Er wordt in het voorjaar van volgend jaar een enorme ontslaggolf verwacht in ons land. Dat meldt ‘De Tijd’ op basis van een rondvraag van Voka en getuigenissen van verschillende zakenadvocaten, die naar eigen zeggen bedolven worden onder de dossiers.
Vooral de maakindustrie (waarbij materialen of componenten worden omgezet in afgewerkte producten), de autosector en de retail zouden getroffen worden, maar ook branches zoals de ICT zijn niet veilig. Aan de basis van de problemen ligt een stijging van de werkingskosten van de bedrijven en een dalende vraag bij klanten.
Ook de economische onzekerheid speelt de bedrijven parten, zeker nu Donald Trump in de Verenigde Staten opnieuw president wordt en er gevreesd wordt voor een echte handelsoorlog.
Geen concrete namen
Concrete namen worden niet genoemd, maar het zou vooral gaan om Belgische fabrieken van internationale bedrijven die het al een tijd niet goed deden als gevolg van de hoge energie- en loonkosten.
Werkgeversorganisatie Voka luidde gisteren al de noodklokken. Een enquête bij 700 Vlaamse ondernemingen toonde deze week dat ruim zes op de tien de economische situatie als “negatief tot erg negatief” beoordeelt. Volgens Voka-topman Hans Maertens gaan we door de “zwaarste economische crisis in de industrie in vijftien jaar tijd”. De werkgeversorganisatie dringt dan ook aan op de snelle vorming van een federale regering.
Diependaele wil focussen op de “opportuniteiten”
Vlaams minister-president Matthias Diependaele (N-VA) verzet zich tegen “de negativiteit of het defaitisme” rond de Vlaamse industrie en wil zich focussen op de “opportuniteiten”. Dat zei hij in ‘De Ochtend’ op Radio 1.
Volgens Diependaele neemt de Vlaamse regering op twee vlakken maatregelen voor de industrie. Enerzijds wil de regering “het kader herstellen voor alle ondernemers om beter te kunnen ondernemen”. Het gaat dan onder meer om het verlagen van de administratieve lasten, het energiebeleid en een rechtszeker vergunningenbeleid. Anderzijds wil de regering “strategische keuzes herbekijken om de industrie meer te ondersteunen”.
Zo is het de bedoeling om het algemeen belang meer te laten doorwegen. “Wat hebben we nodig in Vlaanderen? Wonen, landbouw, industrie: dat zet allemaal druk op de omgeving, maar we hebben die ook nodig”, legt hij uit. Er mogen geen tegenstrijdige adviezen meer komen van de administratie.
Europa moet ook ingrijpen
Diependaele kijkt ook naar Europa en hoopt dat er bij de Europese Commissie een “sense of urgency” groeit om “naar ons welvaartsbeleid te kijken en dat in overeenstemming te brengen met andere Europese doelen.”
Europa mag dus niet de tak afzagen waarop ze zit, lijkt de boodschap. “We mogen ons verdienmodel als Europese samenleving niet uit het oog verliezen”, klinkt het. “Hoe kunnen we de transitie naar klimaatneutrale industrie beter doen passen binnen het businessmodel en verdienmodel van onze industrie?” Net daarom ook sprak het Vlaamse regeerakkoord af om niet aan ‘goldplating’ te doen, met name “straffer willen zijn dan de rest om Europese doelstellingen om te zetten”.
“Een school moet de lat superhoog leggen, maar we verwachten van ouders hetzelfde.” Juffen Natalie en Laura en directrice Begga van basisschool ‘De Klare Bron’ in Heverlee, verklaren waarom Vlaamse tienjarigen zo achteruitboeren voor wiskunde, zoals blijkt uit nieuw onderzoek. “Het wiskundeniveau daalt omdat ook het taalniveau daalt”, zeggen ze.
“Wiskunde is de basis. Alles begint ermee”, sprak viroloog Steven Van Gucht onlangs in ‘Over de oceaan’. “Als we ooit aliens tegenkomen, zullen we enkel door middel van wiskunde met hen kunnen communiceren.” Begga Willems, directrice van basisschool ‘De Klare Bron’ in Heverlee, ziet dat anders. “Taal is de basis”, zegt zij. “Want zonder taal heb je geen wiskunde. Meer zelfs: voor wiskunde heb je ontzettend véél taal nodig, ook vakspecifieke taal. En daar knelt volgens mij het schoentje: het wiskundeniveau daalt omdat ook het taalniveau daalt.”
