de keuzes bepalen die vrouwen maken en hoe verscheurend die zijn, met name voor alleenstaande moeders.
En wat kan hem die dubbele dagtaak schelen, vermits in zijn ogen zorg voor kinderen niet alleen een pure privézaak is, maar in wezen ook geen werk. En dat lezen we net na de coronacrisis, die ons zo duidelijk heeft gemaakt dat zorgend werk (en alle reproductieve werk), te beginnen met de zorg voor kinderen maar ook de zorg voor de samenleving, het begin en het einddoel is van samenleven en niet het afromen van winsten, gegenereerd door de loonarbeid van al diegenen die “de kost moeten verdienen”.
Als Van Quickenborne zich in volle structurele crisis van de kinderopvang laat ontvallen: “laat hen in de kinderopvang werken, dan kunnen ze hun eigen kinderen meenemen”, is dat tegelijk een racistische sneer én een ontkenning van zowel de ernst van de situatie in de kinderopvang als van de complexiteit van de puzzel die gezinnen dagelijks moeten leggen.
Van een minister verwachten wij beter. Laten wij eens “een kat een kat noemen”. Feministen komen op voor het recht op werk, omdat het een zekere zelfstandigheid en een zekere graad van zelfbeschikking kan verzekeren. Maar feministen weten ook dat betaald werk in onze maatschappij zeker niet de hemel op aarde verzekert. Vaak integendeel. Weinigen kunnen zich de luxe permitteren om echt te kunnen kiezen welk werk ze aanvaarden en hoe ze de combinatie zorg/werk organiseren. Velen vinden gewoon geen betaald werk. In laatste instantie komt de gezinszorg nog steeds op de schouders van vrouwen terecht. Gratis! Vrouwen verplichten om buitenshuis te gaan werken op straffe van de vermindering van de uitkering van hun partner, betekent niet alleen vrouwen straffen voor structurele scheeftrekkingen in de samenleving maar ook de structureel seksistische, racistische en sociale ongelijkheid vergroten.
Bron: De Wereld Morgen
by Frans Dams | sep 2, 2023 | Varia
Opinie – Steve Van Hessche .
Mensen stemmen niet op extreemrechts omdat ze het ideologisch eens zijn, maar omdat ze boos zijn. Waarom zijn mensen boos? Ze voelen zich niet gehoord en/of geholpen. Dit is geen individueel en psychlogisch probleem, maar een collectief gevoel van wantrouwen en isolatie. De oorzaak is een maatschappelijk vangnet dat enkel nog een gigant zoals INEOS kan strikken.
Een sterke publieke dienstverlening is dus geen prioriteit voor de Vlaamse Regering en dat is nog zacht uitgedrukt. Een personeelstekort op een bedje van ellenlange wachtlijsten is dé Vlaamse specialiteit van het moment. Het verbaast niet dat een peperduur culinair centrum nodig was om te kunnen excelleren in de haute cuisine van de afbraakpolitiek. Vergeef me mijn cynisme.
Het personeelstekort bij De Lijn is een van de laatste recepten die ze uit hun grote chefhoed toveren. Dagelijks rekenen mensen op het openbaar vervoer. Kinderen en jongeren moeten naar school of de opvang. Daar vinden ze met geluk een overwerkte leerkracht of begeleider in een klas of crèche. Bijkomend is de eerstelijn van jeugdwerk en jeugdhulp dermate uitgehold dat ze zelfs zonder kluitje in het riet worden gestuurd. Het toenoemend pestgedrag en de toxische groepsdynamiek bij jongeren kan toch louter de schuld van de ouders zijn. Die ouders profiteren enkel van OCMW’s en andere diensten van steden en gemeenten, waar ook al geen kat te vinden is.
Enkele politieke partijen hebben zo een antwoord om dit allemaal recht te zetten, namelijk de zondebokstrategie met een ‘sterk’ uitgekiend narratief. Anekdotiek en storytelling regeert het publiek en politiek debat. Wie zijn de hoofdrolspelers? Huismoeders met een migratie-achtergrond, leefloners van het profitariaat, vluchtelingen en andere gelukzoekers, amokmakende dak- en thuislozen en krakers, sociaal frauderende huurders met een patatten-veldje in Turkije, etc … Het zijn slechts enkele stereotiepe en stigmatiserende beelden die politici schetsen om de hete aardappel door te schuiven. Extreemrechts verwelkomt deze Vlaamse doos van Pandora met open armen en trekt die volledig open.
