Vrouwenorganisaties eisen aanpassing discriminerende pensioenhervorming

“De pensioenhervorming discrimineert vrouwen”, zeggen tien vrouwenorganisaties samen met de vakbonden ABVV en ACV. Zij eisen daarom met de campagne ‘Zorgen genoeg, genoeg gezorgd’ dat de federale regering de pensioenhervorming aanpast.

“My Pension is een hele grote angst voor veel vrouwen”, vertelt Heleen Struyven, woordvoerder van vrouwenorganisatie Femma, woensdagochtend 4 maart in De Ochtend op Radio 1. “Veel vrouwen getuigen dat ze zelfs niet durven te kijken naar hun pensioen, omdat het toch niks gaat voorstellen.” 

Tien vrouwenorganisaties en de vakbonden ABVV en ACV bundelen daarom de krachten en roepen gezamenlijk op voor een rechtvaardige pensioenhervorming die ongelijkheid verkleint in plaats van vergroot. Zelfs de Raad van State waarschuwt voor discriminatie van vrouwen en de vergroting van de pensioenkloof tussen mannen en vrouwen, die nu al 28 procent bedraagt.

“Er is een rechtvaardige pensioenhervorming nodig en niet één die vrouwen discrimineert, financieel kwetsbaar maakt en bestaande ongelijkheid verder vergroot”, legt Struyven uit, in naam van alle vrouwenorganisaties, op Radio 1. Met de campagne Zorgen genoeg, genoeg gezorgd kaarten ze de discriminerende pensioenhervorming aan en stellen ze concrete aanpassingen voor. “Wij vragen een rechtvaardige bijsturing die rekening houdt met de realiteit van vrouwenlevens.” 

Niet realistisch

De huidige pensioenhervorming vertrekt vanuit één norm: de lange, ononderbroken voltijdse loopbaan. Maar zo ziet de realiteit van vrouwenlevens er niet uit. “Dit is een ideaalbeeld dat voor veel vrouwen simpelweg niet haalbaar is”, aldus Struyven. “Als we kijken naar hoe loopbanen in werkelijkheid verlopen, dan is er lang niet zoveel vrije keuze als de regering met dit beleid laat uitschijnen.”

Zo werkt 40 procent van de vrouwen vandaag deeltijds. Bij de mannen is dit slechts 12 procent. Dat komt omdat veel vrouwen naast hun betaalde werk ook nog 68 procent van het onbetaalde werk doen. Ze besteden zelfs gemiddeld 9,5 uur per week meer dan mannen aan zorgtaken. “Met de pensioenhervorming wordt dat extra afgestraft in plaats van gewaardeerd”, aldus Struyven. 

Concreet discrimineert onder andere de retroactieve pensioenknip vrouwen om met vervroegd pensioen te kunnen gaan. “Vroeger telde een werkjaar mee voor een vervroegd pensioen vanaf 104 gewerkte en gelijkgestelde dagen. Nu is die lat verhoogd naar 156 dagen”, legt Struyven uit. 

De vrouwenorganisaties vragen daarom het herstel van de 104-dagenregel voor vervroegd pensioen, zodat de toegang hiertoe haalbaar blijft. De realiteit van vele vrouwen is namelijk geen rechte, voltijdse carrièrelijn, maar een combinatie van arbeid en zorg. Het systeem moet die realiteit erkennen in plaats van bestraffen. Struyven: “Een vrouw die deeltijds of met korte interimcontracten werkt, of die door de thuissituatie niet aan het nieuwe minimum van zes gewerkte maanden komt, ziet anders meteen een volledig werkjaar wegvallen in de telling voor een vervroegd pensioen.” 

“We moeten echt terug naar een minimum van 104 gewerkte en gelijkgestelde dagen per jaar gaan. En als de regering toch de geplande verstrenging naar 156 dagen voor vervroegd pensioen wil doorzetten, dan mag die enkel gelden voor toekomstige loopbaanjaren vanaf 2027”, stelt Struyven.

De nieuwe maatregel geldt namelijk ook met terugwerkende kracht voor de mensen die nu aan het einde van hun loopbaan zijn. “Sowieso moeten nieuwe regels alleen voor de toekomst gelden”, benadrukt Struyven. De spelregels tijdens de loopbaan verstrengen en die vervolgens toepassen op het verleden is fundamenteel onrechtvaardig, stellen de vrouwenorganisaties. 

Werknemers hebben hun loopbaan opgebouwd in goede trouw, binnen het geldende kader. Dat kader achteraf wijzigen, ondermijnt rechtszekerheid en treft vrouwen disproportioneel. De regering zet vrouwen zo voor voldongen feiten met grote financiële gevolgen waaraan ze niets meer kunnen veranderen. Ook de Raad van State oordeelt in haar advies dat deze maatregel vrouwen disproportioneel hard straft.

