Aanvangsbegeleiding in het basisonderwijs is vooral gericht op onthaal en persoonlijke ondersteuning. Ze gaat nauwelijks over het functioneren in de klas. En behalve de mentor zijn andere collega’s amper betrokken. Dat concludeert Dries Mariën in zijn masterproef. “Beginnende leraren aan boord houden is nochtans cruciaal tegen het lerarentekort.”
Laten we starten met het goede nieuws: de meeste starters evalueren hun aanvangsbegeleiding positief.
Dries Mariën: “Klopt. Daar was ik blij om. Mijn persoonlijke ervaringen als starter in het basisonderwijs jaren geleden bleken dus toch niet zomaar te veralgemenen. Misschien stond ik met een betere aanvangsbegeleiding toen zelfs nog voor de klas vandaag, en was ik nooit verder gaan studeren?”
“In mijn onderzoek ondervindt 60% van de starters gelukkig wél een gevoel van vertrouwen en veiligheid bij zijn aanvangsbegeleiding. 28% ervaart gemengde gevoelens en 12% spreekt zich eerder negatief uit. Die laatsten voelen het traject als een extra verplichting, missen een mentor of een veilige schoolcultuur.”
“Ook goed nieuws: een groot deel van de starters geeft aan dat de extra middelen die sinds 1 september 2019 zijn vrijgemaakt voor aanvangsbegeleiding effectief voelbaar zijn in hun school. Zelfs in het toch wel bijzondere coronaschooljaar 2019-2020. De cao heeft dus duidelijk impact.”
“Vooral over het onthaal op hun nieuwe school en over de ondersteuning bij hun persoonlijk functioneren zijn de starters tevreden. Er is aandacht voor hun welbevinden en dat waarderen ze. Onderschat niet dat sommige starters een praktijkshock ervaren, zelfs na een uitgebreide stage. Plots krijgen ze de volledige verantwoordelijkheid en zijn de verwachtingen naar hen toe hoog gespannen. Een goed uitgebouwde aanvangsbegeleiding vangt dat op.”
“Ondanks de afschaffing van de mentoruren, blijkt mentorschap, waarbij een ervaren leraar de starter onder zijn hoede neemt, de populairste vorm van aanvangsbegeleiding. Dat is in veel scholen ondertussen goed ingeburgerd, maar liefst 78% van de starters krijgt een mentor toegewezen.”
Er is helaas ook nog werk aan de winkel. Of liever ‘aan de klas’.
Dries Mariën: “Starters krijgen inderdaad weinig begeleiding op de klasvloer. De klasdeur blijft in heel wat scholen nog steeds dicht. En dat is jammer. Het heeft met veiligheid te maken: leraren ervaren bij elkaar binnenkijken nog steeds als controlerend in plaats van verrijkend.”
“Dat laatste is het nochtans zeker, ook voor ervaren leraren trouwens. Starters komen net uit de lerarenopleiding en brengen innovatie binnen in een schoolteam. Dat proces toelaten, stopt de misvatting dat een starter nog niets weet. Als een schoolteam ervoor openstaat. En daar wringt het schoentje. ‘Wij doen dat hier zo’, krijgen starters nog vaak te horen. Weg innovatiekans.”
“Het pedagogisch-didactische aspect is wel het moeilijkste om een starter in bij te staan. Dan ga je naar het hart van lesgeven. Dat is kwetsbaarder dan uitleggen waar het kopieerapparaat staat. Het vraagt een open schoolcultuur waar falen mag. Je leert van op je bek te gaan en daarover te reflecteren met je mentor.”
“Dat is meer dan een klasdeur openzetten, je moet ook de juiste interventies doen in die klas. Niet elke mentor beschikt over de juiste vaardigheden om coachende vragen te stellen. Dat blijkt ook uit het onderzoek: er zijn grote verschillen in de kwaliteit van de mentoren. Het is niet omdat je een ervaren leraar bent dat je een goede coach bent.”
“Bovendien zitten starters in een kwetsbare positie. Ze hebben een tijdelijke aanstelling van bepaalde duur (TABD) en moeten zich bewijzen om het statuut van een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur (TADD) te verwerven. Dat verhoogt de druk, ze voelen zich dan toch gecontroleerd. Die periode is bovendien verkort. Je hebt minder tijd om te groeien. Tijdens mijn masterproef is die periode naar 2 jaar gegaan, nu zelfs al naar 1.”