Bron: De Wereld Morgen
by Frans Dams | sep 2, 2023 | Onderwijs
Waarom haken zoveel jongeren af en is er zo’n groot lerarentekort? Zelden of nooit krijgen we in de media het debat over de kern van de zaak. Voldoet ons huidig onderwijssysteem aan de noden van de 21ste eeuw? Hoe worden de jongeren voorbereid op een snel veranderende wereld. Sigrid en Kenny zijn twee enthousiaste leerkrachten uit het lager onderwijs die het anders willen. Ze zochten deze zomer naar inspiratie tijdens een conferentie over democratische scholen. DeWereldMorgen sprak met hen over welke inspiratie ze hebben opgedaan en wat ze graag anders zien in ons huidig onderwijssysteem.
Democratische scholen zijn, in een notendop, methodescholen die werken met directe democratie. Ze vertrekken vanuit het kind. De kinderen beslissen mee hoe ze hun leerproces willen invullen en worden daarin begeleid door de leerkrachten. De leergroepen zijn gemengd qua leeftijd en de beslissingen worden gezamenlijk genomen.
Ik heb net een stevige regenbui doorstaan als ik in de gezellige huiskamer van Sigrid binnenwandel. Op tafel stonden de koekjes, nootjes, koffie en thee al klaar. Kenny en Sigrid zaten te poppelen om honderduit te vertellen over de inspirerende conferentie waar ze waren geweest.
Kenny steekt van wal: “Het grappige is dat we dezelfde job doen in dezelfde stad. We werken allebei als onthaalleerkracht voor anderstalige nieuwkomers in verschillende stedelijke lagere scholen in Antwerpen. Maar we hebben elkaar vorig jaar pas ontmoet op de EUDEC-conferentie in Engeland over democratisch onderwijs.”
“We zijn in contact gebleven en besloten om er dit jaar samen naartoe te gaan. De jaarlijkse conferentie EUDEC vond dit jaar plaats in Bulgarije. EUDEC staat voor ‘European Democratic Education Conference’.”
Er klopt iets niet
Sigrid: “Mijn motivatie om er vorig jaar voor de eerste keer naartoe te gaan, was omdat het in Engeland was tijdens het Summerhill festival. En Summerhil is één van de oudste democratische scholen in de wereld. Ze vierden vorig jaar hun 101-jarig bestaan. Door corona konden ze hun 100-jarig bestaan niet vieren. Ik was nieuwsgierig naar hoe zo’n school effectief werkt.
“Ik ben me er al jaren van bewust dat ons onderwijs zoals het nu is niet meer klopt en ook niet werkt. We leggen teveel op aan kinderen. Fysieke straffen zijn gelukkig afgeschaft maar ons onderwijssysteem blijft in zekere zin nog altijd autoritair. Het regulier onderwijs vormt kinderen tot afhankelijke consumenten. Ze leren niet hoe ze autonoom kunnen denken.”
“De leerkracht dicteert hoe een kind zich moet gedragen naast wat het moet leren. ‘Je moet nu zitten, nu mag je je pen pakken, nu moet je je pen neerleggen, nu moet je wachten en luisteren.’ Zelfs wanneer het kind naar het toilet mag gaan, waar het moet zitten in de klas en naast wie. Het kind wordt zo ingeperkt en we hebben het recht niet om dat te doen.”
“Kinderen beginnen met heel veel goesting aan school maar dat neemt zienderogen af. We merken schoolmoeheid al in de lagere school. En dat vind ik heel jammer. Ik denk echt dat het komt door ons schoolsysteem waar te weinig vertrokken wordt vanuit het kind. Ik zocht naar inspiratie over hoe het anders kan. Ik heb er eerst veel over gelezen en ben dan een eerste keer naar de conferentie in Engeland gegaan.”
Wat wil het kind?
Kenny: “Ik sluit me aan bij wat Sigrid zegt. Ook ik vind dat er veel moet veranderen aan het huidige onderwijssysteem. Hoe meer je aan een kind oplegt hoe meer je de boodschap geeft dat wat hij of zij denkt er niet toe doet. In mijn zoektocht las ik het boek van Peter Gray, ‘Free to learn’. Ik vond het enorm inspirerend. Hij beschrijft in zijn boek o.a. de belangrijke voordelen van spelen voor de ontwikkeling van het kind en de intrinsieke motivatie om te leren. Als we vertrekken vanuit die intrinsieke motivatie zal het leren veel leuker worden en onthouden ze ook meer.”
“We leven in een democratische maatschappij maar ons onderwijs is alles behalve democratisch. We zitten nog altijd in het top down-paradigma dat nodig was in de 19e eeuw voor de industriële revolutie. Het vormt mensen om zich in te passen in het industriële systeem. Kinderen moeten nog altijd heel veel dingen leren waar ze totaal niets mee kunnen in hun leven.”