Financiële sancties werken niet wanneer mensen structureel minder kansen hebben op een voltijdse, ononderbroken loopbaan, aldus de organisaties. “Naast thuissituaties waar zorg nodig is, zijn er ook diverse sectoren waar deeltijdse contracten sowieso de norm zijn”, vertelt Struyven verder. “Neem de dienstenchequesector waar 90 procent van de vrouwen deeltijds werkt. Deze jobs kan je onmogelijk 38 uur per week jaar na jaar volhouden. Toch zitten we nu met een systeem dat hier geen rekening mee houdt en deeltijds werken juist heel hard afstraft.”

Bovenop de verstrenging naar 156-dagen, voorziet de regering ook vanaf 2027 een systeem van beloning en bestraffing. Wie langer werkt dan de wettelijke pensioenleeftijd, krijgt een bonus. Maar wie vroeger wil stoppen, krijgt een malus, een vermindering van het pensioenbedrag. Voor elk jaar dat je voor de wettelijke pensioenleeftijd stopt, verlies je 2 tot wel 5 procent pensioen. Alleen wie aan de strenge werkvoorwaarden voldoet, ontsnapt eraan: namelijk 35 jaar lang minstens 156 dagen per jaar te hebben gewerkt, én in totaal dus 7.020 gewerkte (en gelijkgestelde) dagen te hebben. Dit komt neer op gemiddeld 45 jaar halftijds werken.

In de praktijk treft de pensioenhervorming hiermee vooral wie zorgtaken opneemt of periodes van onderbreking kent om maatschappelijke redenen. Dit vergroot de bestaande ongelijkheid, en in het bijzonder dus voor vrouwen, waarschuwen de vrouwenorganisaties. Daarom pleiten ze voor een afschaffing van de pensioenmalus. Minstens vragen ze een vrijstelling voor wie 7.020 effectief gewerkte dagen kan aantonen over de volledige loopbaan.

“Besparing op de rug van vrouwen”

“Er is begrip dat er bepaalde besparingskeuzes gemaakt moeten worden, maar wat je met dat budget doet is ook een politieke keuze”, stelt Struyven. “Ook al is er nood aan hervorming, moet je ervoor zorgen dat je niet bespaart op oneerlijke normen die specifiek vrouwen treffen.”

“De regering noemt de pensioenhervorming een activeringsbeleid, maar ze besparen hiermee op de rug van vrouwen. Ze presenteren de hervorming als een stimulans om langer te werken, maar zelfs de Raad van State wijst erop dat dit effect enkel hypothetisch is. Dit kan niet genegeerd worden. Bovendien had de Vergrijzingscommissie dit vorig jaar al berekend. De regering weet dit dus al, dit is geen nieuwe informatie voor hen.”

Daarom is deze campagne zo hard nodig, benadrukt Struyven. “Het gaat hier over mensen die zorg opnemen. Het is zo belangrijk dat nu extra duidelijk wordt gemaakt dat je niet onder het mom van een activeringsbeleid, vrouwen extra de put in kan duwen.”

Tot slot blijven de vrouwenorganisaties ervoor ijveren dat zorg, ouderschap en mantelzorg volwaardig worden erkend als onderdeel van de loopbaan. Zorgarbeid is geen individuele luxe of vrijblijvende keuze, maar een essentiële maatschappelijke bijdrage. Zorg is onmisbaar voor de samenleving en het is volgens de organisaties onaanvaardbaar dat vrouwen hiervoor financieel worden afgestraft.  

“Er is nu meer dan ooit het gevoel dat die onbetaalde zorgarbeid totaal niet gezien wordt”, aldus Struyven. “Daarom komen vrouwen op Internationale Vrouwendag deze zondag 8 maart onder andere hiervoor massaal op straat.”

Op Internationale Vrouwendag 8 maart worden er in verschillende steden acties georganiseerd. Bekijk de website van Femma voor meer informatie. 

Bron: Dewereldmorgen.be

Factcheck: Gaat het begrotingstekort tegen 2030 onder de 3 procent liggen?

Nieuwe vooruitzichten van het Federaal Planbureau tonen dat de regering-De Wever het begrotingstekort alleen maar meer doet oplopen. De deur wordt zo opengezet naar nog meer besparingen op de kap van gewone mensen.

‘De regering stelt zich tot doel tegen 2030 het begrotings­tekort te beperken tot onder de Europese drempel van drie procent’, lees je in het regeerakkoord van de regering-De Wever. Eind vorig jaar maakte De Wever (N-VA) zich sterk: ‘Ik ben verkozen om dit land te saneren en dat ga ik ook doen.’

Inmiddels heeft de federale regering hervormingen doorgevoerd, of in de steigers gezet, die samengeteld meer dan 30 miljard euro moeten opleveren, vooral door besparingen in de sociale zekerheid.

Nieuwe vooruitzichten van het Federaal Planbureau tonen dat de Belgische overheidsfinanciën onder de regering-De Wever helemaal niet op de goede weg zijn. Tegen het einde van de huidige regeerperiode in 2029 loopt het begrotingstekort op tot 5,7 procent van het bbp, tegenover 4,9 procent dit jaar. Daarna blijft het tekort stijgen, zelfs met de verwachte stabiele economische groei en een toenemende werkzaamheidsgraad.