“Er zijn onderzoekers die dat aanhalen als kritische bemerking: directies moeten binnen het jaar zien of een beginnende leraar in het team past, dan ga je veel meer naar de prestatie kijken, minder naar de evolutie. Het is een goed bedoelde maatregel om starters sneller een vaste job te bezorgen, maar het geeft extra stress als neveneffect.”
Mentoren staan er ook vaak alleen voor als begeleider van de starter.
Dries Mariën: “Andere collega’s zijn inderdaad te weinig betrokken, zo blijkt. Aanvangsbegeleiding zou een gedeelde verantwoordelijkheid moeten zijn waarbij directies, mentoren, parallelcollega’s, graadcollega’s … elkaar aanvullen. Een mentor kan een formeel klasbezoek doen, vakcollega’s kunnen ondersteunen met materiaal, graadcollega’s met weer andere dingen.”
“Uit de onderwijsliteratuur blijkt dat een gedeelde verantwoordelijkheid voor aanvangsbegeleiding en professionalisering heel belangrijk is. Je kan niet verwachten dat een mentor dat alleen doet. Gewoon in de lerarenkamer aan een starter eens vragen ‘hoe gaat het met je?’ of ‘red je het?’ kan al wonderen doen. Die starter voelt zich opgenomen in het schoolteam.”
Hoe kan het beter?
Dries Mariën: “Om te beginnen: een verplichte opleiding voor mentoren en andere aanvangsbegeleiders zou de kwaliteit verhogen. Die opleidingen bestaan al, maar ze zijn vrijblijvend. Ze leren er coachen, verbinden, groeigericht evalueren, omgaan met vertrouwelijke info. Dat laatste is niet onbelangrijk. Je bouwt een vertrouwensband op met een beginnende leraar en tegelijk wil je directie weten hoe het loopt.”
“Dat is een moeilijke balans. Het is een kwestie van duidelijke afspraken maken, als mentor met je directie samenzitten om te kijken wie welk mandaat opneemt en wie waar de focus legt. Een mentor zou niet in de puur evaluerende houding mogen gaan. Maar hij mag problemen wel aankaarten, natuurlijk.”
“Daarnaast kunnen scholen meer inzetten op andere begeleidingsvormen naast het mentorschap. De deuren openzetten bij collega’s, nascholingen op maat volgen of intervisies doen met andere starters bijvoorbeeld. En laat de begeleiding niet stoppen zodra een leraar zijn TADD heeft, zoals de cao nu bepaalt, maar integreer ze in het professionaliseringsbeleid van de school. Zo ontstaat er een continuüm van starter tot ervaren leraar.”
Neem je dan elke starter mee in een vast traject?
Dries Mariën: “Liever niet. Er zijn grote verschillen tussen starters. Er zijn er die recht van hun lerarenopleiding komen, anderen werkten al in andere scholen of komen uit de privé. Een begeleiding op maat werkt beter. Werk een basistraject uit en speel daarnaast in op individuele noden en vragen. Differentieer zoals je bij je leerlingen zou doen.”
“1 op de 5 zegt trouwens dat hij geen begeleiding nodig heeft. Ik denk dat dat een combinatie is van ‘ik trek mijn plan wel en ik ga zelf op mijn bek’. Niets mis mee, maar ik denk dat het toch belangrijk is dat er iemand aanwezig is met de nodige expertise en ervaring om met die leraar in gesprek te gaan. Niet vanuit een controlerende, maar vanuit een coachende rol.”
“Begeleiding op maat houdt ook een verantwoordelijkheid voor de starter in. Aanvangsbegeleiding is een recht dat je als starter hebt, maar ook een plicht waar je als starter zelf een inspanning voor moet doen. Zij nemen nog te weinig initiatief om zelf steun op maat te vragen, al is er steeds meer sprake van een wederzijds engagement. Je moet echt die lerarenkamer in, je niet verschuilen in je klas of achter je bureau. Neem initiatief om collega’s te ontmoeten, hen vragen te stellen over de school.” “Overvraag starters ook niet. Rooster hen een paar uur vrij om dan met hen in gesprek te gaan, niet na het laatste lesuur of na een personeelsvergadering. Er komt al zoveel op hen af. Of durf te investeren in hen door ze binnen hun opdracht een paar uur lesvrij te maken. Geef ze tijd om in te werken. Dat gebeurt nog te weinig.”
