by admin | mei 3, 2023 | Economie
De inwoners van Vlaanderen hebben recht op een regering waar ze kunnen op rekenen, niet één waar ze moet blijven op wachten.
Schaam u, meneer Jambon. Ondanks dat bepaalde partijen binnen uw regering het land al 20 jaar gijzelen om ‘meer Vlaanderen’ te creëren, helpen jullie al die bevoegdheden die jullie in handen hebben alleen maar om zeep. Dat is de trieste waarheid achter deze Vlaamse regering.
Wie eind januari op de nationale nieuwjaarsreceptie van Vooruit was, herkent hierin de sterke woorden van onze voorzitter Conner Rousseau. Helaas resulteerde het in de meest klassieke, banale reactie: ‘Het is allemaal de schuld van de sossen.’ Maar dit kon niet verder weg liggen van de waarheid, na 10 jaar oppositie voor de Vlaamse socialisten. En vooral: de burger gelooft het al lang niet meer.
Want laten we eens een kijkje nemen naar het ‘palmares’ van deze Vlaamse regering, naar hun ‘prestaties’ van de afgelopen 10 jaar. Bovenaan de lijst staan de ongezien lange wachtlijsten (ironisch, maar waar), de onbekwaamheid om gewone mensen te beschermen en de kunde om zelfs met de voorziene middelen slecht beleid te voeren.
Zo wachten meer dan 15.000 kinderen, een Sportpaleis vol, al jaren op een plek in de jeugdzorg. En ondertussen worden zij dag in dag uit geconfronteerd met hun harde dagelijkse realiteit. Meer dan 180.000 mensen staan op de wachtlijst voor een sociale woning, terwijl de huurprijzen op de privémarkt alleen maar toenemen. En ondertussen moeten zij lijdzaam toezien hoe een minister van Wonen zich meer als een corrupte sheriff dan een bekwame metser gedraagt. Zittend op miljarden euro’s, zonder de handen uit de mouwen te steken. Kijk naar al die personen met een handicap die recht hebben op een persoonsvolgend budget, maar daar soms tot 20 jaar op moeten wachten. Dat is als ze al geen proefkonijn worden van een falend systeem. En dan heb ik het nog niet over onze allerkleinsten en alleroudsten, waarvan we niet eens zeker zijn dat zij de juiste zorg krijgen omdat deze regering te gierig is en er naar lieve lust op los bespaart.
Deze Vlaamse regering slaagt niet in haar meest primaire taak: het verschil maken. En daar is de hardwerkende Vlaming die elke dag zijn stinkende best doet, de dupe van. Dit is een Vlaamse regering die zegt: schuif maar aan in de rij. De ellenlange wachtrij. Een regering die haar wanbeleid rechtvaardigt met de haperende speelplaat: een begroting op orde, ten koste van alles en iedereen. Het doorgedreven ‘goede huisvader’-principe. Maar welke goede huisvader laat zijn kind of kleinkind jaren wachten op de juiste zorg (Welzijn)? Welke goede huisvader stuurt zijn meest kostbare bezit naar onveilige en overwerkte crèches (Kinderopvang)? Welke goede huisvader laat zijn kinderen in een slecht geïsoleerde onbetaalbare woning (Wonen)? Met als kers op de taart: geen visie voor de toekomst van zijn kinderen.
Hoe kleingeestig is deze regering dan om wél te verwachten dat een volgende generatie het maakt, zonder het geluk te hebben om van thuis iets mee te krijgen? Want waar je wieg staat, is met dit falend beleid bepalend voor je toekomst. Hoe bekrompen is deze regering om ervan uit te gaan dat grootouders dichtbij het tekort aan (betaalbare) plaatsen in de crèche wel zullen opvangen? En hoe kortzichtig is deze regering als ze de beste opvoeding verwacht van ouders voor hun kinderen, wanneer ze weigert het kindergeld te indexeren en cursussen Nederlands onbetaalbaar en onbereikbaar maakt?
En dat maakt mijn conclusie alleen maar krachtiger: van deze Vlaamse huisvader zou ik geen opvoedingstips aannemen. Want er is geen enkele garantie dat je kinderen later goed terechtkomen. Enkel dat ze jaren moeten wachten waar ze recht op hebben.
