Het Planbureau voorspelt dat de lonen in 2024 zullen stijgen, en niet zomaar een klein beetje. Tegelijk blijven er nieuwe jobs bijkomen. Het is alleen wat uitkijken met onze concurrentiepositie tegenover het buitenland.
Het Federaal Planbureau publiceerde zijn septembervooruitzichten voor de Belgische economie. Daarin geeft het onderzoeksbureau zijn prognoses over zowat iedere economische indicator die er in België toe doet, en dat tot 2024. Behalve de wat tegenvallende groei van 1 en 1,3 procent in de komende jaren valt er nog een cijfer op: de groei van de lonen. Voor 2023 stijgt de loonkost met 7,9 procent. In 2024 nog eens met 4,3 procent. Na forse loonstijgingen in 2022 betekent dit dat de loonkost eind 2024 in vier jaar tijd met 26 procent zal gestegen zijn. Als we de totale loonmassa nemen – dus inclusief nieuwe jobs – dan is er in vier jaar tijd zelfs sprake van een toename met 33 procent.
Voor werknemers is dat uiteraard goed nieuws: ook dit en volgend jaar gaan de lonen omhoog. Daardoor houdt de koopkracht in België beter stand dan elders. Meer nog, dit jaar stijgt de netto koopkracht (dus gecorrigeerd voor inflatie) met 3,5 procent en volgend jaar met 0,4 procent. Het Planbureau verwacht dat de spilindex, die de gezondheidsindex volgt, deze maand en in februari en juni van volgend jaar overschreden zal worden. Dat betekent dat de ambtenarenweddes en uitkeringen bij iedere overschrijding met 2 procent omhooggaan. De kans is zelfs groot dat, met een iets hogere inflatie volgend jaar, dit drie overschrijdingen oplevert, want tegen het einde van het jaar flirt de gezondheidsindex met een nieuwe drempel. In dat geval zullen de lonen in anderhalf jaar nog eens met ruim 8 procent stijgen.
De snel stijgende lonen zullen volgens de modellen van het Planbureau niet leiden tot een nettoverlies aan banen. In het verleden dreigden te snelle loonstijgingen arbeid te duur te maken, waardoor werkgevers aarzelden nieuwe mensen aan te werven, of overgingen tot ontslagrondes. Dat lijkt nu niet het geval. Het Planbureau voorspelt netto 50.000 nieuwe jobs voor dit jaar en 40.000 voor volgend jaar. De werkloosheid daalt verder.
Werkgevers die waarschuwen dat forse loonstijgingen economisch onheil zullen veroorzaken, slaan volgens de prognoses van het Planbureau onterecht alarm. Toch zijn er onrechtstreeks wel negatieve effecten. Naast de verslechterende begroting – de overheid ziet de kosten voor ambtenarenlonen en uitkeringen snel oplopen – is er de positie tegenover het buitenland. De handelsbalans en haar zusje, de lopende rekening, vertonen sinds 2022 een tekort, en dat tekort blijft in 2023 en 2024. België voert dus meer in dan het uitvoert, waardoor we een netto schuldenaar worden tegenover het buitenland. In 2022 werd dat tekort door de hoge grondstofprijzen en in het bijzonder de hoge gasprijzen veroorzaakt. Maar dat geldt niet meer voor 2024, want de gasprijs is genormaliseerd. Toch voorspelt het Planbureau een tekort op de lopende rekening van 1,3 procent van het bbp. Dat wijst erop dat het concurrentievermogen van de Belgische economie structureel verzwakt. Prognoses over de loonhandicap met de buurlanden publiceert het Planbureau niet. Maar met de huidige loongroei kun je voor de concurrentiekracht alleen maar hopen dat de vakbonden in het buitenland stevige loonsverhogingen afdwingen, zodat de loonkloof niet te hard oploopt. Bron: DS
Door HEIDI DEGERICKX – Algemeen coördinator Netwerk tegen Armoede
Ondanks herhaaldelijke beloftes, over alle partijgrenzen heen, laten de politiek verantwoordelijken het al decennia na om deze belofte waar te maken.
Een inkomen boven de armoedegrens is een absolute voorwaarde om menswaardig te kunnen leven. Armoede is immers in de kern een gebrek aan geld en middelen om te voorzien in je eigen basisbehoeften waardoor je niet meer menswaardig kan leven. Concreet gaat het enerzijds over het ‘recht op arbeid’ om een inkomen te kunnen verwerven. Anderzijds gaat het ook over het ‘recht op afdoende sociale bescherming’ wanneer iemand zelf geen betaalde arbeid kan uitvoeren door ziekte, een arbeidsbeperking of omwille van leeftijd. In België zijn deze economische, sociale en culturele rechten opgenomen in Artikel 23 van de Belgische Grondwet sinds 1994.