Juf Natalie Haine van het vierde leerjaar knikt: “Zonet deed ik een luistertoets”, zegt ze. “Eén van de opdrachten: ‘Kleur de mantel van Sinterklaas rood’. Een leerling stak zijn vinger op: ‘Wat is dat juf, een mantel?’ De ouders van die jongen spreken thuis Nederlands, hé.”
Ze geeft nog een voorbeeld: “De woorden ‘toename’ of ‘afname’ in een vraagstuk? Dat begrijpen ze niet altijd. De kinderen lezen ook niet meer wat in een opdracht staat. Ze kijken over de woorden. Waarop ik dan moet zeggen: ‘Léés nu eens wat er gevraagd wordt.’ Ja, dan snappen ze het plots wel. Bij vraagstukken geef ik hen soms de tip: ‘Téken wat je leest’. Wat ik ook vaak hoor: ‘Juf, waarom moeten we dat kunnen? Er bestaan toch rekenmachines.’ Die weerstand zorgt er soms voor dat ze niet willen leren.”
‘Transformeren’ en ‘compenseren’
Dat hun directrice en juf zich zowel over hun taal- als wiskundeniveau bekommeren, zal de 22 leerlingen in de klas momenteel worst wezen. Het enige wat telt deze week: de komst van de Sint. Vooraan staan schoenen en pantoffels met daarin opgerolde verlanglijstjes. Er klinken sinterklaasliedjes en op de grond liggen speelgoedboeken van Bol.com. Een groot contrast met de vier posters die op het bord hangen. ‘Transformeren’ en ‘compenseren’ staat erop. Twee moeilijke woorden voor Vlaamse tienjarigen. Kan dat niet gewoon optellen en aftrekken heten? “Ze onthouden die termen goed”, zegt de juf. “Net zoals ze ook moeilijke voornamen onthouden. We doen ook aan optellen en aftrekken, hoor.”
Om alles wat beter te begrijpen – over wiskunde praat je blijkbaar niet meer hetzelfde zoals vroeger – is ook juf Laura Van Ryckeghem erbij komen zitten, zorgleerkracht en wiskundecoach op school. “Transformeren is een manier om een oefening makkelijker te maken, ervoor te zorgen dat je hoofd minder hard moet werken om een som op te lossen”, legt ze uit. “Dat sluit meer aan bij wat je in het echte leven ook doet, als je naar de winkel gaat en moet uitrekenen of je genoeg geld bij hebt, cash of op je rekening. Een voorbeeld: iets kost 58 euro, iets anders 26 euro. Je wil graag beide. Bij 58 tellen we twee bij zodat we een rond getal hebben. Bij 26 doen we er twee af. Zo komen we tot de som 60+24=84. Je ‘transformeert’ als een van beide termen dicht bij een rond getal ligt. Een andere oefening: hoeveel is 840+580? Plus 580 is hetzelfde als plus 600, min 20. Wat je er extra bij doet, moet je er ook weer af doen. Dat is compenseren. Die tussenstapjes zijn zo belangrijk.”
Het zijn voorbeelden van de ijsbergdidactiek, een methode die kinderen meer rekeninzicht geeft. “Die kwam er vanuit het GO!-onderwijs naar aanleiding van de dalende wiskunderesultaten”, zegt Begga. “Onze school koos ervoor toen bleek dat te veel kinderen in de derde graad nog extra remediëring nodig hadden.”
“Sommen zijn slechts het topje van de ijsberg”, legt juf Laura uit. “Net als bij een echte ijsberg bevindt het belangrijkste deel zich onder de oppervlakte. Je kan maaltafels drillen, maar je moet ze ook begrijpen. En dat kan enkel als je al kennis en vaardigheden hebt opgedaan. Een voorbeeld: twee maal vier en vier maal twee heeft dezelfde uitkomst, maar twee groepjes van vier is iets anders dan vier groepjes van twee. Een mama en papa die met hun twee kinderen aan de bus staan? Dat zijn samen vier personen.”
Al bij de kleuters wordt op deze school aan ijsbergrekenen gedaan. “Dat minister Demir een kleuterklas een crèche noemt, is misplaatst. Ze mag eens komen kijken hoe hard hier gewerkt wordt. Dankzij de nieuwe rekenmethode merken we echt het verschil: er is opvallend meer rekenwinst bij onze kinderen in het eerste leerjaar.”
