Werken tot we sterven: “Mijn lichaam is versleten”

Alexander Deprez vertelt het verhaal van zijn vader, een 59-jarige dakwerker die al sinds zijn veertiende werkt. Zijn lichaam is versleten. Toch moet hij nog acht jaar werken voordat hij een schamel pensioen ontvangt. “Iedereen moet inleveren”, schrijft Deprez. “En met iedereen bedoelen we jullie!”

Mijn scherm licht op. Messenger-video … Geert Deprez. Ik neem op. Vaders hoofd verschijnt in een vakje op mijn scherm. Zijn leesbril op zijn neus. “Moet je eens iets weten?” Vader komt altijd onmiddellijk ter zake. Telefoongesprekken duren nooit langer dan een vijftal minuten. Meestal halen ze de drie zelfs niet.

“Weet je wanneer ik met pensioen mag? Wanneer ik 67 ben.” Hij begint te lachen. “Wanneer ik 67 ben”, herhaalt hij. “En weet je hoeveel pensioen ik dan zal hebben? 1.600 euro.” Hij barst opnieuw uit in lachen. Het is een familietrek. Wanneer we geconfronteerd worden met een situatie die zodanig uitzichtloos is dat het belachelijk wordt, gaan we hard lachen. Zo hoeven we niet te huilen.

Vader is een 59-jarige dakwerker. Hij groeide op in een arbeidersgezin met vijf kinderen. Er was geen geld om iedereen te laten studeren. Als je slechte punten haalde op school, ging je werken. Vader werkt al sinds zijn veertiende.

Zijn lichaam is gebroken en zit vol metalen platen. Dat is te danken aan enkele keren van een dak te vallen, een motoraccident en de algemene roofbouw die fysiek zwaar werk in de bouw op je lichaam pleegt. Door artrose vormen bulten op zijn vingers die altijd onder de wonden zitten tot hij zijn vingers bijna niet meer kan bewegen.

Zijn ruggengraat zit scheef. Een verkeerde beweging kan ervoor zorgen dat hij de rest van zijn dagen in een karretje spendeert. Toen hij ergens in de veertig was, beslisten de spieren in zijn rechterschouder te verdwijnen. Vader is versleten. Volgens de staat is hij 66 procent invalide.

Vader krijgt een uitkering en doet aan progressieve arbeid, want de staat gelooft dat hij weer beter kan worden. De arbeid die hij alsnog verricht, wordt zwaar belast. Na een jaar werken, houdt hij slechts 900 euro over bovenop zijn uitkering.

Nog acht jaar.

Al jaren sleept hij zijn gebroken en moegewerkte lichaam met zich mee, vertrekt zijn gezicht van de pijn wanneer hij zich vloekend enkele meters voortbeweegt en merkt hij dat zijn lichaam in snel tempo aftakelt. Maar de staat gelooft dat hij weer beter kan worden.

Nog acht jaar.

Niet zo lang geleden zei hij me dat het niet meer lukt. Dat hij rust wil. “Ik kap ermee. Ik ga met pensioen.”

Nog acht jaar.

“Ik heb geïnformeerd of ik mijn rug niet kan laten opereren ,om er nog uit te halen wat er uit te halen valt. Misschien moet ik dan zonder uitkering aan de slag proberen te gaan. Dan kan ik meer opzij zetten.”

Nog acht jaar.

Vanop de zware eiken kast lachen gezichten op doodsprentjes van zijn vrienden en lotgenoten die de 60 niet gehaald hebben.

Nog acht jaar.

“We moeten nu eenmaal allemaal inleveren”, hoor ik de laatste tijd veel in de kranten en praatprogramma’s. Gisteren zag ik vakbondsleider Bert Engelaar zich verdedigen tegen hoofdredacteur van De Tijd Isabel Albers, voormalig senator en rector van de KU Leuven Rik Torfs en presentator Bart Schols.

Regisseur Adil el Arbi aanschouwt het schouwspel. “Je zegt dat je het thuis niet breed had, maar je beide ouders zijn leerkrachten”, zegt Bart Schols. Iedereen weet dat leerkrachten zoveel verdienen en zoveel vakantie hebben natuurlijk. Daarom is er al jaren een lerarentekort.

“Jullie zijn niet flexibel! Jullie laten geen ruimte voor gesprek”, zegt Isabel Albers. “Een welvaartsstaat bescherm je door te besparen op de welvaart van de werkende klasse”, zegt Rik Torfs.

De vakbonden met hun hoge eisen. Allemaal leuk dat jullie pensioenen willen en jullie verworven sociale rechten willen behouden, maar er is gewoon geen geld. Iedereen moet inleveren. En met iedereen bedoelen we jullie.

“We spreken vaak over solidariteit”, zegt Rik Torfs. “Solidariteit is een mooi woord, maar het moet ook mooi blijven in de praktijk. Je moet aandacht hebben voor ieder standpunt. Solidair betekent dat je je in ieder standpunt moet kunnen inleven. Vandaag krijg je bij solidariteit vaak verhalen te horen waarin gezegd wordt: wij niet, de anderen moeten het doen. Een echt gesprek over de toekomst kan enkel met begrip voor ieder standpunt. En iedereen moet bijdragen.”

Adil el Arbi grijpt in. “Je krijgt toch wel het gevoel dat solidariteit enkel van pas moet komen voor dezelfde bevolkingsgroepen. Daarom komen mensen op straat. Omdat ze voelen dat de oplossing altijd bij dezelfde bevolkingsgroep gezocht wordt. En niet bij de veel rijkeren bijvoorbeeld.”

Isabel Albers: “Ik denk dat het belangrijk is dat het duidelijk wordt dat het niet van één groep komt. Niet van de werkenden alleen.”

Bart Schols: “Ook de hoogste lonen?” Isabel Albers: “Ook de hoogste lonen. Alleen moet je daarbij ook zien dat we niks kunnen bouwen op een economisch kerkhof.”

Ik kijk Vader aan op het kleine scherm. “Je bent niet flexibel genoeg, Vader. En niet solidair. Als jij niet langer werkt, kan ik nooit stoppen met werken.”