Binnen twee weken is het opnieuw 1 mei. Het spreekt voor zich dat wij socialisten dan weer volop pleiten voor meer koopkracht, solidariteit en gelijkheid. Dat betekent investeren op het Vlaamse niveau: in kindergeld, in kinderopvang, in beter onderwijs. En dat betekent ook een Vlaamse regering die meer dan 5 minuten politieke moed heeft.
Dat is de plicht die deze Vlaamse regering heeft: een toekomst garanderen voor elke inwoner en het geloof in een sterke toekomst aanwakkeren. Tot nu toe lijkt ze vooral bezig met de burger het omgekeerde te doen: beloftes belanden bij het grof vuil, stilstand is de aloude trend en de Vlaming krijgt vooral een plek op een wachtlijst. Resultaat: het verlies van geloof en hoop in de overheid. Nochtans hebben de inwoners van Vlaanderen recht op een regering waar ze kunnen op rekenen, niet één waar ze moet blijven op wachten.
Dat zal ook de inzet zijn van de Vlaamse verkiezingen in 2024, met extremen die baat hebben bij meer wantrouwen en verdeeldheid. Enkel een investeringsregering kan dat tij keren, een Vlaamse regering waarin Vooruit weegt en het verschil maakt.
Bron: Sampol
by admin | mei 3, 2023 | Varia
Zuhal Demir zet zich graag af tegen het Europees klimaatbeleid en werpt zich op als de verdediger van de belangen van de Vlaming. Maar daarbij geeft ze u bewust niet het hele plaatje mee.
Laat ons even terugkeren naar het begin. Bij de start van deze legislatuur, in 2019, beloofde de Europese Commissie om het Europese klimaatbeleid te versterken. De boodschap van de klimaatmarsen die jongeren in aanloop naar de Europese verkiezingen in verschillende lidstaten hadden georganiseerd, was aangekomen. En Europa deed wat het beloofd had. Onder druk van progressieve partijen in het Europees Parlement lanceerde de Europese Commissie de Green Deal, de klimaatwet en het Fit For 55-pakket. Een historisch pakket aan maatregelen, dat niet enkel de doelstellingen helder formuleert en in wetgeving verankert, maar ook een coherent pad uittekent om die doelstellingen te halen.
NIETS DOEN KOST GELD
Maar rond dat klimaatbeleid hangt een waas van alarmisme. Te vaak wordt door beleidsmakers alleen gefocust op de moeilijkheden die de duurzame transitie, zowel voor burgers als bedrijven, met zich meebrengt, terwijl de baten van dat beleid veelal onderbelicht blijven.
Daarbovenop komt dat sommige beleidsniveaus er niet in slagen om die uitdagingen met beide handen vast te pakken. De politieke stikstofcrisis die zowel Vlaanderen als Nederland in de ban houdt, is daar het beste voorbeeld van. Aan de basis van dat probleem ligt niet de Europese regelgeving, maar het structurele gebrek aan actie in de afgelopen decennia. Daar betalen zowel de Vlaming, de Nederlander, als het milieu de prijs voor.
Dat blijkt ook uit onderzoek van de University College of London, dat berekende dat de economische kost van klimaatverandering tot zes keer hoger zou liggen dan eerder werd ingeschat. Veel hoger dan de kost van ambitieus klimaatbeleid. Niets doen kost geld en het maakt de uitdagingen enkel groter. We mogen klimaatbeleid niet laten verzanden in een politiek van het eeuwige moeten, waarbij harde maatregelen worden genomen omdat het niet anders meer kan en waarbij het gevaar bestaat dat sommige mensen helemaal uit de boot dreigen te vallen. Zo zijn het politici zelf die elk draagvlak voor ambitieus klimaatbeleid aan diggelen slaan en de verantwoordelijkheid doorschuiven naar volgende generaties.
WAAR BLIJFT HET VLAAMS BELEID?