Internationaal is de eis voor veralgemeende inkomens boven de armoedegrens gelinkt aan de definiëring van armoede als ‘een schending van mensenrechten, een schending van de menselijke waardigheid’. Op de Wereldconferentie van de Mensenrechten van de Verenigde Naties in Wenen in 1993 werd bovendien beklemtoond dat het cruciaal is om ‘de participatie van de armste mensen in de besluitvormingsprocessen van de gemeenschap’ te bevorderen om de strijd tegen armoede en voor mensenrechten te realiseren. Dit zit in het hart van de missie van het Netwerk tegen Armoede en de 61 lokale verenigingen. We vragen beleidsmakers dan ook om de mensenrechten centraal te stellen in de strijd tegen armoede.
Concreet is de eis voor inkomens boven de armoedegrens zowel door politiek als wetenschap beargumenteerd en becijferd in de voorbije decennia. Zo speelden prof. Herman Deleeck en later prof. Bea Cantillon en collega’s bij het Centrum voor Sociaal Beleid een belangrijke rol in het becijferen van de Europese armoederisicogrens, evenals de Europese armoede-indicatoren.
Politiek bond Yves Leterme de kat de bel aan toen hij in zijn Rerum Novarum-toespraak van 2007 zei: ‘Ook met een leefloon moet men menswaardig kunnen leven. En dat is geen onbetaalbare belofte.’ Hij beloofde om daarvoor twee miljard euro uit te trekken in zijn regering. Sindsdien klinkt de echo steeds opnieuw in elk federaal regeerakkoord. ‘De uitkeringen zullen opgetrokken worden richting de armoedegrens’, lezen we terug in het huidige regeerakkoord van de Vivaldi-regering.
Sindsdien vonden helaas slechts marginale inspanningen plaats in de strijd tegen armoede. Zelfs toen het Federaal Planbureau in 2019 becijferde dat het prijskaartje 1,2 miljard euro bedraagt om alle minimumuitkeringen tot aan de armoederisicogrens op te tillen.
Ondertussen is er wel iets anders belangrijk gebeurd. In 2014 voerde de regering-Di Rupo de degressiviteit van de werkloosheidsuitkeringen door, mede onder druk van de Europese instellingen en de verregaande liberalisering van onze economie en samenleving. Daardoor wordt de sociale bescherming structureel ondermijnd. Blinde activeringsmaatregelen en de stok achter de deur, worden steeds meer bovengehaald in het streven naar de illustere 80% tewerkstellingsgraad. Zij overschaduwen structureel armoedebestrijdingsbeleid vanuit een mensenrechtenperspectief. Het discours is verschoven van beschermen en menselijke waardigheid naar bestraffen en werken in de strijd tegen armoede. Vandaag durft bijna niemand nog zijn nek uit te steken om de onrechtvaardigheid van armoede en uitkeringen onder de armoedegrens aan te klagen.
Nochtans is er ook vandaag wetenschappelijke evidentie dat de ingevoerde degressiviteit niet tot een hogere werkzaamheid heeft geleid door die groepen te treffen in hun portemonnee. Integendeel, de werkzoekenden verschoven massaal naar de ziekteverzekering. Het gevolg is dat de jacht is geopend op zieken en arbeidsongeschikten, en niet te vergeten, ook huisvrouwen en nieuwkomers. Alle politieke partijen richten nu eenzijdig hun pijlen op activering als armoedebestrijding. Daarbij blijven ze blind voor de immense wooncrisis, de stijgende kinderarmoede en toenemende onzekerheid van werkenden met laagbetaalde en weinig werkzekere jobs. Het gevolg is dat kinderarmoede piekt met 19,5% bij kinderen tot 18 jaar en dat 1 op 3 eenoudergezinnen leeft onder de armoederisicogrens.
Meer dan 15 jaar na de toespraak van Leterme is van de belofte nog niets in huis gekomen om de minimumuitkeringen boven de armoedegrens te heffen. Na lang treuzelen en ministapjes is het minimumpensioen het enige dat boven de armoedegrens opgetrokken is. Uit de meest recente cijfers blijkt dat het rustpensioen voor alleenstaanden 10% boven de armoededrempel ligt. De invaliditeitsuitkering voor alleenstaanden ligt met 2% nauwelijks boven deze grens. Alle andere uitkeringen liggen nog substantieel onder de armoedegrens. Daarbij valt op dat vooral bij koppels (met of zonder kinderen) de leeflonen, werkloosheidsuitkeringen en inkomensvervangende tegemoetkomingen nog steeds 30% onder de armoedegrens liggen.
