Doorgeprikt: 7 mythes over ziekenfondsen

N-VA en MR willen het model van de ziekenfondsen ontmantelen. Maar veel van de kritiek is gebaseerd op verouderde beelden of ideologische voorkeuren, en niet op de data van 2026.

In 2015 verscheen in Samenleving & Politiek het artikel ‘Zeven ziekenfondsmythes doorprikt’. Dit stuk trachtte de kritieken op ziekenfondsen – ze zijn ‘te duur’, ‘te inefficiënt’, ‘te bureaucratisch’, ‘te verzuild’, … – te weerleggen met feitelijke argumenten. Vandaag, meer dan tien jaar later, zien we dat deze mythes niet zijn verdwenen, maar gemuteerd en versterkt terugkeren in het politieke discours, met name vanuit de regeringspartijen N-VA en MR. In het regeerakkoord van Arizona worden ziekenfondsen reeds meer geresponsabiliseerd maar blijven ze vooralsnog grotendeels gespaard, mede door het verzet van Vooruit en cd&v.

Voor N-VA en MR is het jachtseizoen op de ziekenfondsen intussen duidelijk geopend. Georges-Louis Bouchez (MR) viel de ziekenfondsen aan op de nieuwjaarsreceptie van zijn partij wegens hun belastingvoordelen. Eind 2025 nam Axel Ronse (N-VA) de ziekenfondsen op de korrel wegens hun aanpak van langdurig zieken. N-VA wil het takenpakket van de ziekenfondsen grondig hervormen. Wie goed luistert, hoort echter geen neutrale zoektocht naar efficiëntie, maar een diepere systeemkeuze. Deze aanvallen hebben duidelijk het uitkleden van ons beschermend model van sociale zekerheid als doel. Laat ons dus stoppen met praten in slogans en beginnen met spreken in feiten. Niet om kritiek te smoren – transparantie en goed bestuur zijn essentieel, ook voor ziekenfondsen – maar om het debat te bevrijden van rookgordijnen.

MYTHE 1: “Ziekenfondsen zijn dure en inefficiënte doorgeefluiken”

De perceptie dat ziekenfondsen een onnodige, kostenverslindende tussenlaag vormen, blijft hardnekkig. Critici wijzen vaak op de absolute bedragen die naar administratiekosten vloeien. In 2024 werd het totale budget van de vijf ziekenfondsen vastgelegd op 1,285 miljard euro. Dat klinkt inderdaad als een duizelingwekkend bedrag, maar in de politieke retoriek wordt dit bedrag voor administratie vaak geïsoleerd gepresenteerd, zonder context over de totale geldstromen die worden beheerd. Dat leidt dan tot de conclusie dat dit ‘verloren geld’ voor administratie niet naar de zorg gaat.

Om deze mythe te doorprikken, is het noodzakelijk om de administratiekosten niet als een absoluut bedrag maar als een relatieve efficiëntieratio te beschouwen. Wat blijkt dan? Wanneer we de administratieve toelage van 1,285 miljard euro afzetten tegenover de totale begroting voor de geneeskundige verzorging en uitkeringen van 42,7 miljard euro, komen we op een administratieve kost van ongeveer 3% (en zelfs 2,4% als we de 11 miljard uitkeringen toevoegen aan de totale begroting). Dat valt zeer goed mee. Van elke 100 euro die bestemd is voor de gezondheidszorg, vloeit meer dan 96 euro effectief naar de terugbetaling van zorgverleners (artsen, ziekenhuizen, apothekers) en de uitkering van zieken. Dit is een efficiëntieratio die in de private sector zelden wordt gehaald. De recente stijging van de administratiekosten in absolute cijfers (van 1,19 miljard in 2023 naar 1,28 miljard in 2024) is procentueel in lijn met, of zelfs lager dan, de indexering van de loonkosten en de inflatie, terwijl het takenpakket exponentieel is toegenomen.

Critici verwijzen ook vaak naar OESO-studies die de Belgische administratiekosten als hoog bestempelen. Ook dat is niet helemaal correct. Door de complexiteit van de Belgische staatsstructuur is het appelen met peren vergelijken. Uit cijfers van de FOD blijkt dat de totale administratiekosten voor 2021 zo’n 3,6% bedragen, waarmee we lager zitten dan onze buurlanden die ook met uitbetalingsinstellingen werken, zoals Duitsland (4,2%), Nederland (4,7%) en Frankrijk (5,0%).

N-VA wil evolueren naar een ‘Fins model’ dat goedkoper zou zijn op vlak van administratiekosten. Maar ook deze vergelijking gaat niet op. Want in dat Finse model vallen administratieve kosten gemaakt door zorgverstrekkers zelf (ziekenhuismanagement of facturatie door artsen) buiten de statistieken. Hierdoor lijken landen met zo’n geïntegreerd systeem artificieel efficiënter dan landen met een prestatiegebonden financieringssysteem, zoals het onze, waar administratieve taken expliciet worden gescheiden van de zorgverlening.

En dan is er nog de claim dat de private sector efficiënter werkt. Ook die is te weerleggen. Uit data van Assuralia blijkt dat de administratieve kosten en commissielonen in de private Belgische verzekeringssector schommelen rond de 17% tot 20% van de premies. Dat is een pak hoger dan de 3% van ziekenfondsen. Dat is ook logisch: private verzekeraars moeten winstmarges genereren voor aandeelhouders, besteden enorme budgetten aan marketing om jonge, gezonde klanten te werven, en hebben hoge kosten voor het beheer van polissen. De ziekenfondsen daarentegen hebben geen winstoogmerk, geen aandeelhouders, en hun marketingbudgetten zijn strikt gereguleerd. De vergelijking met de Verenigde Staten, hét land van de private verzekeraars, is nog schrijnender. Daar vloeit tot 18% van het budget weg naar administratie, winst en de complexe bureaucratie van het weigeren van claims.

En dan is er nog de mythe dat de administratiekost enkel dient voor het ‘terugbetalen van briefjes’. Dit is een karikatuur die voorbijgaat aan de realiteit van 2026. De administratiekosten omvatten vandaag een breed scala aan maatschappelijke diensten zoals proactieve rechtentoekenning, complexe berekening van de maximumfactuur of juridische bijstand voor patiënten die het slachtoffer zijn van medische fouten.

MYTHE 2: “Ziekenfondsen liggen in een hangmat en worden slapend rijk”

De kritiek luidt dat ziekenfondsen een gegarandeerde dotatie krijgen, ongeacht hun prestaties. Ze zouden geen incentive hebben om de uitgaven te beheersen of om langdurig zieken weer aan het werk te krijgen. In de huidige legislatuur vertaalt dit zich in een felle politieke focus op ‘responsabilisering’, waarbij partijen als N-VA eisen dat de financiering van ziekenfondsen afhankelijk wordt gemaakt van hun succes in re-integratietrajecten.

Het beeld van de ‘hangmat’ is anno 2026 feitelijk onjuist. De ziekenfondsen opereren vandaag in een strak keurslijf van financiële sanctiemechanismen en resultaatverplichtingen. De regering-De Wever scherpte de financiële responsabilisering van de ziekenfondsen al aan. Ze legde een direct verband tussen de administratieve dotatie en de inspanningen rond de re-integratie van langdurig zieken. Ziekenfondsen worden nu financieel gestraft indien zij niet voor elke arbeidsongeschikte (waar medisch mogelijk) een traject naar werk opstarten.

Het beeld van de hangmat klopt ook niet omdat ziekenfondsen een financieel risico dragen. Ze zijn niet louter doorgeefluiken. Een aanzienlijk percentage van hun budget wordt toegekend op basis van theoretische profielen. Als hun leden meer uitgeven dan dit risico-gecorrigeerde profiel toelaat, moet het ziekenfonds een deel van het tekort zelf bijpassen uit de reserves. Dit dwingt hen tot voorzichtig beheer en controle op overconsumptie.

