by admin | mrt 2, 2025 | Economie
Salling Group A/S, de grootste supermarktgroep van Denemarken, voert een nieuw label in voor Europese producten. Zo komt de retailer tegemoet aan de wens van zijn klanten die Amerikaanse producten willen boycotten. De groep benadrukt wel dat het Amerikaanse producten zal blijven aanbieden en dat de keuze bij de consument ligt.
“We maken het gemakkelijker om Europees te kopen”, zo kondigde de CEO van Salling Group, Anders Hagh, de beslissing aan op het sociale netwerk LinkedIn.
“De laatste tijd hebben we verschillende vragen gekregen van klanten die hun boodschappen willen halen bij Europese merken. Daarom introduceren we een nieuw merkteken op onze elektronische prijslabels in Bilka, føtex and Netto (Deense supermarktketens die onder Salling Group vallen, red.).”
“Een kleine asterisk zal aangeven of een merk eigendom is van een Europees bedrijf.”
De supermarktketens zullen wel “merken van over de hele wereld in de rekken houden”, zegt Hagh. “Het nieuwe label is enkel een bijkomende dienst voor onze klanten die Europees willen kopen.”
Groenland kopen
Denemarken leeft op gespannen voet met de nieuwe Amerikaanse president Donald Trump. Die verkondigt al sinds 2019 dat hij Groenland wil “kopen”. Dat is nochtans Deens autonoom grondgebied. Trump herhaalde dat dreigement de voorbije maanden, tot grote frustratie van de Deense premier Mette Frederiksen.
Trump zegt zelfs militair ingrijpen niet uit te sluiten. Dat zou ongezien zijn tussen 2 NAVO-bondgenoten. Maar of hij echt bereid is om zo ver te gaan, is niet duidelijk. Het zou ook bluf kunnen zijn. De kans bestaat dat Trump het strategisch gelegen Groenland helemaal niet wil kopen, maar al tevreden is als hij er meer Amerikaanse invloed kan verwerven.
Hoe dan ook, de heisa doet het imago van de Verenigde Staten in Denemarken geen goed. Zo viel het aantal reizen van Denemarken naar de VS met 30 procent terug tijdens de eerste maand van Trumps presidentschap, berichtte de Deense krant Politiken deze week.
Bij de Belgische supermarktklanten leeft de vraag om Amerikaanse producten te boycotten nog niet. Dat leert een belronde bij de 3 grootste ketens Colruyt, Delhaize en Carrefour. Zij benadrukken dat Amerikaanse producten sowieso slechts een klein deel uitmaken van het assortiment.
Bron: vrt.nws
by admin | mrt 1, 2025 | Economie
Federaal minister van Consumentenbescherming Rob Beenders (Vooruit) wil dat de wettelijke garantieperiode wordt opgetrokken van 2 naar 3 jaar. Dat vertelt hij aan het consumentenprogramma ‘WinWin’ op Radio2. Het liefst van al ziet Beenders dat in heel Europa gebeuren. “We kennen allemaal de verhalen van elektroproducten die toevallig net na de garantieperiode stukgaan.”
Een algemene verlenging van de wettelijke garantietermijn moet er volgens Beenders voor zorgen dat consumenten beter beschermd zijn en niet zo snel nieuwe producten moeten kopen. Een langere garantieperiode zou fabrikanten en verkopers moeten stimuleren om producten op de markt te brengen die langer meegaan, redeneert de minister. “Het komt ook het imago van de producent ten goede, want wie duurzame producten maakt, komt betrouwbaar over. Bovendien is het duurzamer, want het verkleint ook de afvalberg.”
Op dit moment is de wettelijke garantietermijn voor nieuwe producten in heel Europa vastgelegd op minimaal 2 jaar. Alleen Spanje en Portugal hebben die periode op eigen houtje al opgetrokken naar 3 jaar. Beenders wil hun voorbeeld volgen, maar dan wel meteen in heel Europa.
Zo staat het voornemen vermeld in het regeerakkoord. De verlenging enkel in België invoeren, heeft volgens de minister weinig zin. “Consumenten kopen vaak over de landsgrenzen heen, dus ook Spaanse, Duitse of Franse producten. Het zou dus veel handiger en efficiënter zijn als we de langere termijn voor heel Europa kunnen invoeren, anders wordt het alleen maar verwarrend.”
Producten gaan te snel kapot
Een garantieperiode van 2 jaar is te kort voor veel consumptiegoederen, in het bijzonder voor elektro- en huishoudtoestellen, vindt Beenders. “Dat jaagt de consument onnodig op kosten. We kennen allemaal de verhalen van elektrotoestellen die toevallig net na de uiterste garantiedatum stukgaan.”