Nochtans is de eis niet geheel van de politieke agenda. De Europese Raad vorderde in september 2022 nog een resolutie uit die alle lidstaten aanmoedigt om hun laagste inkomens te hervormen tot boven de armoedegrens. Helaas blijft het bij de retoriek van een resolutie in plaats van een bindend besluit. Wij werken al jarenlang samen in internationale netwerken, zoals het European Minimum Income Network, om de minimumuitkeringen in alle lidstaten tot boven die 60% mediaangrens te krijgen. De jaarlijkse EU-SILC data geven ook voldoende wetenschappelijke evidentie dat de armoedecijfers in België niet alleen hardnekkig stabiel zijn. De cijfers zijn ook onbetamelijk veel hoger dan de ons omringende landen, zoals Nederland, Frankrijk en Duitsland.
Door HEIDI DEGERICKX – Algemeen coördinator Netwerk tegen Armoede Ondanks herhaaldelijke beloftes, over alle partijgrenzen heen, laten de politiek verantwoordelijken het al decennia na om deze belofte waar te maken. Een inkomen boven de armoedegrens is een absolute voorwaarde om menswaardig te kunnen leven. Armoede is immers in de kern een gebrek aan geld en middelen om te voorzien in je eigen basisbehoeften waardoor je niet meer menswaardig kan leven. Concreet gaat het enerzijds over het ‘recht op arbeid’ om een inkomen te kunnen verwerven. Anderzijds gaat het ook over het ‘recht op afdoende sociale bescherming’ wanneer iemand zelf geen betaalde arbeid kan uitvoeren door ziekte, een arbeidsbeperking of omwille van leeftijd. In België zijn deze economische, sociale en culturele rechten opgenomen in Artikel 23 van de Belgische Grondwet sinds 1994. Internationaal is de eis voor veralgemeende inkomens boven de armoedegrens gelinkt aan de definiëring van armoede als ‘een schending van mensenrechten, een schending van de menselijke waardigheid’. Op de Wereldconferentie van de Mensenrechten van de Verenigde Naties in Wenen in 1993 werd bovendien beklemtoond dat het cruciaal is om ‘de participatie van de armste mensen in de besluitvormingsprocessen van de gemeenschap’ te bevorderen om de strijd tegen armoede en voor mensenrechten te realiseren. Dit zit in het hart van de missie van het Netwerk tegen Armoede en de 61 lokale verenigingen. We vragen beleidsmakers dan ook om de mensenrechten centraal te stellen in de strijd tegen armoede. Concreet is de eis voor inkomens boven de armoedegrens zowel door politiek als wetenschap beargumenteerd en becijferd in de voorbije decennia. Zo speelden prof. Herman Deleeck en later prof. Bea Cantillon en collega’s bij het Centrum voor Sociaal Beleid een belangrijke rol in het becijferen van de Europese armoederisicogrens, evenals de Europese armoede-indicatoren. Politiek bond Yves Leterme de kat de bel aan toen hij in zijn Rerum Novarum-toespraak van 2007 zei: ‘Ook met een leefloon moet men menswaardig kunnen leven. En dat is geen onbetaalbare belofte.’ Hij beloofde om daarvoor twee miljard euro uit te trekken in zijn regering. Sindsdien klinkt de echo steeds opnieuw in elk federaal regeerakkoord. ‘De uitkeringen zullen opgetrokken worden richting de armoedegrens’, lezen we terug in het huidige regeerakkoord van de Vivaldi-regering. Sindsdien vonden helaas slechts marginale inspanningen plaats in de strijd tegen armoede. Zelfs toen het Federaal Planbureau in 2019 becijferde dat het prijskaartje 1,2 miljard euro bedraagt om alle minimumuitkeringen tot aan de armoederisicogrens op te tillen. Ondertussen is er wel iets anders belangrijk gebeurd. In 2014 voerde de regering-Di Rupo de degressiviteit van de werkloosheidsuitkeringen door, mede onder druk van de Europese instellingen en de verregaande liberalisering van onze economie en samenleving. Daardoor wordt de sociale bescherming structureel ondermijnd. Blinde activeringsmaatregelen en de stok achter de deur, worden steeds meer bovengehaald in het streven naar de illustere 80% tewerkstellingsgraad. Zij overschaduwen structureel armoedebestrijdingsbeleid vanuit een mensenrechtenperspectief. Het discours is verschoven van beschermen en menselijke waardigheid naar bestraffen en werken in de strijd tegen armoede. Vandaag durft bijna niemand nog zijn nek uit te steken om de onrechtvaardigheid van armoede en uitkeringen onder de armoedegrens aan te klagen. Nochtans is er ook vandaag wetenschappelijke evidentie dat de ingevoerde degressiviteit niet tot een hogere werkzaamheid heeft geleid door die groepen te treffen in hun portemonnee. Integendeel, de werkzoekenden verschoven massaal naar de