by admin | feb 1, 2025 | Sectoren
Als we in de toekomst goede zorg willen garanderen, dan moeten we zorgen voor genoeg instroom van nieuwe professionals. Dat kan alleen maar door kritisch te kijken naar de omstandigheden en begeleiding van studenten, schrijft Robbe van Leemput, verpleegkundige en student Management en Beleid van de Gezondheidszorg (UGent).
Gigantische druk
We lezen het bijna dagelijks in kranten en horen het op de radio: de zorg- en welzijnssector staat nog steeds onder gigantische druk. De vraag die zich meer en meer begint op te dringen is hoe lang medewerkers dit nog zullen volhouden. Tegelijk hangt er een ‘demografische tijdbom’ boven ons. Zo zullen er in 2025 voor het eerst meer 65-plussers zijn dan jongeren onder de 18.
De nood aan meer handen aan het bed was nooit zo groot, dat is ondertussen wel zeker. Op de website van de VDAB staan er momenteel bijna 4.000 niet ingevulde vacatures voor verpleegkundigen open.
Wie durft de stap nog te wagen naar zorg en welzijn, die altijd maar negatief in het nieuws komen? Waar afdelingen van woonzorgcentra, ziekenhuizen en zelfs jeugdhulpvoorzieningen moeten sluiten door tekorten? Waar mensen uit de gehandicaptenzorg getuigen dat ze hun collega’s zien verdrinken?
Jongeren
Is het dan aan de huidige generatie jongeren die in bres moet springen en een oplossing moet bieden aan het personeelstekort? Als recent afgestudeerde verpleegkundige zoom ik in op dit zorgberoep.
De cijfers van de Vlaamse Hogescholenraad aan het begin van dit academiejaar zijn alvast hoopgevend: de opleiding Verpleegkunde zit in de lift. Een eerste stap in de goede richting, zou je denken.
Maar helaas kent dit verhaal ook een keerzijde. Want hoewel er meer studenten starten aan de opleiding Verpleegkunde, zien we dat minder studenten hun diploma effectief behalen dan tien jaar geleden. Volgens de laatste cijfers van het Departement Onderwijs en Vorming stopt maar liefst 41 procent van de studenten vroegtijdig met hun opleiding.
In vergelijking met andere landen valt de hoge uitval op: zo ligt in België de ‘drop-out rate’ significant hoger dan in Finland (9 procent), het Verenigd Koninkrijk (20 procent) en Nederland (36 procent).
Uitgeput
Hoe zou dit toch komen?
Waar het werk voor een verpleegkundige na de shift grotendeels stopt, begint het voor studenten vaak pas. Na een lange stagedag komen ze thuis en moeten ze nog beginnen aan stageopdrachten of bereiden ze zich voor op hun volgende stagedag. Aan rust en ontspanning komen ze nauwelijks nog toe.
In plaats van energie te halen uit hun leerervaringen, raken studenten vaak juist uitgeput door de continue druk en bijkomende verplichtingen. Wat stage zou moeten zijn — een periode die motiveert en inspireert — blijkt voor velen een bron van uitputting.
Vangnet ontbreekt
Daarnaast missen studenten vaak de juiste ondersteuning en een betrouwbaar vangnet. Vanaf hun achttiende komen ze terecht op de werkvloer, waar ze plots geconfronteerd worden met situaties die gaan over leven en dood. Dat wordt wel eens vergeten, alsof het vanzelfsprekend is dat jongeren hiermee om kunnen gaan.
De begeleiding van stagiairs is lang niet altijd optimaal. In sommige situaties staan studenten er zelfs helemaal alleen voor. In andere gevallen worden stagiairs ingezet op afdelingen met een ernstig personeelstekort. Dat zorgt niet alleen voor grote druk bij de student, maar ook bij de verpleegkundige die hen moet begeleiden. Want die begeleiding komt bovenop al hun andere verantwoordelijkheden.
Wat ook meespeelt bij de hoge uitval, is de kloof tussen verwachtingen van de jongeren en de werkelijkheid. Studenten stappen vaak met een idealistisch beeld de zorgsector in, maar worden al snel geconfronteerd met de harde realiteit van het beroep. Die mismatch kan teleurstelling creëren en twijfels oproepen of dit wel hetgeen is wat ze daadwerkelijk willen doen.