Taxshift

Deels dankt De Wever dat aan zichzelf. De taxshift van de regering-Michel (2014-2018), met N-VA als grootste partij, bleek een ongedekte lastenverlaging voor werkgevers en deed de overheidsinkomsten structureel afnemen. Maar de huidige regering deelt net zo goed fiscale geschenken uit. Zo breidde ze de RSZ-korting voor werkgevers op de laagste lonen uit, en plafonneerde ze de sociale bijdragen op de allerhoogste lonen. De beloofde algemene belastingverlaging vanaf 2029 geeft de begroting een volgende dreun. Daarbovenop komen nog de extra uitgaven voor defensie.

‘Ik schat dat we tussen de drie en de vier miljard per jaar moeten wegsnijden’, zegt de premier. Veeleer dan naar een eerlijke bijdrage van grootste vermogens kijkt hij daarvoor opnieuw naar de sociale uitgaven. Bewust legt de premier hier al het fundament op een volgende ronde besparingen en inleveringen door gewone mensen. 

Bron: visie.net

Advies over centenindex gevraagd na onrust bij werkgevers

De regering-De Wever heeft de sociale partners om advies gevraagd over de centenindex. Werkgevers willen nu ook garanties dat de maatregel effectief tot lagere loonkosten leidt, en niet tot het omgekeerde. ‘Werknemers worden uitgelachen’, klinkt het bij het ACV.

Een van de belangrijkste begrotingsmaatregelen is de centenindex: tijdens deze legislatuur worden de lonen twee keer geïndexeerd, maar slechts tot een plafond van 4.000 euro bruto. Het deel erboven wordt niet geïndexeerd.

Het voordeel dat bedrijven daardoor realiseren, moeten ze voor de helft doorstorten aan de staat. De regering rekent erop dat dit op kruissnelheid 882 miljoen euro oplevert.

Na kritiek van het ACV dat de centenindex vooral de hardwerkende middenklasse treft, stijgt nu ook de onrust bij werkgevers over de maatregel.

Extra garanties

Werkgevers willen dat de maatregel wordt geneutraliseerd in de loonnormwet, die de maximale loonstijging vastlegt. Zo willen ze vermijden dat de beoogde loonmatiging tenietgedaan kan worden door nieuwe loonsverhogingen.

Daarnaast vragen ze een einddatum voor het voordeel dat aan de staat wordt doorgestort in de vorm van een matigingsbijdrage. Als die bijdrage blijft bestaan nadat de centenindex is afgelopen, kan het tijdelijke voordeel omslaan in een structurele meerkost, volgens werkgevers.

Uitlachen

‘Werkgevers krijgen met deze maatregelen een voordeel van een halve indexsprong toegeschoven, maar willen nog eens extra langs de kassa passeren’, klinkt het bij Maarten Gerard, hoofd studiedienst bij het ACV.

‘De eventueel vrijgekomen marge uit de loonnorm houden is niet alleen technisch moeilijk, maar ook incorrect. Je kan niet tegelijk de loonnorm verdedigen als tegenpartij van de index en dan tegelijk vinden dat een indexingreep niet moet meetellen.’

Ook over de eindigheid van de matigingsbijdrage is Gerard duidelijk: ‘Met deze boodschap worden werknemers uitgelachen. Het effect op de barema’s en loonschalen van werknemers is permanent. Zowel voor wie in dienst is en het loon van een lagere basis zal doorgroeien als ook voor de werknemers in de toekomst die ook van een lagere basis zullen vertrekken. Het voordeel is dus blijvend voor de werkgevers, logischerwijs de bijdrage daarop ook.’

Advies Nationale Arbeidsraad

De regering vroeg officieel advies aan de Nationale Arbeidsraad (NAR), waarin werkgevers en vakbonden zetelen. Dat kwam er na contact van Pieter Timmermans, topman bij werkgeversorganisatie VBO met premier Bart De Wever (N-VA). Binnen dertig dagen moet het advies er zijn, al is dat niet bindend.

Bron: visie.net

Professor internationaal recht: “Theo Francken begrijpt niet hoe internationaal recht werkt”

Volgens professor internationaal recht Dimitri Van Den Meerssche blijken uit de uitspraken van minister van Defensie Theo Francken twee zaken. Ten eerste: “een totaal gebrek aan inzicht in hoe internationaal recht werkt”. En ten tweede “een bereidheid om voor zijn geopolitieke allianties met extreemrechts België volledig buiten het recht te plaatsen.”

“Gerechtvaardigd? Absoluut. Zeker en vast.” Aan het woord is minister van Defensie Theo Francken. Hij heeft het op Radio 1 over de oorlog die de VS en Israël zijn gestart tegen Iran.

Wanneer de interviewer hem vraagt of die oorlog ook in lijn is met het internationaal recht antwoordt hij: “Dat is voer voor juristen.” Het probleem is echter dat alle juristen het erover eens zijn dat de aanval een manifeste schending van het VN-handvest is. Wat Francken eigenlijk wil zeggen door naar juristen te verwijzen, is dat het hem niet echt interesseert of de aanval in lijn is met het internationaal recht.