Ook sommige Vlaamse politici lopen vandaag in die val. Dat zagen we recent nog bij de reactie vanuit de Vlaamse regering op de goedkeuring van cruciale onderdelen van het Fit For 55-pakket, die de Europese Unie op pad moeten zetten om tegen 2030 55% minder uit te stoten. Als politica zet Vlaams minister, Zuhal Demir (N-VA), zich graag af tegen het Europees klimaatbeleid en werpt ze zich op als de verdediger van de belangen van de Vlaming. Maar daarbij geeft ze u bewust niet het hele plaatje mee.
Zo framet Demir de uitbreiding van het Europees systeem van emissiehandel als een platte belastingverhoging voor Vlaamse gezinnen. Vanaf 2028 zullen ook bedrijven in de transport- en gebouwensector uitstootrechten moeten aankopen, net zoals de zware industrie en de elektriciteitssector dat vandaag al doen. Dat, zegt Demir, zal alleen maar leiden tot hogere prijzen aan de pomp. Een factuur die ‘de Vlaming’ vandaag niet kan en wil betalen.
Maar de belangrijkste hefbomen om die ‘factuur’ te voorkomen, bevinden zich op het Vlaamse niveau. Sterker nog, voor een groot deel van die hefbomen is Demir als minister rechtstreeks verantwoordelijk. Want de projecties over de doorgerekende kost van emissierechten gaan uit van ongewijzigd beleid. Maar dat is het hele idee achter het Europese klimaatbeleid: geen business as usual meer.
Net daar draagt de Vlaamse regering een zware verantwoordelijkheid. We mogen dan wel een systeem hebben dat de energetische renovaties van woningen gedeeltelijk subsidieert, maar in zijn huidige vorm werkt dat systeem vooral voor wie vandaag al de nodige financiële slagkracht heeft. Voor een gemiddeld Vlaams gezin blijft de woning renoveren of een elektrische wagen aankopen onbereikbaar. Vlaanderen zou dat beleid kunnen hervormen en net meer Vlamingen kunnen ondersteunen. Die keuze maakt Vlaanderen vandaag niet.
SOCIAAL KLIMAATBELEID AANMOEDIGEN
Hetzelfde geldt voor het sociaal klimaatfonds. De Europese Unie wil een vierde van de opbrengsten uit de handel in uitstootrechten specifiek aanwenden om sociaal klimaatbeleid op niveau van de lidstaten en regio’s te ondersteunen. Vandaag is dat niet zo. Lidstaten spenderen de opbrengsten van emissiehandel vandaag vooral aan het ondersteunen van de industrie. Ook Vlaanderen doet dat, met de middelen die het haalt uit het innovatiefonds.
In dat opzicht is het sociaal klimaatfonds een gamechanger. Niemand beweert dat dat fonds voldoende zal zijn om de duurzame transitie sociaal rechtvaardig te maken. Wat dat fonds wel doet, is lidstaten en regio’s wijzen op hun eigen verantwoordelijkheid en hen een financiële impuls geven om sociaal klimaatbeleid te voeren. Het is de eerste keer dat de Europese Unie sociale doelstellingen zo uitdrukkelijk koppelt aan klimaatbeleid en er actief voor kiest om sociaal beleid te stimuleren. De kritiek daarop dient vooral om een gebrek aan visie op het eigen beleid te verbergen.
MOTOR VAN SOCIALE EMANCIPATIE
Zich vandaag afzetten tegen het Europese klimaatbeleid mag voor sommigen dan een politieke opportuniteit zijn, in realiteit helpt het niemand vooruit. Ook de Vlaming niet. Want klimaatverandering gaat over meer dan milieuvervuiling en uitstoot alleen, het is in eerste instantie een zaak van sociale onrechtvaardigheid.
Net dat maakt dat sociaaldemocraten meer dan ooit moeten opkomen voor ambitieus en sociaal rechtvaardig klimaatbeleid. Als we erin slagen om het potentieel van klimaatbeleid te benutten, zal dat ook een golf van sociale emancipatie met zich meebrengen. Voor de brede bevolking en in eerste instantie voor zij die het vandaag al moeilijk hebben om de energiefactuur te betalen, voor de kinderen die vandaag al leven in de wijken met de ongezondste luchtkwaliteit, voor onze gezondheidszorg, waar we vandaag al de oplopende factuur van die vervuiling zien.
