Besparen of investeren?

Besparen of investeren?

“De volgende federale regering zal minstens 10 miljard euro moeten besparen om de overheidsschuld onder controle te houden”, zo beweert de Nationale Bank. Ze ziet tevens geen enkele ruimte voor reële loonsverhogingen tot minstens 2026.

Artikel door Jon

Het is steeds hetzelfde liedje: lonen en belastingen zijn al veel te hoog, we leven boven onze stand, dus tijd om de tering naar de nering te zetten, de broeksriem aan te halen, als een goede huisvader, meer doen met minder, enzovoort.

Neoliberale besparingen

Begrotingen worden opgesteld — op elk niveau — vanuit het principe dat het budget vastligt en helaas ontoereikend is om alle noodzakelijke investeringen te doen; het is dus een kwestie van prioriteiten en verdelen van tekorten. Op die manier werden zowat alle openbare diensten in de afgelopen decennia geleidelijk afgebouwd en uitgehold. Privatisering en vermarkting leidden tot structurele problemen in ziekenhuizen, openbaar vervoer, onderwijs, kinderopvang, rusthuizen, sociale huisvesting, …

Infrastructuurwerken zoals stuwen en sluizen op de waterwegen werden verwaarloosd. Na de overstromingen in de Dendervallei in 2010 was de conclusie dat twaalf stokoude stuwcomplexen (uit 1863!) dringend moesten gerenoveerd worden: vijf in Wallonië, zeven in Vlaanderen. Maar vernieuwen kost geld. Geld dat vooral in Vlaanderen blijkbaar niet gevonden kon worden: de Waalse stuwen zijn intussen allemaal vernieuwd, maar aan Vlaamse kant is er nog geen enkele vernieuwde stuw voltooid. Bij vijf van de zeven Vlaamse stuwen zijn de werken zelfs nog niet begonnen! Laat staan dat er gewerkt wordt aan een écht duurzame oplossing, waarbij ruimtelijke ordening niet wordt overgelaten aan de vastgoedlobby maar waarbij er een ernstig, gecoördineerd beleid gevoerd wordt met voldoende ruimte voor overstromingszones.

Socialistische begroting

Een linkse socialistische begroting zou vertrekken vanuit de reële maatschappelijke noden. Er zijn voldoende middelen om aan alle noden te voldoen. Het is mogelijk om openbare diensten te verbeteren in plaats van af te bouwen, om te investeren in duurzame energie en moderne en energiezuinige sociale huisvesting, kwalitatief en gratis onderwijs, openbaar vervoer, gezondheidszorg, …

Sociale en ecologische uitdagingen vereisen grootschalige investeringen, zeker als we verder willen gaan dan het vermijden van de ergste rampen en achteruitgang, maar ook vooruitgang willen bekomen.

Eens democratisch bepaald wat nodig en wenselijk is, kunnen we het nodige geld daarvoor gaan zoeken. We gaan uit van het principe dat de sterkste schouders de zwaarste lasten moeten dragen. Dat is momenteel echter allesbehalve het geval.

Rechtvaardige fiscaliteit

De personenbelasting is progressief: hogere lonen betalen procentueel meer belastingen. Maar in zijn geheel bekeken is ons belastingstelsel verre van progressief. Er bestaan allerlei aftrekposten en fiscale gunstregelingen waar beter begoeden het meest van kunnen profiteren. Accijnzen en BTW (samen goed voor 54,8 miljard) zijn degressieve belastingen aangezien armen weliswaar minder consumeren dan rijken, maar wel een groter deel van hun inkomen aan consumptiegoederen (moeten) besteden. Maar wat er echt voor zorgt dat momenteel de sterkste schouders nauwelijks lasten dragen is dat inkomsten uit kapitaal nauwelijks belast worden. Meerwaarde op aandelen wordt helemaal niet belast in België. Huurinkomsten worden nauwelijks belast. Bedrijfswinsten worden in principe aan (maximum) 25% belast, maar er bestaan allerlei “fiscale optimalisatietechnieken” waardoor de grote bedrijven in de praktijk zo goed als geen belastingen betalen op hun winst. Een rentenierende huisjesmelker kan op die manier tien keer zoveel ‘verdienen’ als een verpleegster, en toch minder belastingen betalen!