Dat blijkt ook uit zijn antwoord wanneer de interviewer even doorvraagt. “Het internationaal recht werkt niet meer”, stelt Francken droogweg. De minister van Defensie begraaft live op de openbare omroep het internationaal recht. Het lijkt er niet op dat dit ook een regeringsstandpunt is dat gedeeld wordt door Vooruit, CD&V en Les Engagés, maar zo zeker is dat ook niet, want het lijkt wel te passeren.

Op elk niveau fout

Francken legt ook uit waarom het internationaal recht volgens hem niet meer werkt. “Het internationaal recht werkt alleen als de Veiligheidsraad werkt. Nu wordt alles wat er in Iran gebeurt vergoelijkt door Rusland. Net als in Venezuela trouwens. Dan kan het internationaal recht niet op een goede manier functioneren.” 

Wat Francken zegt klinkt misschien aannemelijk, zo reageert professor internationaal recht Dimitri Van Den Meerssche, “maar het is op elk niveau fout”. Uit zijn analyse blijkt, aldus Van Den Meerssche, “een totaal gebrek aan inzicht in hoe internationaal recht werkt”.

“Franckens fixatie op de VN-Veiligheidsraad is een dwaling”, zo legt hij uit. Het grootste deel van de afdwinging van het internationaal recht verloopt namelijk helemaal niet langs die route. “Geen enkele staat heeft goedkeuring nodig van de VN-Veiligheidsraad om zich tegen agressie te verdedigen. 

Via het VN-Handvest heeft elke staat inherent recht op zelfverdediging tegen een gewapende aanval. Dat is bijvoorbeeld het recht waar Oekraïne zich op beroept en waar de EU zich op beroept voor haar steun aan Oekraïne.”

Van Den Meerssche wijst er verder op dat Francken in zijn uitleg vergeet dat de Verenigde Staten ook gebruikmaken van het vetorecht om eigen bondgenoten te beschermen. Een gewapende regimewissel zoals nu beoogd wordt is bovendien nooit door de VN-Veiligheidsraad gesteund geweest. “Het idee dat het internationaal recht vandaag niet meer zou werken wordt hier simpelweg misbruikt om een agenda te verdedigen die fundamenteel strijdig is met dat recht en dat ook altijd is geweest”, aldus Van Den Meerssche.

Ook het argument dat dit zou betekenen dat er in dat geval niets kan ondernomen worden tegen mensenrechtenschendingen in Iran is volgens Van Den Meerssche niet correct. “Het internationale recht heeft wel degelijk iets te zeggen over het enorme interne geweld in Iran. Er zijn bilaterale sancties, multilaterale sancties die het regime raken.”

“Er zijn aanhoudende diplomatieke relaties. Ik begrijp dat dat voor veel mensen misschien te traag en te vaag lijkt. Maar eerdere pogingen tot militaire regimewissel in de regio leiden tot één conclusie. Er is nog nooit een land vrede, veiligheid en vooruitgang in gebombardeerd.”

Redeneren vanuit eigenbelang

Dat het argument dat het internationaal recht niet meer zou werken een drogreden is, blijkt ook later in het interview met Francken. Enkele minuten na zijn uitleg over internationaal recht maakt hij namelijk duidelijk dat het hem in essentie daar helemaal niet om te doen is wanneer hij de inval in Iran verdedigt. “Ik vind dat we niet vanuit emotionele standpunten moeten redeneren, maar veel meer vanuit eigenbelang.”

“Een pro-Westers Iran is absoluut in ons eigenbelang”, gaat Francken verder. En hij maakt meteen duidelijk dat hij met belang vooral geld voor westerse bedrijven bedoelt. “Een land dat pro-Westers is en dat op zo’n gas- en olievoorraad zit, dat dat ook aan ons kan verkopen aan een goede prijs, dat is absoluut in ons eigenbelang. Een markt van 90 à 100 miljoen mensen die opengaat, dat zou ongelofelijk interessant zijn voor westerse bedrijven om er te investeren.”

Franckens probleem is met andere woorden niet dat het internationaal recht niet werkt. Natuurlijk is het imperfect en zou er veel kunnen verbeteren in de afdwinging van dat recht, maar dat wil Francken helemaal niet. Zijn probleem is namelijk dat het internationaal recht, wanneer het gaat over de aanval op Iran, niet de doelen dient van zijn politieke strekking. En daarom wil hij het aan de kant schuiven.

Militaire anarchie voorkomen

Van Den Meerssche waarschuwt echter voor de gevolgen van een wereld waarin iedereen enkel aan het eigenbelang denkt en het recht van de sterkste het internationaal recht vervangt. Hij herinnert ons aan de allereerste zin van het VN-Handvest die het doel van de VN beschrijft: “to save succeeding generations from the scourge of war, which twice in our lifetime has brought untold sorrow to mankind.”

Het VN-Handvest is geschreven “om de komende generaties te behoeden voor de gesel van oorlog, die tweemaal in ons leven onnoemelijk leed over de mensheid heeft gebracht.” Dat het grote delen van de wereld niet van ellende heeft gered is zonder meer waar, maar wie het volledig aan de kant wil schuiven moet goed beseffen wat dat betekent. “We willen nooit meer terug naar de chaos, naar het geweld, naar de arbitraire militaire aanvallen tussen staten”, aldus Van Den Meerssche.