Maar dat vraagt de moed om de handen uit de mouwen te steken. En het is net dat wat vandaag in Vlaanderen ontbreekt.
Bron: Sampol
by admin | mei 3, 2023 | Economie
Hoe private hebzucht tot collectieve verarming leidt.
Het lijkt soms of centrale bankiers gedoemd zijn om steevast de vorige crisis te bestrijden. Velen zagen in de huidige inflatiecrisis bijvoorbeeld een directe herhaling van de jaren 1970. Het ten alle prijzen voorkomen van een nieuw loonprijsspiraal – een situatie waarin hogere lonen en hogere prijzen elkaar in een vicieuze cirkel aanjagen – gold daarom snel als dé beleidsprioriteit. ‘Om te voorkomen dat de prijzen uit de hand lopen, moeten we voorkomen dat werknemers fikse loonsverhogingen vragen’, verwoordde Andrew Bailey, voorzitter van de Britse centrale bank (BoE), die strategie. Via renteverhogingen en het verhogen van de werkloosheid moesten de lonen en looneisen van werknemers dus kost wat kost in bedwang gehouden worden.
De bekendmaking van de jaarresultaten van veel grote ondernemingen de voorbije manden deed dat dominante perspectief echter zacht wankelen. Ondanks oplopende kosten vanwege sputterende toeleveringsketens, verstoringen in internationaal vrachtverkeer, en fors stijgende energie- en grondstoffenprijzen, bleken veel niet-financiële bedrijven in de Verenigde Staten en in de Eurozone de afgelopen periode toch recordwinsten geboekt te hebben. Daarmee lijkt zich de vreemde trend af te tekenen dat wanneer input- en productiekosten stijgen, winsten gewoon meestijgen en zelfs proportioneel gezien toenemen. ‘Dit is niet hoe kapitalisme hoort te werken’, opperden zelfs zakenbankiers en vermogensbeheerders verwonderd.
Ook bij centrale banken groeide de afgelopen weken traag het besef dat hoge winsten wel eens relevant kunnen zijn in het verklaren van de aanhoudende inflatie. Zeker nu energieprijzen sterk gedaald zijn, maar de kerninflatie toch plakkerig hoog blijft. ‘Er is veel discussie over loongroei, maar we besteden waarschijnlijk te weinig aandacht aan de andere kant van de medaille: bedrijfswinsten’, liet ECB-directielid, Fabio Panetta, zich onlangs in een interview ontvallen. Daags voordien kwamen ECB medewerkers al tot de conclusie dat ‘het effect van de winsten op de binnenlandse prijsdruk vanuit historisch perspectief uitzonderlijk hoog is’. Na maanden van geweeklaag over hoe stijgende lonen de inflatie dreigde te bestendigen en verder aan te vuren, lijken centrale bankiers in Europa en daarbuiten dus plots een nieuw probleem ontdekt te hebben: exuberante bedrijfswinsten.
ONHEIL ALS EXCUUS OM TE GRAAIEN
Daarmee lijken ze zich in vertraagd tempo aan te sluiten bij de consensus die eerder al groeide onder analisten: inflatie veroorzaakt door een opeenvolging van economische schokken – de pandemie, sterk verstoorde toeleveringsketens, de inval van Rusland in Oekraïne, scherp stijgende energieprijzen – fungeerde als ideaal voorwendsel voor grote bedrijven met marktmacht om de eigen winstmarges verder op te krikken. In een inflatoire omgeving anticipeert de consument immers op verder stijgende prijzen en verliest hij of zij het overzicht van wat nog een redelijk prijs is om te betalen. Dit geeft bedrijven een ongeziene kans om prijzen ook daadwerkelijk te verhogen en zo hogere winsten binnen te rijven. Vanwege de opgebouwde spaaroverschotten – aangelegd gedurende de lockdownperiodes – waren consumenten bovendien veel minder prijsgevoelig dan bedrijven oorspronkelijk hadden verwacht. Gevolg: in plaats van elkaar te onderbieden om marktaandeel te winnen, besloten bedrijven lagere volumes te gaan verkopen aan hogere prijzen.