“Nog acht jaar. En dan kunnen we je begraven tussen je lotgenoten op het economisch kerkhof.” En we lachen.

Bron: dewereldmorgen.be

Boekrecensie: Paradox van de ongelijkheid in België: sociale bescherming, maar fiscale scheeftrekking

Boekrecensie: Paradox van de ongelijkheid in België: sociale bescherming, maar fiscale scheeftrekking

‘De paradox van de ongelijkheid in België’ toont genadeloos hoe onze sociale zekerheid extreme armoede voorkomt, maar ongelijkheid structureel niet aanpakt. Zolang het fiscale systeem rijkdom bevoordeelt en arbeid zwaar belast, blijft de kloof groeien.

De paradox van de ongelijkheid in België werd samengesteld onder leiding van André Decoster, emeritus professor welvaartseconomie, met bijdragen van verschillende onderzoekers van de KU Leuven.

Het is een onthullend werk over de verborgen dynamieken van ongelijkheid in ons land. Maar terwijl de cijfers spreken, blijft de vraag knagen: wat betekenen ze voor de mensen achter de statistieken? Hier ligt de kracht, maar ook de beperking van het boek.

Als er een complementair werk is dat hierbij aansluit, dan is het Niet alles maar veel begint met luisteren van Dominique Willaert. Beide boeken raken aan dezelfde kernvraag: hoe begrijpen we ongelijkheid en wat moeten we doen om het probleem echt te doorgronden?

Hoewel mijn persoonlijke voorkeur uitgaat naar Willaerts mensgerichte aanpak, maakt De paradox van de ongelijkheid in België glashelder hoe belangrijk het is om cijfers niet alleen te lezen, maar er vooral ook naar te luisteren.

Decoster en zijn team maken gebruik van de DINA-methode (Distributional National Accounts) om ongelijkheid in kaart te brengen. Deze wetenschappelijke methode verdeelt het nationale inkomen over verschillende inkomensgroepen, inclusief inkomsten die vaak buiten beeld blijven in traditionele statistieken, zoals winsten die in vennootschappen blijven hangen en inkomsten uit vermogen. Hierdoor wordt een completer beeld van de economische realiteit geschetst. Wat blijkt? De ongelijkheid in België is groter dan gedacht en de kloof groeit sinds 2010 gestaag.

De ongemakkelijke waarheid van ongelijkheid

Het boek confronteert de lezer met ongemakkelijke waarheden. Zo blijkt dat de progressieve belasting op arbeid nauwelijks wordt gecompenseerd door belastingen op kapitaal. Rijke huishoudens betalen via allerlei fiscale achterpoortjes relatief minder belasting dan lage en middeninkomens.

Daarnaast moet onze sociale zekerheid steeds harder werken om nieuwe vormen van ongelijkheid bij te benen, van de stijgende kosten voor kinderopvang tot de verminderde toegang tot betaalbare huisvesting.

Decoster en Vanderkelen stellen daarbij concrete oplossingen voor, zoals een meerwaardebelasting en een gelijkmatige belasting op alle beleggingsvormen. Zulke maatregelen zouden niet alleen rechtvaardiger zijn, maar ook economisch efficiënter, omdat ze fiscale ontwijking via vennootschappen kunnen tegengaan.

Waar De paradox van de ongelijkheid in België zich richt op data en beleidsvoorstellen, kiest Willaert in Niet alles maar veel begint met luisteren een andere invalshoek. Hij benadrukt het belang van menselijke verhalen om ongelijkheid te begrijpen. Voor Willaert is luisteren een actieve daad van empathie en betrokkenheid. Zijn pleidooi herinnert ons eraan dat cijfers slechts één kant van het verhaal vertellen.

En daar wringt de schoen bij Decoster en Vanderkelen. Hun data zijn indrukwekkend, maar blijven abstract zonder de context van menselijke ervaringen. Wat betekent het voor een jongere generatie dat de ongelijkheid in vermogens groeit? Hoe voelen alleenstaande ouders de druk van stijgende vaste kosten? Hier ligt dan weer de kracht van Willaerts werk: verhalen geven de cijfers een gezicht.

De kloof tussen de hoogste en laagste inkomens groeit

Een van de meest verontrustende inzichten uit het boek van Decoster is dat België minder uitzonderlijk is dan we vaak denken. De kloof tussen de hoogste en laagste inkomens groeit, terwijl cruciale instrumenten zoals de erfbelasting steeds verder worden uitgehold.

Decoster maakt duidelijk dat dit niet alleen sociale ongelijkheid vergroot, maar ook economisch inefficiënt is. Tegelijkertijd illustreert hij hoe onze sociale zekerheid ons beschermt tegen extreme armoede, maar onvoldoende is om de stijgende ongelijkheid structureel aan te pakken.

Het boek legt bloot hoe ons fiscale systeem rijkdom bevoordeelt, terwijl arbeid zwaar wordt belast. Het toont aan hoe beleid dat zogenaamd gericht is op ‘evenwicht’ de facto de vermogenden bevoordeelt. Dit maakt De paradox van de ongelijkheid in België tot een ongemakkelijk maar noodzakelijk werk dat beleidsmakers dwingt om hun keuzes te herzien.

De Paradox van de Ongelijkheid in België lijkt actueler dan ooit in het licht van de aanslepende regeringsonderhandelingen, waar belasting op vermogen, zoals een meerwaardebelasting, opnieuw een twistpunt is.

In de supernota van Bart De Wever wordt gesproken over een ‘solidariteitsbijdrage’ op gerealiseerde meerwaarden, maar zoals ook professor fiscaal recht Mark Delanote recent in De Tijd opmerkte, blijft het voorgestelde beleid steken in inefficiënte, halfslachtige compromissen. Decoster en zijn team bieden een scherper en meer onderbouwd kader dat beleidsmakers zou kunnen helpen om voorbij de politiek van fiscale koterijen te kijken.

De mensen achter de cijfers

Zoals ik al eerder aangaf, is er meer nodig dan data alleen. Verhalen spelen een cruciale rol in het begrijpen van ongelijkheid. Cijfers kunnen ons de omvang en dynamiek van het probleem laten zien, maar verhalen geven het een menselijke dimensie. Beide boeken vullen elkaar daarom aan: Decoster en zijn team roepen op tot structurele hervormingen, terwijl Willaert ons eraan herinnert waarom die hervormingen nodig zijn.