In de begroting voor 2024 komt 145 miljard euro van de inkomsten uit belastingen op arbeid: 62 miljard via de personenbelasting, 83 miljard via sociale bijdragen. Kapitaal wordt veel minder belast: de roerende voorheffing (op inkomsten uit vermogen, zoals dividenden en rente) levert slechts 5,4 miljard op en de vennootschapsbelasting (op bedrijfswinsten) 26,6 miljard. Ter vergelijking: in 2022 bedroeg de totale loonmassa in België 268 miljard, inkomsten uit vermogen 154 miljard en bedrijfswinsten 200 miljard.

De PVDA stelt voor om met een vermogensbelasting 8 miljard extra op te halen bij de miljonairs en om de belastingfraude (o.a. via belastingparadijzen), geschat op 40 miljard, beter aan te pakken. Dat is een goed begin, maar er zal veel meer nodig zijn om tot een rechtvaardige fiscaliteit te komen die voldoende middelen kan vrijmaken voor alle maatschappelijke noden. En dan nog zullen de rijken rijker worden en de armen armer. Fiscale correcties kunnen de symptomen verzachten, maar de bron van de ongelijkheid en onduurzaamheid blijft nog steeds bestaan: het kapitalistisch systeem. Een rechtvaardige en duurzame oplossing vereist revolutionaire systeemverandering om een democratische socialistische samenleving te bouwen!

Bron: socialisme.be

2024: het jaar van instabiliteit en polarisatie

Na een woelig jaar dient 2024 zich aan als een jaar van instabiliteit en polarisatie. Het kapitalisme is een systeem in verval dat de meerderheid van de bevolking niet veel goeds te bieden heeft. Tegenover alle gevaarlijke ontwikkelingen – van oorlogen over ellende tot klimaatrampen – staat gelukkig het potentieel van de werkende klasse. Alle talenten en creativiteit van de arbeidersklasse in al haar diversiteit zullen nodig zijn in de strijd om tot maatschappijverandering te komen.

Een centraal gegeven in 2024 wordt ongetwijfeld de verder ontwikkelende nieuwe koude oorlog tussen de VS en China. Beide grootmachten proberen hun machtsblokken te consolideren om sterker te staan tegenover de andere. Een probleem daarbij is dat het kapitalisme zowel in de VS als in China op zijn eigen limieten en tegenstellingen botst. In de ontwikkeling van die machtsblokken zien verschillende regimes een kans om hun eigen regionale positie te versterken. Dit leidt tot meer instabiliteit en conflicten. Er is de oorlog in Oekraïne die ondertussen drie jaar duurt. Het Israëlische staatsterrorisme tegen de bevolking van Gaza blijft aanhouden. Dat conflict dreigt regionaal uitbreiding te kennen, onder meer in Jemen waar de Houthi’s de belangrijke handelsroute langs de Rode Zee en het Suezkanaal kunnen verstoren. Venezuela dreigt een groot deel van het grondstoffenrijke Guyana te bezetten. In Soedan rukken de Janjaweed-milities met Russische steun op. Het aantal potentiële brandhaarden in de wereld neemt toe en elk ervan kan tot grotere regionale confrontaties leiden.

De geopolitieke instabiliteit en polarisatie heeft op veel vlakken gevolgen, niet in het minst wat de economie betreft. De  Amerikaanse economie deed het vorig jaar beter dan verwacht, vooral als gevolg van de overheidsinvesteringen door de regering-Biden, de groeiende militaire uitgaven, de hoge winsten en de particuliere consumptie (ook deels aangedreven door publieke tussenkomsten). De winstgevendheid van de bedrijven staat echter onder druk. De geopolitieke instabiliteit, de nieuwe koude oorlog, klimaatverandering en andere factoren versterken dat. In Europa zijn er tekenen van een recessie die bezig is, wat gevolgen heeft in onder meer de industriële productie. In China worden de cijfers van de jongerenwerkloosheid niet langer gepubliceerd en dan zijn er nog de schuldenbergen.