Van Den Meerssche wijst er verder op dat het tragisch is om de Belgische minister van Defensie op zo’n expliciete manier afstand te zien nemen van dat rechtssysteem omdat het net kleine landen zoals België beschermt. De VS en misschien ook Rusland blijken militair machtig genoeg om het internationaal recht achter te laten. België is dat niet.

“Je kan niet én het recht dood verklaren als dat goed uitkomt, én datzelfde recht inroepen in de diplomatieke mobilisatie tegen Poetins illegale annexatie van Oekraïne”, legt Van Den Meerssche uit. De enige landen die dus winnen wanneer het internationaal recht op de schop gaat zijn militaire mogendheden die in die internationale anarchie kunnen gedijen. Daar hoort België niet bij.

Bron: Dewereldmorgen.be

De leugens van Bart De Wever: een uitgebreide factcheck van ‘Over Welvaart’

Om zijn beleid als onvermijdelijk voor te stellen neemt Bart De Wever in zijn boek ‘Over Welvaart’ verschillende keren een loopje met de waarheid. Om aan te tonen dat er weldegelijk ook andere keuzes mogelijk zijn, is daarom ook deze uitgebreide factcheck nodig.

“Hij kan zo goed redeneren. Het is moeilijk om er als journalist iets tegenin te brengen”, zo hoorde ik Isolde Van den Eynde op televisie nog maar eens doen alsof onze eerste minister op eenzame hoogte staat op intellectueel vlak. Nu moet ik toegeven dat De Wever retorisch sterk is, maar goed redeneren? Wie zijn boek ‘Over welvaart’ leest, moet toch opmerken dat er best wel wat schort aan zijn redeneringen.

“De uitdaging is groter dan ooit”, zo schrijft De Wever in het voorwoord van dat boek. “Als we niets doen, dreigt onze welvaartstaat in te storten. Het is to mend or to end. Dit essay wil duidelijk maken welke keuzes nodig zijn om het tij te keren – en waarom ze onvermijdelijk zijn.”

Er zit een opmerkelijke tegenstelling in die laatste zin. Keuzes zijn namelijk nooit onvermijdelijk. Het bestaan van keuzes impliceert altijd dat ook andere keuzes mogelijk zijn. Het illustreert wat de inzet is van de eerste minister zijn boek: de keuze om de sociale zekerheid af te bouwen voorstellen als onvermijdelijk.

Om dat te doen maakt De Wever gebruik van een ideologische constructie waarbij de vrije markt de sokkel van welvaart zou produceren en de staat zou bestaan uit zuilen die deze welvaart verdelen in naam van welzijn. Die simplistische ideologische constructie bekritiseerde ik reeds in een eerder artikel.

Om zijn beleid als onvermijdelijk voor te stellen verdraait De Wever echter ook de feiten op zo’n manier dat ze in zijn ideologische constructie passen. Om aan te tonen dat er weldegelijk ook andere keuzes mogelijk zijn, is daarom ook deze uitgebreide factcheck nodig.

De geschiedenis van de welvaartstaat

“Geen socialist, maar een pragmatisch nationalist legde de kiem van de moderne welvaartsstaat.” → Onwaar.

De Wever begint zijn boek met een lang uitgesponnen geschiedenis van de welvaartstaat die begint in de oertijd. Die geschiedenis is echter niet gebaseerd op nauwkeurig historisch bronnenonderzoek, maar dient louter om zijn ideologische stelling dat “het streven naar welvaart existentieel ingebakken zit in onze soort” te doen klinken als een bewezen feit.

In zijn economische geschiedenis verwijst hij voor zowel het denken van Adam Smith als dat van Karl Marx naar de interpretatie die de neoliberale econoom Milton Friedman van deze denkers geeft. Een invloedrijk econoom als John Maynard Keynes, die lijnrecht ingaat tegen de starre tegenstelling tussen markt en staat die De Wever samen met Friedman maakt, wordt eenvoudigweg weggelaten.

Opmerkelijk is dat De Wever de sociale zekerheid historisch als een uitvinding van de staat beschouwt, terwijl die – zoals Wim Van Lancker recent nog eens uitlegde – door de arbeidersbeweging is opgebouwd, onafhankelijk van de staat. De Wever verwijst naar Bismarck om te doen alsof de uitbouw van de sociale zekerheid de verdienste is van het nationalisme, maar op die manier herschrijft hij de geschiedenis. 

In heel de geschiedenis die De Wever schrijft, van de oertijd tot nu, is er welgeteld één historisch werk waar hij naar refereert. Dat is Arm Vlaanderen van Maarten Van Ginderachter. Laat het nu net Van Ginderachter zijn die brandhout maakt van wat De Wever schrijft over de periode die hij bestudeerd heeft.