Als we ongelijkheid écht willen begrijpen en aanpakken, moeten we bereid zijn te luisteren naar zowel de cijfers als de mensen achter die cijfers. Alleen door die dialoog kunnen we de systemen die ongelijkheid in stand houden eindelijk ter discussie stellen en veranderen. Het is een ongemakkelijke boodschap, maar een die we niet langer kunnen negeren.

Tijs Synaeve is historicus en huisbewaarder van de Koninklijke Stadsschouwburg te Brugge.

Bron: dewereldmorgen.be

Het doemdenken van Bart De Wever

Wanneer aandacht gevraagd wordt voor de ernst van de ecologische crisis, luidt zijn antwoord steeds dat we niet mogen doemdenken, maar ondertussen stuurt Bart De Wever wel het ene doembericht na het andere de wereld in over de begroting en de betaalbaarheid van de pensioenen.

Iedereen die zich zorgen maakt om de ecologische crisis, kent het riedeltje dat vanuit de N-VA de wereld is ingestuurd en ondertussen een dominante plaats heeft ingenomen in het maatschappelijk debat: we mogen niet doemdenken.

Wie met cijfers en wetenschappelijke studies komt aanzwaaien, krijgt als repliek dat het allemaal wel kan zijn, maar dat het ook belangrijk is dat ‘de mensen mee zijn’. De N-VA pleit voor ‘klimaatrealisme’, en realisme betekent vooral dat alles ‘haalbaar en betaalbaar’ moet blijven.

Contrast

Hoe groot is het contrast met de discussie over de begroting, die nu een centrale plaats inneemt in het debat over de regeringsvorming. Plots klinkt het dat er nu eenmaal onpopulaire maatregelen nodig zijn omwille van de zogenaamde ‘pensioenbom’ die op ons afkomt.

Waar men, wanneer het gaat over klimaatambitie, bij de Europese Unie wil lobbyen om de doelstellingen naar beneden bij te stellen, doet men bij de begroting niet alleen alsof die doelstellingen in steen gebeiteld zijn, maar ook alsof er maar één manier is om die te halen: de hunne.

Een symbolische vermogensbelasting kan eventueel om de pil te doen slikken, maar de grote inspanning wil men laten leveren door het werkende deel van de bevolking. Besparingen in de gezondheidszorg en de sociale zekerheid, de afbraak van publieke diensten en de blokkering van de lonen worden op die manier voorgesteld als onvermijdelijk.

Of ‘de mensen mee zijn’ en of het allemaal ‘haalbaar en betaalbaar’ is, doet er dan niet meer toe. De economische realiteit is wat ze is, en het enige dat de politiek kan doen, is uitvoeren wat economisch noodzakelijk heet te zijn.

Zelf gecreëerde realiteit

Nochtans is die economische realiteit helemaal niet zo politiek neutraal als ze wordt voorgesteld. De begrotingsnormen waarvan men doet alsof ze als een soort van absolute geboden uit de hemel zijn komen te vallen, zijn in het Europees Parlement gewoon door diezelfde partijen gestemd die er zich nu achter verschuilen. Die stemming ging overigens gepaard met protest van heel wat gerenommeerde economen die waarschuwden voor de nadelige effecten van de regels op de economische groei.

“De grootste bedreiging voor de Europese democratie is dat een minderheidscoalitie van noordelijke staten een ongepaste fiscale discipline door de strot duwt van een meerderheid van de Europese kiezers”, zo waarschuwde Nobelprijswinnaar en professor economie Joseph Stiglitz toen.

Zelfs als je de begrotingsnormen buiten het politieke debat houdt, zijn de tekorten die nu moeten worden opgevuld, ook door diezelfde partijen zelf gecreëerd, die nu doen alsof we op de rand van de afgrond staan. De afgelopen decennia is de steun aan bedrijven via onder andere loonsubsidies en kortingen op werkgeversbijdragen opgelopen tot zo’n 17 miljard euro. Het zijn net die miljarden die de overheid vandaag tekortkomt.

Oorlogskoorts

Het was de regering-Michel, gedomineerd door schaduwpremier Bart De Wever, die met een niet-gedekte taxshift de inkomsten voor de sociale zekerheid deed zakken. Als we de gelekte supernota mogen geloven, wil men daar nog een schepje bovenop doen met alweer miljarden aan belastingverlagingen voor bedrijven. Bovendien voorziet men grote bijkomende investeringen in het leger, die uiteraard worden voorgesteld als noodzakelijk.

Wanneer het gaat om opvang van vluchtelingen of het bereiken van de klimaatdoelstellingen, klinkt het dat België niet alle problemen van de wereld kan opvangen. In het kader van de oorlogskoorts en de toenemende militariseringscampagne van de NAVO daarentegen is het natuurlijk absoluut noodzakelijk dat we ‘solidair’ zijn met onze bondgenoten en ons steentje bijdragen aan de opbouw van een arsenaal aan wapens dat de wereld kan vernietigen.

Welke realiteit?

Taal is niet neutraal. De taal die men spreekt, zo leerde Jan Blommaert de sociale beweging in Vlaanderen, verraadt het standpunt waaruit gesproken wordt.

Wanneer men spreekt over het verlagen van ‘loonlasten’, dan spreekt men niet vanuit het standpunt van de werkende mensen, die meestal wel graag loon ontvangen. Dan spreekt men vanuit het standpunt van de bedrijven die deze lonen moeten uitbetalen. Het is ook dit standpunt van waaruit gesproken wordt dat verklaart wat men als ‘realistisch’ gaat beschouwen en wat als ‘doemdenken’ wordt beschouwd.

Wanneer men het heeft over ‘de pensioenbom’ die op ons afkomt, dan spreekt men niet vanuit het standpunt van de gepensioneerden voor wie een pensioen een welverdiende rust is. En dus vertrekt men ook niet vanuit de ‘realiteit’ van de mensen met zware beroepen voor wie tot 67 jaar werken, om dan ook nog eens minder pensioen te krijgen, gewoon niet realistisch is.