“De reële levensduur van elektronische toestellen ligt vaak lager dan wat de consument er redelijkerwijs mag van verwachten. Dat is onder meer zo bij smartphones, tablets, televisies, droogkasten en stofzuigers. Bijna 25 procent van die toestellen gaat al stuk in de periode tussen 6 maanden en 2 jaar na de aankoop. Bijna 27 procent begeeft het tussen 2 en 3 jaar na aankoop.”
Meer klanten of oneerlijke concurrentie?
Niet iedereen is voorstander van het verlengen van de wettelijke garantie. Zo luidt de kritiek dat dit zou kunnen leiden tot oneerlijke concurrentie. Het optrekken van de garantieperiode zou volgens sommigen ook negatieve gevolgen kunnen hebben voor zelfstandigen, die dan in concurrentie moeten gaan met verkopers uit landen met een kortere garantietermijn.
Met die kritiek is Beenders het niet eens. “Vanuit dit standpunt ga je er van uit dat je met een garantie van 2 jaar sneller nieuwe dingen koopt. Maar je moet het anders bekijken: geef je langer garantie, dan zal je potentiële kopers uit andere landen aantrekken. Het is dus zeker niet bedoeld om de markt af te remmen. Daarom is het ook zo belangrijk om het meteen op Europees niveau te introduceren.”
Testaankoop: “5 jaar garantie op sommige producten”
Consumentenorganisatie Testaankoop juicht de plannen toe, maar wil graag dat de federale regering nog een stap verder gaat. “We pleiten voor een gedifferentieerd garantiesysteem, waarbij de garantietermijn verschilt van product tot product en wordt bepaald op basis van de verwachte levensduur van dat product.
“Want 3 jaar lijkt niet lang genoeg voor producten zoals koelkasten, diepvriezers of auto’s, maar is misschien wel te lang voor kledij of telefoons”, argumenteert woordvoerder Laura Clays. “Dus een gedifferentieerde aanpak, met bijvoorbeeld 2 jaar voor kleren en 5 jaar voor auto’s, zouden wij het eerlijkst vinden.”
Maar zo ver wil Beenders voorlopig niet gaan. “Voor mij hangt de garantie niet af van de prijs van een product. Wat voor de één duur is, is dat voor de ander niet. Er is nu vooral nood aan een heldere en duidelijke formulering van wat die wettelijke garantie moet zijn.”
Het ABC van de huidige wettelijke garantie
- Elke consument die een nieuw product koopt van een professionele verkoper heeft recht op een wettelijke garantie van 2 jaar. De periode start op het moment van de levering.
- De garantie geldt voor alle lichamelijke roerende voorwerpen zoals auto’s, koelkasten, meubels, elektro, …
- Binnen die periode moet de verkoper een gebrek verhelpen door het te herstellen of je product te vervangen door een nieuw exemplaar. Ook als een product niet conform is met wat je hebt besteld, geldt de garantie.
- Voor tweedehandsproducten mag een verkoper de garantietermijn inkorten tot minimaal 1 jaar. Hij moet de consument daarover wel vooraf duidelijk informeren. Wanneer dat niet gebeurt, blijft de garantietermijn 2 jaar.
- De koper mag tijdens de garantieperiode de kosteloze herstelling of de vervanging van het goed eisen. Is de herstelling of vervanging in verhouding te duur, dan kan je een prijsvermindering of ontbinding van het contract eisen. In dat laatste geval krijg je je aankoopbedrag of de restwaarde van je product terug.
- De garantietermijn van 2 jaar wordt op pauze gezet tijdens de herstellings- of vervangingsperiode.
- Na een herstelling of bij een vervangtoestel krijg je niet opnieuw 2 jaar garantie, maar loopt de oorspronkelijke termijn verder door.
Bron: crt.nws
by admin | mrt 1, 2025 | Economie
Huren in ons land is vorig jaar opnieuw fors duurder geworden. Terwijl de algemene inflatie vorig jaar iets meer dan 3 procent bedroeg, zijn de huurprijzen in Vlaanderen met ongeveer 6 procent gestegen ten opzichte van 2023. In Brussel gaat het om een prijsstijging van 5 procent. In Wallonië ligt het stijgingspercentage lager, maar nog steeds boven het inflatiecijfer. Brussel en Leuven blijven de duurste steden van het land.
De stijging van de huurprijzen is vooral te wijten aan de toenemende kloof tussen vraag en aanbod. “De Huurbarometer 2024 bevestigt het absolute kernprobleem vandaag op de huurmarkt: een tekort aan aanbod”, zegt Kristophe Thijs van makelaarsfederatie CIB.