Na jaren van toenemende ongelijkheid en in een context van instabiliteit en polarisatie dreigen de verkiezingen in 2024 er niet mooi uit te zien. Er zijn belangrijke verkiezingen in onder meer India, de VS en Europa, waar extreemrechts het telkens goed kan doen. België zal daar geen uitzondering op vormen met het Vlaams Belang dat hoopt de agenda van het publieke debat te bepalen. Dat is niet om het te hebben over betere lonen, betaalbaar wonen en sterke openbare diensten. Als extreemrechts op sociale bekommernissen spreekt, is het enkel om verdeeldheid en haat des te sterker naar voren te schuiven. De traditionele partijen bieden er geen antwoord op, zij denken vooral na hoe er opnieuw meer en harder kan bespaard worden op de meerderheid van de bevolking.

De arbeidersbeweging zal op dit alles moeten antwoorden. Er zijn tekenen van hoop: het massale en internationale protest tegen het bloedbad in Gaza, de ontkiemende arbeidersstrijd in de VS, het blijvende verzet tegen alle vormen van onderdrukking (ondanks de antifeministische backlash) of nog de groei van de PVDA in de peilingen. De marxisten van LSP maken een sobere inschatting van de complicaties en het potentieel. We doen dit vanuit een vertrouwen in de capaciteit van de werkende klasse om zichzelf te bevrijden van de ketenen van het kapitalisme dat steeds meer in barbarij afglijdt. We hebben een rotsvast vertrouwen in een socialistische toekomst. Tegelijk maken we de nuchtere vaststelling dat er nog geen breed gedragen socialistisch bewustzijn is en dat het voor revolutionairen dus essentieel is om de kwesties van programma en benadering inzake de urgent noodzakelijke maatschappijverandering te verfijnen en geduldig in het publieke debat te brengen.

Bron: socialisme.be

In plaats van wachtlijst aan te pakken, keert Diependaele (N-VA) zich tegen sociale huurders

In plaats van wachtlijst aan te pakken, keert Diependaele (N-VA) zich tegen sociale huurders

Vlaams minister van Wonen Matthias Diependaele (N-VA) krijgt het budget voor de bouw van sociale huisvesting  niet op. Dat komt niet omdat er teveel budget is, maar omdat er niet geïnvesteerd wordt. De noden zijn nochtans groot, er zijn 176.000 wachtenden voor een sociale woning! Het antwoord van de minister daarop? Sociaal huurders aanpakken.

De regels voor het huren van sociale huisvesting worden strenger. Er komen contracten van maximaal 9 jaar, waarna een evaluatie bepaalt of er een nieuwe huurtermijn volgt. Dit betekent het inbouwen van nieuwe onzekerheden. Wie teveel spaargeld heeft of vastgoed in het buitenland bezit, kan geen sociale huisvesting huren. Bij het toekennen van sociale huisvesting wordt voortaan voorrang gegeven aan wie werkt. Dat laatste bevestigt het feit dat veel werkenden niet genoeg verdienen, maar uiteraard is dat niet het punt dat Diependaele wilde maken. Neen, hij wil een stok achter de deur om werkloze sociale huurders sneller aan het werk te krijgen. Hij beweert dat ongeveer 40.000 arbeidsbekwame sociale huurders niet aan het werk zijn. De minister is zo vervreemd van de realiteit van sociale huurders dat hij hen stigmatiseert als luie profiteurs.

Het gaat om een kwalijke verschuiving in het beleid. Waar sociale huisvesting voorheen gezien werd als een manier om betaalbaar wonen voor een bredere laag mogelijk te maken en tegelijk druk te zetten op de rest van de huisvestingsmarkt, omschrijft Diependaele sociale huisvesting nu als een tijdelijke oplossing voor wie “uitdagingen in het leven heeft en tijdelijk moeilijk in de eigen woonbehoefte kan voorzien.” Van betaalbaar wonen gaan we dus naar tijdelijke hulpverlening. Enige impact op de private huurmarkt is geen doel meer. Dat is niet verwonderlijk voor een minister van een partij die bekend staat voor de nauwe banden met de vastgoedsector. Toen De Wever met zijn favoriete bouwpromotor ging eten in een sterrenrestaurant was het niet om over sociale huisvesting te spreken.