Wanneer men zegt dat we niet mogen ‘doemdenken’, dan vertrekt men niet vanuit het standpunt van de slachtoffers van overstromingen en bosbranden die door de klimaatverandering alsmaar toenemen. Wanneer men zegt dat klimaatbeleid vooral ‘realistisch’ moet zijn, dan heeft men het niet over de ecologische realiteit. Waar men het over heeft, is dat een aanpak van de ecologische crisis niet compatibel is met een bepaalde economische realiteit.

Wiens economie?

Voor wie iets van het maatschappelijk debat wil begrijpen, is dat inzicht essentieel: de realiteit van waaruit de dominante stemmen in het debat spreken, is die van de economische realiteit zoals die ervaren wordt door de machtige economische spelers, door het kapitaal.

Als het vandaag als de enige realistische optie wordt gezien om te besparen op de sociale zekerheid, publieke diensten af te breken, de lonen te blokkeren, massaal te investeren in het leger en wat klimaat betreft de pauzeknop in te duwen, dan is dat omdat deze maatregelen als noodzakelijk worden beschouwd voor het beschermen van ‘de economie’.

De vraag die zich echter opdringt, is dat als wat goed is voor ‘de economie’ de planeet waar die economie op gebouwd is verwoest en de arbeiders die deze economie doen draaien verarmt, over wiens economie heeft men het dan eigenlijk?

En wordt het misschien niet stilaan tijd om na te gaan denken over hoe die economie in dienst kan worden gesteld van de samenleving, in plaats van dat de samenleving volledig in dienst komt te staan van die economie?

Bron: dewereldmorgen.be

70 procent van voeding in supermarkt is ultrabewerkt: dit maakt ons langzaam ziek

70 procent van voeding in supermarkt is ultrabewerkt: dit maakt ons langzaam ziek

We zijn al twee weken in het nieuwe jaar. Wellicht ben je, zoals zovelen, het goede voornemen gestart om wat gezonder te eten. Maar dat is nog knap lastig blijkt na het lezen van het boek ‘Dit slik ik niet meer!’ van arts Staf Henderickx, want tegenwoordig is bijna alles wat we eten ultrabewerkte voeding en dat heeft een grote impact op onze gezondheid.

“Koekje?”, vraagt mijn collega zoals gewoonlijk als hij ons thee heeft ingeschonken en langs onze bureaus komt met een pak koekjes van de supermarkt. Zoals ik voor de kerstvakantie er gretig eentje – of meer – uit pakte, bedank ik nu vriendelijk.

Na het lezen van het boek Dit slik ik niet meer! van arts Staf Henderickx over ultrabewerkte voeding, waarin hij schrijft wat er écht in veel van ons eten zit en hoe dit ons ziek maakt, ziet dit koekje er heel wat minder smakelijk uit.

“De vele soorten koekjes in de supermarkt bestaan uit dezelfde basissubstanties: gemodificeerde koolhydraten, industrieel vet en eiwit, samen gelijmd met sojalecithine als emulgator, op smaak gemaakt met zout, suikerstroop en smaakstoffen”, somt Henderickx op. Dat klinkt toch heel anders dan wanneer je thuis in de keuken koekjes bakt uit bloem, suiker en boter, aangevuld met een snufje zout, en eventueel kaneel en wat noten.

De zelfgebakken koekjes zijn volgens Henderickx ook “best geen dagelijkse kost, want te vet en te zoet. Maar de samenstelling verschilt grondig van die in de supermarkt, die bestaan uit ontmantelde, gemodificeerde ingrediënten vermengd met additieven.” Oftewel: het koekje uit de supermarkt is ultrabewerkt.

Ingrediënten die niet in keuken te vinden zijn

Ultrabewerkte voeding is “voedsel dat intensieve behandelingen heeft ondergaan en bijna altijd te veel suikers, vetten, zout en chemische additieven bevat en te weinig vezels, vitaminen en mineralen”, legt Henderickx uit in zijn boek. “Dit voedsel is geheel of gedeeltelijk bereid met stoffen die niet in de huiskeuken te vinden zijn, en waaraan additieven zijn toegevoegd zoals kleurstoffen, conserveermiddelen, smaakversterkers en zoetstoffen.”

Wat valt er allemaal onder ultrabewerkte voeding? Frisdrank, voorverpakte maaltijden en broodbeleg zoals chocopasta klinken misschien direct als logische voorbeelden. Maar ultrabewerkte voeding zit ook in voedingsmiddelen die als gezond worden gepromoot, zoals flesvoeding voor baby’s, margarine, beschuit, ontbijtgranen, crackers, smoothies, vruchtenyoghurt en zelfs ons dagelijks brood.

Eeuwenlang bakten gezinnen zelf brood of kochten het bij de warme bakker. Maar vanaf de jaren 90 zijn supermarkten ook brood gaan verkopen en veel mensen kopen daar nu dagelijks hun brood. Velen beseffen niet dat dit brood, in tegenstelling tot het verse brood bij de warme bakker, industrieel geproduceerd is.”

Ultrabewerkte voeding “is samengesteld uit ingrediënten die meestal exclusief in de industrie gebruikt worden en geproduceerd zijn door een reeks chemische processen die gesofisticeerde uitrustingen en technologie vereisen. Om geproduceerd te kunnen worden tot een voedselproduct, is voeding eerst gefractioneerd in substanties die chemisch gemoduleerd worden”, schrijft Henderickx.

Dat betekent dat die substanties “niet in hun oorspronkelijke vorm worden verkocht, maar ze worden ontmanteld in hun onderdelen: eiwit, koolhydraten en olie. De voedselindustrie gaat vervolgens met die ingrediënten aan de slag. De oliën worden geraffineerd, gebleekt, ontgeurd, gehydrogeneerd of veresterd. Het eiwit wordt afgebroken en de koolhydraten worden aangepast. Die gewijzigde fracties worden dan bewerkt met additieven, zoals kleur-, smaak- en zoetstoffen, en ten slotte in een vorm van een voedselproduct geperst.”