Rol van de ouders
In de klas van juf Natalie zitten tien kinderen die anders- of meertalig zijn opgevoed. Dat is bijna de helft. Twintig jaar geleden was dat 10 procent. “Hen uitleggen wat een quotiënt is, wat tientallen of eenheden zijn, vraagt logischerwijze meer tijd”, zegt ze. “Maar ook Nederlandstalige gezinnen gebruiken die woorden niet aan de keukentafel. We leggen ze daarom ook uit aan de ouders, steken een handleiding in het huiswerkmapje.” Directrice Begga: “Maar zij moeten daar natuurlijk mee aan de slag. Vroeger werd er thuis veel meer geoefend op die dingen. Vandaag geven ouders wel eens voorrang aan hobby’s. Het is als school superbelangrijk om voor alle kinderen de lat hoog te leggen, maar dan moeten ouders dat ook doen.”
Welke verklaringen de drie nog zien voor de dalende wiskunderesultaten? Niet de invulboeken – “Die waren er vroeger ook al” – of smartboards. Noch het feit dat ze minder oefenen op kloklezen – alles is digitaal – of rekenen met centen. Laptops dan misschien? “Rekenen doen we nooit op een computer!”, zegt de directrice snel. Juf Natalie: “Nee, absoluut niet. Daarvoor gebruiken we wisbordjes. Rekenen is je tussenstappen opschrijven, wissen en opnieuw beginnen.”
Vlinderen
Directrice Begga denkt na, zegt plots: “Het concentratievermogen van kinderen. Ze kunnen zich veel minder focussen, zetten niet door. Ze beginnen aan iets en zeggen direct: ‘Ik kan het niet, ik heb het niet verstaan’. Zelfs bij kleuters is het al zichtbaar: veel meer kinderen dan vroeger ‘vlinderen’. Ze kunnen niet langer dan één minuut met iets spelen. Het moet altijd snel gaan. Maar dat is de ziekte van de maatschappij. Hoe we dat moeten oplossen? Ik weet het niet.”
Militairen, luchtverkeersleiders, brandweerlui en politieagenten zullen nog altijd een dikke twee jaar vroeger met pensioen mogen gaan. Agenten mogen zelfs nog altijd vanaf 59 jaar stoppen met werken. Dat staat in de pensioenplannen van formateur Bart De Wever. Die zijn een stukje minder streng dan de supernota’s die de N-VA’er de voorbije maanden bij elkaar schreef.
Nog geen minuut hebben de vijf Arizonapartijen (N-VA, Vooruit, CD&V, MR en Les Engagés) onderhandeld over de hervorming van de pensioenen en de arbeidsmarkt. Die twee moeten nochtans miljarden euro’s in het laatje brengen en zo de budgettaire reddingsboei worden voor de toekomstige federale regering. Om de kosten van de vergrijzing niet te laten ontsporen, moesten de pensioenen volgens De Wevers supernota’s van de voorbije weken voor 3 miljard euro besparingen zorgen. Die teksten zijn ondertussen wel van tafel, maar het laatste plan van de formateur – een nota van 19 november waar de redactie de hand op kon leggen – stoelt grotendeels op die eerdere voorstellen.
De voorbije dagen en weken ontstond er grote bezorgdheid over de plannen. Bij de politie, die vreesde dat veel toplui vroeger dan voorzien zouden stoppen uit schrik voor een lager pensioen. En afgelopen weekend nog bij de overheidsvakbonden, die de pensioenplannen door een rekenmachine gooiden en tot de conclusie kwamen dat ambtenaren tienduizenden euro’s gaan verliezen door de plannen van De Wever.
Koen Van Kerkhoven, topman van de christelijke onderwijsvakbond, waarschuwde afgelopen weekend dat leraars door de pensioenhervorming van Bart De Wevers tienduizenden euro’s dreigen te verliezen.
De ingrepen uit de supernota’s blijven ook grotendeels overeind in de laatste versie van de pensioenplannen. Denk maar aan het schrappen van de zogenaamde perequatie van de ambtenarenpensioenen, een systeem waardoor die los van de indexering stijgen wanneer ook de ambtenarenlonen stijgen. De Wever wil ook komaf maken met de voordelige pensioenberekening van de ambtenaren. Dat is nu gebaseerd op de wedde van de laatste 10 jaar, terwijl dat voor werknemers een gemiddelde is van de hele loopbaan. Stap voor stap en tegen 2050 worden de twee systemen nu gelijkgeschakeld. Ook de berekening zelf – volgens de zogenaamde tantièmes – wordt minder voordelig voor ambtenaren. De voordelige pensioensystemen van NMBS-personeel en militairen, die respectievelijk op 55 en 56 jaar met pensioen kunnen, worden ook geschrapt.