Kan de lerarenopleiding bijdragen in dit verhaal?
Dries Mariën: “Zeker. Mentoren van de lerarenopleiding en mentoren op school zouden meer kunnen samenwerken om de praktijkshock te verzachten. Mentoren van de lerarenopleiding zouden zelfs starters nog even kunnen begeleiden. Het gebeurt al hier en daar maar nog erg ad hoc, weinig gestructureerd. Het moet natuurlijk praktisch haalbaar blijven, de druk op die mentoren is al hoog. Het zou wel een mooie brug slaan tussen de lerarenopleiding en de praktijk.”
“Dompel studenten verder nog meer vanaf hun eerste jaar in die praktijk onder zodat ze echt weten waar ze aan beginnen. Leraar zijn is zoveel meer dan lesgeven. Het zou de overgang minder bruusk maken.”
Een veelvuldig gebruikte term is ‘mobbing’. De term werd voor het eerst gebruikt in de dierenwereld om het agressieve gedrag van een groep dieren ten opzichte van één enkel dier aan te duiden. Later gebruikte men die term ook om te spreken over geweld onder kinderen in scholen. Het was Heinz Leyman, de grondlegger van het Europees onderzoek naar pesten in het werkmilieu, die de term in de jaren tachtig voor het eerst hanteerde om er het systematische pestgedrag in het werkmilieu mee aan te duiden.
In de noordelijke landen (Finland, Noorwegen, Zweden, Denemarken) en de Duitstalige landen (Duitsland, Oostenrijk, Zwitserland) is ‘mobbing’ de meest gebruikte term. In Engeland en andere Engelstalige landen (o.a. Australië) is de term ‘bullying’ populair. Volgens sommige onderzoekers slaat bullying meer op individueel agressief gedrag van hiërarchische oversten, terwijl ‘mobbing’ meer het groepskarakter of een groepsverschijnsel weergeeft. In de Verenigde Staten hoor je ook de term ‘harassment’.
Definitie
Het Informatieblad van het Europees Agentschap voor Veiligheid en Gezondheid op het Werk stelt de volgende mogelijke definitie voor:
Pesten op het werk is herhaald en onredelijk gedrag dat tegen een werknemer of groep van werknemers is gericht en een risico oplevert voor de gezondheid en de veiligheid. Met onredelijk gedrag bedoelt men gedrag dat, rekening houdend met alle omstandigheden, leidt tot vernederen, kleineren of bedreigen. Het levert risico’s op voor zowel de geestelijke als de lichamelijke gezondheid van de werknemer. Verder wordt er nog aan toegevoegd dat pesten vaak samengaat met machtsmisbruik of een verkeerd gebruik van machtsmiddelen, waarbij het slachtoffer zich niet genoeg kan verdedigen.
Nederlandse onderzoekers geven nog een tweede definitie: vernederend, vijandig of intimiderend gedrag op het werk, gericht op steeds dezelfde persoon, dat vaak voorkomt, langdurig plaatsvindt en waartegen de persoon, die hiervan het doelwit is, zich moeilijk kan verweren.
Pestgedrag uit zich in heel veel verschillende handelingen en gedragingen. Het gaat daarbij om gedrag dat zich telkens herhaalt en ook een zekere tijd duurt. De meeste onderzoekers maken een onderscheid tussen pesten enerzijds en tijdelijke, voorbijgaande conflicten tussen mensen op de werkvloer zonder nadelige gevolgen voor de betrokkenen anderzijds.
Bij pesten op het werk gaat het steeds om zeer negatief en zelfs vernietigend gedrag, zowel verbaal als non-verbaal. Het kan omschreven worden als vijandig, vernederend, kleinerend en bedreigend. Meestal wordt ook steeds dezelfde persoon het slachtoffer van de pesterijen op het werk. De gevolgen van het pesten zijn dan ook heel nadelig voor de slachtoffers. De persoonlijkheid en de lichamelijke en psychische waardigheid van een persoon kunnen worden aangetast. Er zijn ook sociale gevolgen zoals jobverlies en de verslechtering van de werkomgeving of het arbeidsklimaat. Vandaag is er wel al een grotere aandacht en bezorgdheid voor de psychische schade die aan slachtoffers kan worden toegebracht, maar toch wordt de ernst en de omvang van psychische schade nog te weinig ernstig genomen, ook door hulpverleners.