ziekteverzekering. Het gevolg is dat de jacht is geopend op zieken en arbeidsongeschikten, en niet te vergeten, ook huisvrouwen en nieuwkomers. Alle politieke partijen richten nu eenzijdig hun pijlen op activering als armoedebestrijding. Daarbij blijven ze blind voor de immense wooncrisis, de stijgende kinderarmoede en toenemende onzekerheid van werkenden met laagbetaalde en weinig werkzekere jobs. Het gevolg is dat kinderarmoede piekt met 19,5% bij kinderen tot 18 jaar en dat 1 op 3 eenoudergezinnen leeft onder de armoederisicogrens. Meer dan 15 jaar na de toespraak van Leterme is van de belofte nog niets in huis gekomen om de minimumuitkeringen boven de armoedegrens te heffen. Na lang treuzelen en ministapjes is het minimumpensioen het enige dat boven de armoedegrens opgetrokken is. Uit de meest recente cijfers blijkt dat het rustpensioen voor alleenstaanden 10% boven de armoededrempel ligt. De invaliditeitsuitkering voor alleenstaanden ligt met 2% nauwelijks boven deze grens. Alle andere uitkeringen liggen nog substantieel onder de armoedegrens. Daarbij valt op dat vooral bij koppels (met of zonder kinderen) de leeflonen, werkloosheidsuitkeringen en inkomensvervangende tegemoetkomingen nog steeds 30% onder de armoedegrens liggen. Nochtans is de eis niet geheel van de politieke agenda. De Europese Raad vorderde in september 2022 nog een resolutie uit die alle lidstaten aanmoedigt om hun laagste inkomens te hervormen tot boven de armoedegrens. Helaas blijft het bij de retoriek van een resolutie in plaats van een bindend besluit. Wij werken al jarenlang samen in internationale netwerken, zoals het European Minimum Income Network, om de minimumuitkeringen in alle lidstaten tot boven die 60% mediaangrens te krijgen. De jaarlijkse EU-SILC data geven ook voldoende wetenschappelijke evidentie dat de armoedecijfers in België niet alleen hardnekkig stabiel zijn. De cijfers zijn ook onbetamelijk veel hoger dan de ons omringende landen, zoals Nederland, Frankrijk en Duitsland. Laat het duidelijk zijn. De Europese armoederisicogrens ligt op 60% van het mediaaninkomen van een land. Concreet betekent dit voor België dat een uitkering voor een alleenstaande minimaal 1.366 euro per maand zou moeten bedragen. Vandaag blijft het leefloon nog steeds steken op 1.238,41 euro. De armoederisicogrens voor een gezin met twee volwassenen en twee kinderen ligt vandaag op 2.868 euro per maand.
Dat zijn dus de minimumgrenzen waarnaar we streven, als we ieder mens, ieder kind de kans geven om uit armoede te ontsnappen. Het Netwerk tegen Armoede roept de huidige beleidsmakers op om eindelijk voldoende politieke moed te tonen. Hef alle inkomens tot boven de armoederisicogrens, nu! Bron: Sampol
België besteedt minder middelen aan sociaal beleid dan Frankrijk, de Verenigde Staten, Duitsland en Nederland.
Vaste prik in het publieke debat: België leeft boven zijn stand. Of juister: de Belgische overheid spendeert te veel, en dan is het in de eerste plaats de sociale zekerheid die in het vizier komt. Maar klopt het wel dat we in België méér uitgeven aan sociaal beleid dan vergelijkbare landen? In een nieuwe studie van Denktank Minerva leggen we de sociale uitgaven in België en in twintig andere hoge-inkomenslanden onder de loep.
Verschillende landen kunnen hun sociaal beleid op heel verschillende wijze organiseren, en een juiste vergelijking van het uitgavenniveau in die landen moet moet daar dan ook rekening mee houden. De lijstjes die met de regelmaat van de klok opduiken en waarin landen gerangschikt worden naar de omvang van hun publieke sociale uitgaven, lijstjes waarin België steevast hoog scoort, zeggen minder dan we wel zouden willen.
Een eerste moeilijkheid is dat verschillende landen sociale uitkeringen fiscaal zeer verschillend behandelen. Waar het ene land sociale inkomens (geheel of gedeeltelijk) vrijstelt van directe belastingen, zal het andere land zo’n inkomen wél onderwerpen aan de inkomensbelastingen: een deel van de sociale uitgaven vloeit in dat geval dus onmiddellijk weer terug naar de schatkist. In land A kan het bruto uitgavenpatroon voor sociale uitkeringen dus hoger liggen dan in land B, precies om het feit te compenseren dat die sociale inkomens in land A deels ‘wegbelast’ worden; of omgekeerd, land B kan zijn sociale uitgaven statistisch lager houden net door zulke uitkeringen vrij te stellen van belastingen. We moeten dus niet (alleen) kijken naar de bruto publieke sociale uitgaven, maar (ook) naar de netto publieke uitgaven.