De rol van ziekenfondsen wordt vandaag fundamenteel anders ingevuld dan vroeger: van administratieve verwerking naar actieve begeleiding. Zo hebben ziekenfondsen massaal geïnvesteerd in gespecialiseerde ‘Terug Naar Werk’-coördinatoren. Begin 2025 waren er meer dan 100 voltijdse medewerkers actief die uitsluitend bezig zijn met het screenen en begeleiden van langdurig zieken naar aangepast werk of opleiding. De Terug Naar Werk-barometer toont aan dat het aantal opgestarte trajecten stijgt. Dit arbeidsintensief maatwerk staat haaks op het beeld van een ‘slapende’ organisatie.

Ziekenfondsen doen ook aan fraudebestrijding. In het kader van het Actieplan Handhaving 2024-2026 voeren ze eerstelijnscontroles uit. In 2022 werden miljoenen euro’s aan onterechte uitgaven gedetecteerd en teruggevorderd. Ziekenfondsen analyseren via het Intermutualistisch Agentschap datastromen om afwijkend voorschrijfgedrag van artsen te detecteren.

In tegenstelling tot een overheidsmonopolie – het systeem van één Hulpkas voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering HZIV, waar N-VA naartoe wil – staan de ziekenfondsen in competitie met elkaar. Leden kunnen eenvoudig veranderen van ziekenfonds. Deze ‘gereguleerde competitie’ dwingt de ziekenfondsen om te innoveren in hun dienstverlening, hun apps te verbeteren (zoals de Vity-app van Solidaris, Mijn CM-app of de Helan-app) en hun wachttijden te verkorten. Een organisatie in een hangmat zou in dit systeem onmiddellijk leden verliezen.

MYTHE 3: “Ziekenfondsen verdedigen de patiënt niet meer”

Een terugkerende kritiek is dat ziekenfondsen, door hun historische verzuiling en hun rol als medebeheerder, te veel compromissen sluiten met artsensyndicaten en de overheid, ten koste van de patiënt. Ook de stijgende ereloonsupplementen in de zorg voeden het beeld dat ziekenfondsen onvoldoende macht hebben.

Nochtans zijn ziekenfondsen vandaag de enige structurele machtsfactor die een dam opwerpt tegen de commercialisering van de zorg. Zonder hun collectieve onderhandelingsmacht zou de patiënt vogelvrij zijn.

De kern van de patiëntenbescherming is het akkoord artsen-ziekenfondsen: de zogenaamde Conventie. Ze is het schild tegen tariefchaos. Ziekenfondsen onderhandelen elke twee jaar harde tariefakkoorden met artsen en tandartsen. In ruil voor het sociaal statuut (pensioenopbouw) beloven zorgverleners zich aan de officiële tarieven te houden. Zonder deze onderhandelingen zouden specialisten vrije marktprijzen hanteren, wat de zorg onbetaalbaar zou maken. Ondanks hoge inflatie en druk van artsensyndicaten om de tarieven vrij te laten, zijn de ziekenfondsen erin geslaagd een akkoord te sluiten dat tariefzekerheid biedt voor het overgrote deel van de bevolking. De conventiegraad bij huisartsen blijft hoog. Bij logopedisten is er sprake van enige verbetering. Bij tandartsen is de tendens omgekeerd.

En dan is er de befaamde strijd tegen de ereloonsupplementen. Die is inderdaad niet evident. Ziekenfondsen voeren actief strijd tegen de wildgroei ervan, met name in de ziekenhuissector. Solidaris en CM voerden in de afgelopen jaren campagnes en oefenden politieke druk uit om ereloonsupplementen bij opnames in tweepersoonskamers te verbieden en transparantie af te dwingen. Ook het systeem van de maximumfactuur, dat garandeert dat geen enkel gezin meer dan een aan een bepaald inkomen gerelateerd plafond aan remgeld betaalt, is een constructie die door de ziekenfondsen werd bedacht, operationeel gemaakt en verdedigd.

De beste verdediging van patiënten is natuurlijk dat waar de patiënt niet om hoeft te vragen, namelijk de Proactieve Toekenning. De automatisering van de Verhoogde Tegemoetkoming is zo’n gamechanger. Waar vroeger de sociaal zwakkeren zelf hun weg in de bureaucratie moesten zoeken, krijgen zij nu automatisch hun recht toegekend. CM rapporteerde dat 18.000 leden in één klap hun statuut kregen dankzij deze proactieve aanpak.

Ook investeren ziekenfondsen fors in ‘gezondheidsgeletterdheid’ van hun patiënten. Ze informeren leden via apps en campagnes over preventie, goedkoop medicijngebruik en patiëntenrechten.

MYTHE 4: “De overheid of private verzekeraars zouden het beter doen”

Vanuit N-VA en MR wordt geregeld gesteld dat de ‘tussenlaag’ van ziekenfondsen overbodig is. De redenering is tweeledig: ofwel moet de overheid (RIZIV/de Hulpkas voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering HZIV) alles doen om ‘efficiëntie’ te winnen, ofwel moet de markt (private verzekeraars) spelen om ‘concurrentie’ te bevorderen.

Deze mythe berust op een fundamentele misvatting over de aard van sociale zekerheid versus private verzekering.

Eerst de illusie van de staat, namelijk het argument voor één Hulpkas voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering HZIV. De HZIV bestaat reeds als één van de vijf huidige ziekenfondsen. Hoewel de HZIV haar taken correct uitvoert, toont een vergelijking direct de beperkingen van een staatsmodel. De HZIV is een ‘kale’ uitbetalingsinstelling. Zij biedt geen aanvullende diensten, geen preventiecampagnes, geen uitgebreid netwerk van maatschappelijk werkers en geen lokale kantoren in elk dorp. De ‘warme’ zorg en nabijheid die ziekenfondsen bieden, ontbreekt. Er is ook een zekere bureaucratische rigiditeit: de HZIV is een staatsinstelling gebonden aan ambtenarenstatuten en hiërarchieën. De ziekenfondsen, als private vzw’s met een openbare taak, hebben de wendbaarheid om sneller te innoveren en personeel flexibeler in te zetten. Een volledige overheveling naar de staat zou dus leiden tot een logge overheidsadministratie zonder de innovatieve prikkels van de huidige gereguleerde competitie.

En dan het gevaar van private verzekeraars, de tweede illusie. De vergelijking met Nederland of de VS toont de destructieve effecten van privatisering aan. Men doet aan risicoselectie: private verzekeraars hebben een commercieel belang om jonge, gezonde mensen aan te trekken en chronisch zieken te weren of hogere premies aan te rekenen. In België concentreert 5% van de patiënten meer dan 50% van de uitgaven. In een privaat model worden deze mensen onverzekerbaar of onbetaalbaar. De ziekenfondsen zijn wettelijk verplicht iedereen te accepteren. Bij private verzekeraars is er bovendien ook altijd een winstlek: in 2024 boekten private verzekeraars in België aanzienlijke winsten in de tak Niet-Leven. Als de 45 miljard euro aan publieke middelen voor gezondheidszorg via private spelers zou lopen, zou een deel van dit belastinggeld weglekken naar aandeelhouders in plaats van naar zorg. Ziekenfondsen herinvesteren hun overschotten in reserves of dienstverlening. De mogelijkheid om privéverzekeraars – naast de ziekenfondsen – de Vlaamse zorgverzekering in utivoering te brengen, toonde het verschil in benadering aan. Het betreft geen winstgevende activiteit. De ingestapte verzekeraars haakten één voor één af.

MYTHE 5: “Ziekenfondsen zijn bureaucratische dinosaurussen”

Het beeld van ziekenfondsen wordt door critici maar al te graag gereduceerd tot ‘kleefbriefjes’ en papieren rompslomp. Ziekenfondsen zouden de digitalisering tegenhouden om hun eigen administratieve jobs te beschermen. De realiteit anno 2026 is tótaal tegenovergesteld. Ziekenfondsen zijn net de drijvende kracht achter de digitale transformatie van onze gezondheidszorg. Ze zijn geen rem, maar de motor.