Een laatste belangrijk punt is dat bij pesten de macht tussen de partijen ongelijk is verdeeld. De ene partij is niet in staat om zich behoorlijk te verweren en de andere partij voelt zich onkwetsbaar. Deze ongelijkheid tussen de partijen is een belangrijk verschil met andere vormen van conflicten die tussen mensen op het werk kunnen voorkomen.
Niet alles wat mis gaat tussen mensen op het werk is pesten. Niet elk conflict, niet elke plagerij is pesten.
Tegen 2050 neemt de wereldbevolking toe tot 10 miljard mensen. Kunnen we die voeden zonder een aanslag te plegen op de planeet? Zonder klimaat en milieu verder de verdoemenis in te helpen? Dat zal niet lukken als elke aardbewoner overschakelt op een westers menu met veel vlees, maken deze grafieken duidelijk.
De VN schat dat tegen 2050 de wereldbevolking met dik 2 miljard mensen zal toenemen tot 10 miljard. Om al die mensen zoals vandaag te voeden, zal er 56 procent meer voedsel nodig zijn. Om dat te produceren moet een gebied groter dan het nog resterende Amazonewoud worden omgezet in landbouwgrond.
Tegelijk moet de CO2-uitstoot fors omlaag als we de planeet leefbaar willen houden voor de mens. Ook die van de voedselproductie, goed voor een kwart van de uitstoot van de broeikasgassen. Hoe overbruggen we die kloof?
De helft van ’s werelds bewoonbaar land wordt gebruikt voor landbouw
Vee of bos Op dit ogenblik wordt de helft van het beschikbare land op aarde gebruikt voor landbouw. 37 procent bestaat uit bos. Drie vierde van die landbouwgrond wordt aangewend voor vee, hetzij onder de vorm van graasland, hetzij als akkerland om veevoeder te produceren. Dat is 40 miljoen vierkante kilometer, of een gebied zo groot als beide Amerika’s, van Alaska tot Vuurland. Die 77 procent landbouwgrond is goed voor 37 procent van onze eiwitten en 18 procent van onze calorieën, onder de vorm van vlees of zuivel. Zij worden vooral in de westerse wereld geconsumeerd.
Landhonger Vlees is bijzonder voedzaam. Het is een rijke bron van eiwitten, vitamines en mineralen. Voor de consument zijn zuivel en vlees efficiënte en snelle manieren om de nodige voedingsstoffen op te nemen. Alleen is de productie van die eiwitten zeer inefficiënt ten opzichte van plantaardige eiwitten. Zo is er voor 1 kilogram lamsvlees 370 vierkante meter land nodig, voor hetzelfde gewicht rundvlees 326 vierkante meter. Voor een kilo erwten is dat 7,46 en voor tofu (uit sojabonen) 3,52 vierkante meter. Wie met andere woorden zijn eiwitten uit tofu haalt, legt op bijna honderd keer minder landbouwgrond beslag dan wie steak verkiest.
Landgebruik in vierkante meter (m²) per kilogram van het product
Langs de koeienmaag Niet alleen land, maar ook de eiwitten zelf worden inefficiënt gebruikt om de mensheid te voeden. Zo zijn er 100 plantaardige eiwitten nodig om 25 zuiveleiwitten te produceren, en 3,8 rundeiwitten. Liefst 40 procent van de wereldwijde productie van graan dient om dieren te voeden. Hier geldt de belangrijke bemerking dat dieren arme voedingsstoffen (gras, bepaalde granen) omzetten in voor de mens eiwitrijke stoffen. Maar dan nog is het bijzonder inefficiënt om eiwitten via de omweg van vlees of zuivel aan de mens te voeden. Dat geldt in het bijzonder voor een eiwitrijk gewas als soja. Daarvan dient slechts 20 procent voor menselijke consumptie.