Denemarken en Australië vormen hier twee exemplarische uitersten. In Australië, waar het niveau van de (bruto) publieke sociale uitgaven fors lager ligt dan in Denemarken, zijn sociale inkomens zo goed als volledig vrijgesteld van belastingen: het verschil tussen de bruto publieke sociale uitgaven en de netto publieke sociale uitgaven bedraagt er slechts 0,1% van het bbp. In Denemarken daarentegen, met zijn hoge niveau van sociale uitgaven, vloeit liefst vier procentpunt van de publieke sociale uitgaven meteen weer terug naar de schatkist in de vorm van verschuldigde directe belastingen. Als we dit verschil in fiscale behandeling van sociale inkomens mee in rekening brengen, halveert de kloof tussen het Deense en het Australische uitgavenniveau in termen van hun bbp van acht naar vier procentpunt.
Een tweede moeilijkheid: een overheid kan sociale doelstellingen ook nastreven door het toekennen van belastingvoordelen. Het gaat dan bijvoorbeeld om belastingkredieten in functie van het aantal kinderen ten laste, of om belastingvoordelen voor ondernemingen of huishoudens die een deel van hun middelen aanwenden om een gezondheidszorgverzekering af te sluiten, of stortingen te doen aan een pensioenfonds. In landen met relatief lage rechtstreekse publieke sociale uitgaven zoals de Verenigde Staten, Canada, Nederland of Australië loopt de fiscale kost van dit type belastingvoordelen op naar 2,5% tot zelfs 3,5% van het bbp. In de Noordse landen zijn deze belastingvoordelen daarentegen nauwelijks bekend.
Een derde probleem is dat de overheid private spelers niet alleen kan aanmoedigen (met belastingvoordelen), maar ook verplichten om middelen vrij te maken voor sociale doeleinden, zonder dat de overheid die middelen zelf rechtstreeks of onrechtstreeks int, beheert, of uitbetaalt. In dat geval kunnen we niet meer spreken van publieke sociale uitgaven, maar gaat het om door de overheid verplichte private sociale uitgaven.
In Zwitserland kosten private sociale uitgaven bijna een tiende van het bbp, in Nederland en de Verenigde Staten zes procent.
Het belang hiervan kan moeilijk overschat worden. In Zwitserland kosten deze private sociale uitgaven bijna een tiende van het bbp, in Nederland en de Verenigde Staten zes procent, en in Australië vier procent. Deze landen maken dan ook een grote sprong in een internationale rangschikking van de sociale uitgaven wanneer we naast de publieke sociale uitgaven ook de verplichte private sociale uitgaven meerekenen, terwijl België naar een vijfde plaats zakt. Het totaal van de publieke en de verplichte private sociale uitgaven geeft dan ook een veel completer beeld van het niveau van de sociale uitgaven in een land dan wanneer we ons beperken, zoals de meeste rangschikkingen doen, tot de bruto publieke rechtstreekse sociale uitgaven.
De vierde moeilijkheid: we kunnen en moeten dit beeld nog verder aanvullen met de vrijwillige private sociale uitgaven. In hoeverre vullen deze niet-verplichte sociale uitgaven de gaten op die vallen door het ontbreken van voldoende publieke of verplichte private sociale uitgaven? Merk op dat de toegang tot deze vrijwillige private sociale programma’s in sterke mate afhankelijk is van de financiële capaciteiten van individuele huishoudens. Wiens beschikbare gezinsbudget het niet toelaat om aan te sluiten bij een privaat verzekeringssysteem, kan natuurlijk vervolgens ook geen aanspraak maken op de voordelen die voortvloeien uit aansluiting bij deze systemen.
Opnieuw kan de omvang van deze vorm van private sociale uitgaven niet onderschat worden. Zowel het Verenigd Koninkrijk als Nederland kosten zij meer dan vijf procent van het bbp; in de Verenigde Staten en Canada gaat het zelfs om meer dan zes procent. De internationale rangschikking van de omvang van de sociale uitgaven wordt dan ook weer danig door elkaar geschud wanneer we ook rekening houden met deze uitgaven.
Enkel kijken naar de bruto rechtstreekse publieke sociale uitgaven kan dus erg misleidend zijn wanneer we een antwoord willen geven op de vraag of een land in vergelijking veel dan wel weinig uitgeeft in het nastreven van sociale doelstellingen. Deze maatstaf houdt immers geen rekening met a) de impact van de verschillende fiscale behandeling van sociale inkomens in verschillende landen; b) de omvang van de toegekende belastingvoordelen voor private sociale uitgaven; c) de private sociale uitgaven die door de overheid worden opgelegd; en d) de vrijwillige private sociale uitgaven.