Sigrid: “Op zo’n EUDEC-conferentie kan je een week lang lezingen en workshops volgen over heel uiteenlopende aspecten van democratisch onderwijs. Je kan ook zelf tijdens de lege momenten workshops voorstellen. De bedoeling is mensen samen te brengen die rond democratisch onderwijs bezig zijn. Onderzoekers, oprichters, leerkrachten en leerlingen van zo’n school. En daarnaast ook leerkrachten die in een publieke school les geven maar andere inspiratie zoeken. Er komen mensen uit heel Europa. Er is veel uitwisseling onderling. Het is heel empowerend.”
“Na zo’n conferentie merk ik wel dat er echt veel werk aan de winkel is in ons reguliere onderwijs om te evolueren naar het meer bottom up-aanbieden van kennis.”
Kenny: “Een democratische school keert eigenlijk het paradigma van klassiek onderwijs om. De leerlingen krijgen de vrijheid en verantwoordelijkheid over hun eigen leerproces. Ze hebben ook inspraak in hoe de school gerund wordt. Bijvoorbeeld bij de opstelling van het reglement van een school kunnen leerlingen meebeslissen welke regels ze fair vinden. De regels worden meer gedragen in de school, leerlingen worden empowered om hun stem te laten horen en daar wordt rekening mee gehouden. Ze krijgen ook inspraak bij conflicten om samen naar een gepaste hersteloplossing te zoeken.”
Sigrid: “Wij kennen hier methodescholen zoals Freinet of Steinerschool. Die volgen wel ook de eindtermen zodat ze de erkenning en de subsidies hebben van de overheid. Een democratische school doet dat niet en krijgt dus ook geen erkenning. In Vlaanderen was er één democratische school in Gent, die is gestopt wegens te weinig leerlingen. Doordat de scholen geen subsidies krijgen, moeten de ouders zelf de kosten betalen wat niet evident is voor de meeste ouders. In Wallonië zijn er wel een aantal actieve democratische scholen.”
“De concrete uitwerking van de methode verschilt wel naargelang het type democratische school. Er zijn scholen die helemaal geen aanbod hebben, waarbij de leraar per leerling bekijkt wat die wil leren. De leraar zoekt vervolgens naar tools om de leerling daarin te begeleiden. Andere democratische scholen hebben een bepaald aanbod waaruit de leerlingen kunnen kiezen. Sommige andere hebben dan weer bepaalde vakken die wel verplicht zijn etc. … Er is dus veel diversiteit in de manier waarop het ingevuld wordt.”
Democratie: theorie vs praktijk
Kenny: “De acht pijlers in de lezing van Gabriel Groiss vond ik heel boeiend op de conferentie. (Zie presentatie.) We moeten een onderscheid maken tussen school en leren. We leren kinderen over de theorie van democratie maar niet hoe ze zelf die democratie vormgeven.”
“Anderzijds leer je amper iets over de echte wereld. De buitenwereld wordt op een abstracte manier naar binnen gebracht, met een focus op de hard skills, feitelijke kennis. De soft skills zoals verbindende communicatie, omgaan met emoties, omgaan met conflict, empathie, samenwerking, dat wordt niet aangeleerd.”
Sigrid: “Ik vond ook de lezing van Gabriel Groiss getiteld ‘Quality in education and the need for democratic education‘ heel boeiend. Hij vertelde hoe ons huidig onderwijssysteem van kinderen passieve afhankelijke volwassenen maakt die gedeconnecteerd zijn van zichzelf. Terwijl alle officiële onderwijsaanbevelingen van zowel UNESCO, Raad van Europa, Europese commissie en Human Rights Watch net het tegenovergestelde aanbevelen. Namelijk onderwijs dat van jonge mensen autonome volwassenen maakt, die verantwoordelijkheid nemen voor hun leven. Hij somt ook op hoe het anders kan.” (Zie presentatie.)
“Ook de workshop ‘Evolving Education‘ vond ik boeiend. We werden gevraagd naar onszelf te kijken en hoe het onderwijs ons heeft gevormd. Wat hebben we geleerd dat ons totaal niet dient, maar we wel nog ons hele leven meedragen. Iemand zei bijvoorbeeld: We hebben aangeleerd om altijd naar goedkeuring te kijken van buitenaf’. Iemand anders zei dat die op school geleerd heeft om oneerlijk te zijn om erbij te horen.”