Methaan en andere broeikasgassen Vleesproductie is een belangrijke oorzaak van de klimaatverandering. Landbouw en voedselproductie zijn goed voor zo’n 26 procent van de globale uitstoot van broeikasgassen. Het aandeel van de veeteelt daarin is groot, bijna 60 procent. Zo ontstaat bij het verteringsproces van runderen en andere herkauwers methaan, een krachtig broeikasgas dat bij het boeren in de atmosfeer terechtkomt. Een andere belangrijke bron van broeikasgassen is meststof. Ten slotte is er de CO2, die vrijkomt door het gebruik van fossiele energie, of de kap van bos en de drooglegging van venen om land vrij te maken ter wille van de veeteelt.
Wereldwijde uitstoot van broeikasgassen door voedselproductie (in %)
Kilogrammen CO2 Bijbehorende tabel toont de hoeveelheid broeikasgas die vrijkomt per kilogram geproduceerd voedsel, uitgedrukt in CO2-equivalent. De verschillen zijn enorm, ook naargelang het soort vlees. Zo komt per kilogram rundvlees 100 kilogram broeikasgas vrij, bij een kilogram kip is dat 9,87 kilogram en bij erwten 1 kilogram.
Broeikasgasemissies (kg) per kilogram van het product
Kwistig waterverbruik Alsof de impact op land en klimaat nog niet volstond, is ook het waterverbruik van de vleesproductie groot.
Gebruik van drinkbaar water (l) per kilogram van het product
Een bos voor een steak Vleesproductie is niet alleen een rechtstreekse bron van broeikasgassen, het draagt ook onrechtstreeks bij tot de klimaatverandering via de vernietiging van bos en regenwoud. Vleesproductie is de belangrijkste oorzaak van ontbossing: 40 procent ervan gebeurt om plaats te maken voor graasland, vooral in Brazilië.
Wie is verantwoordelijk voor tropische ontbossing? (in hectare per jaar)
De rol van soja Maar ook onrechtstreeks drijft vleesconsumptie de kap van het regenwoud aan, als dat plaats maakt voor de (exploderende) productie van het veevoeder soja.
Bestemming van alle geproduceerde soja wereldwijd. De grafiek is gebaseerd op cijfers van 2017 tot 2019.
Meer, meer, meer De vraag naar vlees is de jongste decennia spectaculair gestegen. Met respectievelijk ongeveer 68 en 124 kilogram per inwoner per jaar zijn Europeanen en Amerikanen de grootste vleeseters op aarde. Die consumptie is de voorbije jaren gestabiliseerd of zelfs licht gedaald. Maar vooral in Azië is sinds de jaren 80 de consumptie fel gestegen. Verwacht wordt dat naarmate in Azië en ook in Afrika de welvaart stijgt, ook de vraag naar vlees verder zal stijgen. Vleesconsumptie en welvaart gaan hand in hand.
Zo eten we de planeet kapot Uit alle cijfers blijkt hoe de consumptie van vlees en zuivel nu al een extreme druk zet op landgebruik, milieu en klimaat. Als de hele wereldbevolking het Belgische dieet volgde, zou alle beschikbare land van de wereld opgesoupeerd worden aan voedselproductie. Nu is dat de helft. In het geval van het Amerikaanse dieet zou er nog een derde meer nodig zijn. Onmogelijk, dus.
Minder vlees, meer land Voedingspatronen doen ertoe. Stel dat de hele wereld zou stoppen met vlees en zuivel te consumeren dan komen we toe met goed 1 miljard hectare land. Vandaag gebruiken we er meer dan 4 miljard.
Wereldwijd landgebruik bij verschillende diëten
Iedereen veganist? Dat reflecteert zich ook in de uitstoot van broeikasgassen. Wordt iedereen veganist dan sparen we 8 gigaton CO2-equivalent uit. Ontpoppen we ons tot flexitariërs (vlees en zuivel met driekwart terugschroeven, hoogstens één keer per week rood vlees) dan stoten we 5 gigaton minder uit. Een veralgemeend mediterraan dieet spaart 3 gigaton uit. Ter herinnering: we stoten nu wereldwijd zowat 50 gigaton uit per jaar. Om de klimaatdoelen te halen en de opwarming te beperken tot 1,5 graden moeten we tegen 2030 onze uitstoot tot 25 gigaton beperken.