Niet alleen ambtenaren moeten echter veranderingen slikken. Om een minimumpensioen te krijgen, moet je straks 35 jaar gewerkt hebben. Periodes dat je niet hebt gewerkt – zoals voor brugpensioen of langdurige werkloosheid – tellen niet meer mee. En er komt ook een pensioenmalus: per jaar dat je vroeger stopt met werken, vermindert het pensioen met een nog te bepalen bedrag.
Over de pensioenplannen van formateur Bart De Wever werd binnen Arizona nog niet onderhandeld. Maar de hervorming moet voor de begroting wel miljarden opleveren.
Maar de nieuwe voorstellen bevatten toch ook een reeks bepalingen die het voor sommige groepen ietwat verteerbaarder maken, bepalingen die in de supernota’s niet stonden. Zoals voor de zogenaamde “actieve diensten”. Het gaat dan over militairen, luchtverkeersleiders en het operationeel kader van de brandweer en politie. Zij mogen ook nu al vroeger met pensioen, maar daar wordt in tegenstelling tot andere stelsels niet aan geraakt. Hun voordelige berekening van de pensioenleeftijd – elk gewerkt jaar telt voor 1,05 in plaats van 1 – zorgt ervoor dat ze een dikke twee jaar vroeger mogen stoppen met werken. Het moet dan wel over “werkelijk gepresteerde diensten” gaan.
Het doet wat denken aan de discussie rond de zware beroepen waar de vorige regeringen de tanden stuk op beten en die een gunstigere pensioenregeling moest voorzien voor personen met een zwaar beroep. De vraag wie nu al dan niet een zwaar beroep uitoefent, zorgde echter voor onoplosbare hoofdbrekens. De regeling die nu voorligt, moet zo’n discussie vermijden, valt bij de Arizona-partijen te horen.
Onder meer brandweermannen mogen vroeger stoppen met werken. Formateur De Wever wil dat zo houden.
Een stelsel dat De Wever ook overeind laat – toch voorlopig – is de Navap-regeling die politieagenten toelaat op hun 59ste vervroegd uit te treden. Vivaldi, en vooral Open VLD, wilde dat stelsel schrappen, maar botste daarbij op hevig protest van de politiebonden. Zij kregen ook gelijk van de Raad van State. In de nota-De Wever staat wel dat het systeem op termijn uitdooft, maar toch blijft het voorlopig wel bestaan. De periode van inactiviteit mag wel maar maximaal twee jaar duren en moet aansluiten op een vervroegd pensioen. Binnen Arizona valt te horen dat het ook niet uitgesloten is dat de regeling finaal niet op de schop gaat.
De Wever vijlde dus aan een paar scherpe randjes van zijn pensioenvoorstellen. “Je ziet in de verschillende nota’s en in de begrotingstabel die dit weekend op tafel lagen dat het team van de formateur niet ongevoelig is voor misnoegde reacties op gelekte nota’s”, zegt een insider daarover.
De Wever houdt in zijn nota overigens rekening met een inwerkingtreding van de hervorming op 1 januari 2025. Wie op een paar jaar van zijn pensioen staat, behoudt minstens tot dat moment ook alle verworven rechten. Enkel de jaren die nadien nog worden gepresteerd, zullen voor sommigen aan een minder voordelige berekening opleveren.
Terwijl heel Europa vooruitgang boekt of stagneert, zakken Vlaamse tienjarigen fors in het internationaal TIMSS-onderzoek. Sinds 2015 is Vlaanderen de sterkste daler. Hiermee bereikt ons onderwijs een kritiek punt. Vlaams minister van Onderwijs Zuhal Demir slaat alarm: “De tanker is nog niet gekeerd. Dit is een zeer frustrerende dag.” Maar wat gaat ze doen om de neerwaartse spiraal te doorbreken?
Europees kampioen voor wiskunde waren we toen Vlaanderen voor het eerst meedeed aan het TIMSS-onderzoek. Twintig jaar later zorgen de leerprestaties van onze tienjarigen voor woelige discussies, nu de resultaten bekend zijn van de proeven die 4336 leerlingen kinderen uit 146 scholen in 2023 hebben gemaakt. Voor wiskunde halen zij nu 521 punten op 1000. Een smak van 11 punten de diepte in tegenover vier jaar geleden. In 2019 had een gelijkaardige studie ons al uit de Europese kopgroep gewipt. Na de eerste terugval waren we al ingehaald door Nederland, nu dus ook door Duitsland. Enkel Frankrijk presteert minder goed.