Boeiend en veelzijdig
De wereld van zorg en welzijn is boeiend en veelzijdig, waarin het zorgen voor of de relatie met mensen centraal staan. Elke dag biedt kleine geluksmomenten en de kans om anderen bij te staan op hun meest kwetsbare momenten. Het is een job vol betekenis en voldoening.
Maar we moeten ook realistisch zijn en ons de vraag stellen: kunnen we zo verdergaan? Want steeds meer studenten raken al uitgeput nog voor ze effectief starten in het werkveld. Deze jongeren, die vol motivatie aan hun opleiding begonnen, voelen zich vaak al uitgeblust bij het afstuderen.
En dat brengt ons bij een belangrijke vraag: wie zal er later voor ons zorgen als we ziek worden of hulp nodig hebben?
Als we de instroom van nieuwe generaties professionals willen verzekeren, dan wordt het hoog tijd om kritisch te kijken naar de omstandigheden en begeleiding van studenten. Zodat ook zij de ruimte krijgen om zich te ontwikkelen tot professionals, die met voldoening, veerkracht en trots hun werk kunnen volbrengen.
Bron: sociaal.net
by admin | feb 1, 2025 | Sectoren
In België mag iedereen zich therapeut of psychotherapeut noemen. “Dat is verwarrend voor wie kwetsbaar is en hulp zoekt”, zegt Steven Joris van de Vlaamse Vereniging voor Klinisch Psychologen.
Zelfverklaarde therapeuten
In België is er weinig controle op wie zich op het terrein van de geestelijke gezondheidszorg begeeft. Dit is nochtans broodnodig: wie psychisch kwetsbaar is en voor hulp aanklopt bij een professional, weet best wie er achter die deur zit.
Toch groeit de laatste jaren het aantal zelfverklaarde ‘therapeuten’ of ‘coaches’. Bekende Vlamingen kunnen zich in de media probleemloos outen als psychotherapeut zonder over de nodige diploma’s te beschikken.
Delicaat werk
De geestelijke gezondheidszorg dreigt te verglijden naar een commerciële markt waar iedereen naar eigen goeddunken diensten mag aanbieden. We kijken er vanuit de Vlaamse Vereniging voor Klinisch Psychologen (VVKP) met enige verbazing naar.
Hoewel er heel wat therapeuten en coaches zijn die goed werk leveren, willen we voorkomen dat ongekwalificeerde mensen beweren geestelijke gezondheidzorg aan te bieden en zich hierbij baseren op pseudowetenschappelijke benaderingen.
Er staat heel wat op het spel: het welzijn en de gezondheid van wie kwetsbaar is. Daar speel je niet mee. Als beroepsgroep verwachten we dan ook dat de overheid bepaalt wie dat delicaat werk mag uitvoeren.
Mijlpalen voor klinisch psychologen
Vanzelfsprekend zijn er grenzen en werden er, vooral de laatste tien jaar, enkele belangrijke krijtlijnen getrokken.
De wet van 10 juli 2016 erkent klinisch psychologen en klinisch orthopedagogen als beoefenaars van een geestelijk gezondheidszorgberoep. Daarmee komen ze wat betreft geestelijke gezondheidszorg op gelijke hoogte te staan met artsen.
Psychotherapie werd wettelijk erkend als een behandelvorm, die enkel uitgeoefend mag worden door deze drie erkende geestelijke gezondheidszorgberoepen.
Klinische psychologie versus psychotherapie
Die erkenning van klinisch psychologen en psychotherapie roept enkele belangrijke vragen op. Bijvoorbeeld: wat is dan het verschil tussen klinische psychologie en psychotherapie?
De wettelijke omschrijvingen van beide leunen dicht bij elkaar aan. Toch zijn ze niet hetzelfde. Klinische psychologie omvat een breed spectrum van psychologische zorg, gaande van sensibilisering, preventie en voorlichting tot psychodiagnostiek, behandeling en rehabilitatie. Klinisch psychologen voeren die klinische psychologie uit.