Om het gebrek aan interesse in sociale huisvesting te rechtvaardigen wordt met een kanon geschoten op alle sociale huurders. Op de vastgoedschandalen, zoals recent nog blootgelegd in een Pano-reportage over de vastgoedsector in het mondaine Knokke, kwam er amper een politieke reactie. Aangetoonde gevallen van fraude en intimidatie passeren zonder problemen. Voor sociale huurders daarentegen wordt stilaan een vermoeden van schuld ingebouwd: iedereen is verdacht tot het tegendeel wordt bewezen door de sociale huurder zelf. Twee maten en twee gewichten, met in beide gevallen hetzelfde resultaat: het uitrollen van een rode loper voor de private vastgoedbedrijven.

Het Vlaamse Huurdersplatform (VHP) merkte in de media terecht op dat er nood is aan een ander beleid: “In plaats van extra voorwaarden op te leggen en het leven van sociale huurders moeilijker te maken, moeten er meer sociale woningen bijkomen.” Dat laatste gebeurt vandaag niet waardoor de prijzen voor goedkope huisvesting op de volledige markt erg hoog liggen. Ondertussen sluist Diependaele een deel van het budget van sociaal wonen door naar leningen aan bouwpromotoren om huurwoningen te bouwen aan een “lager tarief dan de marktprijs.” Hij spreekt over ‘budgethuren’. Het komt vooral de bouwpromotoren ten goede die met subsidies en leningen voorgetrokken worden.

Het resultaat is dat wonen steeds onbetaalbaarder wordt. De gemiddelde huurprijs in Vlaanderen is sinds 2020 met 100 euro per maand gestegen tot 853 euro. In Brussel kost een appartement gemiddeld 1.159 euro per maand, ook in Antwerpen ligt de huurprijs boven de 1000 euro. Leuven, Mechelen en Gent komen daar niet ver achter. Bouwpromotoren draaien overuren, terwijl onze portemonnee geplunderd wordt. Diependaele is bevoegd minister voor die plundering.

Er is nood aan een drastisch ander beleid met een plan van massale publieke investeringen in sociale huisvesting, zowel nieuwbouw als renovatie van bestaande huisvesting. Zo blijft het aantal sociale woningen dat rolstoeltoegankelijk is schandalig laag, terwijl de gemiddelde leeftijd van sociale huurders de afgelopen jaren fors toegenomen is en er dus meer zorgbehoeften zijn. Het beleid moet vertrekken van onze noden in plaats van de winstbelangen van bouwpromotoren en hun politieke marionetten in de Vlaamse regering.

Bron: socialisme.be

Werken tot 67 jaar? Onmogelijk! Loubna, 55 jaar, arbeidster in een wasserij

Werken tot 67 jaar? Onmogelijk! Loubna, 55 jaar, arbeidster in een wasserij

We brengen elke maand een getuigenis van iemand voor wie werken tot 67 jaar onmogelijk is. Volgende keer spreken we met Gino, een mecanicien in een garage. Deze maand geven we het woord aan Loubna, een 55-jarige arbeidster in een wasserij.

door Guy Van Sinoy uit De Linkse Socialist

“Ik ben geboren in een klein dorpje in Marokko. Een arm dorp. Toen ik drie was, ging mijn vader werken bij de metro in Brussel. Twee jaar later kwamen mijn moeder en ik aan in Anderlecht. Mijn eerste woordjes Frans leerde ik op de kleuterschool. Mijn twee broers werden later geboren. Ik was niet zo goed op school. Na de lagere school volgde ik snit en naad in het beroepsonderwijs. Mijn moeder zei altijd tegen me: ‘Dan leer je tenminste je eigen jurken te maken.’”

“Na het middelbaar werkte ik als fabrieksarbeidster bij Léonidas in Anderlecht. Toen trouwde ik, kreeg twee kinderen en stopte met werken. Mijn man, een taxichauffeur met oncomfortabele werktijden, kon nauwelijks voor de kinderen zorgen. Gelukkig hielp mijn moeder me.”

“Daarna was het niet gemakkelijk om werk te vinden. We hadden een buurvrouw die een echte socialiste was. Ze werkte voor de linnendienst in Anderlecht waar ze vakbondsafgevaardigde was. Ze raadde me aan om te solliciteren en ik werd aangenomen als arbeidster. De linnendienst reinigt het linnen voor de grote ziekenhuizen (Brugmann, St-Pierre, Schaarbeek) en het linnen voor de OCMW-tehuizen. Ze maakt ook de werkkledij schoon van al het personeel van de Stad Brussel en het OCMW van Brussel-Stad.”