Zo bouwden ziekenfondsen samen het platform MyCareNet. Vandaag verloopt de overgrote meerderheid van de interacties digitaal. Huisartsen, apothekers, verpleegkundigen en ziekenhuizen controleren de verzekerbaarheid van een patiënt in real-time. De papieren stroom is voor het gros van de prestaties verdwenen. Vanaf september 2025 is e-facturatie verplicht voor artsen en tandartsen. Deze gigantische operatie is technisch en operationeel voorbereid door de ziekenfondsen, waardoor de terugbetalingstermijn voor patiënten is teruggebracht van weken naar dagen (of zelfs onmiddellijk via derdebetaler).

Ziekenfondsen lopen ook voorop in het gebruik van AI. In 2025 namen ziekenfondsen deel aan grootschalige proefprojecten met Microsoft om administratieve taken te automatiseren via Generatieve AI, waardoor medewerkers meer tijd krijgen voor menselijk contact en complexe dossierbehandeling. Ziekenfondsen doen ook aan datamining. Via geavanceerde data-analyse (zoals bij het opsporen van de rechthebbenden op de, eerder vermelde, Verhoogde Tegemoetkoming) tonen ziekenfondsen aan dat ze big data inzetten voor sociale doeleinden.

De digitale toepassingen van de ziekenfondsen (zoals e-mut van Solidaris of Mijn CM-app) behoren tot de meest gebruikte dienstverlenende toepassingen in België. Leden kunnen doktersbriefjes (indien nog op papier) inscannen met hun smartphone, hun dossier opvolgen en documenten digitaal aanvragen. De ‘dinosaurus’ is met andere woorden geëvolueerd tot een hoogtechnologisch digitaal platform.

MYTHE 6: “Ziekenfondsen zijn rechter en partij”

N-VA en andere critici stellen dat er een fundamenteel belangenconflict bestaat: ziekenfondsen moeten via hun adviserend artsen oordelen over arbeidsongeschiktheid en medische uitgaven controleren, terwijl ze tegelijkertijd ‘klanten’ willen binden. De these is dat ze te laks zijn in controles om leden niet weg te jagen. N-VA legt nu het voorstel op tafel om de medische controle te centraliseren bij het RIZIV.

Dit argument miskent de aard van de relatie tussen de adviserend arts en de patiënt, en negeert de financiële incentives die vandaag bestaan.

De rol van de adviserend arts is de voorbije jaren verschoven van pure controle naar re-integratiebegeleiding. Om een langdurig zieke succesvol terug naar werk te begeleiden, is vertrouwen nodig. Een patiënt zal openhartiger spreken met de arts van zijn eigen ziekenfonds die zijn medische en sociale geschiedenis kent, dan met een anonieme ‘staatsinspecteur’ van het RIZIV. Centralisatie zou deze vertrouwensband verbreken en re-integratie bemoeilijken. Bovendien is er binnen de ziekenfondsen een strikte scheiding tussen de medische diensten en de commerciële diensten. De adviserend artsen werken onder een eigen deontologische code en worden niet beoordeeld op ledenbehoud.

Maar ook het argument dat ziekenfondsen laks zouden zijn om leden te plezieren, klopt niet. Zoals besproken in Mythe 2, werden ziekenfondsen tussen 2018 en 2024 financieel zwaar gestraft als ze te veel inactieve langdurig zieken in hun portefeuille hebben. Ze hebben er dus alle belang bij om streng en rechtvaardig te evalueren en mensen te activeren. Een ‘te laks’ beleid kost het ziekenfonds vandaag geld.

En dan is er nog een praktische weerlegging: capaciteit. Het RIZIV kampt nu al met personeelstekorten. Het overhevelen van honderden adviserend artsen en duizenden dossiers naar een centrale overheidsdienst zou leiden tot een administratief infarct, gigantische achterstanden in de erkenning van invaliditeit, en onzekerheid voor de patiënt.

MYTHE 7: “Ziekenfondsen potten miljarden op en zijn politiek verzuild”

De laatste grote aanvalsgolf focust op de financiële reserves. Recent kopte HLN: ‘Exclusief. Zo rijk is jouw ziekenfonds: het verborgen fortuin van 6,1 miljard euro in kaart gebracht’. Zulke krantenkoppen voeden het beeld van rijke, verzuilde bastions die belastinggeld oppotten voor eigen gewin of voor hun politieke zuil.

Het bedrag van 6 miljard euro in kas bij alle ziekenfondsen is een buffer, geen winst. Ziekenfondsen zijn verzekeraars. Net als elke verzekeringsmaatschappij zijn ze wettelijk verplicht om solvabiliteitsmarges aan te houden. Deze reserves dienen om schokken op te vangen, zoals een pandemie, vertraagde overheidsbetalingen of onverwachte uitgavenpieken. Op een jaarlijks budget van 45 miljard euro  stelt 6 miljard euro slechts een buffer van enkele maanden werking voor. Het is geen ‘dood kapitaal’, maar een veiligheidsnet dat de continuïteit van de terugbetalingen aan de leden garandeert. Dit geld kan overigens niet zomaar worden uitgekeerd aan partijen of vakbonden. Het is juridisch afgeschermd en staat onder streng toezicht van de Controledienst voor de Ziekenfondsen.

En dan is er nog het beeld van het ziekenfonds als ‘kassier van de partij’. Ook dat beeld is achterhaald. De wetgeving en de eigen statuten van de ziekenfondsen zijn grondig hervormd. Er zetelen nu verplicht onafhankelijke bestuurders in de raden van bestuur, die waken over de professionaliteit en de belangen van de leden, los van politieke kleur. Topmannen als Paul Callewaert (Solidaris) en Luc Van Gorp (CM) gaan regelmatig in tegen de standpunten van partijen als dat in het belang van de patiënt is. Hun recente verzet tegen remgeldverhogingen in de zorgbegroting van 2025 toont hun onafhankelijkheid aan.

Conclusie

De analyse van de zeven mythes over ziekenfondsen toont aan dat de kritiek vaak gebaseerd is op verouderde beelden of ideologische voorkeuren, en niet op de data van 2026. Een ontmanteling van het model van ziekenfondsen ten voordele van staatscontrole of privatisering zou leiden tot een duurdere, killere en minder solidaire gezondheidszorg.

Het echte debat is eenvoudig: willen we een gezondheidszorg waar iedereen verzekerd is via een sterke, non-profit uitvoerder met maatschappelijke verankering, of willen we experimenteren met andere modellen, die als uiteindelijke doel hebben de gezondheidszorg te ontmantelen? Wie vandaag de ziekenfondsen aanvalt, moet ten minste de eerlijkheid hebben om dat debat expliciet te voeren. En wie solidariteit ernstig neemt, kiest er beter voor om ziekenfondsen te moderniseren, te controleren waar nodig, maar vooral ze te behouden.

Bron; Sampol.be

Arbeidsmarkt: ‘Beleid dat blind blijft voor bereikbaarheid bestendigt sociale ongelijkheid’

Veel mensen zijn op zoek naar werk. Maar omdat verschillende jobs niet bereikbaar zijn, vallen meteen heel wat opties weg. Die drempel beperkt kansen op de arbeidsmarkt en versterkt sociale ongelijkheid. “Om werk toegankelijk te maken voor iedereen, moet bereikbaarheid centraal staan”, aldus Eva De Vrij, projectleider bij Mobiel 21. 

Uitdagingen op de arbeidsmarkt 

Zowel de Vlaamse als federale regering willen tegen 2030 de werkzaamheidsgraad verhogen tot 80 procent. Ondertussen geraken vacatures moeilijk ingevuld en tegelijk zijn er ook veel mensen die maar moeilijk werk vinden. Beleidsmakers en werkgevers zijn op zoek naar manieren om die uitdagingen aan te pakken. Daarbij gaat de aandacht vooral naar competenties, opleidingen en begeleidingstrajecten voor werkzoekenden. Maar ze vergeten nog een andere, minder zichtbare factor die een belangrijke rol speelt: de bereikbaarheid van werkplekken.  