Doorheen de post-Covidperiode hebben bedrijven hun marktmacht dus anders leren aanwenden: in plaats van leveranciers verder onder druk te zetten om hun kosten te verlagen en de lonen van hun werknemers te beperken, hebben veel bedrijven nu simpelweg de prijzen voor hun (eind)klanten verhoogd. Daarom spreekt men ook treffend van ‘excuus’-, ‘smoes’- of ‘graaiflatie‘. Voorgaande prijsstijgingen worden hierbij handig gebruikt door bedrijven als excuus of smoes om de prijzen van goederen en diensten verder op te drijven, meer dan nodig is om de gestegen productiekosten te compenseren. Eerder dan het zo gevreesde loon-prijsspiraal lijkt een winst-prijsspiraal vandaag dus de boosdoener in het hoog houden van de inflatie.
MAAR DE REMEDIE BLIJFT DEZELFDE?
Toch ziet het er niet naar uit dat centrale bankiers snel het geweer van schouder zullen veranderen. Mede door het fenomeen van graaiflatie zal de kerninflatie nog een geruime tijd hoog blijven en als reactie daarop zal de ECB de beleidsrente waarschijnlijk nog een aantal keer verhogen. Gouverneur van de Belgische Nationale Bank en lid van de Raad van Bestuur van de ECB, Pierre Wunsch, laat er alvast geen misverstanden over bestaan: ‘alvorens we kunnen stoppen met renteverhogingen moeten we de lonen en de kerninflatie verder zien dalen’.
Die aanhoudende renteverhogingen zullen het leven voor ons allemaal nog wat duurder maken en onze levensstandaard nog verder ondergraven. Maar eerder dan dit als een probleem te zien, bekijken centrale bankiers dit net als de oplossing voor het fenomeen van graaiflatie: ‘Als de prijzen gedurende langere tijd sneller stijgen dan de lonen en de reële lonen daardoor dalen, zullen de huishoudens zich op een gegeven moment de hogere prijzen niet meer kunnen veroorloven’, aldus ECB-Raadslid Isabel Schnabel. Kortom: de verwachting is dat de hoge winstmarges van bedrijven vanzelf onder druk zullen komen te staan als de vraag in de economie inklapt, al dan niet als gevolg van de gestegen rentes.
Of lonen of bedrijfswinsten nu de drijfveer zijn, maakt voor centrale bankiers uiteindelijk dus weinig verschil. In beide gevallen blijft het antwoord ongewijzigd: om de inflatie de kop in te drukken moeten werknemers inboeten op hun inkomen en levensstandaard. Op die manier heeft graaiflatie wel het voordeel van de duidelijkheid. Het ontbloot immers op onnavolgbare wijze het ideologische karakter van de huidige beleidsconsensus: terwijl prijscontroles op arbeid een geliefkoosd middel blijven om inflatie te bestrijden, blijven ze uit den boze voor kapitaal. Zelfs wanneer uit alle gegevens blijkt dat bepaalde bedrijven de boel ongegeneerd belazeren voor privaat gewin. Nee, hardleerser dan onze monetaire beleidsmakers krijg je ze niet…
Bron: Sampol
by admin | mei 3, 2023 | Varia
Opiniestuk van Milan Dekeyser
‘Het geloof in de democratie herstel je niet door enkel de leeftijd waarop je mag gaan stemmen te verlagen’, schrijft de Milan Dekeyser (17). Hij roept op om jongeren al veel vroeger kennis te laten maken met democratische processen, en wel op de schoolbanken.
Vandaag hoor je tegelijk pleidooien om de leeftijd te verlagen waarop jongeren voor het eerst mogen gaan stemmen als klaagzangen dat jongeren niet meer geloven in de politiek. Het eerste zou daarbij een oplossing moeten zijn voor het tweede.
Jongeren laten vandaag meer dan ooit hun stem horen. Ze komen op straat, onder meer voor het klimaat. Ze engageren zich wel, maar niet in de traditionele zin, volgens de breuklijnen van de politieke partijen. Vaak krijgen ze het gevoel dat ze door hun onconventionele engagement niet gehoord worden, en dat hun mening aan de kant geschoven wordt, omdat ze nog niet voldoende levenservaring hebben. En dat terwijl de meeste grote problemen van vandaag net het meeste impact zullen hebben op de levens van wie vandaag nog jong is.