Psychotherapie daarentegen is een behandelingsvorm waarbij de hulpverlener vanuit een bepaald wetenschappelijk referentiekader een reeks specifieke psychologische interventies toepast, met als doel psychologische problemen op te heffen of te verminderen.
Extra opleiding
En zoals al gezegd: niet alleen klinisch psychologen mogen psychotherapie uitoefenen. Deze behandelvorm mag, mits de nodige opleiding, ook uitgevoerd worden door artsen en klinisch orthopedagogen.
Zo heeft een ‘klinisch psycholoog-psychotherapeut’ na zijn basisopleiding tot klinisch psycholoog nog een bijkomende vierjarige therapie-opleiding gevolgd en hierbij ook twee jaar gesuperviseerde praktijk doorlopen. Door deze extra opleiding kan de klinisch psycholoog naast een brede waaier aan psychologische basiszorg ook psychotherapie als behandelvorm aanbieden.
Klinisch psycholoog versus psychotherapeut
Het lijkt dus alsof je al heel wat opleidingen achter de rug moet hebben voordat je psychotherapeut bent. Maar niets is wat het lijkt: psychotherapeut is, net zoals therapeut, geen beschermde beroepstitel.
Er is geen wettelijke erkenning vereist om de titel te mogen dragen. Iemand mag zichzelf probleemloos psychotherapeut noemen zonder een psychotherapie-opleiding te hebben gevolgd. Anders gezegd: je mag zomaar een bordje met ‘psychotherapeut’ aan je voordeur hangen, ook al ben je niet bevoegd om psychotherapie te beoefenen.
Dit gebrek aan transparantie is verwarrend voor wie hulp zoekt. Kwetsbare mensen lopen het risico om met hun problemen aan te kloppen bij mensen die ongekwalificeerd zijn om hiermee om te gaan, met alle gevolgen van dien.
Mensen verwachten psychotherapie te krijgen, maar er volgt iets heel anders. Dat een overheid hier amper op controleert, neigt naar schuldig verzuim.
Erkende specialisatietitel als oplossing
De oplossing ligt voor de hand: erken ook de titel van ‘psychotherapeut’ als een specialisatietitel die enkel toegankelijk is voor de erkende geestelijke gezondheidszorgberoepen. Door zowel behandelvorm als uitvoerder juridisch te begrenzen, beschermen we patiënten beter tegen ongeschoolde therapeuten en garanderen we kwaliteit en transparantie in de zorg.
Deze oplossing harmoniseert de Belgische regelgeving met andere Europese landen zoals Nederland en Duitsland. Ze erkent professionele expertise en versterkt het vertrouwen in zorg. Het uiteindelijke doel van dit voorstel is iets waar we ons allen in zouden moeten kunnen vinden: een kwaliteitsvolle, veilige en transparante zorgverlening voor wie er nood aan heeft.
Bron: sociaal.net
by admin | feb 1, 2025 | Sectoren
De federale overheid zet 3 miljoen euro aan steun stop voor projecten rond het mentale welzijn van jongeren. In een open brief klagen verschillende onderzoekers en docenten deze keuze aan. De brief werd meer dan 2.000 keer ondertekend. “De klap is hard, niet alleen voor deze organisaties, maar nog meer voor de jongeren die bij hen aankloppen en (enkel) daar vertrouwen vinden.”
Kloof tussen staat en straat
Er is iets grondig fout aan het lopen met kinderen en jongeren in onze samenleving. “In elke klas zitten vandaag twee à drie getraumatiseerde kinderen” geeft kinderpsychiater Eva Kestens aan in De Standaard. Gedragsproblemen nemen toe.
Eén op de vijf jongeren kampt met matige tot ernstige mentale problemen en dat al van lang voor de coronapandemie, dit volgens een studie van de KU Leuven van november 2024. De helft van de jongeren dacht ooit aan zelfverwonding en één op vier doet ook daadwerkelijk aan zelfbeschadiging. Jongeren uit kansarme milieus blijken extra kwetsbaar.