“Het is een onhygiënische job. Om de 3 minuten krijgen we een zak vuil wasgoed. We moeten ze optillen en ze wegen vaak meer dan 50 kg. We zouden met z’n drieën moeten zijn, maar vaak zijn we met z’n tweeën. De ziekenhuiswas is vaak erg vies, met vlekken van bloed, braaksel, etter, urine en soms uitwerpselen. De tassen zitten vol met spullen: kunstgebitten, stukjes long en spuiten. De infectierisico’s zijn hoog en vaccinaties zijn verplicht. Daarnaast zijn er voornamelijk chemische risico’s en gevaren door het gebruik van krachtige schoonmaakmiddelen en vlekkenverwijderaars die soms kankerverwekkend zijn. Daarnaast verhogen de hoge temperaturen en vochtigheid het risico op inademing. In deze omstandigheden werken tot 67? Neen, bedankt!”

Bron: socialisme.be

100 jaar na de dood van Lenin leeft zijn nalatenschap voort

100 jaar na de dood van Lenin leeft zijn nalatenschap voort

Dossier door Anja Deschoemacker uit maandblad De Linkse Socialist

Op 21 januari 1924 stierf Lenin, een nog steeds fel gecontesteerde figuur, maar ongetwijfeld één van de grootste politieke figuren van de vorige eeuw. Dat hij tot mythe en icoon werd gemaakt door het stalinistische regime, dat juist in alle opzichten een tegenpool was van Lenins ideeëngoed, kwam de pro-kapitalistische krachten goed uit en dat doet het nog steeds. In de artikels die zullen verschijnen naar aanleiding van de 100 jaar sinds zijn dood zullen de woorden “meedogenloos”, “autoritair” en dergelijke ongetwijfeld een centrale plaats innemen. Zonder volledigheid na te streven, pogen we in dit artikel de echte Lenin in ere te herstellen.

De stichter van de enige arbeiderspartij die erin slaagt de klasse naar de macht te leiden

Lenins grootste bijdrage tot het marxisme en de strijd van de internationale arbeidersklasse is zonder twijfel de uitbouw van de revolutionaire partij, de overgang van de revolutionaire theorie die werd uitgewerkt door Marx en Engels tot de revolutionaire praktijk. In een artikel voor Lenins 50e verjaardag (in Pravda, 23 April 1920) vergelijkt Trotski Marx en Lenin:

“De volledige Marx is vervat in het “Communistisch Manifest”, in het voorwoord op zijn “Kritiek” in “Kapitaal”. Zelfs indien hij niet de stichter van de Eerste Internationale was geweest, zou hij altijd blijven wat hij is. Lenin anderzijds breidt onmiddellijk uit naar revolutionaire actie. Zijn werk als geleerde betekent enkel een voorbereiding op actie. Als hij in het verleden nooit ook maar één boek had gepubliceerd, zou hij in de geschiedenis nog steeds lijken wat hij vandaag is: de leider van de proletarische revolutie, de stichter van de Derde Internationale.”

Uiteraard heeft Lenin met onder andere “Het imperialisme als hoogste stadium van het kapitalisme” (1916) en “Staat en Revolutie” (1917) belangrijke theoretische inzichten geleverd die onontbeerlijk waren om tot actie te kunnen overgaan. Maar Lenins genie en wat hem onderscheidt van andere marxistische leiders in zijn tijd is beter te vatten in werken als “Wat te doen” (1902) en zijn “Aprilstellingen” (april 1917) – scherpe en intuïtieve inzichten in wat in de praktijk noodzakelijk is voor de arbeidersklasse om vooruit te kunnen gaan in de strijd tegen het kapitalisme.

Het is datgene dat hem een revolutionaire leider van de arbeidersklasse maakt, terwijl figuren als Plekhanov en Kautsky van de revolutionaire praktijk terugdeinzen en figuren als Trotski en Luxemburg niet de noodzakelijke revolutionaire partij – sterk geworteld in de klasse en ontwikkeld op basis van hun ervaringen – hebben uitgebouwd waarmee hun inzichten tot een overwinning kunnen leiden.