Gevaarlijke positie
We komen gevaarlijk dicht bij het gemiddelde van 503. Onze 24ste plaats op 58 deelnemende landen, is een gevaarlijke positie gezien daar ook ontwikkelingslanden tussen zitten. Wij varen op het niveau van Portugal en Cyprus, terwijl Litouwen al sinds 2015 bezig is met een gestage klim en nu Europese primus werd.
In TIMSS wordt ook gepeild naar de kennis en de vaardigheden voor wetenschappen. Uitblinker zijn we daar nooit in geweest, maar vandaag zijn we met 488 punten ronduit gebuisd. Tegenover 2019 verloren we 13 punten. Ook hier is dit de tweede zware klap op rij, nadat we vier jaar geleden al aan de staart van het peloton waren beland.
Op de 35ste plaats halen we zelfs het internationaal gemiddelde (494) niet meer. Jaren gingen we er prat op dat het Vlaams onderwijs het zoveel beter deed dan in Wallonië, maar nu maken we nog amper het verschil. Polen, Litouwen, Nederland, Duitsland, Spanje, Letland, Noorwegen en Tsjechië scoren significant hoger. Engeland trekt het Europese klassement met 556 punten.
Dit is een nieuwe opdoffer voor ons onderwijs, na het onheilspellend PISA-onderzoek waarbij 15-jarigen vorig jaar werden bestempeld als ‘generatie dom’. Bij haar aantreden maakte onderwijsminister Zuhal Demir (N-VA) zich al zorgen over kinderen die in het vierde leerjaar al een jaar achterop zitten, omdat ze thuis nooit Nederlands horen. Uit dit onderzoek blijkt dat leerlingen die thuis altijd Nederlands spreken 7,5 procent beter scoren voor wiskunde tegenover de groep die thuis nooit Nederlands hoort. Voor wetenschappen loopt het verschil zelfs op tot 12,1 procent. Nu al heeft vier op tien leerlingen een migratieachtergrond.
Extra zorgwekkend in vergelijking met 2019, is dat de sterkere leerlingen – traditioneel de ‘witte kinderen’ – deze keer duidelijk achteruitboeren. Vooral meisjes vallen terug. Primus Litouwen telt 20 procent toppresteerders voor wiskunde, in Vlaanderen is dat 7 procent. Uitblinkers voor wetenschappen hebben we met 2 procent amper, terwijl Engeland 19 procent primussen telt.
Bij ons neemt de groep leerlingen die geen basisniveau bereiken voor wiskunde (5%) of wetenschappen (12%) toe overheen alle deelnemende onderwijssystemen.
Geen crèche
Opvallend: volgens de directies start een op vier kinderen in het basisonderwijs met onvoldoende lees- en rekenvaardigheden. Onderwijsminister Zuhal Demir (N-Va) wil het over een andere boeg gooien, en ingrijpen vanaf de kleuterklas. “Daar komen voor het eerst minimumdoelen, gericht op woordenschat en luistervaardigheid. Want vandaag is de kleuterschool teveel een crèche geworden en te weinig een klas.”
Voor het basisonderwijs kondigt ze een plan aan, om niet nog meer kostbare tijd te verliezen. Haar voorganger Weyts kreeg de nieuwe minimumdoelen tijdens de vorige legislatuur niet meer goedgekeurd. Demir rekent nu op de goodwill van de koepels en vraagt om in afwachting al meteen actie te ondernemen en tijdelijke leerlijnen te maken. Die moeten gericht zijn op Nederlands, wiskunde en STEM. Elke leerling moet de doelen effectief behalen. Voorts wil ze de lerarenopleiding hervormen met een grotere focus op lesinhoud, de juiste manier van lesgeven, en de beste manier om de klas goed in de hand houden. Aan de onderwijsinspectie vraagt ze de scholen achter hun veren te zitten, opdat ze de lat voldoende hoog zouden leggen.
Demir vraagt ook de koepels en de vakbonden om er de komende vijf jaar alles aan te doen om te vermijden dat ons onderwijs verder wegzinkt. Vraag is of zij dezelfde recepten in hun hoofd hebben om tot een beter resultaat te komen.
Wat is het TIMSS-onderzoek?
De Trends In Mathematics and Science Study (TIMSS) toetst elke 4 jaar de kennis, vaardigheden en het redeneervermogen voor wiskunde en wetenschappen in het 4de leerjaar. De resultaten kunnen vergeleken worden met de scores van leerlingen uit 58 andere landen en met de vorige Vlaamse scores.