Hoewel de politieke interesse en kennis van 16-jarigen en 18-jarigen in grote lijnen te vergelijken is, staan de meeste jongeren niet te springen om te gaan stemmen. (En mochten ze dat toch doen, zou dat wellicht de meer radicale partijen ten goede komen.)
Het is dus meer dan twijfelachtig dat de leeftijdsgrens om te gaan stemmen naar omlaag halen, het vertrouwen van jongeren in de politiek kan herstellen.
Beter zou het zijn om politiek en maatschappelijk engagement te beschouwen als een puzzel. Elk stukje, hoe klein ook, is van belang om het geheel te laten kloppen. Media, vrienden, ouders, politieke kennis, verenigingen en school, allemaal zijn het de hoekpunten, van waar we verder kunnen beginnen bouwen.
In deze bijdrage wil ik stilstaan bij de mogelijkheden van de school als een democratisch oefenterrein, waar jongeren niet alleen kennis opdoen over, maar ook actief kunnen meedenken over de schoolwerking.
School als democratisch oefenterrein
Als we de stemleeftijd willen verlagen, moeten we de leerlingen voorbereiden op verkiezingen. Deze voorbereiding moet bestaan uit kennis over de democratie en ervaring. Een school is de ideale plek om deze skills aan te brengen. Leerlingen kunnen ervaring opdoen over de werking van een democratie, wanneer ze actief betrokken worden bij de schoolwerking.
En met actief betrekken bedoelen we natuurlijk meer dan enkel een verstofte leerlingenraad. De leerlingenraad is het meest voorkomende participatieorgaan in de Vlaamse scholen, maar toch wordt er amper gebruik van gemaakt, hetzij door desinteresse van de leerlingen, hetzij door gebrek aan visie bij de directie.
Op mijn eigen middelbare school is de leerlingenraad gewoon een leeg begrip. Men vindt geen geëngageerde leerlingen om zich één middag per maand vrij te maken voor de leerlingenraad.
We moeten de leerlingenraad terug hip maken, en enkel een nieuwe naam of een likje verf zullen niet helpen. Jongeren moeten het gevoel hebben dat er naar hen geluisterd wordt en dat ze samen zaken in beweging kunnen zetten.
Dit vertrouwen kan worden opgebouwd door hen te betrekken bij bijvoorbeeld de aanwerving van een nieuwe leerkracht of bij de aankoop van nieuw materiaal. Als leerlingen voelen dat hun stem gehoord wordt, zullen ze sneller in participatieorganen zoals een leerlingenraad treden. Hetzelfde geldt voor het schoolreglement, als scholen die regels zouden afstemmen met alle betrokken partijen – dus ook de leerlingen- dan zal het draagvlak groter zijn, en zullen ze beter nageleefd worden, wat zal zorgen voor een beter schoolklimaat.
Eigen budgetten
Bijkomend probleem is de organisatie. Hoewel bijna elke school een school een leerlingenraad heeft, is er geen eenduidige handleiding voor de opstart en organisatie ervan. Een leerlingenraad kan op verschillende manieren worden samengesteld, zo kan men opteren om verkiezingen te organiseren. Hierbij wordt er dan een lijst opgesteld met een aantal kandidaten waarop de leerlingen kunnen stemmen, zodat alle jaren en studierichtingen vertegenwoordigd zijn.
Daarnaast kan men ook kiezen om de leerlingenraad te loten, een voordeel van deze methode is dat je niet enkel de extraverte personen aantrekt. Naast een leerlingenraad kan je ook enkele werkgroepen in het leven roepen om rond een bepaald thema na te denken. De echte durvers kunnen de leerlingen een bepaald budget geven dat ze autonoom mogen spenderen. Hierdoor maken ze kennis met de begroting van een school en leren ze overleggen en compromis sluiten. Wanneer een directie snel de mening van alle leerlingen wil weten, kan er een poll of enquête aangemaakt worden en via smartschool naar iedereen toegestuurd worden.