De geschiedenis van onze voeding

Dit is “allesbehalve voeding waarmee wij als mens evolutionair groot en gezond zijn geworden”, stelt Henderickx. 250.000 jaar lang leefden wij mensen als jager-verzamelaar. Als omnivoor haalden we “20 procent van de calorieën uit vlees, vis en eieren en 80 procent uit plantaardig vezelrijk voedsel zoals fruit, knollen, zaden en noten. Suiker en vet waren bijna niet beschikbaar, enkel in rijpe vruchten of honing, en in noten en zaden. Dit paleodieet is nog steeds ons DNA.”

De eerste grote omwenteling in onze voeding vond plaats 11.600 jaar geleden, toen de mens voor het eerst overging op landbouw. Mensen gingen over tot een dieet dat voortkwam uit cultiveerbare graangewassen, zoals brood, en domesticeerbare dieren, zoals zuivel en vlees.

De tweede grote voedselrevolutie ontstond na de kolonisering van Amerika, waardoor globalisering van de landbouw op gang kwam. Voedselproducten uit deze regio zoals aardappelen, maïs, tomaten, pepers, rietsuiker, cassave, tabak, kalkoenen, bananen en allerlei tropische groenten en fruit gingen tot het algemene dieet van mensen behoren. Nog meer mensen kregen hier toegang toe, nadat 100 jaar geleden de industrialisatie van landbouw, transport en voedselproductie begon.

Na WOII kregen ook steeds meer arbeidersgezinnen toegang tot meer vlees en zoetigheden, al bleef de consumptie hiervan beperkt tot zondagen en kermissen. Daardoor leidde dit dieet toen nog niet tot al te grote gezondheidsproblemen, legt Henderickx uit.

Voedselketen in handen van multinationals

Pas toen in de tweede helft van de twintigste eeuw de volledige voedselketen steeds meer in handen kwam van industriële multinationals, begon het mis te lopen met onze voeding, stelt Henderickx. Landbouw en voedselproductie werden onderdeel van de kapitalistische economie, die luistert naar de wetten van de internationale concurrentiestrijd. Degene die op de meest grootschalige manier, het goedkoopst produceert en het meeste verkoopt, wint. “Deze evolutie ligt aan de basis van massaal geproduceerde ultrabewerkte voeding.”

Multinationals van de chemische industrie, zoals Monsanto en Bayer, bevorderden het kapitalistische landbouw- en voedselmodel. Vanaf de jaren 70 verloren jaar na jaar boeren met een kleinschalig gemengd bedrijf de concurrentiestrijd. In 1950 waren er in België 256.754 landbouwbedrijven. In 2023 zijn er nog 22.499 over.

“Eind 20e eeuw liet de bankensector, met Goldman Sachs op kop, zijn oog vallen op die grootschalige voedselproductie. Daar viel veel winst te behalen en fondsen investeerden massaal. De grote bedrijven slokten de kleinere op, met als gevolg dat vandaag de vier grootste agromultinationals Cargill, Tyson Foods, BRF en Alltech ongeveer 42 procent van de wereldvoedselmarkt controleren.

In België is de voedingsindustrie de grootste industrietak geworden met in 2023 ruim 4.211 bedrijven die 100.546 mensen tewerkstellen en samen een omzet van 75,9 miljard euro behalen.

De huidige wetenschappelijke en technische vooruitgang in de landbouw en voedingssector maakt het ook mogelijk dat wereldwijd meer mensen toegang hebben tot voldoende voedsel. Daar wringt volgens Henderickx de schoen dan ook niet. Maar wel bij de massaproductie van ultrabewerkte voeding.

Voedingsbedrijven zijn chemische bedrijven

Vooral sinds de jaren 80 nam de chemische bewerking van voeding tot ultrabewerkte voeding een hoge vlucht. Sindsdien zijn voedingsbedrijven chemische bedrijven, waar geautomatiseerde productielijnen zijn uitgerust met centrifugale zeefinstallaties, oppervlaktekoelers, zifters, stoominfusie- en plaatfornuizen, spuitdrogers, koelpompen, verdampers, enzovoort. Niet echt vergelijkbaar met een huiskeuken.

Ook worden er jaarlijks talloze internationale voedingsbeurzen voor ingrediënten georganiseerd, waar bedrijven hun laatste innovaties presenteren. Veelzeggend is dat deze niet toegankelijk zijn voor het grote publiek. In 2024 bezochten wel meer dan 100.000 vertegenwoordigers uit 120 landen de beurs, waar 3.000 voedselbedrijven hun waren en technieken aanprezen.

Onderzoeksjournaliste Joanna Blythman raakte er in 2013 binnen met een valse identiteit en zij ontdekte standjes met ingrediënten zoals Micolys, dat voedingsproducten zoals ketchup een glanzend glad uitzicht geeft. Of Pulpiz, een gemodificeerd zetmeel dat tomatensaus er vlezig uit laat zien, alsof het echt alleen van tomaten gemaakt is. En Silfoam dat gebruik maakt van silicone om schuimprocessen bij voedselproductie onder controle te houden.

Veel van deze ingrediënten hoeven niet eens op de verpakking vermeld te staan, omdat ze beschouwd worden als productiehulpmiddelen. Hierdoor sluipen ze stiekem in onze voeding.

Zo’n voedingsbeurs is de ontmoetingsplaats voor ondernemers voor wie het laboratorium en de fabriek de natuurlijke omgeving is, in plaats van het veld, de boerderij en de keuken. Zij geloven dat de chemische industrie betere voeding kan fabriceren dan natuurlijke voeding.

En heb je het idee dat er tegenwoordig een stuk minder E-nummers staan op verpakkingen in de supermarkt? Voedingsproducenten beseffen dat steeds minder mensen voedingsmiddelen met een lange lijst E-nummers kopen. Daarom vervangen ze die E-nummers nu vaak met natuurlijk klinkende namen. Zo heet caroteen E160a voortaan wortelextract, betanine E162 staat als rodebietenextract vermeld en antocyanen E163 heet tegenwoordig druivenextract.