Lenin streefde naar de meest diepgaande democratie mogelijk

Volledig in de lijn van Marx en Engels gaat Lenin van in het begin van zijn activiteit in tegen een enge, nationaal beperkte en kortzichtige visie op arbeidersklassepolitiek. Tegen de economisten – die de klassenstrijd zien als enkel de economische strijd van de arbeidersklasse tegen de bazen en vanuit dat standpunt een zeer los partijverband vooropstellen – pleit hij ervoor dat socialisten de klasse politiek opvoeden tot een klasse die leiding kan geven aan alle onderdrukte lagen in een strijd voor maatschappijverandering.

In tegenstelling tot het zich beperken of zelfs maar concentreren op de directe economische strijd, waarvoor de klasse haar eigen organen in de vorm van vakbonden creëert, stelt hij dat socialisten “tribunen van het volk” moeten zijn en op alle terreinen moeten vechten voor een consequente democratie, iets wat we niet moeten verwachten van de liberale burgerij in een tijdperk van opkomst van haar tegenpool en uitdager in de vorm van de arbeidersklasse.

Ook zijn visie op de revolutionaire partij is daarvan doordrongen, een partij die via democratische discussie tot eengemaakte actie komt. Om ideeën en activiteiten op een eerlijke manier te bekijken, moeten ze uiteraard in hun concrete tijdperk en realiteit moeten worden gezien. Democratie in een partij wordt enorm bemoeilijkt in een situatie waarin die partij ondergronds moet werken en constant bloot staat aan onderdrukking door het staatsapparaat, een situatie waarin de meest ontwikkelde leiding zich in het buitenland bevindt, wat ook voor Lenin tijdens een groot deel van zijn politieke leven het geval was.

Ook hem reduceren tot het oorlogscommunisme, een regime dat werd opgelegd aan de jonge arbeidersstaat door jarenlange militaire aanvallen vanwege de Russische heersende klasse met behulp van buitenlandse troepen, getuigt van intellectuele oneerlijkheid. Uiteraard zijn er fouten gemaakt, maar de aanpak was gebaseerd op een realistische inschatting van wat noodzakelijk was om de revolutie te verdedigen. Er is geen enkele tekst van Lenin terug te vinden die bijvoorbeeld de éénpartijstaat verdedigt of een monolithische partij – dit zijn kenmerken die behoren tot het stalinisme, die tijdelijke en door de concrete omstandigheden opgelegde maatregelen vereeuwigt en uitlegt als “leninisme”.

Het steeds opnieuw aanpassen van partijstructuren, van de balans tussen democratie en centralisme, aan de realiteit op het terrein vormt een rode draad in de werken van Lenin (een goed overzicht hierop wordt geboden door het boek Leninism under Lenin van Marcel Liebman). En steeds opnieuw, wanneer de massa’s zich roeren, baseert hij zich daarop, niet met een top down benadering. Meerdere malen spreekt hij rechtstreeks de arbeiders aan de basis van de partij aan om een correcte politiek af te dwingen van een behoudende leiding die zich niet heeft aangepast aan de veranderde realiteit. Hij toont zich een sterke tactische leider, wiens tactieken volledig gebaseerd zijn op de inschatting van de situatie, de perspectieven voor de strijd en de doelen op korte en lange termijn. 

Lenins laatste gevecht

Op het einde van zijn leven, wanneer hij door ziekte aan bed is gekluisterd, zijn het opnieuw de democratische vraagstukken en dan vooral het nationale vraagstuk, gecombineerd met de strijd tegen de groeiende bureaucratie die de democratie in de partij en het land versmacht, die hem tot zijn laatste geschriften aanzetten, zijn verschillende nota’s die gebundeld zijn in de brief aan het congres. Het is een verzet, een strijd die hij wil aangaan, en waarvoor hij o.a. bij Trotsky bondgenoten zoekt, tegen de ondemocratische neigingen in de kliek rond Stalin tegenover de eerder door het tsarisme onderdrukte volkeren. Het boek “Lenin’s Final Fight” bundelt die geschriften van 1923-24.