Geen gebrek aan participatiekanalen, wel aan visie
Het tweede luik is ‘de kennis’ en hiermee bedoelen we niet droge theorie over het politieke systeem. Deze ‘droge’ theorie is noodzakelijk, en daarom wordt dit al onderwezen tijdens de lessen geschiedenis. Met kennis bedoelen we de actualiteit kunnen plaatsen en er kritische vragen bij stellen. Door de introductie van lessen ‘Mens en samenleving’ in het Katholiek onderwijs zetten we grote stappen vooruit. Tijdens deze lessen leren leerlingen belangrijke burgerschapscompetenties om uit te groeien tot zelfredzame, kritische burgers. Leerlingen krijgen les in mediawijsheid, economische en financiële competenties, sociaal-relationele competenties en geestelijk en mentaal bewustzijn. Deze lessenreek in combinatie met meer leerlingenparticipatie op school en ruimte voor actualiteitsdebatten tijdens de lessen godsdienst en/of mens en samenleving geeft leerlingen de ideale bagage om hun stem uit te brengen.
Als voorbereiding op verkiezingen kan een school ook een project starten rond ‘hoe moet ik stemmen’ of men kan de leerlingenraad gebruiken om een politieke verkiezing na te bootsen. Zo leren scholieren het concept kennen en wordt de drempel om te gaan stemmen weer een stukje verlaagd.
Als we de stemleeftijd willen verlagen en effectief jongeren warm maken om te gaan stemmen, moeten we de democratie dichter bij de jongeren brengen. Door leerlingen verantwoordelijkheden te geven, hen te betrekken bij beslissingen en hen ruimte te geven om kritisch na te denken over de maatschappij, leren ze belangrijke burgerschapscompetenties die noodzakelijk zijn om in een democratie te functioneren. Zo raken ze vertrouwd met de democratische waarden van de maatschappij en zullen ze sneller naar de stembus trekken.
Bron: Knack
by admin | mei 3, 2023 | Economie
Recent onderzoek en alarmsignalen over uitval van werknemers omwille van spier- en skeletaandoeningen komt nauwelijks aan bod in het debat rond langer werken. Dat komt omdat diegenen die daar het minste last van hebben het hoogste woord voeren, aldus Maarten Hermans (ACV).
Deze maand presenteerde zowel de Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen als de FOD Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg grootschalig onderzoek naar arbeidskwaliteit in respectievelijk Vlaanderen en België. Dit beleidsonderzoek is echter niet gelanceerd met wetenschappelijk zeer discutabele stellingen over het activeren van werklozen, dus het haalt noch de krantenkoppen, noch veel likes.
En dat gebrek aan aandacht is zeer spijtig, want de bevindingen op basis van bijna drie decennia aan data over arbeidskwaliteit zijn juist bijzonder pertinent voor het tewerkstellings- en eindeloopbaanbeleid. Zoals de statistieken over het verontrustend breed en toenemend voorkomen van risicofactoren voor spier- en skeletaandoeningen (SSA), zoals lage rugpijn, tendinitis en artrose.
Zwaar en repetitief werk
Zo staan de indicatoren voor zwaar fysiek en repetitief werk in België momenteel nog nooit zo hoog sinds de start van de enquêtering in 1995. Zware lasten heffen, personen tillen, repetitieve handelingen uitvoeren, in vermoeiende en onnatuurlijke houdingen moeten werken – al deze risicofactoren zijn nog verder gestegen sinds de vorige meting in 2015.
Hier spreken we niet over een handvol verdwijnende functies in de zware industrie, waar desnoods het beleid gericht zou kunnen compenseren via een puntensysteem voor zware beroepen. Deze risicofactoren en haar gevolgen zijn zeer breed verspreid doorheen de arbeidsmarkt. Het is bijvoorbeeld ondertussen de sector gezondheid en welzijn die de bouwsector heeft voorbijgestoken als recordhouder, met 41% van de werknemers die fysiek zware arbeid rapporteren.
En via Delhaize-franchise of in directe tewerkstelling, voor een kwart tot 43% van de werknemers in de groot- en kleinhandel gaat het om fysiek zwaar werk, werken in ongemakkelijke houdingen, en met gedurige repetitieve bewegingen. Dit werk dient een derde van de retail-werknemers uit te voeren onder problematische werkdruk: een duidelijke én de laatste 15 jaar enkel stijgende risicofactor voor fysieke én mentale gezondheidsproblemen.