Op elk moment loopt in Vlaamse scholen wel een internationaal vergelijkend onderwijsonderzoek. Van PISA tot minder bekende broertjes als IELS en ICILS. Koen Aesaert (KU Leuven) duidt de waarde van onderzoek voor elke deelnemende school én voor ons onderwijs: “Hoe een land of regio in de meetschalen of rankings beweegt, zegt meer dan zijn positie op zich.”
Waar ligt de waarde van internationaal vergelijkend onderwijsonderzoek?
Koen Aesaert, promotor van PIRLS 2021, ICILS 2023 en IELS 2025: “Internationaal vergelijkend onderzoek over onderwijs is een essentieel puzzelstuk in externe kwaliteitszorg. Daarnaast hebben we sinds het schooljaar 2023-2024 de Vlaamse toetsen – met focus op de onderwijsdoelen – en de inspectie. Die laatste neemt vooral onderwijsbeleid en -processen onder de loep.”
“Toetsen als PISA en PIRLS overstijgen het curriculum omdat elk onderwijssysteem moet kunnen deelnemen. Ze creëren een spiegel: hoe goed kunnen leerlingen kennis toepassen in vergelijking met leeftijdsgenoten in andere landen op een bepaald facet van onderwijs? De ranglijsten zijn een (van de vele) interessante kwaliteitsindicatoren van een onderwijssysteem, niet van individuele scholen.”
“Eigenlijk zeggen de resultaten die je als land of regio over de jaren heen haalt nóg meer dan je plek in de ranking zelf op een bepaald moment. Tussen 2006 en 2016 was Vlaanderen de sterkste daler op leesvaardigheid volgens PIRLS. De voormalige peilingstoetsen Nederlands en PISA-rankings bevestigen die neerwaartse trend. 3 duidelijke alarmbellen kort na elkaar. Bovendien manifesteert de daling zich nu ook bij de betere lezers.”
“Waaróm we precies wegzakken in internationaal vergelijkend onderwijsonderzoek, vertellen PISA of PIRLS niet. Ze houden wel een vinger aan de pols door leeruitkomsten te combineren met achtergrondvragenlijsten bij leerlingen, leraren en ouders. Aan onderwijsexperten en beleid om dat uit te dokteren en de juiste kuur met duurzaam effect uit te schrijven. In het besef: een snelwerkende wonderpil bestaat niet, want daarvoor is onderwijs te complex. Gelukkig zetten we vandaag hard in op leesvaardigheid, met het Leesoffensief en actieplannen rond leesbegrip en -motivatie.”
De resultaten hebben grote consequenties voor het beleid, maar niet voor de deelnemende scholen?
Koen Aesaert: “Scholen worden uitgeloot en nemen vrijwillig deel. Ze moeten hun resultaten niet verantwoorden. Voor het beleid hangt er inderdaad meer aan vast. Logisch ook: het investeert honderdduizenden euro’s in zo’n onderzoek. Dan kan je je ogen niet sluiten voor de uitkomsten. En ook al doen de ranglijsten zeker geen claims over je hele onderwijskwaliteit, toch is niemand graag de slechtste leerling van de klas.”
“Wat voor ons vreemd voelt: in sommige landen halen de resultaten nauwelijks de media. Daar ervaart het beleid wellicht minder druk om met de cijfers aan de slag te gaan. Vlaanderen doet er wel iets mee. Andere landen gaan soms nog verder.”
“Duitsland gooide zijn onderwijs overhoop na een PISA-schok in 2000. Dat doorprikte het beeld van een performant onderwijssysteem. Een nieuw curriculum, extra centen voor onderwijs en andere interventies keerden daar de zwakke resultaten wel. Al ging het land bij de laatste meting opnieuw op alle domeinen achteruit. Ze wijzen daarvoor o.a. naar het nijpende lerarentekort.”
Welke feedback krijgen de scholen die deelnemen?
Koen Aesaert: “De onderzoekers sturen altijd een rapport. Vlaanderen is een van de weinige onderwijssystemen die dat systematisch doet. Zo stimuleren we evidence informed werken en danken we directeurs voor hun deelname. In de feedback op PIRLS staat het aantal leerlingen van de school dat een bepaalde lat haalt: zoveel procent beheerst het minimumniveau voor lezen.”
“Vaak voegen onderzoekers daar ook een gecorrigeerde vergelijking met andere Vlaamse scholen aan toe. Heeft je school hoger of lager gescoord dan je mag verwachten met jouw leerlingenpopulatie? We corrigeren dan bijvoorbeeld op SES-kenmerken.”