Wereldwijde overstap naar veganisme zou de grootste besparing opleveren (in gigaton CO2-equivalent)
Er gaapt dus een kloof tussen het voeden van de wereldbevolking en de noodzaak om de uitstoot van broeikasgassen terug te schroeven.
Technologie en verdere intensivering van landbouw kan helpen die kloof te dichten. Verandering in de samenstelling van het veevoeder kan de uitstoot beperken. Er wordt gezocht naar manieren om dieren sneller vet te mesten, in nog grotere stallen op te kweken. Dat gaat dan wel vaak ten koste van het dierenwelzijn.
De opbrengst van landbouwgrond kan nog verbeteren door efficiëntere bemesting, gewasbescherming en veredeling (onder meer met genetische wijzigingen).
En er valt winst te boeken in de strijd tegen voedselverspilling, dankzij betere opslag en transport. Dat alles zal wellicht niet volstaan om het evenwicht tussen voedselzekerheid en klimaatveiligheid te herstellen.
De grootste winst valt te boeken door een verschuiving van vlees naar plantaardig voedsel: eiwitten rechtstreeks consumeren, in plaats van de inefficiënte omweg via zuivel en vlees te maken. Een groot deel van de beschikbare landbouwgrond zou weer in natuur kunnen worden omgezet, en de geschikte vruchtbare grond benut voor de productie van eiwitrijke gewassen voor menselijke consumptie in plaats van voor veevoeder.
Met 8,31 procent opnieuw stijging van de inflatie: deze producten zijn het sterkst in prijs gestegen en gedaald
De inflatie in ons land nam verder toe in maart tot 8,31 procent. In februari was het nog 8,04 procent. Dat meldt federaal statistiekbureau Statbel. Opnieuw zijn het vooral de energieproducten die de inflatie doen stijgen, al is de prijs voor elektriciteit tegenover vorige maand gedaald.
De inflatie blijft op het hoogste niveau sinds maart 1983. Toen kwam ze uit op 8,92 procent. De indicator voor prijsstijgingen gaat vooral de hoogte in door de fors gestegen energieprijzen.
De kerninflatie, die geen rekening houdt met de prijsevolutie van de energieproducten en de onbewerkte voedingsmiddelen, bedraagt 3,75 procent. De prijsstijgingen voor energieproducten zijn spectaculair. “Energie kent momenteel een inflatie van 57,22 procent”, schrijft Statbel. Elektriciteit is nu 49,9 procent duurder dan een jaar geleden, aardgas liefst 148,8 procent duurder. Motorbrandstoffen kosten 31,3 procent meer dan een jaar geleden.Tegenover vorige maand is de prijs voor elektriciteit wel met gemiddeld 11,7 procent gedaald door een tijdelijke btw-verlaging. Aardgas werd 4,8 procent duurder, maar krijgt volgende maand dezelfde btw-verlaging. Verder waren de belangrijkste prijsstijgingen er op fruit, lichaamsverzorging, aankoop van voertuigen, onderhoud en reparaties van voertuigen en vliegtuigtickets.
Armoedenetwerken leggen voorstellen om energiearmoede tegen te gaan op tafel bij ministers Van der Straeten en Lalieux
De energieprijzen swingen de pan uit, eerst door de coronacrisis en nu door de oorlog in Oekraïne. Ondanks eerdere maatregelen om de energie voor kwetsbare mensen betaalbaar te houden, worden de prijzen steeds onbetaalbaarder voor hen. Op 10 maart 2022 hebben federaal minister van energie Tinne Van der Straeten en federaal minister van Armoedebestrijding Karine Lalieux een aantal organisaties ontvangen om voorstellen en maatregelen te bespreken die energiearmoede kunnen tegengaan.
De regionale armoedenetwerken, verenigd in het Belgisch Netwerk Armoedebestrijding (BAPN), hebben er vier aanbevelingen op tafel gelegd die ze eerder al geformuleerd hadden. “We vragen aan de federale regering de structurele verankering van de uitbreiding van het sociaal tarief voor mensen met een verhoogde tegemoetkoming, de uitbreiding van het sociaal tarief naar een grotere groep mensen, de tijdelijke bevriezing van het sociaal tarief en de modulering van de accijnzen volgens het inkomen”, aldus coördinator Caroline Van der Hoeven van het BAPN.