Impact van een democratische school
Kenny: “Ik vond de presentaties van de organisatie Quest (Quality education for sustainable social transformation) ook boeiend. Zij doen effectief onderzoek naar wat de grote voordelen zijn van een democratisch schoolsysteem op het latere leven van de studenten.”
“Ze hebben een Europees project dat DESC heet (Democratic education in schools) waarbij leerkrachten uit het reguliere onderwijs, zoals wij, trainingen kunnen volgen over hoe je de methodes van de democratische scholen in je eigen school kan toepassen.”
Sigrid: “Ik heb heel veel inspirerende workshops gevolgd over hoe het anders kan in ons onderwijs, maar heel veel dingen kan ik niet toepassen, omdat de school waar ik voor werk in een bepaald kader zit. Het is zoeken naar hoe we dat kader kunnen veranderen.”
“De leerstof is wat het is en daar kan ik niets aan veranderen, maar wat ik wel kan veranderen is de omgang met de kinderen en hoe ik hen ruimte kan geven om ook iets aan te brengen. Als leerkracht voor anderstalige kinderen, heb ik het voordeel dat ik geen strak programma moeten volgen. Ik moet ze extra bijscholen in hun taalvaardigheid. Ik kan dus ook meer inspelen op wat hen bezighoudt.
“Bepaalde beslissingen kan ik ook samen met de leerlingen nemen en daar de tijd voor vrijmaken. De tijd die je steekt in het samen overleggen, is geen verloren tijd. Daar leren de kinderen net heel belangrijke dingen mee.”
Kenny: “De tools die ik meeneem van de conferentie om toe te passen in mijn klas, is verbindende communicatie, praten met de leerlingen over hun leefwereld en luisteren naar hun interesse. En kijken hoe ik de leerstof daaraan kan koppelen.”
“Er is weinig of geen kennis in het reguliere onderwijs over democratische scholen. Ik heb lang niet durven vertellen in mijn school dat ik naar de conferentie ben geweest, maar dit jaar toch met mijn directeur samengezeten over de opleiding van het Desc-project voor onze school. Het is de opleiding waarbij leerkrachten training kunnen volgen en tools krijgen om methodes van democratisch onderwijs in hun school te gebruiken. De directeur toonde er wel interesse voor.”
Sigrid: “Voor veel mensen op de conferentie gaat het vooral om de impact die democratisch onderwijs heeft op hoe je de wereld ingaat en welke verantwoordelijkheid je neemt om die ook mee vorm te geven. Ze willen een andere wereld. Kinderen worden nog altijd opgeleid om mee te draaien in een oude wereld. Maar alles is momenteel zo snel aan het veranderen. Je kan de kinderen niet opleiden voor een bepaald soort toekomst. Je moet ze juist zoveel mogelijk die soft skills meegeven zodat ze zich gemakkelijk kunnen aanpassen aan die veranderde wereld.”
Kenny: “Er staat veel op het curriculum dat we verplicht moeten onderwijzen, maar dat volgens mij overboord mag. We stoppen een kind vol met overbodige leerstof waar ze niets over te zeggen hebben. En op het einde heb je jonge mensen die niet weten wie ze zijn en wat ze zelf willen doen.”
Mijn ideale school
Sigrid: “Ik zie de democratische school als mijn ideale school. Een school waar de kinderen zelf zeggenschap hebben over hun tijd. De tijd die ze op school spenderen zelf invullen zoals ze dat willen. Ik ben ook voor groepen waar verschillende leeftijden door elkaar zitten. Zodat ze van elkaar kunnen leren.”
“Ik vind het ook belangrijk dat de kinderen zoveel mogelijk in de natuur kunnen zijn. Een natuurlijke manier van leren maar ook verbinding met de natuur. De natuur zit vol met leven en dus vol met leermogelijkheden. Het is enorm voedend op veel vlakken. School hoeft voor mij niet in een gebouw te zijn. Ook al zit de school in de stad. Je kan de leerlingen elke dag meepakken naar de natuur.”
Kenny: “De ideale school is voor mij een school die vertrekt vanuit de natuur van de leerlingen. Een kind is van nature nieuwsgierig en wil leren. Luisteren naar wat ze willen leren. De ruimte laten om te spelen. Ons huidig onderwijs heeft een goed aanbod. Alleen wordt deze opgelegd. Ik vind het een basisrecht van een kind om zelf te kiezen wat het wil leren. Zo geef je de boodschap aan het kind dat wat het wil er toe doet en dat het deel uitmaakt van een gemeenschap waar het evenveel inspraak heeft.”