Impact op onze gezondheid

“Voor mensen die na 1980 geboren zijn, is ultrabewerkte voeding doodnormaal, maar dat is ze dus niet”, benadrukt Henderickx. Het is een zeer recent fenomeen, slechts een seconde in de lange menselijke geschiedenis, en “ons DNA is nog altijd dat van de jagers-verzamelaars”.

“Ons lichaam heeft zich gedurende tienduizenden jaren aangepast aan een bestaan met veel beweging in de natuur, met een vezelrijk en natuurlijk dieet en een evenwichtige voedselverdeling. Vandaag is de levensstijl van een groeiend deel van de wereldbevolking totaal vervreemd van ons oer-DNA, waarmee wij als mensen evolutionair groot, gezond en slim zijn geworden.”

Vanuit die vervreemding is het eenvoudig om uit te leggen waarom ultrabewerkte voeding voor ons lichaam totaal ongeschikt is, stelt Henderickx. “Dit dieet staat haaks op ons evolutionaire lichaam. Het is immers samengesteld uit een vrij smaakloos goedje, waaraan een resem additieven worden toegevoegd die de substantie weer kleurrijker, smakelijker en langer houdbaar moeten maken.”

Ultrabewerkte voeding heeft dan ook een enorme impact op onze gezondheid en milieu, schrijft Henderickx. “Je kan je afvragen: maar we leven toch allemaal langer dan vroeger? Zo erg zal het dan wel niet zijn.”

Maar volgens Henderickx wordt in voedingsadviezen het probleem van additieven in ultrabewerkte voeding onderschat of miskend. Per persoon eten we in de westerse wereld gemiddeld 8 kilogram additieven per jaar.

Henderickx wijst erop dat over het algemeen het gemiddelde aantal chronisch zieken stijgt. In 2001 was 25 procent van de Belgen ouder dan vijftien jaar chronisch ziek, in 2018 lag dit aantal op 29 procent. Studiemateriaal toont nu aan dat de weerslag van ultrabewerkt voedsel op onze gezondheid niet te verwaarlozen is. Een dieet van ultrabewerkte voeding blijkt verantwoordelijk te zijn voor 22 procent van alle sterfgevallen, dat is hoger dan het percentage door tabak.

Zo tasten de chemische en toxische stoffen in ultrabewerkte voeding onze darmflora aan. De belangrijkste reden hiervoor is een gebrek aan variatie in ons eetpatroon. Maar de agribusiness maakt het ons ook niet gemakkelijk om gevarieerd te eten.

De agribusiness investeert namelijk slechts in een handvol gewassen met grote opbrengst. Daardoor zorgen van de 250.000 eetbare planten slechts twaalf planten en vijf dieren voor 75 procent van al het voedsel op aarde. Dit tekort aan variatie verstoort dus het microbioom in onze darmen en dat speelt een rol bij het veroorzaken van verschillende auto-immuunziekten en heeft een negatieve invloed op kanker en depressie.

Verder blijken pesticiden, zware metalen zoals cadmium en arsenicum, aflatoxine en alcohol, waarvan de residu’s tijdens het productieproces in ultrabewerkt voedsel belanden, kankerverwekkend te zijn. Ze kunnen een celkern in ons lichaam beschadigen en reparatie van al beschadigde cellen verhinderen.

Daarnaast verstoren pesticiden, maar ook bisfenol A in plastics en polycyclische aromatische koolwaterstoffen die bij het bakken en braden vrijkomen, de werking van onze hormonen. Dit kan weer leiden tot verminderde immuniteit, hart- en vaatziekten, vruchtbaarheidsproblemen, endometriose, schildklierontregeling, obesitas, diabetes en ontstaan van kanker.

Bovendien beschadigt ultrabewerkte voeding onze zenuwen en hersenen, verhoogt het een risico op allergieën en infectieziekten en werkt het obesitas en hart- en vaatziekten in de hand. Ten slotte vernielen de vele suikers de minerale structuur van ons tandglazuur. En raken onze onderkaken onderontwikkeld, doordat het zo zacht en vezelarm is en we bijna niet meer hoeven te kauwen.

Wat kan je dan wel eten?

Welke voeding is dan wel gezond? De gouden regel volgens Henderickx is: eet gevarieerd, eet het originele product en eet met mate. “Het is waar dat koken tijd en geld kost, maar ziek worden kost nog meer geld en tijd.”

Het gezondste dieet is er een dat zoveel mogelijk lijkt op het voedingspatroon waaraan ons verteringsmetabolisme zich in de loop van een lange evolutie heeft aangepast. Een combinatie dus van de vroegere jagers-verzamelaars die vis, vlees, groenten, fruit, wortels en noten aten en granen, peulvruchten, melk, zuivelproducten en oliën die de mens tijdens de ontwikkeling van de landbouw ging eten.

Maar hierbij letten we best op dat we niet te veel vis en vlees eten, en dat alles vers en biologisch is en liefst van de korte keten, zoals bij een boer, een boerderijwinkel of boerenmarkten. Enkele online initiatieven in België zijn Boeren & BureneFarmz en Couvert.

Aantrekkingskracht van ultrabewerkte voeding

Voordat ons voedsel industrieel geproduceerd werd, was alles bio. De arbeidersklasse voerde tot WOII zelfs een sociale en politieke strijd voor voldoende calorieën, schrijft Henderickx. Met het huidige overaanbod aan relatief goedkope calorierijke voeding, zijn het nu vooral mensen met een beperkt budget die ultrabewerkte voeding kopen.

Het is tegenwoordig juist niet gemakkelijk om onbewerkte voeding te kopen. Onderzoek van Foodwatch toont aan dat het assortiment in supermarkten bij onze Nederlandse noorderburen voor 70 procent bestaat uit ultrabewerkte voeding.

Vanuit ons overlevingsmechanisme in ons DNA is de mens voorgeprogrammeerd om calorierijk voedsel lekker te vinden, legt Hendrickx uit. Bij kinderen is die drang nog sterker. “Smaakcombinaties van zoet, zuur, zout en hartig doen het water uit onze mond lopen.” Deze keukengeheimen hebben producenten van sterk bewerkte voeding overgenomen, zodat we hunkeren naar hun voedingsproducten en die in zo groot mogelijke hoeveelheden consumeren.