Structurele verankering van de uitbreiding van het sociaal tarief
De armoedenetwerken vragen dat de uitbreiding van het sociaal tarief naar personen met een verhoogde tegemoetkoming structureel gemaakt wordt. Deze uitbreiding was een coronamaatregel die is ingevoerd eind 2021 en eerst liep tot 31 maart 2021 om daarna verlengd te worden tot 30 juni 2022.
Het ziet er niet naar uit dat de energieprijzen in de nabije toekomst fors zullen dalen. Als de tijdelijke maatregel vervalt, zou dat een financiële ramp kunnen betekenen voor mensen voor wie het water nu al aan de lippen staat. Dat creëert veel angst bij gezinnen in een kwetsbare situatie. Alleen een structurele verankering van het sociaal tarief voor mensen met een verhoogde tegemoetkoming kan soelaas brengen.
Bevriezing van het sociaal tarief en uitbreiding naar een grotere groep mensen
Een tweede voorstel betreft de verdere uitbreiding van het sociaal tarief naar een grotere groep mensen. De lagere middenklasse dreigt immers ook zwaar in de problemen te komen door de stijgende energieprijzen. Verder vragen de armoedenetwerken een bevriezing van het sociaal tarief enerzijds en dat het sociaal tarief ook sneller daalt wanneer de marktprijzen dalen anderzijds.
Er moet ook een oplossing komen voor mensen die op de privé-markt huren in een appartementsgebouw met gemeenschappelijke meters. Zij krijgen momenteel geen sociaal tarief, ook niet als ze voldoen aan de inkomensvoorwaarden. Een mogelijke piste is dat dit gebeurt via het rijksregisternummer of een forfaitaire korting rechtstreeks aan de verbruiker, zoals dat voor water momenteel al gebeurt in Vlaanderen.
Modulering van de accijnzen volgens het inkomen
De armoedenetwerken zien een btw-verlaging in de huidige context niet als de wonderoplossing. Dit kost veel geld, dat veel doelmatiger kan worden ingezet. Als er een btw-verlaging komt, gaat dat best gepaard met een modulering van de accijnzen, waarbij mensen met een laag inkomen geen of lagere accijnzen aangerekend krijgen en hogere inkomens meer bijdragen.
Wij vragen om dit te doen volgens het inkomen, en niet volgens het verbruik. Mensen in armoede wonen immers vaak in een slecht geïsoleerde woning en verbruiken daardoor nog steeds relatief veel hoewel ze spaarzaam met energie omgaan. De aanpassing van de accijnzen heeft ook als voordeel dat zij sneller bijgestuurd kunnen worden.
“We zijn blij met het constructieve gesprek met ministers Van der Straeten en Lalieux en hopen dat ze onze voorstellen en aanbevelingen ter harte nemen om de energiearmoede van kwetsbare mensen daadwerkelijk aan te pakken”, benadrukt Caroline Van der Hoeven nog.
Wij gebruiken cookies om de werking van onze website te verbeteren
Functional Altijd actief
De technische opslag of toegang is strikt noodzakelijk voor het legitieme doel het gebruik mogelijk te maken van een specifieke dienst waarom de abonnee of gebruiker uitdrukkelijk heeft gevraagd, of met als enig doel de uitvoering van de transmissie van een communicatie over een elektronisch communicatienetwerk.
Voorkeuren
De technische opslag of toegang is noodzakelijk voor het legitieme doel voorkeuren op te slaan die niet door de abonnee of gebruiker zijn aangevraagd.
Statistics
De technische opslag of toegang die uitsluitend voor statistische doeleinden wordt gebruikt.De technische opslag of toegang die uitsluitend wordt gebruikt voor anonieme statistische doeleinden. Zonder dagvaarding, vrijwillige naleving door uw Internet Service Provider, of aanvullende gegevens van een derde partij, kan informatie die alleen voor dit doel wordt opgeslagen of opgehaald gewoonlijk niet worden gebruikt om je te identificeren.
Marketing
De technische opslag of toegang is nodig om gebruikersprofielen op te stellen voor het verzenden van reclame, of om de gebruiker op een website of over verschillende websites te volgen voor soortgelijke marketingdoeleinden.