“De vraag naar huurwoningen is nog nooit zo groot geweest. Meer dan 100 kandidaturen voor een pand is geen uitzondering meer.” Die grote vraag heeft een duidelijke impact op de huurprijzen: “Verhuurders zien dat hun panden heel populair zijn en dan is het niet onlogisch dat zij die wat duurder in de markt zetten.”
Brussel duurste plek om te huren
Het Brussels Hoofdstedelijk Gewest blijft de duurste plek in België om een huis of appartement te huren. De gemiddelde huurprijs – voor wie in 2024 een contract afsloot – bedraagt er meer dan 1.300 euro per maand.
Brussel is overigens het enige gewest waar er minder eigenaars (38 procent) zijn dan huurders (62 procent). Bijna 90 procent van de verhuringen in Brussel gaan over appartementen.
Een belangrijke nuance bij de cijfers: de prijzen waarover CIB bericht in de nieuwe huurbarometer zijn gebaseerd op huurcontracten die zijn afgesloten in 2024 via een vastgoedkantoor. Het CIB heeft in samenwerking met Korfine 47.500 nieuwe huurcontracten onder de loep genomen.
Vlaams-Brabant duurste Vlaamse provincie
De duurste provincies van het land om te huren zijn Vlaams-Brabant en Waals-Brabant. Wie er in 2024 een huurcontract afsloot, betaalde gemiddeld meer dan 1.100 euro.
De kloof met de andere provincies is groot. In Antwerpen bedroeg de gemiddelde huurprijs in 2024 ongeveer 950 euro. In West-Vlaanderen, Limburg en Oost-Vlaanderen zien we gemiddelde prijzen tussen 800 en 900 euro.
In de andere Waalse provincies liggen de huurprijzen over het algemeen iets lager dan in Vlaanderen. We zien ook kleinere prijsstijgingen in Wallonië dan in Vlaanderen.
Gemiddelde huurprijs in Vlaanderen: 922 euro
Als we even inzoomen op Vlaanderen zien we dat wie vorig jaar een nieuw huurcontract afsloot gemiddeld 922 euro per maand moest neertellen voor dat pand. Dat is ongeveer 6 procent meer dan het jaar ervoor. Opvallend: want de algemene inflatie bedroeg vorig jaar ongeveer 3 procent. Ook in 2023 stegen de huurprijzen met ongeveer 6 procent, maar toen lag de inflatie een stuk hoger (ongeveer 10 procent).
Leuven duurste Vlaamse stad
Op stedelijk niveau zien we dat Brussel de duurste stad van het land blijft. Wie in de hoofdstad vorig jaar een huurcontract afsloot voor een appartement betaalde daar gemiddeld meer dan 1.250 euro per maand voor.
In Vlaanderen blijft Leuven – dat vorig jaar de koppositie overnam van Antwerpen als duurste centrumstad – op kop staan. Na een prijsstijging van bijna 15 procent in 2023 steeg de gemiddelde huurprijs er nog eens met meer dan 10 procent, tot meer dan 1.000 euro per maand.
Ook in de andere Vlaamse centrumsteden zien we prijsstijgingen. In de meeste steden gaat het om een stijging tussen de 5 en de 8 procent. In Mechelen, Sint-Niklaas, Roeselare en Kortrijk bleef de stijging beperkt.
Belangrijk: voor deze vergelijking wordt er enkel gekeken naar de gemiddelde huurprijs van appartementen. Ook de randgemeenten worden meegenomen in deze cijfers.
“Huurders stellen verhuis uit”
Een opvallende conclusie uit de huurbarometer is dat huurders door de prijsstijgingen langer in hetzelfde pand blijven wonen. “De krapte op de huurmarkt is tragisch voor wie een woning zoekt. Maar ze zorgt ook voor grote ongerustheid bij zittende huurders”, zegt Patrick Boterbergh, CEO van Korfine.
“Huurders zien hoe moeilijk het is om een nieuwe woning te vinden en nemen het zekere voor het onzekere. Ze stellen verhuisbewegingen uit. Bovendien kunnen huurders minder snel de stap naar de koopmarkt zetten. De combinatie hiervan zorgt voor minder dynamiek op de markt. Die komt steeds meer tot stilstand.”
Bij Korfine zien ze de gemiddelde duur van een huurcontract de laatste jaren stevig toenemen: van gemiddeld 2,5 jaar in 2019 naar 3,9 jaar in 2024. Dat maakt het voor kandidaat-huurders natuurlijk nog moeilijker om een pand te vinden.