“Ten eerste stelt De Wever dat de Vlaamse beweging van bij haar ontstaan streed voor meer dan taalrechten alleen, voor een alomvattende ‘sociale rechtvaardigheid’. Ten tweede schrijft hij de opbouw van de welvaartstaat vanaf de jaren 1880 exclusief toe aan conservatieve nationalisten, de katholieke kerk en de voorlopers van de christendemocratie. Beide stellingen kloppen historisch gezien niet”, aldus Van Ginderachter.

En hij voegt eraan toe: “Nadenken over welvaart kan zonder de geschiedenis te misbruiken voor het eigen grote gelijk. Arm Vlaanderen verdient beter dan historische amnesie.”

Om het in de woorden van De Wever te zeggen: Game, set, match.

Wie heeft er schuld aan de staatsschuld?

Het valt niet te ontkennen dat onze samenleving zich de voorbije decennia schuldig maakte aan decadentie.” → Misleidend.

Uiteindelijk dient heel de geschiedenis die De Wever met veel grote woorden en weinig gevoel voor nuance doorloopt, slechts als opstapje om de kern van zijn boek meer gewicht te geven. Waar op die historische opstap in verschillende media reeds wat kritiek kwam, is dat voor de kern van zijn boek veel minder het geval. “Zijn centrale stelling overtuigt”, zo schrijft Bert Bultinck in Knack in een artikel waarin hij verder een aantal historische onwaarheden rechtzet.

De centrale stelling van De Wever is deze: “De welvaartssokkel die alles recht houdt is aan het afbrokkelen en kan de steeds breder wordende zuilen van de verzorgingsstaat amper nog torsen.” We zijn, zo verwoordt hij het later nog net iets minder subtiel, “decadent” geworden. We zijn alleen nog maar bezig met in naam van welzijn en ecologie te herverdelen en overreguleren en zo maken we onze economie kapot.

Om die stelling kracht bij te zetten gooit De Wever met feiten en cijfers. Het probleem is alleen: aan die cijfers schort het één en het ander.

Ons land heeft een grote staatsschuld. Dat is een feit. De vraag is echter waar die staatsschuld vandaan komt. Als we Bart De Wever mogen geloven, is dat de schuld van alles wat links is. De uitgaven van de sociale zekerheid en onze publieke diensten zouden uit de pan rijzen en dus moet er drastisch worden bespaard, maar is dat wel zo?

Een blik op de evolutie van de Belgische staatsschuld van de afgelopen jaren vertelt een heel ander verhaal.

De overheidsschuld, zo leren we uit de sociaal-economische barometer van het ABVV, bedraagt 105 procent van het bbp. Het grootste deel van die schuld dateert van veertig jaar geleden: tussen 1979 en 1983 is de schuldgraad gestegen van 66,6 procent naar 106,8 procent. België boekte toen hoge begrotingstekorten net op het moment dat de internationale rente historisch hoog stond.

Sindsdien is het Belgische begrotingstekort echter vooral gedaald. België boekte van 1985 tot 2009 primaire overschotten. Als die trend de afgelopen jaren wat gekeerd lijkt, is dat volgens De Wever de schuld van de regering-Verhofstadt en zou de regering-De Croo die fout herhaald hebben.

Daarmee gaat hij gemakshalve voorbij aan twee belangrijke gebeurtenissen die de grootste stijgingen van de overheidsschuld tot gevolg zullen hebben. Ten eerste was er de financiële crisis van 2008, waarin de overheid miljarden euro’s uitgaf om de banken te redden. Ten tweede was er de coronacrisis, waarin de overheid opnieuw serieus geld uitgaf om de economie overeind te houden.

Helemaal ironisch is overigens dat het begrotingstekort dat De Wever als een existentiële bedreiging voor onze welvaart presenteert, onder zijn regering alleen maar gegroeid is en volgens de voorspellingen ook verder zal toenemen. Wie naar de feiten kijkt, moet concluderen dat het De Wever niet om de begroting te doen is, maar om iets anders, met name: de afbraak van de sociale zekerheid.

De sociale zekerheid: starve the beast

“De koe is leeggemolken.” → Misleidend.

Volgens De Wever is de Belgische sociale zekerheid te gul. Ons land zou “een van de gulzigste staten van de ontwikkelde wereld” zijn en ons sociaal systeem eenvoudigweg onbetaalbaar.

Wie de cijfers bekijkt, ziet echter dat onze sociale uitgaven niet veel hoger zijn dan in andere Europese landen. “De koe is leeggemolken”, zo schrijft De Wever, maar in de realiteit zijn het niet zozeer de uitgaven van de sociale zekerheid die ontspoord zijn, maar wel de inkomsten die gedaald zijn.

De belangrijkste bron van inkomsten voor de sociale zekerheid zijn de bijdragen van werknemers en werkgevers. Een deel van je brutoloon – in de meeste gevallen 13,07 procent – gaat naar de sociale zekerheid. Die werknemersbijdragen zijn de afgelopen decennia relatief constant gebleven.