Op 31 december 1922 schrijft hij in “verderzetting van de nota’s over de kwestie van de nationaliteiten of “autonomisering”:

“Noodzakelijkerwijs moet een onderscheid gemaakte worden tussen het nationalisme van een onderdrukkende natie en dat van een onderdrukte natie, tussen het nationalisme van een grote natie en dat van een kleine natie. Tegenover het tweede soort van nationalisme zijn wij, nationalen van een grote natie, in de historische praktijk bijna altijd schuldig geweest aan een eindeloos aantal van gewelddaden; bovendien plegen we een eindeloos aantal keren geweld en belediging zonder het te merken. (…) Daarom moet het internationalisme vanwege de onderdrukkende of “grote” naties, zoals ze worden genoemd (hoewel ze enkel groot zijn in hun geweld, alleen groot als bullebakken) niet alleen bestaan in het in acht nemen van de formele gelijkheid van naties, maar zelfs in een ongelijkheid, via dewelke de onderdrukkende natie, de grote natie, de ongelijkheid die in het echte leven bestaat zou compenseren.(…)

“Voor het proletariaat is het niet alleen belangrijk, maar absoluut essentieel dat ze er verzekerd van kunnen zijn dat de niet-Russen het grootst mogelijke vertrouwen hebben in de proletarische klassenstrijd. Wat is hiervoor nodig? Niet gewoon formele gelijkheid. Op de ene of andere manier, door de houding die ingenomen wordt of door toegevingen, is het nodig de niet-Russen te compenseren voor het gebrek aan vertrouwen, voor het wantrouwen en de beledigingen waaraan de regering van de “dominante” natie hen in het verleden onderworpen hebben.”

Met deze tekst gaat hij in de aanval tegen Stalin en zijn kliek, die in de kwestie van Georgië de gelijkheid en recht op zelfbeschikking van de verschillende Sovjetrepublieken ontkent. Hij noemt hem een “vulgaire Russische bullebak” en legt uit: “niets houdt de ontwikkeling en versterking van de proletarische klassensolidariteit zo sterk tegen als nationale onrechtvaardigheid”.

Lenin’s grote bijdrage aan het begrip van onderdrukking als specifieke factor die dialectisch verbonden is met de klassensamenleving en de klassenstrijd, concentreert zich rond de nationale kwestie. Zonder het principiële democratische principe dat de onderdrukte naties over hun eigen lot en leven moeten kunnen beschikken, geformuleerd in het recht op zelfbeschikking der naties, had de Russische Revolutie niet succesvol kunnen zijn. Die politiek van steun aan de strijd van onderdrukte volkeren heeft hij ook voortgezet in de houding van de jonge sovjetstaat tegenover de door het imperialisme onderdrukte volkeren van het Oosten.

Hij heeft veel minder geschreven over vrouwenonderdrukking – en bij mijn weten niets over gender-niet-conforme personen – maar de eerste wetgeving van de sovjetstaat verzekert als de eerste staat in de wereld sinds het ontstaan van klassensamenlevingen volledige wettelijke gelijkheid voor vrouwen en homoseksualiteit wordt uit het strafrecht gehaald. Het houdt daarmee ook niet op, Lenin stelt meerder malen dat dit het gemakkelijkste aspect is, maar ook dat geen enkele burgerlijke staat deze gemakkelijkste step heeft gezet. Met de beperkte middelen van een economisch en cultureel achtergebleven samenleving wordt alles gedaan dat binnen de mogelijkheden ligt om diensten op te zetten die het ook voor vrouwen met kinderen mogelijk maken buitenshuis een rol te spelen in het runnen van de samenleving, middelen worden vrijgemaakt voor onderzoek naar transseksualiteit en men kon formeel van geslacht veranderen.

Zijn laatste gevecht toont opnieuw de diepte en breedte van zijn socialistisch ideeëngoed, waarin niet een burgerlijke, formele democratie wordt nagestreefd, maar een echte, levende democratie die op alle terreinen van onderaf wordt opgebouwd en die zich richt tegen iedere vorm van onderdrukking en uitbuiting. Het was een brandende noodzaak en een diepgaand verschil met de reformistische leiders van zijn tijd en dat is het tot op vandaag.

Bron: socialisme.be