Sigrid:“Ik denk zeker dat een ander systeem van onderwijs de leerkrachten veel meer zou motiveren. In een democratische school heb je een heel andere band met je leerlingen. Je creëert met hen samen wat ze willen leren. De leerlingen zijn veel meer gemotiveerd. Dat lijkt me veel fijner voor een leerkracht.”
Kenny: “Ik raad iedereen aan om de film Summerhill eens te bekijken. Summerhill is de oudste democratische school in Suffolk in Engeland. Het is een beetje een gedramatiseerde film, gebaseerd op waargebeurde feiten. Maar het is vooral een mooie ingang om een idee te hebben over wat een democratische school is.”
Sigrid: “Kennismaking met het democratisch onderwijs heeft voor mij een heel nieuwe wereld geopend. Het is een heel inspirerende wereld. Ik raad iedereen aan die in het onderwijs zit, of er interesse in heeft, om er zich in te verdiepen. Je vind er veel info over op het internet.”
Bron: De Wereld Morgen
by Frans Dams | sep 2, 2023 | Varia
Kinderarmoede is een term die vaak gebruikt wordt door kapitalisten om de armoede en ontberingen van kinderen te beschrijven. Dit etiket verhult echter vaak dat het systeem zelf de schuldige is. Kapitalisme stelt winst boven mensen, wat leidt tot uitbuiting en mishandeling van werkenden. Dergelijke uitbuiting draagt aanzienlijk bij aan de armoede van veel gezinnen en dus ook van hun kinderen. Door het als “kinderarmoede” te bestempelen, probeert het kapitalisme een pleister op een houten been te plakken, in plaats van de oorzaken van armoede aan te pakken.
Daarom wil ik ervoor pleiten om in plaats daarvan de term “kinderen in armoede” te gebruiken. Deze subtiele verschuiving in taalgebruik is belangrijk omdat het zien van armoede als een externe omstandigheid die invloed heeft op een kind, in plaats van een inherente eigenschap van het kind, een breder perspectief aanmoedigt. Het zet aan tot nadenken over de vele dimensies van armoede, waaronder economische, sociale en educatieve factoren, en de behoefte aan allesomvattende oplossingen.
Enerzijds vermenselijkt het hun ervaring en erkent het dat ze niet enkel gedefinieerd worden door hun socio-economische status. Het benadrukt hun individualiteit, agency en inherente waarde, in plaats van hen te reduceren tot een statistiek of een categorie die kapitalisten kunnen gebruiken wanneer ze maar willen.
Door de situatie van het kind expliciet te benoemen als “in armoede”, wordt de aandacht ook gevestigd op de bredere systemische factoren die bijdragen aan hun omstandigheden. Het moedigt een kritisch onderzoek aan naar de sociale, economische en politieke structuren die ongelijkheid in stand houden en de kansen van kinderen beperken.
Bovendien moedigt het empathie aan door te benadrukken dat armoede geen abstract concept is, maar een doorleefde realiteit die individuele kinderen treft. Het stimuleert een gevoel van urgentie om de systemische problemen die armoede in stand houden aan te pakken en motiveert actie om het welzijn van deze kinderen te verbeteren.
Zeggen dat kinderen in armoede leven, gaat in tegen de gangbare stereotypen die met armoede worden geassocieerd. Het benadrukt dat armoede geen persoonlijk falen is of een weerspiegeling van de waarde van een individu, maar het resultaat van systemische factoren buiten hun controle. Deze verandering in taalgebruik kan helpen om stigma’s te verminderen en een meer meelevende en inclusieve samenleving te bevorderen met een meer omvattende en genuanceerde aanpak van de problematiek van kinderen in armoede.
Want kinderen die opgroeien in armoede worden geconfronteerd met een veelheid aan obstakels die hun gezondheid, welzijn en toekomstperspectieven beïnvloeden. Hoewel sommige oplossingen binnen het systeem een antwoord kunnen bieden op de korte termijn, zoals gratis schooluniformen, doen deze weinig om de systemische problemen aan te pakken die bijdragen aan armoede. Bijvoorbeeld, zelfs met een gratis uniform kan een kind nog steeds moeite hebben om naar school te gaan als ze geen vervoer hebben of zich zorgen maken of hun familie wel genoeg eten kan betalen om de hele dag door te komen.