“De industrie van frisdrank en junkfood bijvoorbeeld maakt schromelijk misbruik van de evolutionair geselecteerde drang naar suiker, vet en zout”, aldus Henderickx. Maar in overvloed is dat dus niet gezond.

Bovendien is suiker of een zoetstof, dat in veel ultrabewerkte voeding zit, een voedingsbestanddeel dat het beloningsmechanisme in de hersenen activeert, legt Henderickx verder uit. Dat aangename gevoel willen mensen blijven herhalen.

De commerciële voedingsindustrie heeft die natuurlijke neiging aangegrepen en zo de toverformule in handen om de verkoop en consumptie van haar producten te stimuleren. En hoe meer suiker je eet, hoe meer je een voorkeur ontwikkelt voor zoetigheid. Zo veroorzaakt suiker een verslaving.

Maar denk je met een product waarop staat ‘zonder suiker’, of met een vetarm product zoals mayonaise light een gezonder alternatief te kopen, dan kom je bedrogen uit. Want om het zonder suiker of zonder vet te maken, is het industrieel bewerkt met andere ongezonde bestanddelen, waarvan vele dus zelfs niet thuishoren in voeding, waarschuwt Henderickx.

Slachtoffers die lijden aan overgewicht worden dan ook onterecht gestigmatiseerd, vindt Henderickx. “Het zijn de producenten van ultrabewerkte voeding die schuldig moeten pleiten. Daarom moet de focus van het beleid verschuiven van individuele campagnes voor gewichtsverlies naar maatschappelijke campagnes rond wetgeving en reclame voor ultrabewerkte voeding.”

Daarbovenop is er een lawine aan onverdoken reclame die ons verleidt om ultrabewerkt voedsel te eten, benadrukt Henderickx. Daarbij wordt sterk gebruik gemaakt van neuromarketing, waar het gaat om het beïnvloeden van onbewuste processen in de hersenen die ons gedrag bepalen. Bij koopgedrag is de mens bijvoorbeeld erg gevoelig voor verbondenheid. Denk aan Nespresso die je het gevoel geeft bij het clubje van George Clooney te horen.

Sowieso worden voeding-reclames bijna uitsluitend gemaakt voor ultrabewerkte voedingsproducten. Met de verkoop van onbewerkte voedselproducten zoals fruit of groenten valt niet veel geld te verdienen. Anders dan een spruitje of een paprika is een ultrabewerkt product namelijk altijd het privébezit van een firma. Met ultrabewerkte voeding valt dus veel meer geld te verdienen dan met originele landbouwproducten.

Wat moet er veranderen

Een fundamentele omslag naar gezonde voeding is dus alleen mogelijk als de landbouw en voedingsindustrie een grondige hervorming ondergaan, en er een wetgeving en beleid komt voor productie van ultrabewerkte voeding en reclame daarover.

Wereldwijd staan milieugroepen, landbouwers en organisaties op tegen de politiek van de agribusiness en stellen ze eisen voor een duurzame en ecologische landbouw, aldus Henderickx. “Gezonde landbouw vormt de basis van gezonde voeding, weg van ultrabewerkte voeding.”

Zo strijden ze tegen de internationale handelsakkoorden, zoals het voorgestelde TTIP met de verenigde Staten, want die zijn geschreven door en voor de multinationals. Ze komen op voor rechtvaardige landbouwprijzen. En eisen dat onze regering en het Europese landbouwbeleid de duurzame en biologische landbouw wetenschappelijk en financieel ondersteunen.

Ze ijveren ook dat nationale en Europese agentschappen voor voedselveiligheid worden ondergebracht onder ‘volksgezondheid’ en dat deze meer middelen en personeel krijgen. Tot slot is de eis dat Belgische en Europese banken zich terugtrekken uit voedselbeleggingsfondsen en dat speculatie op de voedselmarkt bij wet wordt verboden.

Deze eisen zijn niet makkelijk te realiseren, stelt Henderickx, maar Belgische en internationale organisaties en boerensyndicaten vormen met hun initiatieven de voorhoede van de verandering.

Onze gezondheid is ons belangrijkste bezit. Door producenten van ultrabewerkte voeding wordt die nu in gevaar gebracht. Het is belangrijk dat er een breed besef ontstaat dat de agribusiness het graf delft van miljoenen mensen. “We moeten deze grafdelvers een halt toeroepen en gezonde alternatieven doordrukken”, roept Henderickx op. Er is gedragsverandering nodig, zowel individueel, als politiek en economisch. Henderickx: “Laten we er samen voor gaan, want dit slikken we niet meer!”

Dit slik ik niet meer!, Staf Henderickx, Lannoo, pg. 213, ISBN 978 94 014 1324 4

Bron: dewereldmorgen.be

Neen aan Arizona – ernstig actieplan nodig!

“Het buffet aan maatregelen dat op tafel staat, daar zullen we het mee doen,” zegt De Wever zonder tegengesproken te worden door de andere Arizonapartijen. We weten wat er op ons afkomt: “de zwaarste sanering sinds de jaren 80” die ons langer wil doen werken, meer flexibiliteit oplegt, de lonen aanvalt, zwaar het mes zet in de ambtenarenpensioenen en de toegang tot het mininumpensioen beperkt, werklozen en zieken onder vuur neemt, onze organisatiekracht en recht op protest ondermijnt. Dit buffet is voor de werkende klasse niet te vreten!

Deze maatregelen komen er niet omdat het “niet anders kan”, maar omdat de grote bedrijven na jaren van recordwinsten ons willen laten opdraaien voor de prijs van de ecologische transitie en de geopolitieke spanningen. Hun productiesysteem ligt aan de basis van de economische vertraging, maar de last hiervan willen ze naar ons doorschuiven! 

Er zijn miljarden in de belastingparadijzen, grote aandeelhouders kijken ernaar uit om verder gepamperd te worden, voor oorlog en vernietiging zijn er miljarden beschikbaar, maar wij moeten besparen omdat het niet anders kan?! Georges-Louis Bouchez zei op de nieuwjaarsreceptie van zijn partij: “De hervormingen die wij willen, gaan geen pijn doen, die gaan deugd doen.” “Het paradijs van de rijken is gemaakt van de hel van de armen,” wist Victor Hugo al.