Recordaantal gezondheidsklachten
Met zulk wijdverspreid voorkomen van ziekmakende arbeidskenmerken, mag het dan ook niet verbazen dat ondertussen een recordaandeel van 72% van de Belgische werknemers SSA-gerelateerde klachten rapporteert. Slechts 58% van deze groep werknemers acht het mogelijk om hun huidige of een gelijkaardige job uit te oefenen tot 60 jaar, laat staan tot 67 jaar. Dit zien we ook bevestigd in longitudinaal onderzoek: als werknemers naar fysiek lichter werk kunnen wisselen, halveert hun kans om met spier- en skeletaandoeningen in blijvende arbeidsongeschiktheid te belanden.
Blijf je dus werknemers blootstellen aan zulke risicofactoren, dan belanden ze met een kapotte rug in werkloosheid, een vorm van pensioen, of in langdurige ziekte. Een derde van het half miljoen langdurige zieken is uitgevallen met zulke spier- en skeletaandoeningen. Dit is een enorme hoeveelheid individueel menselijk leed, met daarbovenop een collectieve kost van 3 miljard euro aan gezondheidszorguitgaven.
De stijgende trend, grootschalige omvang, en dwingende conclusies voor tewerkstellings- en eindeloopbaanbeleid, staan in schril contrast met de effectiviteit van de wetgeving die zou toelaten dit aan te pakken. Mee doordat de werkgeversorganisaties een voorgestelde Europese richtlijn hierover hebben weggelobbied, zitten we in België een decennium later nog steeds met een juridisch gat in onze wetgeving over risicofactoren voor spier- en skeletaandoeningen.
Monoloog van de opiniërende klasse
Dat er zo veel inkt vloeit over tewerkstellings- en eindeloopbaanbeleid, maar deze pertinente dimensie maar niet in het debat geraakt, heeft veel te maken met de terechte vaststelling van De Morgen-journalist Bart Eeckhout dat het eindeloopbaandebat minder debat dan monoloog is, vooral gedeclameerd door de politieke en opiniërende klasse van hoger opgeleiden.
Diegene die sneller de arbeidsmarkt zal moeten verlaten met spier- en skeletaandoeningen is bijvoorbeeld de poetshulp die je keuken kuist, de begeleidster die je peuter optilt, en de verpleegster die je grootouder in bed heft. Ondertussen zijn het anderen – ja, inclusief mijzelf – die zo de tijd hebben om vanuit een ergonomische bureaustoel rapporten, opiniestukken en tweets te pennen over hoe de eerste groep werknemers langer op de arbeidsmarkt moet blijven.
Pseudowetenschappelijke onzin
Om een uitgesproken contrast te nemen: hoogleraren hebben bijvoorbeeld als beroepsgroep de meest optimistische vooruitzichten qua gezonde levensverwachting, met in de periode 2001-2017 de helft minder kans op overlijden tegenover het gemiddelde in de actieve beroepsbevolking. Het poetspersoneel dat hun bureau thuis of in onderaanneming aan de unief proper houdt juist een kwart méér kans.
Die extra gezonde levensjaren en zeer degelijk pensioen zijn natuurlijk van harte gegund. Misschien zouden we in ruil wel wat meer zelfreflectie mogen vragen van beroepsgroepen zoals hoogleraren, parlementairen en bedrijfsleiders, die individueel én meer gewicht hebben in het eindeloopbaandebat, én daar juist minder over wakker liggen.
Voel je een tweet opkomen om Macron te prijzen voor zijn ‘moedige hervormingen’, of om de pseudowetenschappelijke onzin te verspreiden dat lagere uitkeringen 60-jarige werklozen aan het werk helpen, sta dan even op uit de ergonomische bureaustoel voor een babbel met de poetshulp over haar werk en leefwereld. Dat is gezond, voor de bloeddoorstroom én het maatschappelijk debat.
Maarten Hermans is ACV-expert welzijn op het werk en vrijwillig wetenschappelijk medewerker aan de VUB.
Bron: Knack