We mogen ook niet vergeten dat de impact van onbetaalde arbeid op armoede en kinderen in armoede diep verweven is met het kapitalistische systeem. Het kapitalisme exploiteert en devalueert onbetaalde arbeid, waaronder huishoudelijk werk, zorg en andere vormen van reproductieve arbeid, die voornamelijk door vrouwen en moeders wordt verricht. Deze uitbuiting houdt niet alleen de ongelijkheid tussen mannen en vrouwen in stand, maar draagt ook bij aan de armoedecirkel. De last van onbetaalde arbeid beperkt de economische kansen van vrouwen, en dus ook van hun kinderen, waardoor hun financiële afhankelijkheid blijft bestaan en ze kwetsbaarder worden voor armoede. Bovendien bestendigt het gebrek aan erkenning en steun voor onbetaalde arbeid de sociale en economische ongelijkheid, vooral voor alleenstaande moeders of moeders uit gemarginaliseerde gemeenschappen.
Daarom is het belangrijk om aan te geven dat er verschillende bijkomende factoren zijn die we eerst moeten bekijken voordat we gaan kijken naar zaken als het gebrek aan basisbehoeften.
Sociale vangnetten
Effectieve sociale vangnetprogramma’s spelen een cruciale rol in het verlichten van armoede.
Een studie uitgevoerd door de Belgische Federale Overheidsdienst Sociale Zekerheid (2018) analyseerde de impact van verschillende sociale vangnetmaatregelen op kinderen in armoede in België. Uit de bevindingen bleek dat de verstrekking van gerichte geldoverdrachten, zoals kinderbijslag, een belangrijke rol speelt bij het terugdringen van het aantal kinderen in armoede door gezinnen met een laag inkomen extra financiële steun te bieden.
Bovendien benadrukte de studie het belang van universele gezondheidszorg, toegankelijk voor alle burgers, om de negatieve effecten van armoede op de gezondheid van kinderen te verminderen. De beschikbaarheid van kwaliteitsvolle gezondheidszorg, met inbegrip van preventieve zorg en medische bijstand, droeg bij tot het verbeteren van het welzijn van de kinderen en het verminderen van de last van de medische uitgaven voor gezinnen.
Daarnaast benadrukte het onderzoek het belang van sociale huisvestingsprogramma’s bij het aanpakken van armoede. Toegankelijke en betaalbare huisvesting kan de financiële druk van huisvesting op gezinnen met een laag inkomen verlichten, hen stabiele levensomstandigheden bieden en het risico op dakloosheid verminderen.
Deze bevindingen sluiten aan bij het bredere onderzoek naar sociale beschermingsprogramma’s wereldwijd. De Internationale Arbeidsorganisatie (ILO, 2018) benadrukt de positieve impact van sociale beschermingsmaatregelen, waaronder geldoverdrachten en gezondheidsdiensten, op het terugdringen van het aantal kinderen in armoede.
Als socialist denk ik dat het cruciaal is om de effectiviteit van deze sociale vangnetmaatregelen te erkennen en te pleiten voor de uitbreiding en verbetering ervan. Door het implementeren van uitgebreide sociale beschermingsprogramma’s die geldoverdrachten (zonder voorwaarden), universele gezondheidszorg en initiatieven voor sociale huisvesting omvatten, kan de samenleving streven naar het creëren van een rechtvaardigere samenleving waar armoede effectief wordt aangepakt en het welzijn van alle individuen, vooral kinderen, prioriteit krijgt.
Intergenerationele effecten
Kinderen die in armoede leven, blijven vaak generaties lang in armoede leven. Een onderzoek uitgevoerd door Chetty et al. (2020) werpt licht op de blijvende gevolgen van armoede op het toekomstige inkomen.
Het onderzoek laat zien dat kinderen die zijn opgegroeid in gezinnen met een laag inkomen, aanzienlijke problemen ondervinden bij het doorbreken van de armoedecyclus als ze volwassen worden. Deze mensen lopen een grotere kans om in armoede te blijven en ervaren een beperkte opwaartse mobiliteit in vergelijking met hun leeftijdsgenoten die niet in armoede zijn opgegroeid.
Inzicht in de intergenerationele effecten van armoede versterkt de urgentie om beleid te voeren dat zonder voorwaarden of oordeel alle individuen, ongeacht hun sociaaleconomische achtergrond, laat voorgaan op wat als ‘winst’ wordt gezien onder het kapitalisme. Door de cyclus van armoede te doorbreken en ondersteuningssystemen te bieden die opwaartse mobiliteit mogelijk maken, kunnen we een samenleving creëren die gelijke kansen bevordert en individuen in staat stelt de beperkingen die armoede van generatie op generatie oplegt, te overwinnen.
Structurele ongelijkheid
Kinderen die in armoede leven zijn een direct gevolg van de structurele ongelijkheid in de kapitalistische samenleving. Als socialist denk ik dat het essentieel is om te erkennen dat armoede onder kinderen nauw verbonden is met bredere systemische problemen, waaronder systemisch racisme, genderdiscriminatie en sociaaleconomische ongelijkheden. Uitgebreid onderzoek, zoals dat van Brady et al. (2017), levert overtuigend bewijs van het verband tussen inkomensongelijkheid en het aantal kinderen in armoede in ontwikkelde landen.