Niet iedereen geraakt eenvoudig van A naar B. We stellen vast dat door een gebrek aan financiële middelen, kennis, voorzieningen of vaardigheden heel wat mensen niet vlot op hun bestemming geraken. Zij leven in mobiliteitsarmoede, waardoor ze niet volwaardig kunnen deelnemen aan de samenleving.  

Mobiliteitsarmoede is veel meer dan een transportprobleem. Het vormt een structurele drempel voor mensen op zoek naar werk. Wie geen auto bezit, onvoldoende kan fietsen en afhankelijk is van beperkt openbaar vervoer, ziet de toegang tot werk drastisch verkleinen. Dat zet een rem op activering. 

Stad versus platteland 

Om deze maatschappelijke problematiek beter in kaart te brengen, onderzochten Universiteit Antwerpen, Een Nieuwe Kijk en Mobiel 21 in opdracht van de Vlaamse overheid de bereikbaarheid van jobs voor werkzoekenden, hoe medewerkers op hun werk geraken en welke vervoersmiddelen ze daarvoor gebruiken. 

Uit het onderzoek blijkt dat jobbereikbaarheid in Vlaanderen sterk varieert naargelang de woonplaats. Op het platteland zijn mensen sterk afhankelijk van de auto, wat de toegang tot werk beperkt. In steden is er een groter aanbod aan jobs en is het vervoersaanbod uitgebreider, waardoor inwoners meer keuze hebben. Dat wil concreet zeggen dat wie in stedelijke gebieden woont gemiddeld anderhalf keer meer jobs binnen bereik heeft dan mensen die op het platteland wonen. Ook langs belangrijke transportassen en rond knooppunten van openbaar vervoer ligt de jobbereikbaarheid hoger. 

Ook inkomen speelt een rol: hogere inkomensgroepen hebben vaker toegang tot een auto en andere vervoersmiddelen, waardoor ze ongeveer 75 procent van alle jobs kunnen bereiken. Lagere inkomensgroepen ervaren daarentegen financiële en praktische drempels. Zij kunnen nog geen derde van alle jobs bereiken. 

Rol van de overheid  

De cijfers tonen dat jobbereikbaarheid een complexe problematiek is. Er bestaat geen wondermiddel om deze problematiek op te lossen. De aanpak van mobiliteitsarmoede vereist inspanningen van onze verschillende overheden. 

In ons onderzoek verkenden we  hoe verschillende beleidsmaatregelen jobbereikbaarheid beïnvloeden. Zo verhoogt leren fietsen het aantal jobs dat een werkzoekende kan bereiken, zowel in de stad als op het platteland. Elektrisch fietsen verdubbelt zelfs het aantal bereikbare jobs in de stadsrand. Goedkoper openbaar vervoer vergroot de bereikbaarheid, voornamelijk voor de lagere inkomensklasse. Het bezit van een rijbewijs vergroot vooral de bereikbaarheid bij de midden- en hogere inkomensklasse terwijl de lagere inkomensklasse nog steeds financiële drempels ondervindt voor het gebruik van een auto. 

Mix van beleidsmaatregelen

Kortom, sommige maatregelen hebben sterke effecten voor lage inkomensgroepen, terwijl andere vooral in het voordeel spelen van de hogere inkomensgroepen. Er zal een mix van beleidsmaatregelen nodig zijn om de ongelijkheid in jobbereikbaarheid te verkleinen, alle werkzoekenden kansen te bieden en de werkzaamheidsgraad van verschillende bevolkingsgroepen te verhogen. 

De verschillende bestuursniveaus moeten hiermee aan de slag. Lokale besturen kunnen fietslessen aanbieden, fietsinfrastructuur verbeteren en collectief vervoer organiseren richting bedrijventerreinen. De Vlaamse overheid kan rijopleidingen stimuleren, openbaar vervoer goedkoper en sneller maken, fietsen promoten en jobbereikbaarheid opnemen in ruimtelijke planning. Het federaal niveau kan treinstations toegankelijker maken en interregionale treinverbindingen versterken.

Praktische oplossingen voor werkzoekenden

Hoewel deze beleidsmaatregelen belangrijk zijn, zullen ze vooral op langere termijn hun impact tonen. Ook de situatie vandaag vraagt actie. Er is duidelijk nood aan concrete oplossingen voor mensen die zich moeilijk naar werkplekken kunnen verplaatsen. Daarom strijden allerlei organisaties al tegen mobiliteitsarmoede. Zo leent stad Beringen e-bikes uit aan werkzoekendenhelpt 2GO jonge werkzoekenden aan een rijbewijs en verzorgt Max Mobiel collectief vervoer naar de Gentse haven, waar het aanbod van De Lijn te wensen over laat.  

En ook Mobiel 21 strijdt mee. In De Fietsschool geven we laagdrempelige fietslessen aan mensen die het nooit aangeleerd hebben gekregen of het fietsen verleerd zijn. Zo geven we hen de mogelijkheid om ook met de fiets naar het werk te gaan. Daarnaast ontwikkelden we samen met Nazka Mapps het platform NaarJobs.be. Daarop worden vacatures over heel Vlaanderen letterlijk op de kaart gezet en toont het ook de slimste manieren om er te geraken.

Bereikbare jobs voor iedereen 

Jobbereikbaarheid is meer dan een mobiliteitsvraagstuk of een abstract cijferverhaal. Het is een hindernis die de Vlaamse arbeidsmarkt verdeelt. Je kan nog zo gediplomeerd en gemotiveerd zijn, maar als je een job niet fysiek kan bereiken, blijft het bij een intentie. Dat heeft niet alleen persoonlijke consequenties voor die werkzoekende zoals aanhoudende werkloosheid en minder vrije jobkeuze, maar het kost onze maatschappij ook geld. Beleid dat blind blijft voor bereikbaarheid riskeert sociale ongelijkheden te bestendigen en zal haar ambitie om de werkzaamheidsgraad te verhogen niet halen. 

Wij blijven er dan ook op hameren dat bereikbaarheid geen bijzaak is. Meer bereikbare jobs zijn een hefboom naar werk, een sterkere arbeidsmarkt en een hogere werkzaamheidsgraad. Ze zorgen voor meer sociale inclusie en gelijkheid.Laten we jobbereikbaarheid dus centraal stellen in activerings- en arbeidsmarktbeleid. Niet als bonus maar als basisvoorwaarde. 

Bron: Sociaal.net

‘Behandel wonen als grondrecht, niet als beleggingsproduct’

De druk op de huidige woningmarkt is niet te overzien. De wachtlijsten voor sociale woningen zijn enorm hoog en op de reguliere huurmarkt blijven de prijzen stijgen.  Volgens John Vanwynsberghe, algemeen directeur bij Hefboom, laten we kansen liggen: “Het debat zit muurvast in een ideologische patstelling: tussen wie alles van de overheid verwacht en wie gelooft dat de markt zich vanzelf wel zal herstellen.”

Monopoly

De woningmarkt voelt steeds meer als een spelletje Monopoly dat al lang beslist is: de straten zijn bezet en de aankoop- en huurprijzen schieten omhoog. Heb je geluk, dan kan je cashen. Heb je pech, dan beland je keer na keer bij ‘Ga terug naar start’.

Maar wonen is geen spelletje. Het is een recht voor iedereen. Het is de basis waarop een rechtvaardige samenleving rust. Toch is wonen herleid tot een financieel product in plaats van een grondrecht. Politieke keuzes en financiële logica bepalen de woonkansen van duizenden mensen.

De wooncrisis is structureel

De woningmarkt kraakt in haar voegen. Vlaanderen telt 180.000 sociale huurwoningen en maar liefst 209.000 gezinnen stonden eind 2025 op de wachtlijst. Dan spreek je niet van een tijdelijk onevenwicht, maar van een structurele crisis. De overheid investeert wel in sociale huisvesting, maar de hervorming van sociale verhuurkantoren en huisvestingsmaatschappijen zorgt voor grote vertragingen. Die maatschappijen hebben wel budget maar bouwen te weinig.

