Wat als het leerlingen niet meer lukt om naar school te gaan door emotionele onrust of angsten? Cijfers ontbreken en dus probeert Pano met een eigen bevraging deze complexe en groeiende problematiek in kaart te brengen. Daaruit blijkt dat scholen zich vaak machteloos voelen bij een gebrek aan alternatieve onderwijsvormen en wachtlijsten in de zorg.

Joppe (10), Elle (13) en Nikolas (14) zijn verstandige kinderen. Ze getuigen in Pano dat ze niet naar school gaan. Niet omdat ze dat niet willen, maar omdat het niet meer lukt. Door emotionele onrust, door angst of door psychische problemen. En ze zijn niet alleen.

Het Kinderrechtencommissariaat signaleerde afgelopen najaar dat steeds meer leerlingen die met een ziekteattest wegblijven van school, kampen met psychische problemen  zoals schoolangst, faalangst, depressie en burn-out.

Om hoeveel leerlingen het exact gaat, weten we niet. We weten wel dat er sinds de coronacrisis een duidelijke stijging is van leerlingen die meer dan 30 halve dagen per schooljaar ziek thuiszitten.

Bednet ziet al 2 jaar op rij dat mentale klachten de belangrijkste reden zijn voor leerlingen in het secundair onderwijs om hen te ondersteunen met afstandsonderwijs.

Vele honderden thuiszitters door emotionele onrust of angst

Om beter zicht te krijgen op de problematiek, stuurde Pano in januari daarom naar zowat alle basis- en secundaire scholen in het regulier onderwijs een bevraging uit. 509 scholen hebben die ingevuld. Dat is geen representatief onderzoek, maar de bevraging geeft wel aan dat het fenomeen breed bekend is.

329 van deze scholen hebben dit schooljaar te maken met leerlingen die een aangepast traject volgen of – al dan niet voltijds – uitvallen door emotionele onrust of angst. In deze bevraagde scholen gaat het in totaal om 1.066 leerlingen in het secundair onderwijs en 389 in het basisonderwijs. Zowat de helft van de scholen zag de problematiek de afgelopen 5 jaar stijgen. 

In het buitengewoon onderwijs is het probleem nog veel groter. Een school voor buitengewoon secundair onderwijs licht in een aparte bevraging toe.

“Een kleine 60 procent van onze 90 leerlingen zit momenteel voltijds op school. Vier leerlingen zitten thuis zonder alternatief programma. Acht leerlingen volgen geen enkel uur les op school, maar krijgen wel een apart traject. En dan hebben we nog heel wat deeltijdse leerlingen die vaak veel nood hebben aan rust.”

De meeste scholen wijzen psychische problemen aan als oorzaak. Ook een vermoeden van autisme, ADHD of hoogbegaafdheid komt naar voren. Daarnaast geven scholen vaak een moeilijke thuissituatie als oorzaak aan voor de uitval. 

Scholen voelen zich vaak machteloos

Een woord dat vaak bij scholen terugkomt, is ‘machteloosheid’. Ze willen wel aanpassingen doen om leerlingen tegemoet te komen, maar daarmee overschrijden ze vaak de draagkracht van de school en betrokken leerkrachten. Het gaat namelijk niet enkel om de ernst van die ene problematiek, maar om de veelheid aan problematieken binnen een klas.

Er is dan ook een grens aan de flexibiliteit van een schoolorganisatie: “Er heerst frustratie bij de leraren dat de ‘gewone’ leerlingen ook stress hebben en ook baat hebben bij een dag thuis te mogen studeren. De veelheid van maatwerk is voor sommige leraren niet meer te overzien”, verzucht een school in de bevraging.

Bovendien overstijgen de problematieken van deze leerlingen de expertise van een school. Zowat de helft van de bevraagde scholen geeft ook aan weinig ondersteuning te vinden bij het CLB wegens ‘onderbemand en overbevraagd’. 

Flexibeler onderwijs nodig?

Scholen zoeken soms zelf naar oplossingen door leerlingen deeltijds onderwijs te laten volgen. Of ze laten de leerling online lessen meevolgen via Bednet.

Voor wie les volgen niet meer lukt, zijn er ook enkele time-outprojecten, of kan een TOAH-leerkracht (Tijdelijk Onderwijs Aan Huis) een tijdelijke oplossing zijn: die leerkracht komt 4 uur per week bij leerlingen met een medisch attest thuis lesgeven.