De bevindingen van deze studie benadrukken dat landen met een grotere inkomensongelijkheid vaak een hoger percentage kinderen in armoede hebben. Deze correlatie onderstreept de systemische aard van armoede en het nauwe verband met economische ongelijkheid. Het benadrukt hoe het kapitalistisch systeem de problemen van kinderen die in armoede leven in stand houdt en verergert.
Bovendien toont onderzoek consequent aan dat kinderen uit gemarginaliseerde groepen, waaronder raciale en etnische minderheden, onevenredig hoge armoedepercentages ervaren en aanzienlijke barrières tegenkomen bij de toegang tot kwaliteitsonderwijs en gezondheidszorg. Studies uitgevoerd door Duncan et al. (2010) en Bellamy et al. (2020) werpen licht op de intersectionaliteit van armoede, ras en toegang tot essentiële diensten.
Deze studies onthullen een cyclus van nadelen waarin kinderen uit gemarginaliseerde milieus te maken krijgen met systemische belemmeringen en discriminatie, wat leidt tot nog hogere armoedecijfers.
Mentaal en emotioneel welzijn
Onderzoek uitgevoerd door Evans en Kim (2013) biedt waardevolle inzichten in de impact van armoede op het mentale en emotionele welzijn van kinderen. Hun bevindingen geven aan dat kinderen uit gezinnen met een laag inkomen vaker chronische stress ervaren, wat nadelige gevolgen kan hebben voor hun cognitieve ontwikkeling en gezondheidsresultaten op de lange termijn. Deze chronische stress kan het gevolg zijn van verschillende factoren die samenhangen met armoede, zoals onstabiele leefomstandigheden, blootstelling aan geweld en beperkte toegang tot middelen en kansen.
Om kinderen echt uit de armoede te halen, moeten we verder gaan dan kortetermijnoplossingen en moeten we de onderliggende systemische problemen aanpakken. Dit vereist uitgebreide beleidsinterventies, een mondiaal perspectief en een focus op economische rechtvaardigheid, collectieve verantwoordelijkheid, herverdeling van rijkdom, toegankelijk onderwijs en gemeenschapsopbouw.
Dit is hoe ik het zie:
1. We kunnen het mondiale perspectief niet vergeten. De kwestie van kinderen die in armoede leven, is een wereldwijd gegeven. De Sustainable Development Goals van de Verenigde Naties benadrukken de urgentie van het aanpakken van kinderarmoede op wereldwijde schaal en benadrukken de noodzaak van collectieve actie en internationale samenwerking. Dit omvat het ondersteunen van beleid en initiatieven die eerlijke handel bevorderen, schuldverlichting voor ontwikkelingslanden en internationale hulpprogramma’s om verarmde regio’s en gemeenschappen te helpen.
2. We moeten effectieve beleidsinterventies implementeren. Een recente studie van Besharov et al. (2021) analyseerde het effect van een combinatie van beleidsmaatregelen, waaronder een hoger minimumloon, meer subsidies voor kinderopvang en meer belastingvoordelen voor de armsten, op het terugdringen van het aantal kinderen in armoede in de Verenigde Staten. De bevindingen benadrukken dat een alomvattende aanpak het aantal kinderen in armoede aanzienlijk kan verminderen. Ik denk natuurlijk dat we verder moeten gaan naar een leefbaar loon en gratis kinderopvang.
Ik wil ook drie dingen benadrukken.
Eén, het creëren van degelijke jobs met eerlijke lonen en bescherming van werknemers. Dit houdt een beleid in dat volledige werkgelegenheid bevordert, leefbare loonstandaarden afdwingt, veilige werkomstandigheden garandeert en de rechten van werknemers beschermt om zich aan te sluiten bij een vakbond en collectief te onderhandelen.
Twee, het uitbannen van de gender- en rassenongelijkheid die bijdraagt aan armoede. Dit omvat het aanpakken van beloningsverschillen tussen mannen en vrouwen, het bevorderen van gelijke kansen voor gemarginaliseerde groepen en het implementeren van beleid om systemische discriminatie te ontmantelen.
Drie, prioriteit geven aan duurzame ontwikkeling die rekening houdt met de ecologische grenzen van de planeet. Dit omvat het bevorderen van milieuvriendelijke praktijken, de transitie naar hernieuwbare energiebronnen en het aanpakken van klimaatverandering om een duurzame toekomst voor iedereen te garanderen.