Het zijn signalen die niet alleen uit onderzoek komen, maar ook vanuit jeugdrechters, leerkrachten en jeugdwerkers. Fundamenteel gaat het over onze manier van zorgen voor iedereen in de samenleving. En net dat proberen tal van kleinschalige initiatieven te doen: aansluiten bij de belevingswereld van jongeren die het moeilijk hebben.
Dat een overheid nu met de botte bijl 3 miljoen euro steun aan projecten rond mentaal welzijn voor honderden jongeren in tal van steden schrapt, duidt op een enorme kloof tussen “staat” en “straat”, waar de alledaagse leefwereld van jongeren zich afspeelt. Er is dus ook iets grondig fout aan het lopen met het beleid.
Contractbreuk
De verontwaardigde reacties lieten niet lang op zich wachten: “Ik hoop dat iemand in de regering vannacht niet slaapt na de keuze om kwetsbare jongeren in de steek te laten”, schreef Dimitri Antonissen in HLN. Ook in academische kringen dicht bij het werkveld is er consternatie. Plotsklaps zou een tweejarige financiering al na één jaar en zonder enige vooraankondiging stoppen. De enige mededeling? Er is geen akkoord in de regering in lopende zaken.
Dit is een contractbreuk zonder weerga met een reeks van betrokken sociale organisaties als Touché, TEJO, CAW, OCMW en OverKop in Gent, maar ook Solentra, Andante, VAGGA, Jongeren uit de wind, de Associatie Universiteit en Hogescholen Antwerpen, The Human Link, Young Fenix en KAVKA in Antwerpen.
Pure winst
Het is ook een contractbreuk met de samenleving. Het getuigt van een wereldvreemde overheid. Het is een zware financiële aderlating voor deze kwalitatieve initiatieven van onderuit, die grotendeels door vrijwilligers worden gedragen. Deze kwalitatieve initiatieven leveren de samenleving pure winst op.
Wat TEJO doet voor 60.000 euro zou in privépraktijken tot 240.000 euro kosten. MCKinsey berekende dat elke euro die geïnvesteerd wordt in Touché de samenleving 72 euro terug oplevert aan ‘sociale winst’: door het aantal schadelijke agressie-incidenten te verminderen, door een betere re-integratie te voorzien en door de samenleving te inspireren om moeilijkheden en conflicten oplossingsgericht aan te pakken.
Bij JOCO Impuls, van het Antwerpse CAW, worden jongeren tussen 10 en 16 jaar begeleid die niet langer naar school gaan. Het is een direct antwoord op de open brief van schooldirecteurs en zorgcoördinatoren aan Vlaamse ministers Gennez van Welzijn en Demir van Onderwijs: “Niet alleen zien ze steeds vaker ernstige gedragsproblemen of extreme emotionele problemen op school opduiken, het wordt ook steeds moeilijker om passende antwoorden te geven”.
Precies eenzelfde soort dynamiek speelt bij het aanbod dat ‘Solentra’ doet voor nieuwkomers. Hun divers-sensitieve traumahulp helpt nieuwkomers drempels overstijgen, waardoor ze mee de schouders onder de samenleving kunnen zetten. Dit zijn de broodnodige ‘inspirerende praktijken’ als brug naar het onderwijs waar Bruno Vanobbergen van het Katholiek Onderwijs naar verwijst in De Standaard.
Schaarste en besparingen
Deze beslissing van de federale overheid is een symptoom van wat al jarenlang speelt in de zorg- en welzijnssector, ook op Vlaams niveau. De sector kampt al jarenlang met grootschalige schaarste en opeenvolgende ondoordachte besparingen. Sinds 2010 zijn 650 miljoen euro werkingsmiddelen niet meer geïndexeerd, stelt Zorgnet-Icuro vast.
Tijdelijke financiering gaat voor op structurele oplossingen. Van afstemming tussen beleid en praktijk en tussen bevoegdheden is weinig sprake. De overheid verwacht al jaren dat organisaties en sectoren beter samenwerken, maar zelf slagen ze daar niet in, gezien het gebrek aan toekomstplanning tussen deze beleidsniveaus.