Het aantal leerlingen dat zo’n leerkracht aan huis krijgt, is sinds de coronacrisis vooral in het buitengewoon onderwijs sterk gestegen.

Een structurele oplossing is dat niet, vindt Beno Schraepen, expert inclusief onderwijs aan de AP Hogeschool: “De huidige structuur en regels van scholen laten weinig flexibiliteit toe, daar is ook het personeel niet voor. Oplossingen als Bednet of TOAH kunnen dan ondersteunend zijn, maar er wordt daarbij te weinig gezocht naar wat deze leerlingen nu echt nodig hebben om tot leren te komen.”

“Bovendien is het aantal TOAH-uren zeer beperkt. Zo creëer je vanzelf een leerachterstand en dus een ontwikkelingsachterstand op lange termijn.” 

Ook professor Orthopedagogiek Ilse Noens (KU Leuven) pleit ervoor om andere – meer flexibele – vormen van lesgeven uit te proberen: “Als die schoolse start van de dag zo moeilijk is, kan je leerlingen wat later naar school laten komen zodat ze al wat rustiger kunnen binnenkomen. Of je kan meer rustpauzes inbouwen. Leerlingen gaan beter deeltijds naar school dan helemaal niet naar school.”

Wachtlijsten in de zorg en moeizame samenwerking met zorgpartners

Als een leerling al voorbij de wachtlijsten in de zorg raakt, blijkt uit de bevraging dat het soms moeilijk is om samen te werken tussen de verschillende betrokken partners, zoals het CLB en het leersteuncentrum of een externe psycholoog.

“Er is vaak geen rechtstreeks contact tussen arts en school. Maar die artsen stellen wel vaak progressieve lesroosters voor zonder rekening te houden met de context van de school”, geeft een school als voorbeeld.

Verschillende scholen zien een mogelijke oplossing in een multidisciplinair team op school, waarbij je verschillende zorgprofielen permanent op je school hebt. Dat kan gaan van een logopedist, kinesist of ergotherapeut tot een psycholoog of sociaal werker.

Ook Beno Schraepen is voorstander: “Zo’n multidisciplinair team voorkomt dat scholen altijd een beroep moeten doen op partners buiten de school. Dan zijn er altijd obstakels en barrières om samen te werken.”

Ook ouders worstelen met de problematiek

En hoe kijken scholen naar de samenwerking met de ouders? De bevraging geeft een gemengd beeld. Soms is er thuis te weinig structuur en veiligheid en hebben kinderen nooit geleerd hoe ze emoties kunnen uiten of dat naar school gaan belangrijk is. Aan het andere uiterste zijn er ouders die hun kind met extra zorgnoden net te veel willen beschermen.

“Dat maakt dat leerlingen in een moeilijke situatie makkelijker gaan vluchten en dan thuis willen blijven. We zien het aantal ouders groeien dat hierin meegaat. Ze doen dat vaak uit angst om hun kind onrecht aan te doen of te veel druk te leggen, terwijl wij leerlingen net willen leren omgaan met moeilijke situaties zoals toetsen, leerstof en vrienden maken”, geeft een school aan. “En eens een kind langdurig thuis is geweest, is de stap om terug te komen veel groter én blijven ze makkelijker opnieuw langdurig thuis.”

“Er zullen zeker ouders zijn die hun kind te snel zeggen om thuis te blijven, maar ik zou dat niet willen veralgemenen”, nuanceert Beno Schraepen. “Ik denk dat er heel veel meer ouders zijn die niet liever willen dan dat hun kinderen naar school gaan maar die op een heleboel obstakels botsen.”

Dat het soms moeilijk kan zijn om deze leerlingen aan boord te houden, merken ook andere scholen. Van de bevraagde scholen geeft net iets meer dan de helft aan dat ze daarin slagen. Als het niet lukt, volgt vaak een doorverwijzing naar het buitengewoon onderwijs of naar een andere school. Al blijkt dat ook niet altijd een goede oplossing.

Ook zien scholen geregeld thuisblijvers die geen onderwijs meer volgen of leerlingen die proberen om hun diploma via de examencommissie te behalen.

Vooral scholen in het basisonderwijs zien dat alternatieve oplossingen ontbreken, terwijl  leerlingen die uitvallen steeds jonger worden. En zonder onderwijs én zonder opvang staat het leerrecht van die groeiende groep leerlingen onder druk.

Bron: VRT.nws