3. Als socialist geloof ik dat iedereen toegang moet hebben tot de primaire levensbehoeften, zoals voedsel, huisvesting en gezondheidszorg. Armoede is een schending van dit principe, omdat het mensen de toegang tot deze basisbehoeften ontzegt.
Om de negatieve effecten van armoede op het welzijn van kinderen te verminderen, is het essentieel om toegang tot uitgebreide geestelijke gezondheidszorg en ondersteuning te garanderen. Daarom moeten we prioriteit geven aan universele, kwalitatief goede en betaalbare geestelijke gezondheidszorg en erkennen dat geestelijke gezondheid een fundamenteel aspect is van algeheel welzijn. Dit omvat voldoende financiering voor geestelijke gezondheidsprogramma’s, de integratie van geestelijke gezondheidsdiensten in de eerstelijnsgezondheidszorg en de implementatie van preventieve maatregelen die de onderliggende oorzaken van stress en trauma’s aanpakken.
We moeten economische rechtvaardigheid bevorderen en ervoor zorgen dat iedereen toegang heeft tot de middelen die nodig zijn om een degelijk leven te leiden.
4. Als socialist geloof ik ook dat we een collectieve verantwoordelijkheid voor elkaar hebben. Armoede is niet alleen een individueel probleem of de schuld van ouders, maar een sociaal probleem dat ons allemaal aangaat. Als we het als zodanig zien, kunnen we een samenleving creëren die het welzijn van al haar leden hoog in het vaandel voert.
5. We moeten de ongelijkheid in rijkdom aanpakken, omdat dit de sleutel is tot het terugdringen van het aantal kinderen in armoede. Onder het kapitalisme is rijkdom geconcentreerd in de handen van enkelen, terwijl velen worstelen om de eindjes aan elkaar te knopen. Door rijkdom en middelen te herverdelen, kunnen we armoede terugdringen en meer economische gelijkheid en rechtvaardigheid bevorderen. Om middelen te kunnen herverdelen, moet de gemeenschap die in publiek bezit nemen.
6. Kwaliteitsonderwijs zou een recht moeten zijn, geen privilege. Het mag geen geld kosten en er mogen geen voorwaarden aan verbonden zijn. Armoede beperkt de toegang tot kwaliteitsonderwijs, wat een sleutelfactor is in het bereiken van sociale, politieke en economische mobiliteit. Ervoor zorgen dat iedereen toegang heeft tot gratis en rechtvaardig onderwijs, hoe lang en wanneer ze maar willen, kan meer gelijkheid, rechtvaardigheid en kansen bevorderen.
7. Tot slot geloof ik als socialist in de kracht van de gemeenschap. Armoede isoleert vaak individuen en gemeenschappen, waardoor het moeilijk is om sterke sociale banden op te bouwen. Door samen te werken om armoede uit te bannen, kunnen we sterkere, veerkrachtigere gemeenschappen en landen opbouwen, die elkaar steunen in tijden van nood.
Bovendien vereist het aanpakken van het mentale en emotionele welzijn van kinderen in armoede een holistische aanpak. Het gaat om het creëren van ondersteunende omgevingen binnen gemeenschappen, scholen en gezinnen. Als socialist pleit ik voor het stimuleren van sterke sociale banden, het bevorderen van gemeenschapsbetrokkenheid en het bieden van uitgebreide sociale ondersteuningssystemen. Dit omvat initiatieven zoals buurthuizen, naschoolse programma’s en mentorprogramma’s die kinderen positieve relaties en veilige ruimten bieden om veerkracht te ontwikkelen en om te gaan met de uitdagingen waar ze voor staan.
Concluderend kan gesteld worden dat het probleem van kinderen in armoede verder gaat dan alleen etiketten en een allesomvattende socialistische aanpak vereist. Door de wereldwijde aard van het probleem van kinderen in armoede te erkennen, effectieve beleidsinterventies te implementeren, prioriteit te geven aan mentaal en emotioneel welzijn, structurele ongelijkheden aan te pakken, te pleiten voor herverdeling van rijkdom, toegang tot kwaliteitsonderwijs en gezondheidszorg te garanderen en collectieve verantwoordelijkheid en steun vanuit de gemeenschap te bevorderen, kunnen we werken aan een rechtvaardigere samenleving waarin alle kinderen de kans hebben om zich te ontplooien. Alleen door systemische verandering kunnen we de onderliggende oorzaken van armoede echt aanpakken en een betere toekomst creëren voor kinderen over de hele wereld.
Bron: LSP