Een harde klap
Hoe dan ook, deze initiatieven zijn pioniers die aan de slag gaan met de ‘basics’ van goede hulpverlening. Ze handelen vanuit een sterk ethisch perspectief en slagen erin om connectie te maken met de alledaagse leefwereld van jongeren; één van de grootste voorwaarden voor jongeren om vertrouwen te geven en in verbinding te gaan. Hun handelen is bovendien niet louter gericht op het probleem als individueel probleem, maar ze bevragen ook maatschappelijke oorzaken zoals armoede, huisvesting of onderwijs.
De klap is hard, niet alleen voor deze organisaties, maar nog meer voor de jongeren die bij hen aankloppen en (enkel) daar vertrouwen vinden. Dat zal opnieuw wonden slaan nadat ook elders hun vertrouwen is geschonden. Daar is deze overheid verantwoordelijk voor.
Hoe kan je tegelijkertijd een beleid voeren waarbij jonge mensen door de gaten van het vangnet vallen, vervolgens schouderklopjes geven aan kleinschalige organisaties die de gaten dichten, en daarna met een vingerknip 3 miljoen euro besparen? Cognitieve dissonantie op steroïden, dit soort politiek.
Bron: sociaal.net
by admin | feb 1, 2025 | Antipestteam
‘Wit Amerika voelt zich in het nauw gedreven’
‘De strijd tegen woke en diversiteit bij de overheid is een wanhoopspoging van Trump om de macht van wit Amerika te behouden,’ zegt Amerikadeskundige Kenneth Manusama.
Donald Trump doet zijn campagnebelofte gestand om een einde te maken aan wat hij de ‘illegale en immorele discriminatie van witte mannen’ noemt. Via presidentiële decreten maakte hij al op de dag van zijn inauguratie een einde aan federale diversiteits- en inclusieprogramma’s.
Federale ambtenaren van zogeheten DEI (Diversity,equity and inclusion)-afdelingen zijn per direct met verlof gestuurd. De betreffende overheidswebsites en socialemediakanalen moesten op zwart gaan. Daarmee wordt een progressief stokpaardje van vorig president Joe Biden afgevoerd.
Trump wil dat competentie weer de leidraad wordt in Washington. De president verbiedt voortaan ‘het werven en selecteren, alsook bevorderen van ambtenaren op basis van ras, sekse, genderidentiteit, seksuele voorkeur of geloofsovertuiging.’ En deze maatregelen tegen diversiteitsbeleid bij de federale overheid zijn volgens Trump nog maar het begin.
Toch voert de president volgens volkenrechtjurist en Amerikakenner Kenneth Manusama een tot mislukken gedoemd achterhoedegevecht. ‘De langetermijnontwikkelingen in de Amerikaanse samenleving wijzen juist richting meer diversiteit en minder macht voor witte mannen.’
Wat hielden die diversiteitsprogramma’s bij de overheid precies in?
Kenneth Manusama: Het gaat vooral over personeelsbeleid en ervoor zorgen dat je organisatie zo veel mogelijk een afspiegeling is van de maatschappij. In de Amerikaanse samenleving staan historisch gezien bepaalde minderheden, met name de erfgenamen van tot slaaf gemaakten, op achterstand. Voor deze Afro-Amerikanen is het niet zo makkelijk om door te dringen in de federale bureaucratie. DEI heeft iets van positieve discriminatie, maar niet zo verregaand. Het is veeleer het idee dat bij gelijke competenties en gelijke geschiktheid de kandidaat uit de diversiteit gelijke kansen krijgt.
Dat beleid moet er ook voor zorgen dat bijvoorbeeld lgbtqi+-personen en met name transgenderpersonen zich ook goed voelen binnen een organisatie. Dat beleid is al van voor het presidentschap van Joe Biden een doorn in het oog van de Republikeinen.
Maar nu staat de aanval op DEI en zogenaamd woke-beleid centraal in de agenda van de nieuwe president. Zullen veel mensen hun baan verliezen bij de federale overheid?