En de vrije markt slaagt er niet in om deze kloof te dichten. De klassieke redenering dat meer bouwen automatisch leidt tot goedkopere woningen is een halve waarheid. Promotoren bouwen namelijk vooral in de hogere prijscategorie, waar de winstmarges groter zijn. Volgens onze berekeningen liggen de nieuwbouwprijzen twintig tot vijfentwintig procent boven wat een gemiddeld gezin kan betalen.

Woningen die wel beschikbaar en betaalbaar zijn, blijken vaak verouderd en slecht geïsoleerd. Het trickle-down-effect, waarbij er vanzelf betaalbare woningen vrijkomen wanneer mensen doorstromen naar duurdere woningen, blijft beperkt. De prijzen blijven stijgen en het aanbod van vrijgekomen woningen is ruim onvoldoende.

Groeiende kloof

De huurprijzen in Vlaanderen stijgen sneller dan de inkomens. Wie een woning wil huren, betaalt volgens de Vlaamse Woonmonitor vandaag een gemiddelde huurprijs van 766 euro per maand. Voor een grote groep mensen is deze maandelijkse bijdrage moeilijk of niet haalbaar. Spaar je of bouw je vermogen op, dan verlies je door de vermogenstoets bovendien je recht op sociale huisvesting. Op die manier ontmoedig je sociale vooruitgang, in plaats van ze te stimuleren.

Het gevolg is een groeiende kloof tussen sociale en reguliere huisvesting. De betaalbare huisvestingsmarkt – kwalitatieve woningen die ten minste vijftien tot twintig procent onder de marktprijs liggen – is veel te klein. Verhuurders hebben geen enkele reden om ze goedkoper ter beschikking te stellen. Dat betekent dat er nauwelijks een aanbod is voor wie net te veel verdient voor een sociale woning, maar net te weinig voor de gewone huizenmarkt. Deze groep wordt buitenspel gezet.

Een kwestie van keuzes

De Vlaamse overheid concentreert zich momenteel op sociale huisvesting. Een positieve ontwikkeling, en dat beleid verdient erkenning, maar het gaat veel te traag. Ook lokaal botst sociale huisvesting op weerstand. Gemeenten vrezen namelijk dat hun gemiddelde (belastings)inkomen daalt waardoor ze minder aantrekkelijk worden voor nieuwe inwoners. Daardoor blijft sociale woningbouw hangen in bezwaarschriften en politieke koudwatervrees.

Het beleid zet daar nu op in met het Bindend Sociaal Objectief zodat alle gemeenten hun verantwoordelijkheid opnemen. Opnieuw een goede maatregel, maar dat zou ons 56.000 extra sociale huurwoningen opleveren tegen 2042. Dat is wel heel ver in de toekomst.

Tegelijk zetten ook demografische en economische trends druk op de woonmarkt. Alleenstaanden en gescheiden gezinnen vergroten de vraag, terwijl bouw- en grondkosten stijgen. Ook de huidige energienormen en renovatieverplichtingen zijn voor de meeste gezinnen helaas financieel onhaalbaar. Die combinatie vormt de perfecte storm.

Financiële kansen bieden

Het debat zit bovendien muurvast in een ideologische patstelling: tussen wie alles van de overheid verwacht en wie gelooft dat de markt zich vanzelf wel zal herstellen. Die tegenstelling verlamt het beleid en voedt de ongelijkheid. Die verlamming moeten we in beweging brengen.

De woningmarkt is een complex geheel. Laten we ze voor het gemak indelen in vier blokken: dak- en thuisloosheid, sociale huisvesting, betaalbaar wonen en de vrije markt. De grootste maatschappelijke nood zit bij die eerste drie. Daar faalt de vrije markt, omdat het aanbod structureel te laag is. Hier kan doelgerichte financiering en een correct fiscaal kader het verschil maken.

Het wordt dus hoog tijd om als samenleving meer financiële kansen te bieden aan organisaties, ontwikkelaars en initiatieven die betaalbaar wonen realiseren. Zij kunnen de kloof tussen sociale huisvesting en de reguliere woningmarkt proberen dichten.

Een nieuwe visie op grondeigendom

Bij Hefboom zien we dat het anders kan. De verschillende wooncoöperaties en private sociale ondernemingen die we begeleiden en financieren, zijn spelers die nog te vaak over het hoofd worden gezien in de oplossingen voor de wooncrisis.

Wat moet je je daarbij voorstellen? Als bewoner bij een wooncoöperatie, zoals Wooncoop, Fairground Brussels, Collectief Goed, ben je coöperant en huur je aan een voordeliger tarief. Bij een Community Land Trust ben je mede-eigenaar van het gebouw. De grond zelf blijft in beide gevallen eigendom van een stichting of de overheid, en enkel de woning wordt verhuurd of verkocht. Zo doorbreek je de klassieke logica van winstmaximalisatie en houd je de prijs structureel en op lange termijn laag.

Met andere woorden: wanneer je de grondeigendom scheidt van de gebruikswaarde, het woonpand, of voorwaarden bij doorverkoop inbouwt, voorkom je speculatie en zorg je voor stabiele én betaalbare woonprijzen. Dat is geen theoretisch concept. We zien dat deze oplossing nu al werkt, en gezinnen een betaalbaar dak boven het hoofd garandeert. Het mag alleen niet in de testfase blijven hangen.

Win-win situatie

De nood aan meer betaalbare en sociale huurwoningen is hoog. Het is dringend tijd voor politieke moed. De eerste stap is alvast eenvoudig: behandel wonen als een grondrecht, niet als een beleggingsproduct. Er zijn structurele investeringen nodig, geen symbolische ingrepen.

Vandaag zijn de financiële spelregels vooral geschreven voor commerciële spelers zoals gereglementeerde vastgoedvennootschappen. Daar is op zich niets mis mee, maar voor private sociale ondernemingen en coöperaties is de toegang tot financiering en fiscale voordelen vaak een hindernissenparcours.

Doordat zij minder inkomsten opstrijken voor een woning, beschouwen banken hen als een risico omdat ze een beperktere terugbetalingscapaciteit hebben. Met als gevolg dat ze geen of duurdere leningen krijgen om renovatie of bouw mee te financieren.

Gerichte maatregelen nodig

Daarom dienen er gerichte maatregelen te worden genomen. Anders blijven betaalbare woonprojecten steken in goede bedoelingen. Denk aan gunstige collectieve leningen of cofinanciering door de overheid, toegang tot EU-garantiefondsen zoals bij de Europese Investeringsbank, btw-verlagingen tot zes of twaalf procent bij bouw en renovatie, en aangepaste procedures die geen maanden aanslepen.

We kunnen impactinvesteerders en institutionele beleggers zoals pensioenfondsen en verzekeraars stimuleren om mee te investeren, bijvoorbeeld via fiscale voordelen en minimumquota. Publiek-private samenwerkingen kunnen eenvoudiger en sneller. Dat moet geen fortuinen kosten, want op middellange termijn zorgen deze extra betaalbare woningen ook weer voor extra inkomsten in het laatje van de overheid.

Kiezen voor een rechtvaardige samenleving

Kortom: er is een mentaliteitswijziging nodig. De wooncrisis is niet onvermijdelijk. Ze is het gevolg van keuzes en dus ook op te lossen.

Als samenleving moeten we beslissen wat we belangrijker vinden: winst voor sommigen op korte termijn, of algemeen welzijn op lange termijn. Betaalbaar wonen is dé hefboom om de woningmarkt opnieuw menselijk te maken en armoede terug te dringen. Een stabiele woonsituatie zorgt immers voor positieve effecten op vlak van onder andere tewerkstelling, onderwijs en gezondheidszorg.