“Heel fijnmazig is de schoolfeedback niet. Het blijft een korte, eenmalige toets. Die kan wel een alarmbel zijn: de resultaten zijn ontgoochelend, dus moeten we ingrijpen. Of een bevestiging van het harde werk en prima keuzes op school. Zo krijg je een extra sleutel om aan je schoolbeleid te werken. We vragen uitdrukkelijk om je rapportcijfer niet in te zetten als verkooppraatje of reclame. Liever geen bericht op de schoolwebsite dat pronkt met sterke scores op PIRLS. Gelukkig gebeurt dat nauwelijks.”
Hoe moeilijk is het om scholen te overtuigen tot deelname?
Koen Aesaert: “Dat schommelt sterk. Voor PIRLS 2021 haalden we zelfs tijdens corona een hoge responsgraad. Een pluim voor de scholen en mijn onderzoeksteam. Leesvaardigheid is in veel scholen top of mind na een reeks matige resultaten in vorige peilingen. Dat moet beter, vinden leraren. Daarom voelt de test niet als een last, maar werken scholen zich uit de naad om alles goed te organiseren. “
“Soms werkt het ook omgekeerd. Door deel te nemen aan ICILS stimuleert een directeur het team om aandacht te vestigen op digitale vaardigheden en computationeel denken. Een vertrekpunt voor een secundaire school om er samen beleid rond te maken.”
“Dat evidence informed werken luider weerklank vindt in onderwijs, speelt zeker in onze kaart als onderzoeker wanneer we scholen proberen te motiveren om deel te nemen. Scholen stellen zich steeds meer open voor data. Ze richten datateams op en analyseren de rapporten met schoolfeedback. Ze willen weten waar ze staan en uitzoeken hoe ze kunnen bijsturen.”
Vraagt het veel organisatie om deel te nemen als school?
Koen Aesaert: “Meestal duidt de directeur een coördinator aan. Die bereidt de toets voor door o.a. vragenlijsten te verspreiden. Voor de toetsafname komen meestal externe toetsbegeleiders naar de klas. Leerlingen werken daar gemiddeld 2 tot 4 uur aan. Scholen wimpelen een aanvraag bijna nooit af om organisatorische redenen.”
“Timing is soms wel een struikelblok. Dan zitten leerlingen net op stage of neemt de school al deel aan een ander internationaal onderzoek. Zeker in het secundair gebeurt dat wel eens. De vijver is niet groot, er zijn ongeveer 1000 scholen en voor elk onderzoek hebben we er al snel 150 nodig.”
Er loopt veel meer onderzoek dan de bekende namen PISA en PIRLS?
Koen Aesaert: “Eigenlijk loopt er in ons onderwijs voortdurend internationaal vergelijkend onderzoek naar leeruitkomsten. ICCS meet de kennis, attitudes en vaardigheden van leerlingen rond burgerschap, TIMSS checkt het niveau van wiskunde en wetenschappen in basisonderwijs. ICILS mikt op digitale en computationele vaardigheden in het secundair onderwijs. En nieuwkomer IELS meet naast de ontluikende taal- en rekenvaardigheden van 5-jarige kleuters, ook enkele niet-cognitieve zaken zoals welbevinden.”
“Daarnaast participeert Vlaanderen aan kwalitatieve onderzoeksprojecten en reviews waarbij een facet van onderwijssystemen doorgelicht en vergeleken worden. Recent rond de financiering van leerplichtonderwijs en het professionaliseringsbeleid.”
“Internationale organisaties gaan nooit over 1 nacht ijs. De kwaliteit en validiteit van de toetsen moeten top zijn. Elk onderzoek start met een voorstudie. In 25 tot 30 scholen meten we de kwaliteit van de toets. Die data keren terug voor noodzakelijke aanpassingen, o.a. om te vermijden dat landen een voordeel hebben bij bepaalde vragen. 1 jaar later volgt dan de echte toetsafname. Daarna rapporteren onderzoekers hun bevindingen in vrij te raadplegen basisrapporten en ligt de weg open voor secundaire studies waarin resultaten gekruist worden.”
Waar zit de achilleshiel van internationale vergelijkende studies?
Koen Aesaert: “Mensen houden van grote conclusies. Media spelen daarop gretig in: ‘Vlaams onderwijs zit in de grijze middenmoot. Of ‘Vlaanderen daalt het sterkst’. De roep om snelle oplossingen is dan groot. Maar 1 onderzoek met focus taal, wiskunde of ICT vangt nooit de totale kwaliteit van ons onderwijs.”