Wat te doen?

Acties zijn nodig, maar ook een strategie. Na de actie van 13 december is er vandaag niet enkel een betoging maar wordt er gestaakt bij het spoor en in het onderwijs, nu ook langs Nederlandstalige kant. Dit nog voor de federale regering gevormd is! Het toont de woede en de actiebereidheid. We staan sterker met een actieplan dat de kracht van onze collega’s activeert. Een plan dat op elke werkvloer duidelijk maakt welke rottigheid De Wever en Bouchez in petto hebben en wat we daartegen in te brengen hebben.

Het buffet voor onze acties is ook duidelijk: toegankelijke informatiekrantjes, webinars, speciale pagina’s op sociale media, maar vooral ook het individueel en collectief overtuigen van collega’s en vrienden, personeelsvergaderingen en infosessies, militantenbijeenkomsten per regio en/of sector, lokale betogingen, grote nationale betogingen, provinciale en/of sectorale stakingsdagen, nationale stakingsdagen. Er is druk en organisatie van onderuit nodig via personeelsvergaderingen en regionale militantenbijeenkomsten om te vermijden dat enkel de vakbondsleidingen beslissen over de acties. Strijdbijeenkomsten en netwerken van strijdbare syndicalisten kunnen hieraan bijdragen.

We staan op een keerpunt: de burgerij probeert haar eigen positie veilig te stellen. Sinds 2014 waren er tal van bewegingen, onder meer tegen racisme en seksisme, voor het klimaat en tegen genocide. Een nieuwe generatie activisten komt op het voorplan. De arbeidersbeweging kan leren van die bewegingen en deze ervaringen naar de werkvloer brengen. Rechts spreekt over ‘cultuuroorlogen’, maar voert een oorlog tegen onze sociale klasse. We moeten daarop antwoorden met strijd die aangepast is aan de inzet. Strijdbewegingen versterken elkaar. Open mobilisatiecomités tegen Arizona, zoals in Brussel opgezet door Commune Colère, zijn goede stappen en verdienen navolging.

Samen met de aanval op onze arbeids- en leefomstandigheden is er een toename van autoritaire maatregelen (tegen het recht op protest en organisatie) en een nadruk op militarisering met investeringen in defensie. Arizona staat voor een toename van onderdrukking. Het staat voor een verderzetting van steun aan genocide in Palestina. De Wever en Bouchez zijn uitgesproken fans van het zionistisch kolonialisme en de genocide. De strijd hiertegen is een essentieel onderdeel van het verzet tegen Arizona. Op 26 januari is er een nationale Palestina-betoging, neem hieraan deel met collega’s of vrienden! 

ACTIEKALENDER

  • 26 januari: nationale betoging tegen de genocide in Palestina
  • 8 maart: acties in het kader van de internationale vrouwendag
  • Op 7 januari waren er 120 aanwezigen op een Strijdbijeenkomst in Brussel, waaronder veel jonge en nieuwe militanten. Het doel is om elkaars strijd te versterken en te coördineren. Er wordt opgeroepen om de stakersposten van het Franstalig onderwijs eind januari te versterken. 

SOCIAAL URGENTIEPLAN

Geen aanvallen, maar hogere pensioenen en lagere pensioenleeftijd!

Ons vertrekpunt is wat de werkende klasse nodig heeft om een degelijk leven te leiden.

Haalbare arbeidsvoorwaarden door collectieve arbeidsduurvermindering zonder loonverlies en met bijkomende aanwervingen om de werkdruk te verlagen. Maak van een 32-urenweek het nieuwe voltijds, met een voltijds loon. Werkbaar werk betekent ook dat we niet blijven werken tot we erbij neervallen. Werken tot 67 is niet mogelijk, het pensioen moet terug naar 60! Behoud van SWT, landingsbanen en tijdskrediet!

Van een pensioen moeten we kunnen leven. In een woonzorgcentrum betaal je gemiddeld 2200 euro, een minimumpensioen van 1500 euro volstaat dus niet. De pensioenen moeten dan ook drastisch stijgen, het minimum moet toegankelijker zijn voor iedereen en tegelijkertijd moet de publieke ouderenzorg drastisch uitgebreid worden om de prijzen naar beneden te halen. Neen aan de aanval op de ambtenarenpensioenen, veralgemeen deze pensioenen integendeel tot alle werkenden!

Verdedig onze openbare diensten en onze lonen!

Een massaal plan van publieke investeringen in openbare diensten is niet alleen nodig om de werkdruk in de publieke sector te verlagen, maar ook om de dienstverlening uit te breiden.

Om rond te komen, hebben we hogere lonen en uitkeringen nodig. Geen gepruts aan de index, maar volledig herstel ervan zodat de lonen de prijsstijgingen volgen. We worden steeds productiever, maar dit vertaalt zich niet in meer loon. Breek de loonwet! Hogere lonen en uitkeringen moeten onze koopkracht ondersteunen. Neen aan vier jaar loonstop!

Controle op onze industrie

Laten we onze industrie over aan de aandeelhouders en ceo’s die vandaag het personeel bij het grofvuil zetten en de technische knowhow liquideren? Er is nood aan een nationaal publiek plan voor het onderhoud en de ontwikkeling van industriële productie met bijhorende jobs (zonder inleveringen op loon- en arbeidsvoorwaarden). De werkenden uit die sectoren en de  bevolking in het algemeen zijn het best geplaatst om te bepalen wat de noden zijn, inclusief een leefomgeving die niet van overstroming naar orkaan en bosbrand gaat, en weten ook het best hoe alles kan gemaakt worden.

Er is nood aan een sociaal urgentieplan. In de opbouw van onze krachtsverhouding hebben we dit sociaal urgentieplan nodig en doorheen onze acties kunnen we de voorwaarden creëren om dit ook effectief af te dwingen. Wat ons betreft betekent dit dat heel het kapitalistisch systeem weg moet om plaats te maken voor iets veel democratischer: een socialistische samenleving waarin de economie democratisch gepland wordt in het belang van de mensen en de planeet.

Bron: socialisme.be