Daarvoor is samenwerking nodig, maar vooral overtuiging. Iedereen verdient een dak boven het hoofd. Een rechtvaardige samenleving speelt geen Monopoly met haar burgers. Het draait niet om wie de meeste huizen (of hotels) verzamelt, maar wel dat we voorkomen dat iemand van het spelbord valt. Wie in betaalbaar wonen investeert, bouwt aan een toekomst zonder verliezers.

Bron: Sociaal.net

OCMW’s onder druk: ‘Blijft recht op menswaardig bestaan overeind?’

Onze grondwet stelt dat iedereen recht heeft op een menswaardig bestaan. OCMW’s moeten dat mee mogelijk maken. Al zijn die mooie principes gebeiteld in wetten, toch staat de praktijk op losse schroeven. OCMW maatschappelijk werker Sushmitha Hanssen pleitte pas nog om die schroeven weer aan te draaien door begeleidingen meer controlerend te organiseren. ‘Coalitie Humaan OCMW’ is vooral bezorgd dat de oorspronkelijke opdracht van dat maatschappelijk werk aan het wegglijden is: een laatste maar betrouwbare schakel zijn van solidariteit.

Uit het leven gegrepen

Stel: je bent al enkele jaren werkloos. Door de inkorting van je werkloosheidsuitkering zal je die in 2026 verliezen. In theorie werd je tijdens die periode van werkloosheid begeleid door een VDAB-arbeidsbemiddelaar, op zoek naar een duurzame job. Maar de praktijk is vaak anders: de meeste mensen kregen nauwelijks begeleiding.

Kan je – nu in 2026 je werkloosheidsuitkering stopgezet wordt – nog aanspraak maken op begeleiding naar werk door de VDAB? In theorie wel, maar met de geplande forse besparing op de VDAB zal deze dienst nog minder capaciteit hebben om je te ondersteunen in je zoektocht naar een job.

Werkbereidheid

Vind je toch geen plaats op de arbeidsmarkt? Dan is er een laatste dam om niet in armoede terecht te komen: wie financieel in de problemen komt, kan de stap naar het OCMW zetten en een leefloon aanvragen.

Maar ook dan zal ‘werk’ meteen opduiken in je traject. Om een leefloon te kunnen ontvangen, moet je je bereid tonen om te werken. Hoe je die werkbereidheid moet aantonen, heeft de wetgever niet gespecificeerd. Gelukkig maar, want een uniforme omschrijving van het aantonen van de werkbereidheid, zou elke vorm van maatwerk voor individuele situaties onmogelijk maken.

Begin en einde

Dat maatwerk is noodzakelijk. Mensen die naar het OCMW stappen, hebben zelden enkel een financieel probleem. Ze worden bijvoorbeeld ook geconfronteerd met dreigende uithuiszetting, relationele problemen of een kind met ernstige gezondheidsproblemen.

Deze mensen hebben eerst stabiliteit en ondersteuning nodig in plaats van bijkomende druk. De idee om van elke leefloongerechtigde te verwachten dat die wekelijks vijf realistische sollicitatiebewijzen indient, zonder rekening te houden met de problemen die zich ondertussen opstapelden, is ronduit absurd. Toch stellen we vanuit onze praktijkervaringen vast dat dit de realiteit is in steden zoals Antwerpen. Daar verplaatst men het eindpunt van een traject richting arbeidsactivering naar het begin van dat traject.

Controle als administratieve vereenvoudiging

Ook onze regionale en federale beleidsvoerders voeren de druk op en vragen OCMW-maatschappelijk werkers om sterker in te zetten op controle en een (te) snelle stap naar de arbeidsmarkt.

Dat lijkt een administratieve vereenvoudiging voor maatschappelijk werkers die kreunen onder de dossierlast. Op vlak van die werkdruk is er geen beterschap in zicht: in 2026 zal het aantal mensen dat een leefloon moet aanvragen sterk stijgen. Dan is het verleidelijk om dat binnen de perken te houden met snelle en eenvoudige tools om die controles uit te voeren.

Weinig winst

Toch zal die beleidskeuze weinig winst opleveren: een beleid dat inzet op activering zonder oog te hebben voor de complexe realiteit van mensen mist zijn doel. Mensen geraken niet vooruit vanuit druk, repressie, wantrouwen en administratieve opgejaagdheid. Wel vanuit vertrouwen, maatwerk en het wegnemen van drempels.

Dat wegnemen van drempels is een onderschat maar cruciaal probleem. Mensen die voor het eerst een OCMW binnenstappen om hulp te vragen, zien vaak geen andere uitweg meer. Ze moeten onder andere gevoelens van schuld en schaamte opzij zetten om die hoge drempel te nemen.

Voor een grote groep blijft de drempel te hoog. Zij zetten de stap naar het OCMW niet en hun precaire leefsituatie blijft verborgen. Zo wordt geschat dat de helft van de mensen die wel recht heeft op een leefloon daar toch geen gebruik van maakt. Die hoge ‘non take-up’ staat in schril contrast met de bijzonder kleine groep mensen die onrechtmatig een leefloon ontvangt: ongeveer 5 procent.

Wat deze mensen nodig hebben

Wat mensen die geen uitweg meer zien nodig hebben, is iemand die luistert. Iemand die de situatie helpt ontrafelen. Iemand die het overleven terugbrengt tot zekerheid over basisbehoeften. Iemand die met hen op pad gaat om opnieuw stabiliteit te vinden. Iemand die ondersteunt, die in hen gelooft en waar nodig telkens terug een vangnet biedt.

Deze korte opsomming van wat deze mensen nodig hebben, is geen rocketscience. Deze inzichten worden telkens opnieuw bevestigd door pedagogische, sociologische en  psychologische onderzoeken.

Dikke bult

Toch staat alles wat maatschappelijk werk zo belangrijk maakt onder druk. Stereotypes regeren zonder tegenspraak. Armoede zou vooral het gevolg zijn van onverstandige beslissingen: ‘eigen schuld, dikke bult’. Te veel profiteurs zouden  onrechtmatig gebruik van een riant leefloon. Feiten en onderzoeken die staalhard het tegendeel aantonen, verdwijnen naar de coulissen.

Te veel beleidsvoerders surfen mee op die golven. Ze kiezen ervoor om angst als wapen te gebruiken door rechthebbenden te framen als onbetrouwbaar of crimineel. ‘De profiteurs moeten eruit, want anders is er niet meer genoeg voor u, gij hardwerkende Vlaming.’ Die polariserende retoriek van ‘goede’ en ‘slechte’ armen dreigt ook sommige maatschappelijk werkers te voeden.

Laatste, betrouwbare schakel

Verschuift de wettelijke basis van het OCMW binnenkort naar het ‘recht op menswaardig bestaan voor wie binnen de beoogde tijdspanne toegelaten wordt op de arbeidsmarkt’? Of hebben we de moed om radicaal vast te houden aan een menswaardig bestaan voor iedereen, om samen pal te blijven staan voor een OCMW dat niet afglijdt naar een controle- en sanctioneringsdienst?

Blijven we de krachten bundelen om trouw te blijven aan onze oorspronkelijk en wettelijke opdracht: een laatste maar betrouwbare schakel te zijn van solidariteit?

Bron: Sociaal.net

Administratieve rompslomp: ‘Overheid moet complexiteit dragen, niet de burger’

Hulp zoeken betekent voor kwetsbare mensen vaak: zich een weg worstelen doorheen een doolhof van diensten, papieren en procedures. Onderzoeker Marjolijn De Wilde (KU Leuven en Odisee) pleit voor een simpele oplossing: een overheid die zelf voor deze mensen de weg door het doolhof aflegt.

Geconstrueerde complexiteit

Ik ben mantelzorger van een vrouw in een complexe gezinssituatie. Haar meerderjarige zoon is recent opnieuw bij haar komen wonen. Ze wil dat melden aan het OCMW, zodat de ondersteuning via de voedselbank correct wordt aangepast. Ze twijfelt er geen moment aan dat dit een stap is die zij zelf kan en moet zetten. Het verloopt allemaal logisch en eenvoudig.