De totale omvang van de aanvullende sociale uitgaven (de fiscale kost van de toegekende sociale belastingvoordelen, en de private sociale uitgaven) kan immers sterk oplopen, en het zijn precies de landen met de laagste rechtstreekse publieke sociale uitgaven waar deze aanvullende sociale uitgaven veel zwaarder doorwegen. In het Verenigd Koninkrijk, Australië en Canada zijn de aanvullende sociale uitgaven goed voor een kwart tot een derde van de totale sociale uitgaven; in Zwitserland, de Verenigde Staten en Nederland wordt zelfs veertig tot vijftig procent van de kost van het sociaal beleid gedragen door deze aanvullende, al dan niet verplichte systemen.
BELGIË LEEFT NIET BOVEN ZIJN STAND
Wanneer we onze blik dus verruimen van de rechtstreekse publieke sociale uitgaven en ook de private sociale uitgaven in rekening brengen, ontstaat een heel ander beeld van de kost van het sociaal beleid in België, de buurlanden, en andere vergelijkbare hoge-inkomenslanden. Wat blijkt? België besteedt minder middelen aan sociaal beleid dan Frankrijk, de Verenigde Staten, Duitsland en Nederland, en ongeveer evenveel als Australië, Denemarken, Oostenrijk, Canada en Finland. Ierland, Portugal, Griekenland en Polen hinken achterop.
In het totaalbeeld van de sociale uitgaven blijft Frankrijk weliswaar aan kop staan, maar België zakt naar een vijfde plaats (waarbij minder dan één procentpunt van het bbp de nummers vijf tot en met tien op de ranglijst van elkaar scheidt: cijfers na de komma). Nederland, dat wanneer we enkel naar de bruto rechtstreekse publieke sociale uitgaven keken haast helemaal onderaan de rangschikking te vinden was, klimt op naar een vierde plaats, met sociale uitgaven die anderhalf procentpunt méér bedragen dan in België. De Verenigde Staten klimmen zelfs naar een tweede plaats, met een niveau van sociale uitgaven dat slechts 0,1 procentpunt lager ligt dan koploper Frankrijk.
Onze buurlanden Frankrijk, Duitsland en Nederland geven allen meer uit aan het nastreven van sociale doelstellingen, net zoals de Verenigde Staten. Wél doen die verschillende landen dat elk op een heel eigen wijze, waarbij zeker de Verenigde Staten en Nederland (net zoals Zwitserland), elk op hun manier, zeer sterk de nadruk leggen op de rol van private spelers in de financiële organisatie van het sociaal beleid, terwijl die rol in België relatief beperkt blijft, precies omdat de overheid hier een grotere rol op zich neemt. Een correcte vergelijking van de kost van het sociaal beleid in verschillende landen, moet rekening houden met al deze manieren om dat beleid te financieren. Bron: Sampol
September werd afgesloten met 1.030 faillissementen, bijna evenveel als in september 2022 (1.024). Met iets meer dan 200 vonnissen is Brussel sterk gestegen ten opzichte van dezelfde maand in 2022, maar dat is slechts een kleine inhaalbeweging ten opzichte van de achterstand dit jaar. Het is het enige gewest dat minder vonnissen noteert dan in 2022.
Dat blijkt uit cijfers van Trends Business Information.
Hét cijfer van de maand is eerder het aandeel van vonnissen gebaseerd op dagvaardingen. Doorgaans is dat 50 procent en dit jaar kwamen ze zelden boven 45 procent uit. Maar in september is dat cijfer gestegen tot 55,30 procent. Bedrijven die in gebreke zijn gebleven, zijn dus vaker op non-actief gesteld sinds het einde van de vakantie.
Hoewel er in de eerste maanden van 2023 bijna 600 faillissementen meer zijn dan in 2022, zijn we nog ver verwijderd van de cijfers van 2019. Toen waren er 8.854 over de eerste negen maanden, nu staan we op 7.840.
In de eerste negen maanden van het jaar zijn sommige sectoren bijzonder hard getroffen. Er waren 52 faillissementen in de ambachtelijke brood- en banketbakkerijsector (een stijging van 60%), 365 in de woningbouwsector (een stijging van 12,65%) en 123 autodealers (een stijging van 38,20%).
Maar de meest trieste insolventierecords zijn te vinden in de traditioneel kwetsbare restaurantsector: 460 (+36,90%) voor restauranthouders en zelfs 465 (+22,70%) voor snackbars.
Kappers breken het record van het hoogste aantal faillissementen. Hun 125 faillissementen vertegenwoordigen een stijging van 52,44 procent ten opzichte van 2022.