Minister van Wonen belooft actie
De centrale oproep van het CIB naar aanleiding van de nieuwste huurbarometer luidt: er moeten dringend extra huurwoningen bijkomen. Vlaams minister van Wonen Melissa Depraetere (Vooruit) is het daarmee eens.
“Jaar na jaar gaan de huurprijzen de hoogte in. Op 20 jaar tijd verdubbelden huurprijzen in Vlaanderen. Bovendien wordt het tekort op de huurmarkt steeds groter. Zo kan het niet verder.” De minister belooft actie: ze wil meer aanbod creëren en ingrijpen op de prijzen zelf.
“Hoe meer aanbod, hoe lager de prijs. Daarom investeren we de komende jaren 6 miljard in de bouw en renovatie van betaalbare sociale huurwoningen. Zo verminderen we de wachtlijst en verlagen we de druk op de private huurmarkt.”
“Daarnaast grijpen we ook in op de prijs zelf. Verhuurders van slecht geïsoleerde woningen zullen hun prijzen vanaf 2028 niet meer mogen indexeren. En we breiden het systeem van budgethuur, waarbij woningen worden verhuurd onder de marktprijs, verder uit.”
Bron: vrt.nws
by admin | mrt 1, 2025 | Sectoren
Ann de Buysscher werkt op de sociale dienst van een algemeen ziekenhuis. Ze communiceert dagelijks met mutualiteiten en blikt terug op de tijd dat persoonlijk contact het keurmerk was van elke ziekenkas: “De warmte van het plaatselijke kantoor is verdwenen. Mensen moeten al te vaak zelf op zoek gaan naar wat hen toekomt.”
Wie is de laatste?
Geregeld bracht ik vroeger samen met mijn mama en broers onze doktersbriefjes binnen bij het CM-kantoor aan De Bist in Wilrijk. Een wachtzaaltje vol mensen. Bij het binnenkomen vroeg mijn mama “Wie is de laatste alsjeblieft?” en dan stak iemand discreet zijn hand op. Stresserend vond ik dat. Zouden alle wachtenden die stilzwijgende afspraak respecteren? Mijn ogen weken niet meer van ‘die laatste’ tot wij aan de beurt waren.
Later, wanneer ik zelf met mijn jonge kinderen naar de ziekenkas ging, stelde ik dezelfde vraag, keek trots naar mijn verbaasde kinderen en zei: “Ja, zo weet je hier wanneer je aan de beurt bent”. Het was steeds een aangenaam contact met de loketbediende en een opluchting dat er weer duidelijkheid kwam in mijn papieren: van documenten voor zwangerschapsverlof over ziekte-uitkering tot de gewone terugbetaling van doktersbriefjes.
Persoonlijk contact
Nog later deed ik vanuit mijn opleiding sociale verpleegkunde stage bij een grote ziekenkas. Ik kon het werk van dichtbij volgen en ondervinden hoe belangrijk het was. Wekelijks konden cliënten zonder afspraak langskomen bij een maatschappelijk werker. Er waren huisbezoeken bij cliënten die niet tot op het kantoor konden komen en er was telefonisch contact. Kortom: jouw dossierbeheerder kon je persoonlijk te woord staan, je helpen bij alle mogelijke vragen en indien nodig doorverwijzen naar een collega.
Na een periode van 21 jaar als verpleegkundige kreeg ik negen jaar geleden de kans te starten op de sociale dienst van een algemeen ziekenhuis. Daar is het mij nog duidelijker geworden hoe belangrijk de collega’s van de mutualiteit zijn. Ik ben zo vrij ze ‘collega’s’ te noemen. Of het nu vanuit de eerste of de tweede lijn is, we hebben hetzelfde doel: mensen informeren, begeleiden en helpen bij hun noden én rechten.
Verdwenen romantiek
Toch stel ik vast dat de romantiek en de warmte van het plaatselijke kantoor verdwenen is. Patiënten of cliënten moeten maar al te vaak zelf op zoek gaan naar wat hen toekomt.
De mutualiteit kiest voor een kantoorbezoek op afspraak. Telefonisch contact gaat via een algemeen nummer met een keuzemenu, waarbij je jezelf de vraag stelt bij welk nummer je vraag past, om dan vervolgens minutenlang in de wacht te staan. Uiteindelijk krijg je dan iemand aan de lijn die jouw vraag niet kan behandelen omdat je op het verkeerde nummertje drukte en de collega die wel kennis heeft van zaken is er op woensdag niet. “Maar morgen kan je terugbellen…”
Stressvolle momenten
Op zo’n moment komen patiënten bij mij terecht. Het is een onderdeel van de job die ik nu negen jaar doe vanuit de tweede lijn: patiënten begeleiden en onder andere helpen bij de onophoudelijke stroom van administratie die bij een ziekte komt kijken.