De werkgever legt hier bovenop de werkgeversbijdrage. Dat deel is systematisch gedaald in de afgelopen decennia. Waar eind jaren 90 de werkgeversbijdragen nog ongeveer 34 procent van de loonmassa bedroegen, ligt dat cijfer vandaag bijna 10 procent lager. Dat is het gevolg van een reeks vrijstellingen en de zogenaamde taxshift. In 2014 verlaagde toenmalig minister van Financiën Johan Van Overtveldt (N-VA) de patronale bijdragen op arbeid, waardoor de sociale zekerheid vandaag jaarlijks miljarden aan inkomsten verliest.

“Die belastingverlaging”, zo schrijft algemeen secretaris van ACV Puls Lieveke Norga, “zou zichzelf terugverdienen door jobcreatie, klonk het toen. Intussen is gebleken dat zo’n cadeau doorgaans rechtstreeks naar de aandeelhouders gaat. Dat zijn miljarden minder om onze levensstandaard te beschermen tegen inkomensverlies bij ziekte, ontslag of ouderdom. Als het doel van de taxshift was om onze sociale zekerheid veilig te stellen, dan kunnen we dat een dure mislukking noemen.”

De studiedienst van het ACV berekende dat het overheidstekort voor 2024 vrijwel samenvalt met de inkomsten die de staatskas door de taxshift misloopt, samen met de loonsubsidies die werkgevers kregen van diezelfde regering.

De Wever past met andere woorden de strategie toe die de Amerikaanse conservatieven starve the beast noemen: eerst snoeien in de inkomsten om dan luid te roepen dat de overheid zonder geld zit en er dus geen andere mogelijkheid is dan te besparen op sociale uitgaven.

Langer leven, langer werken?

“Als het aantal werkenden per gepensioneerde halveert, moet elke werknemer dus in theorie dubbel zoveel bijdragen als voorheen – alleen al om het bestaande systeem overeind te houden.” → Onwaar.

Om de focus weg van de inkomsten toch op de uitgaven te leggen, herhaalt De Wever nog eens het intussen gekende riedeltje over de vergrijzing en de onhoudbaarheid van de pensioenen.

Het is natuurlijk een feit dat onze samenleving een groeiend aantal gepensioneerden telt. Maar dat we daardoor “dubbel zo veel moeten bijdragen als voorheen”, klopt niet. Wat De Wever er namelijk niet bij vertelt, is dat de vergrijzing eveneens betekent dat onze samenleving ook minder kinderen, jongeren en werkzoekenden telt. Dat zijn ook allemaal groepen mensen die niet werken. Als je het hebt over het aandeel van de mensen die de kosten van de sociale zekerheid moeten betalen, moet je met die volledige verhouding rekening houden.

Vandaag zijn er 1,6 niet-werkenden per werkende; dat is de economische afhankelijkheidsratio. In 2070 blijft die verhouding volgens het Planbureau ongeveer hetzelfde. Dat de kosten voor de pensioenen bij ongewijzigd beleid zullen stijgen, klopt wel, maar die meerkost is lang niet zo dramatisch als De Wever ze voorstelt, zo legde ook demograaf Patrick Deboosere eerder uit.

Langdurig zieke profiteurs?

“Meer dan een kwart van de mensen die ingeschreven staan als langdurig ziek tot aan het pensioen heeft helemaal geen recht op een invaliditeitsuitkering.” → Onwaar.

Een van de meest groteske onwaarheden die De Wever in zijn boek verkondigt, is ongetwijfeld die over langdurig zieken. De Wever stelt dat uit een studie bij mensen die ingeschreven zijn als langdurig ziek, meer dan een kwart helemaal geen recht op een uitkering bleek te hebben. De steekproef in die studie is helemaal niet gebeurd bij ‘de langdurig zieken’, maar bij een specifiek deel van de langdurig zieken met een ziektecode die geen erkenning tot de pensioenleeftijd rechtvaardigt. De resultaten ervan zijn op geen enkele manier te veralgemenen naar de gehele groep, zo zegt het Riziv, dat de studie uitvoerde zelf.

Maar daar heeft De Wever geen boodschap aan. Gemakshalve zet hij een heleboel mensen die ziek zijn weg als profiteurs. En dat ze profiteren is natuurlijk de schuld van de socialisten. “De PS”, zo schrijft hij, “heeft een grote groep perfect gezonde mensen afhankelijk gemaakt van de overheid en zo politiek aan zich gebonden – met nefaste gevolgen voor onze economie en sociale zekerheid.”

Qua zondebokpolitiek kan dat tellen. Niet alleen langdurig zieken worden afgeschilderd als profiteurs. Ook werkzoekenden worden verdacht gemaakt. Vermeend misbruik wordt als argument gebruikt om uitkeringen te verlagen of af te nemen, terwijl uit onderzoek blijkt dat hogere uitkeringen de kans op het vinden van een job net vergroot.  

Ecologische crisis van de baan?

In het Westen gaan economie en ecologie al decennia hand in hand.” → Onwaar

De toon van De Wever zijn boek is naar goede gewoonte alarmistisch. De ontsporende uitgaven in de sociale zekerheid vormen het perfecte doembeeld, waarna hij zichzelf als redder kan opwerpen. Maar het discours dat we de sociale zekerheid betaalbaar willen houden voor de volgende generatie, vloekt met hoe vrolijk onbezorgd De Wever lijkt over de ecologische crisis.