Maar wanneer ze hulp nodig heeft in een juridisch geschil en een pro-Deoadvocaat probeert aan te vragen, verloopt het anders. Ze bezorgt alle gevraagde informatie correct en volledig, maar krijgt bijkomende vragen. Niet omdat zij iets vergeten is, maar omdat het systeem ingewikkeld is. Zo moet ze ook het inkomen van haar zoon doorgeven, zonder dat duidelijk is hoe dat inkomen zal worden verrekend. Haar eerste reflex is: “Dan zal ik wel geen recht hebben op zo’n advocaat.” Die conclusie is fout, maar dat kan ze onmogelijk weten.

Daarnaast moet ze expliciet verklaren dat ze geen onderhoudsgeld ontvangt. Nochtans verklaarde ze eerder al geen andere inkomsten te hebben dan haar uitkering en het kindergeld. Wie die extra check bedacht, had daar waarschijnlijk een reden voor. Maar voor haar voelt het als ballast.

Dat deze aanvraag stroef verloopt, is niet het gevolg van onwil of onbekwaamheid. Het is geconstrueerde complexiteit: een systeem dat op papier logisch lijkt, maar sputtert als je het toepast op echte mensen in kwetsbare levenssituaties.

Complexiteit is geen individueel falen

Het idee van een ‘Bijzondere Overheid’ biedt een eenvoudig antwoord op dit probleem. Het komt uit de koker van Tim ’S Jongers en Albert Jan Kruiter. Maar eerst meer over het probleem: complexiteit.

In het sociaal werk is complexiteit zelden het gevolg van één slechte regel. Vaak zijn afzonderlijke regels op zich verdedigbaar. Het probleem ontstaat wanneer regels zich opstapelen, elkaar kruisen en samen een werkelijkheid creëren die voor mensen nauwelijks nog hanteerbaar is. Wat administratief overzichtelijk lijkt, wordt in de praktijk een kluwen van voorwaarden, uitzonderingen en bewijsstukken die telkens opnieuw moeten worden aangeleverd.

De eerste verantwoordelijkheid ligt dan ook bij beleid: vereenvoudigen waar mogelijk om rechten toegankelijk te maken.De twee onderzoeksprojecten waarbij ik betrokken ben, kaderen binnen deze vraag. Aan Odisee werk ik, in opdracht van de POD MI en samen met Erik Claes, Kaat Van Acker en Katrien Van den Bosch, aan een onderzoeksproject over vereenvoudiging in OCMW-beleid en -praktijk. Aan de KU Leuven werk ik met Wim Van Lancker en Koen Hermans aan een project rond een vereenvoudigd sociaal onderzoek voor het leefloon.Tegelijk weten we dat vereenvoudiging haar grenzen kent. Niet alles kan eenvoudiger zonder rechtszekerheid of gelijkheid aan te tasten. Bovendien vraagt structurele hervorming tijd — tijd die mensen die vandaag vastlopen niet hebben. De complexiteit is er al. En iemand moet haar dragen.

We overschatten wat van burgers gevraagd kan worden wanneer regelgeving zich opstapelt, aldus ’S Jongers en Kruiter.Ze schreven hier voor het eerst over in 2023 in een essay op de Correspondent: ‘Wat de allerkwetsbaarsten nodig hebben: bijzondere behandeling van een Bijzondere Overheid’. Het komt ook aan bod in ‘S Jongers boek ‘Armoede uitgelegd aan mensen met geld’ en artikel ‘Goed plan: een bijzondere overheid’.Ze vertrekken niet vanuit het analyseren van zelfredzaamheid van mensen, maar vanuit het analyseren van complexiteit. De kernvraag is niet of mensen voldoende competent zijn, maar of het redelijk is om deze complexiteit bij hen te leggen.

Hun voorstel is eenvoudig én radicaal: wanneer complexiteit mensen doet struikelen, moet de overheid die complexiteit zelf dragen in plaats van ze door te schuiven. De Bijzondere Overheid is daarbij geen nieuwe bestuurslaag, maar een manier van werken. Een referentiekader waarin samenhang, toegankelijkheid en professionele verantwoordelijkheid centraal staan.

Het idee is opgebouwd rond drie principes: verantwoordelijkheid nemen voor complexiteit, denken in maatschappelijke rendabiliteit en één toegangspoort.

Verantwoordelijkheid nemen voor complexiteit

De Bijzondere Overheid is de baas over systemen, niet over mensen. Niet burgers, maar professionals nemen verantwoordelijkheid voor de complexiteit die door beleid en procedures wordt geproduceerd. Dat betekent niet dat mensen niets meer zelf doen, wel dat hen geen administratieve lasten worden opgelegd die geen zinvol maatschappelijk doel dienen.

Dit verschilt subtiel van bestaande vormen van integrale begeleiding. Daar wordt complexiteit tijdelijk mee gedragen, met altijd als doel gezinnen sterker te maken zodat zij die complexiteit opnieuw zelf aankunnen. Het vertrekpunt van de Bijzondere Overheid is anders: het is principieel niet de taak van gezinnen om te compenseren voor complexiteit die door de overheid wordt gecreëerd.

Deze benadering sluit nauw aan bij het evenredigheidsbeginsel: de lasten die een overheid oplegt, mogen niet zwaarder zijn dan het maatschappelijk doel dat ermee wordt nagestreefd. De Bijzondere Overheid vertaalt dat juridisch beginsel ook naar de praktijk. Professionals krijgen expliciet de ruimte om af te wegen of wat van mensen wordt gevraagd nog proportioneel is en de last zo nodig zelf op te nemen.

De eerste vraag in dienstverlening verschuift dan fundamenteel: niet “hoe maken we gezinnen sterker?” maar “waar hoort deze complexiteit thuis?”

Denken in maatschappelijke rendabiliteit

Een tweede leidend principe is maatschappelijke rendabiliteit: wat wint of verliest de samenleving door bepaalde keuzes? Niet in de betekenis van winst op korte termijn, maar op langere termijn. Het gaat over het bewust afwegen of het zinvol is om van burgers nog bijkomende stappen, bewijzen of handelingen te vragen, wanneer die op langere termijn meer schade dan opbrengst betekenen voor de persoon zelf én voor de samenleving.

In de praktijk worden vandaag al uitzonderingen gemaakt op regels. Denk bijvoorbeeld aan een OCMW dat een gezin maandelijks energiesteun geeft, terwijl dit OCMW dat eigenlijk normaal niet doet. Zonder expliciete afweging leidt dat soms tot willekeur, soms tot nieuwe informele regels. Wanneer het denken in rendabiliteit ontbreekt, verschuift de beoordeling naar morele categorieën: wie ‘verdient’ een uitzondering op de regel, wie is ‘zielig genoeg’?

Een rendabiliteitslogica vertrekt vanuit een ander uitgangspunt. Ze beschouwt het vermijden van bepaalde stappen niet als afwijking, maar als een bewuste keuze binnen een groter geheel. Zo kan een sociaal werker beslissen geen huisbezoek te plannen bij een vrouw met een angststoornis, die mogelijk de deur niet zal openen. Want staat de sociaal werker voor een gesloten deur, zou dat in de praktijk de toegang tot rechten blokkeren. Door het recht toe te kennen zonder huisbezoek, vergroot de kans op stabiliteit en verdere begeleiding. Dit is geen toegift aan ‘de zieligheid’ van de vrouw, maar kan net de enige reële kans zijn op een eerste stabiliserend anker: een noodzakelijke voorwaarde om verdere positieve evolutie mogelijk te maken.

Telkens opnieuw afwegen

Ook op organisatieniveau spelen dit soort afwegingen. Sommige OCMW’s hanteren bijvoorbeeld de regel dat schulden niet worden meegenomen in de berekening van de uitgaven van een cliënt. Daardoor worden de reële uitgaven lager ingeschat dan ze in werkelijkheid zijn, wat leidt tot lagere bijkomende financiële ondersteuning.