September werd afgesloten met 1.030 faillissementen, bijna evenveel als in september 2022 (1.024). Met iets meer dan 200 vonnissen is Brussel sterk gestegen ten opzichte van dezelfde maand in 2022, maar dat is slechts een kleine inhaalbeweging ten opzichte van de achterstand dit jaar. Het is het enige gewest dat minder vonnissen noteert dan in 2022. Dat blijkt uit cijfers van Trends Business Information. Hét cijfer van de maand is eerder het aandeel van vonnissen gebaseerd op dagvaardingen. Doorgaans is dat 50 procent en dit jaar kwamen ze zelden boven 45 procent uit. Maar in september is dat cijfer gestegen tot 55,30 procent. Bedrijven die in gebreke zijn gebleven, zijn dus vaker op non-actief gesteld sinds het einde van de vakantie. Hoewel er in de eerste maanden van 2023 bijna 600 faillissementen meer zijn dan in 2022, zijn we nog ver verwijderd van de cijfers van 2019. Toen waren er 8.854 over de eerste negen maanden, nu staan we op 7.840. In de eerste negen maanden van het jaar zijn sommige sectoren bijzonder hard getroffen. Er waren 52 faillissementen in de ambachtelijke brood- en banketbakkerijsector (een stijging van 60%), 365 in de woningbouwsector (een stijging van 12,65%) en 123 autodealers (een stijging van 38,20%). Maar de meest trieste insolventierecords zijn te vinden in de traditioneel kwetsbare restaurantsector: 460 (+36,90%) voor restauranthouders en zelfs 465 (+22,70%) voor snackbars. Kappers breken het record van het hoogste aantal faillissementen. Hun 125 faillissementen vertegenwoordigen een stijging van 52,44 procent ten opzichte van 2022. Vlaanderen
Op regionaal niveau noteert Vlaanderen een record, met bijna 4.400 faillissementen over de eerste drie kwartalen. Het vorige record voor 2019 was 3.884 faillissementen over dezelfde negen maanden. Maar het is ook in het Vlaams Gewest dat startende ondernemingen veruit het meest dynamisch zijn: meer dan 70.000 per jaar sinds 2019, en zelfs bijna 80.000 tegen 2021. Het Brussels Gewest stagneert op 14.000 en Wallonië heeft de 30.000 nooit bereikt. Het Vlaams Gewest telt 857.000 actieve bedrijven, ruim vóór Wallonië (385.000) en Brussel (181.000). De bedrijvenpopulatie blijft groeien, vooral in het Vlaams Gewest. Het is dan ook niet ongewoon dat de absolute cijfers voor bedrijfsfaillissementen dezelfde trend volgen. Bron: Trends
Staan er binnenkort leraren met masterdiploma voor de klas in het basisonderwijs? Als het van minister van Onderwijs Ben Weyts (N-VA) en de katholieke onderwijsinstellingen afhangt, wel. ‘De stiel leer je in de bachelor, nadien kan je je expertise verdiepen en verbreden in de master’, zegt topman Lieven Boeve.
De Vlaamse regering beloofde in de septemberverklaring 15 miljoen aan de lerarenopleidingen. Een aardig bedrag, maar opgelet: dat geld is niet vrij te spenderen. In een engagementsverklaring die Weyts aan de universiteiten en hogescholen voorlegde, en die De Morgen kon inkijken, somt de minister acht punten op waarvan hij wil dat de universiteiten en hogescholen werk maken. Het meest opvallende? De inrichting van een master basisonderwijs. Concreet vraagt Weyts aan de lerarenopleidingen om “tegen uiterlijk 1 januari 2024” een voorstel in te dienen van hoe zij die master zouden inrichten.
Voor de meeste universiteiten en hogescholen komt die deadline te vroeg, en waren de middelen die de overheid daar oorspronkelijk tegenover stelde – 4 miljoen euro voor de volledige verklaring – te schaars. Daarom stuurden zowel de koepelorganisatie voor de universiteiten (VLIR) als voor de hogescholen (VLHORA) de minister wandelen. Nu Weyts het bedrag optrok tot 15 miljoen euro, beraden beide organisaties zich opnieuw over wat mogelijk is.
Maar de katholieke onderwijsinstellingen hebben daar niet op gewacht. Samen met de KU Leuven en de katholieke hogescholen – die in de associatie van de KU Leuven, alsook de Gentse Arteveldehogeschool en Antwerpse Karel de Grotehogeschool – werkte Katholiek Onderwijs Vlaanderen het voorbije jaar in alle stilte aan een master basisonderwijs. Dat plan is nu klaar en ligt als voorstel bij de minister.
“De vraag om ook masters voor de klas te hebben, horen we al langer bij onze basisscholen”, zegt topman van Katholiek Onderwijs Vlaanderen Lieven Boeve. “Daarom hebben we alle katholieke onderwijsinstellingen rond de tafel gebracht om tot een akkoord te komen.” Dat is niet simpel, want hogescholen kunnen in zo’n academische master basisonderwijs een bedreiging zien. Universiteiten wagen zich daarmee immers op een onderwijsniveau waarop de hogescholen tot nu toe het monopolie hadden.