“In het Westen gaan economie en ecologie al decennia hand in hand”, zo schrijft De Wever doodleuk. Stapels wetenschappelijke rapporten over klimaatverandering, uitstervingsgolven, verzurende oceanen; De Wever schuift het allemaal terzijde. Als ‘bewijs’ voor het aan de kant schuiven van de wetenschappelijke consensus, geeft De Wever één feit: “De gemiddelde energieconsumptie van een Amerikaan ligt vandaag lager dan een halve eeuw geleden”, zo schrijft hij.

Niet dat de ecologische crisis of de verantwoordelijkheid van Westerse landen daarin van de baan zouden zijn als die zin zou kloppen, maar zelfs die zin is op z’n minst misleidend. Volgens Amerikaanse energiewaakhond EIA ligt de energieconsumptie van de gemiddelde Amerikaan vandaag namelijk ongeveer even hoog als in de jaren ‘70.

De zwakken moeten lijden?

De Melische Dialoog duidt op het belang van hard power.” → Misleidend.

Ondertussen pleit De Wever voor militaire uitgaven die niet alleen die ecologische crisis sterk zullen verergeren, maar ook het door hem als zo dramatisch voorgestelde begrotingstekort zullen doen toenemen. Om die uitgaven te rechtvaardigen vertelt hij een verhaal uit de geschiedenis van de Peloponnesische Oorlog, geschreven door Thoukydides. “De sterksten doen wat ze kunnen, de zwakken lijden wat ze moeten”, zo citeert De Wever de Griekse historicus. Maar wat moeten we nu uit dat verhaal onthouden?

Het moment waar het verhaal op teruggaat is het einde van de vijfde eeuw, als in Griekenland de Peloponnesische Oorlog woedt. Op een moment tijdens dat conflict, meer bepaald in 416, bedreigt het machtige Athene het veel zwakkere eiland Melos. Er vinden zogezegd onderhandelingen plaats die Thoukydides zogezegd woordelijk weergeeft.

Athene eist de volledige overgave, wanneer de Meliërs dat onrechtvaardig noemen antwoorden de Atheners: “Recht en onrecht zijn irrelevante begrippen in deze context. Rechtvaardigheid mag gelden onder gelijken. In de huidige situatie geldt een andere waarheid en die is dat wie sterk is, doet wat hij wil, terwijl wie zwak is, ondergaat wat hij moet ondergaan.” En verder: “Het recht van de sterkste is een natuurwet waaraan zelfs de goden gehoorzamen.” 

De Meliërs van hun kant hebben het in het gesprek over gemeenschappelijke waarden als gerechtigheid, over de haat die de Atheners over zich afroepen, over het feit dat ze door hun optreden meer vijanden zullen maken, maar niets helpt. Het conflict eindigt als volgt: “De Atheners doodden alle volwassen Meliërs die ze gevangennamen en verkochten kinderen en vrouwen als slaaf. Ze vestigden zich zelf in de stad en stuurden er later vijfhonderd kolonisten heen.”

“De Melische Dialoog duidt op het belang van hard power,” schrijft De Wever. Best een enge conclusie als je weet wat die hard power waar het hier over gaat concreet inhoudt. Best een gevaarlijke gedachte ook als je weet hoe het internationaal systeem dat minstens deed alsof het gebaseerd was op gemeenschappelijke waarden en gerechtigheid nu zo sterk onder druk staat. Het is ook een verkeerde conclusie.

Het verhaal is namelijk niet ten einde waar De Wever het afbreekt. Op het moment dat in 404 de Atheners de Peloponnesische Oorlog uiteindelijk verliezen, is de angst voor wraakacties namelijk volop voelbaar in de stad. Een andere historicus, Xenofon, beschrijft de stemming in Athene kort voor de overgave: “Niemand deed in die nacht een oog dicht, want ze treurden niet alleen om de gesneuvelden, maar nog veel sterker om zichzelf. Ze verwachtten dat ze nu hetzelfde zouden ondergaan als wat zij de Meliërs hadden aangedaan toen ze het eiland hadden belegerd en veroverd.”

De Melische Dialoog duidt met andere woorden juist op het gevaar van hard power. Een wereld waarin de sterken doen wat ze kunnen en de zwakken lijden wat ze moeten is misschien inderdaad het soort wereld waar De Wever en zijn ideologische geestesgenoten ons naar op pad zetten. Zo schrijft De Wever dat “Europa’s postkoloniale model van eenzijdige ontwikkelingshulp compleet achterhaald is”, en we daardoor steeds meer aan invloed verliezen. Precies hetzelfde soort discours met heimwee naar het koloniale tijdperk als Rubio afstak in Munchen dus.

Als we iets kunnen leren uit de geschiedenis, dan is het wel hoe het in zo’n wereld niet goed afloopt. Net daarom is het belangrijk om te beseffen dat de keuzes die ons door hen worden opgedrongen helemaal niet onvermijdelijk zijn. Dat besef is de eerste stap om ons een andere wereld die zo noodzakelijk is te kunnen voorstellen.

Bron: Dewereldmorgen.be