“Bovendien zit er in de onderzoeksrapporten zoveel meer dan de breed opgepikte cijfers: hoe gemotiveerd zijn leerlingen en welke onderwijspraktijken zetten leraren in? En vooral: PIRLS en PISA zijn zeer rijke bronnen voor onderwijsongelijkheid. Ze verzamelen parameters zoals opleidingsniveau en beroep van de ouders. Maar ze lichten ook resilience of weerstand uit: hoeveel leerlingen met laagste SES slagen er toch in om hoge resultaten te halen?”
“Nog een teer punt: je kan de deelnemende leerlingen per land niet altijd perfect met elkaar vergelijken. In sommige landen doen meer leerlingen mee die een jaartje ouder zijn. In andere is het aandeel kinderen uit het buitengewoon onderwijs groter. Singapore telt bijvoorbeeld ook migranten, maar die komen uit de betere milieus. Als je dat niet weet, kijk je met grote ogen naar die statistieken: hoe loodst het land leerlingen met diverse achtergrond zo succesvol door onderwijs? En ook al proberen de internationale organisaties achter de toetsen dat recht te trekken, toch moet je daarmee rekening houden als je de resultaten en rankings interpreteert.”
Ranglijsten katapulteren de toppers naar de status van ‘gidsland’. Maar is dat altijd terecht én kunnen we er veel van leren?
Koen Aesaert: “We moeten niet met z’n allen onvoorbereid een vliegtuigticket erheen boeken. Dat overkwam Finland. De hele wereld keek binnen en nam – soms een beetje lukraak – ideeën mee naar huis. Maar intussen glijdt het Scandinavische land stevig weg op de rankings en mag je je afvragen of het wel een goede bestemming is voor een onderwijsreis.”
“Mijn advies: als een land verschillende edities na elkaar in de top zit of duidelijk stijgt, verdient het onze aandacht. De doorgedreven digitalisering in Estland, geeft die het onderwijs de wind in de zeilen? Interessant om uit te zoeken. Je kan immers altijd iets leren. Maar je mag niet zomaar 1 element kopiëren en hopen op een aardverschuiving. En je moet landen en onderwijssystemen goed kennen om hun interventies correct te interpreteren en te vertalen naar je eigen context. Nét dat is nooit simpel.”
“Sommige Aziatische landen werken erg top-down. Scholen krijgen minder vrijheid en de hele samenleving gaat prat op meetbare prestaties. Een recept om beter te scoren op PISA? Misschien wel. Maar die smalle weg willen we in Vlaanderen niet inslaan. Bij ons liever geen vernauwd curriculum of teaching to the test. De OESO wil dat ook niet. Ze voegt in 2022 het optionele domein creatief denken aan de toets toe. Een pleidooi voor een brede blik op onderwijs of een keuze om te wegen op curricula? Feit is: onderwijs staat niet stil, internationaal vergelijkend onderzoek ook niet.”
Onderwijs Vlaanderen brengt alle internationaal vergelijkend onderzoek over onderwijs samen waaraan het Vlaamse onderwijs deelneemt.
Wij gebruiken cookies om de werking van onze website te verbeteren
Functional Altijd actief
De technische opslag of toegang is strikt noodzakelijk voor het legitieme doel het gebruik mogelijk te maken van een specifieke dienst waarom de abonnee of gebruiker uitdrukkelijk heeft gevraagd, of met als enig doel de uitvoering van de transmissie van een communicatie over een elektronisch communicatienetwerk.
Voorkeuren
De technische opslag of toegang is noodzakelijk voor het legitieme doel voorkeuren op te slaan die niet door de abonnee of gebruiker zijn aangevraagd.
Statistics
De technische opslag of toegang die uitsluitend voor statistische doeleinden wordt gebruikt.De technische opslag of toegang die uitsluitend wordt gebruikt voor anonieme statistische doeleinden. Zonder dagvaarding, vrijwillige naleving door uw Internet Service Provider, of aanvullende gegevens van een derde partij, kan informatie die alleen voor dit doel wordt opgeslagen of opgehaald gewoonlijk niet worden gebruikt om je te identificeren.
Marketing
De technische opslag of toegang is nodig om gebruikersprofielen op te stellen voor het verzenden van reclame, of om de gebruiker op een website of over verschillende websites te volgen voor soortgelijke marketingdoeleinden.