Manusama: Kijk, nu al is de speciale dienst die toezicht moest houden op de DEI-programma’s binnen de federale overheid grotendeels met betaald verlof gestuurd. Die mensen is letterlijk gezegd: je krijgt betaald, maar ga naar huis, je kan en mag hier niets meer doen. Zij raken straks dus ofwel hun baan kwijt, al is er wel federaal ontslagrecht en kom je niet zo snel van ambtenaren af als van medewerkers in de privésector, ofwel moeten ze op andere afdelingen aan de slag.
De afgelopen uren is ook een memo uitgegaan naar ongeveer alle federale overheidsdiensten. De boodschap daarbij aan alle federale ambtenaren: als er toch nog initiatieven zijn op het vlak van DEI, laat het ons weten. Er is eigenlijk een verklikkerslijn geopend. Dan kun je je misschien een beetje voorstellen hoe minderheden die in het federale ambtenarenapparaat werken, zich nu voelen. Het moet verschrikkelijk zijn.
Volgens sommige waarnemers doet dit denken aan de jacht op communisten binnen de overheid in de jaren 1940-50.
Manusama: Dat lijkt me een terechte vergelijking. Het is in vele opzichten ook een soort terugwerpen naar de tijd van vóór de burgerrechtenbeweging of een perverse omkering van die beweging. Het principe van Trump en de Republikeinen dat alles kleurenblind moet zijn, dus dat een onderscheid maken tussen mensen van kleur en witte mensen gewoon illegaal is, betekent dat als een witte Amerikaan zich gediscrimineerd voelt, hij dat onder de burgerrechtenwetten zou kunnen aankaarten. Dat is een omdraaiing van de hele bedoeling van de burgerrechtenbeweging. En dat is wrang.
Het is belangrijk dat mensen beseffen dat dit pleiten voor de kleurenblindheid van het federale ambtenarenapparaat, met nieuwe wetten en regels, in de praktijk een poging is om de macht van wit Amerika te behouden. En om minderheden ook minderheden te houden.
Volgens de Republikeinen is DEI gewoon doorgeschoten ideologische identiteitspolitiek, waarbij mensen worden aangenomen op basis van huidskleur of seksuele geaardheid, in plaats van op basis van kwalificaties.
Manusama: Dat is het plaatje dat de Republikeinen de afgelopen 5 tot 10 jaar hebben geschetst. Maar DEI was gewoon een overigens heel langzame correctie op de discriminatie van minderheden. Het gaat ook niet alleen over personeelsbeleid. In de schoolboeken komt er in sommige staten nu ook veel minder aandacht voor het lot van de zwarte bevolking en voor het idee dat Amerika een verleden heeft met ontzettende discriminatie en racisme. Dat willen Republikeinen uit de schoolboeken hebben.
Dit gaat allemaal om machtsbehoud van wit Amerika. Met het perspectief dat ze die macht eigenlijk onvermijdelijk gaan verliezen in de nabije toekomst, vanwege de demografische ontwikkelingen in Amerika. Het is één grote wanhoopspoging om dit machtsverlies alsnog te voorkomen.
Of waait er een nieuwe culturele wind in de Verenigde Staten en heeft antiwoke de cultuuroorlog gewonnen?
Manusama: Dit lijkt wel een climax van de cultuuroorlog die al langer aan de gang is. Maar onder antiwoke wordt ook bijvoorbeeld anti-abortus verstaan. Terwijl de meerderheid van Amerika voor een abortusrecht is. We hebben tegenwoordig ook het homohuwelijk in Amerika. Daar zijn 60 procent van de Amerikanen voor.
Amerika is redelijk progressief geworden en dat zet zich alleen maar door. Met immigratie wordt het soms iets minder, omdat veel Latino’s wel wat conservatief zijn, maar de trend is duidelijk. Het oude, ‘White Anglo-Saxon Protestant’ Amerika, is heel duidelijk aan het veranderen. Daartegen ageren Trump en zijn medestanders. Ze voelen zich in het nauw gedreven.