Dat ze toch tot een akkoord kwamen, komt deels omdat men zich baseert op het principe van de ‘leerladder’. Net zoals het mogelijk is om voor verpleegkunde zowel een graduaats-, bachelor- als masteropleiding te volgen, zijn die ‘opklimmogelijkheden’ nu een belangrijke voorwaarde van het katholieke onderwijsveld.
“De bedoeling is om de professionele bachelors te versterken en de onderwijskwaliteit te verbeteren”, zegt Boeve. “Enerzijds door te zorgen dat er graduaatsopleidingen komen voor onderwijsassistenten, zodat die ondersteunende taken kunnen opnemen en leraren meer tijd hebben om les te geven. Anderzijds door de bachelors de mogelijkheid te geven zich te ‘vermasteren’ en zo sterkere dynamieken van kwaliteitszorg en professionalisering in de school te brengen.”
De master zou alleen openstaan voor mensen die al een professionele bachelor basisonderwijs hebben behaald. “De stiel leer je tijdens de bachelor”, aldus Boeve. “In de master kun je je expertise verdiepen en verbreden.” Een werkgroep binnen het katholiek onderwijs werkt nu uit hoe ze het voor studenten aantrekkelijk kunnen maken om naar de master te schakelen. Studenten zouden bijvoorbeeld door keuzevakken in de bachelor al kunnen anticiperen op de master. Het is de bedoeling dat de universiteit het voortouw neemt voor de inrichting van de master, maar de hogescholen er wel bij betrekt. Omgekeerd behouden de hogescholen de regie over de bachelor.
De inhoud van de opleiding ligt nog niet vast, maar het is in ieder geval de bedoeling dat de studenten zich specialiseren in een domein. Dat kan bijvoorbeeld door zich te verdiepen in fijne motoriek van kleuters of wiskunde, maar ook door een bredere kennis rond klasmanagement of diversiteit te verwerven. Zij kunnen later hun school dan bijvoorbeeld helpen om een beleid rond die domeinen te ontwikkelen. Het blijft wel de bedoeling dat ook de leerkrachten met masterdiploma voor de klas staan, benadrukt Boeve. Tegenover die extra taken staat evenwel een hogere verloning.
Voor alle duidelijkheid: dit volledige ‘leerladder’-plan ligt nu bij Weyts en moet nog verder onderhandeld worden. “Met een master wil ik ook de maatschappelijke waardering opkrikken en de beste profielen laten instromen”, laat hij weten in een reactie. Maar dat er zulke concrete stappen worden ondernomen om een master in het basisonderwijs in te richten, noemt Charlotte Struyve (KU Leuven) een “kleine revolutie”. In 2018 werkte zij al mee aan een review over masters in het basisonderwijs op vraag van de overheid.
“Los van de meerwaarde van die extra expertise voor de onderwijskwaliteit maakt dit het lerarenberoep ook aantrekkelijker”, zegt Struyve. “Veel mensen die eigenlijk leerkracht willen worden, gaan pedagogische wetenschappen studeren omdat hun omgeving zegt ‘dat ze toch een master aankunnen’. Nu kunnen ze beide doen.” Bestaat het risico niet dat dit opnieuw voor gekibbel in de leraarskamer zorgt, net zoals bij het idee om leraar-specialisten in te voeren? Struyve denkt van niet: “Uiteraard zal er commentaar komen dat sommigen meer verdienen. Maar zolang die masters duidelijk een ander takenpakket hebben, dat ook te linken is aan hun diploma, zal dat wel meevallen. We moeten ons in het onderwijs over die discussie zetten, anders blijven we alleen maar ter plaatse trappelen.” Bron: De Morgen
Wij gebruiken cookies om de werking van onze website te verbeteren
Functional Altijd actief
De technische opslag of toegang is strikt noodzakelijk voor het legitieme doel het gebruik mogelijk te maken van een specifieke dienst waarom de abonnee of gebruiker uitdrukkelijk heeft gevraagd, of met als enig doel de uitvoering van de transmissie van een communicatie over een elektronisch communicatienetwerk.
Voorkeuren
De technische opslag of toegang is noodzakelijk voor het legitieme doel voorkeuren op te slaan die niet door de abonnee of gebruiker zijn aangevraagd.
Statistics
De technische opslag of toegang die uitsluitend voor statistische doeleinden wordt gebruikt.De technische opslag of toegang die uitsluitend wordt gebruikt voor anonieme statistische doeleinden. Zonder dagvaarding, vrijwillige naleving door uw Internet Service Provider, of aanvullende gegevens van een derde partij, kan informatie die alleen voor dit doel wordt opgeslagen of opgehaald gewoonlijk niet worden gebruikt om je te identificeren.
Marketing
De technische opslag of toegang is nodig om gebruikersprofielen op te stellen voor het verzenden van reclame, of om de gebruiker op een website of over verschillende websites te volgen voor soortgelijke marketingdoeleinden.