Die regel is op zich verdedigbaar. Ze vertrekt vanuit de wens om als samenleving niet op te draaien voor schulden die mensen maken. Tegelijk toont dit voorbeeld de noodzaak van een rendabiliteitsafweging. Want soms kan het systematisch niet meetellen van schulden ertoe leiden dat cliënten met een blijvend tekort worden geconfronteerd, waardoor schulden verder oplopen en de problematiek verergert.

De vraag is dan niet of de regel juist of fout is, maar of de toepassing ervan in deze concrete situatie bijdraagt aan stabiliteit op langere termijn. Een rendabiliteitslogica vraagt dat zulke regels niet automatisch worden toegepast, maar telkens opnieuw worden afgewogen in functie van hun effect. ’S Jongers en Kruiter stellen hier een fundamentele vraag: wat kost het ons als we blijven vertrekken van  kortetermijnlogica?

Eén toegangspoort: een integrale poortwachter

Wanneer het systeem de complexiteit draagt en rendabiliteit beslissingen stuurt, verandert ook de organisatie van hulpverlening. De vaak genoemde ‘één toegangspoort’ is daar een logisch gevolg van.

Vandaag worden mensen met complexe problemen doorverwezen tussen OCMW, CAW, VDAB, mutualiteit, advocaat en tal van andere instanties. In plaats van burgers te laten schakelen tussen procedures, bewaakt één professional de samenhang. Niet om alles over te nemen, maar om regie te voeren over complexiteit.

Daarbij hoort expliciet ruimte voor professionele oordeelsvorming. Regels kunnen – wanneer dat maatschappelijk verantwoord is – niet of niet volledig worden toegepast. Niet uit willekeur, maar uit verantwoordelijkheid. Regels zijn middelen, geen doelen op zich.

Nieuw referentiekader voor het sociaal werk

Toen ik het begrip Bijzondere Overheid voor het eerst hoorde, tijdens een optreden van Tim ’S Jongers in de Arenbergschouwburg in Antwerpen, vond ik het een interessant idee. Prikkelend en scherp, maar ook veraf. Het leek te gaan over het anders omgaan met regelgeving en het interpreteren van regels in functie van concrete levenssituaties. Dat leek mij iets wat enkel op federaal of regionaal niveau vorm kon krijgen, als onderdeel van grootschalige hervormingen. Een sterk concept, maar voorlopig moeilijk voorstelbaar in de dagelijkse praktijk van het sociaal werk.

Toen ik iets later in een andere tekst van ‘S Jongers las over de aanpak van het Sociaal Huis van Mechelen kantelde dat beeld. Daar worden de principes van de Bijzondere Overheid al enkele jaren concreet toegepast binnen de lokale sociale diensten: cliënten krijgen er persoonlijke begeleiding en integrale hulp op maat door één vaste sociaal werker. Mechelen toont dat de Bijzondere Overheid geen abstract beleidsidee hoeft te blijven, en geen exclusief federale oefening is.

Zo kan de Bijzondere Overheid een nieuw referentiekader worden voor het sociaal werk. Een manier van werken waarin niet de vraag centraal staat wat individuen aankunnen, maar wat redelijk is om van hen te vragen. Welke administratieve lasten horen bij het leven, en welke zijn door beleid en systemen zelf geproduceerd? En vooral: wie is het meest aangewezen om die laatste te dragen?

Ontlasting is geen paternalisme

Als ik met mensen praat over de Bijzondere Overheid, vinden sommigen het een paternalistisch idee. Overnemen zou mensen afhankelijk maken. Autonomie ondergraven. Groei belemmeren. Hier sluipt echter een denkfout binnen. De Bijzondere Overheid wil niet overnemen wat mensen zelf willen of kunnen doen. Ze wil overnemen wat mensen nooit hadden moeten doen.

In de private sector noemen we dat service. Niemand vindt het problematisch dat een aannemer een volledige verbouwing coördineert of dat een boekhouder belastingen regelt. We begrijpen intuïtief dat sommige taken zo complex zijn dat ze geen maat zijn voor autonomie. Bovendien nemen die taken, moesten we ze zelf uitvoeren, kostbare tijd in die we beter anders kunnen besteden. Waarom hanteren we dan een andere norm voor mensen in kwetsbare situaties?

Een aannemer neemt een verbouwing over zodat jij kan wonen. Een boekhouder bereidt jouw belastingaangifte voor zodat jij geen tijd verliest aan het interpreteren van fiscale regelgeving en je tijd kan richten op wat in jouw leven maatschappelijk belangrijk is. Op dezelfde manier neemt een sociale professional administratieve complexiteit over zodat iemand opnieuw ruimte krijgt om eigenaar te zijn van zijn leven.

Het is waarschijnlijk dat deze ingesteldheid net méér bijdraagt aan zelfredzaamheid. Ze geeft mensen opnieuw tijd en energie voor wat in een leven wezenlijk is, in plaats van hen te belasten met het bemeesteren van systemen die onnodig complex zijn gemaakt.

Het dominante denken in termen van zelfredzaamheid draagt zelf een paternalistische logica in zich. Het onderwerpt mensen voortdurend aan beoordeling: loopt iets administratief vast, is het dan omdat mensen het ‘niet willen’ of ‘niet kunnen’? Ook deze toetsing is paternalisme, maar dan subtieler.

De Bijzondere Overheid vertrekt niet van de vraag of iemand iets aankan of wil doen, maar vraagt eerst of het maatschappelijk redelijk en rendabel is om dit van deze persoon te verwachten. De vragen naar kunnen en willen verdwijnen niet, maar zijn secundair.

Toepassing in de praktijk

De Bijzondere Overheid kan vorm krijgen binnen uiteenlopende sociaalwerkpraktijken, zoals een OCMW, een CAW, gezinszorg of schuldhulpverlening. Er is daarbij geen vast stappenplan of een blauwdruk. Het gaat om een professionele houding: complexiteit actief verminderen, bewuste keuzes maken in het licht van langetermijnrendement, en expliciet afwegen wat iemand wel en niet zelf moet doen.

In Mechelen wordt zichtbaar hoe die houding kan leiden tot een andere organisatie van hulpverlening. Niet door regels af te schaffen, maar door samenloop te bewaken, één aanspreekpunt te creëren en sociale professionals ruimte te geven om dossiers integraal te bekijken.

De professional wordt er niet louter uitvoerder van procedures, maar regisseur van eenvoud. Autonomie wordt er niet afgemeten aan hoeveel een burger zelf doet, maar aan hoeveel ruimte iemand krijgt om opnieuw eigenaar te worden van zijn leven, zonder te verdrinken in een administratief moeras. In die zin biedt de Bijzondere Overheid geen alternatief voor traditionele referentiekaders binnen het sociaal werk zoals empowerment of presentie, maar een noodzakelijke aanvulling erop.

Verschuiving in denken

Wat in dit betoog centraal staat, is niet de vraag of specifieke regels verdedigbaar zijn, maar wat er gebeurt wanneer die regels zich opstapelen en samen een werkelijkheid creëren die voor mensen nauwelijks nog leefbaar is. Zolang vereenvoudiging uitblijft of tijd vergt, kan die complexiteit niet vrijblijvend bij burgers worden gelegd.

Voor het sociaal werk betekent dat een verschuiving in denken: niet alleen kijken naar wat individuen aankunnen en niet alleen benoemen wat op bestuursniveau moet veranderen, maar ook expliciet de vraag stellen wie verantwoordelijkheid draagt voor de ingewikkeldheid zoals ze nu is.

De Bijzondere Overheid benoemt en structureert precies die verschuiving. Het is een manier van werken waarbij professionals complexiteit actief beheren, samenhang creëren en mensen ontlasten van lasten die geen maatschappelijk doel dienen. Precies hier ligt vandaag een kernopdracht voor het sociaal werk: service verlenen in het verminderen en opvangen van complexiteit.

Bron: Sociaal.net