Maar vergeet niet dat Trump en zijn Make America Great Again-beweging ook een minderheid is binnen de Republikeinse Partij. Weliswaar de minderheid die op dit moment de hele partij in haar macht heeft. Maar de vraag is toch in hoeverre deze anti-diversiteitsmaatregelen worden geaccepteerd in de brede samenleving, als daarmee de vooruitgang van minderheden tot stilstand komt. Of als er straks niet genoeg competente mensen meer kunnen worden gevonden omdat er niet verder wordt gekeken dan alleen maar witte Amerikanen, gesteld dat men het spel echt te kwader trouw gaat spelen.
Dat zal ook gevolgen hebben voor de slagvaardigheid van het ambtenarenapparaat. De onvrede daarover kan zich, over twee jaar alweer, vertalen in hoe de Amerikanen stemmen bij de Midterm-verkiezingen.
Bron: Knack.be
by admin | feb 1, 2025 | Onderwijs
“Te danken aan modernisering secundair onderwijs”
Nooit eerder volgden meer leerlingen in het secundair onderwijs een technische of een beroepsopleiding. Dat schrijft De Tijd op basis van cijfers van het Departement Onderwijs. En dat is voor een groot deel te danken aan de hervorming van het secundair onderwijs, zeggen kenners.
In 5 jaar tijd is het aantal leerlingen in praktijkgerichte richtingen met ruim 17 procent gestegen. Dit jaar tellen we al meer dan 100.000 leerlingen in een technische richting (het vroegere tso) en bijna 80.000 in een beroepsrichting (ooit bekend als bso). Het aantal scholieren in het algemeen secundair onderwijs (aso, of beter: de ‘doorstroomrichtingen’) daalde in dezelfde periode met 6,6 procent.
Onderwijseconoom en professor Kristof De Witte (KU Leuven) ziet 2 grote verklaringen. Een eerste is de modernisering van het secundair onderwijs in het schooljaar 2019-2020. “Daarbij ligt er meer nadruk op wat je later kunt doen: verder studeren, gaan werken of een richting waarin dat allebei nog mogelijk is. Zo zijn de klassieke labels van aso, tso en bso wat meer naar de achtergrond verschoven.”
Volgens De Witte maakt dat beter duidelijk dat die arbeidsmarktgerichte richtingen (bso) of die richtingen waarbij je ofwel verder kunt studeren, ofwel onmiddellijk kunt gaan werken (tso) echt wel volwaardige opties zijn, en dus geen tweede keuze.
Daar komt nog eens bovenop dat er bij die modernisering ook inhoudelijk heel wat herwerkt is in de tso-richtingen. “Daarbij zijn er meer theoretische componenten, met meer bagage voor wiskunde, wetenschappen en taalvaardigheid, waardoor je ook een nieuw doelpubliek van leerlingen aanspreekt.”
Positieve perceptie
Een tweede belangrijke verklaring is de opwaardering van technisch geschoolde profielen op de arbeidsmarkt. “De krapte in de zorg, de bouw, logistiek of technologie leidt tot meer campagnes en meer aandacht voor die sectoren en dat zorgt voor een aantrekking. Ook dat heeft een positieve invloed gehad op de perceptie van het tso en bso.”
De Witte waarschuwt wel dat we door die groei van het aantal leerlingen ook goed moeten kijken naar de infrastructuur en capaciteit van tso- en bso-scholen en de beschikbaarheid van goede leerkrachten.
“Die herwaardering van het tso betekent ook dat we snel moeten inzetten op volwaardige, kwaliteitsvolle stageplaatsen, goede infrastructuur en voldoende plaatsen voor die leerlingen. Anders kan die groei al gedwarsboomd worden.”
En het aso?
In het algemeen secundair onderwijs (aso) zitten nu nog zo’n 120.000 leerlingen. Dat is in 5 jaar tijd een daling met 6,6 procent. Moeten we ons daarover dan zorgen beginnen te maken? “Dat is op korte termijn zeker geen probleem”, zegt De Witte.
Het heeft volgens hem bijvoorbeeld geen invloed op het aantal mensen dat uiteindelijk verder studeert in het hoger onderwijs. “Ook vanuit het tso kan je bijvoorbeeld perfect nog naar een professionele bachelor gaan. Dat het aantal leerlingen dan wat verschuift tussen de richtingen in het secundair hoeft dus geen probleem te zijn.
Bron: vrt.nws