Die vaststelling geldt voor alle patiënten. Een opname in een ziekenhuis, een afspraak bij een arts of een radiologisch onderzoek: het zijn één voor één stressvolle momenten waarop veel extra vragen en documenten er niet meer bij kunnen.
Mevrouw Q
Ik geef een voorbeeld uit de praktijk. Mevrouw Q meldt zich aan, samen met haar echtgenoot en hun tienjarig zoontje. Enkel het zoontje spreekt Nederlands. Mama heeft kanker en start met chemotherapie. Papa zal volgende week het werk hervatten na een arbeidsongeval.
De aangifte van het arbeidsongeval is niet correct gebeurd. Gevolg: geen ziektuitkering, maar de rekeningen blijven binnenkomen. Mijn hulp wordt gevraagd, het koppel begrijpt de mails die het krijgt niet en kent de procedure niet.
Winst en welzijn
Ik neem contact op met de mutualiteit via mail, dat is vaak nog de snelste manier. Alleen jammer dat het via een algemeen adres moet en dat er telkens een andere medewerker zich over de vraag buigt. Liever had ik een dossierbeheerder gehad die onmiddellijk kan volgen zodat ik niet elke keer opnieuw mijn verhaal moet doen.
Iedere medewerker is op zich altijd van goede wil en geeft het beste van zichzelf. Ik durf te denken dat ook zij het liever anders zouden zien. Maar in de praktijk moeten ze het doen met beslissingen die eerder de winst van het bedrijf ten goede komen dan het algemeen welzijn van de mensen voor wie zij werken.
Nog steeds geen uitkering
Als ik denk dat ik alles eindelijk in orde heb gemaakt en er weldra centen op de rekening van de patiënt gestort worden, krijg ik van haar opnieuw een mail. Mijn patiënte verontschuldigt zich: “I’m sorry for disturbing you. Nog steeds geen uitkering.”
Deze keer kies ik voor telefonisch contact en krijg na een kwartier een medewerker aan de lijn die zoals altijd vol begrip naar mijn vraag luistert. Maar het is Peter die vertrouwd is met het dossier en die is momenteel in bespreking. Als ik mijn telefoonnummer geef, belt hij mij vast en zeker zo terug. Peter belt die dag niet terug.
De moed zakt mij in de schoenen. Tot mijn grote geluk belt Peter de volgende dag wel terug. En vooral: we zitten meteen op dezelfde golflengte. Peter zal fysiek afspreken met mijn patiënte en haar echtgenoot, en samen de papieren in orde brengen. Mijn dag kan niet meer stuk. Bedankt Peter!
Samen aan tafel
We hebben onze mond vol over mentaal welzijn en de zorg voor de meest kwetsbaren. Laten we dan ook samen aan tafel gaan zitten en zoeken naar het beste voor iedereen: niet alleen voor het management, maar ook voor onze medewerkers en in het bijzonder voor onze patiënten of cliënten. Dan alleen krijgt iedereen waar hij of zij recht op heeft. En dat is toch waar we met zijn allen naar streven.
Dat hoeft niet ingewikkeld te zijn. Ook kleine ingrepen kunnen een grote impact hebben. Het lijkt me bijvoorbeeld erg logisch om, in plaats van af te wachten tot alle documenten binnen zijn, de patiënt of cliënt op te bellen en te vragen of er hulp nodig is bij het invullen. Sociaal werkers in het ziekenhuis zijn zeker gebaat bij een rechtstreekse lijn of mailadres.
Een ziekenhuiscoördinator van de mutualiteit kan regelmatig op bezoek komen in het ziekenhuis. Het advies en de begeleiding van een ziekenhuiscoördinator zijn goud waard. Het zou niet alleen een optimalisatie tussen de samenwerking eerste lijn en tweede lijn zijn, maar een win-win voor beide partijen betekenen op het vlak van informatie-uitwisseling.
Begrijp me niet verkeerd, we moeten echt niet terug naar de tijd van de doordrukformulieren. Van een chatbot over het digitaal invullen van documenten tot het online aanvragen van hulpmiddelen en thuishulp: nieuwe technologieën werken prima. Maar ze helpen enkel als je draagkracht groot genoeg is, je digitale kennis voldoende en als de taal die gebruikt wordt in invuldocumenten, inlichtingenbladen en vragenlijsten voor werkhervatting ook jouw taal is.
Bron: sociaal.net
by admin | mrt 1, 2025 | Sectoren
De NMBS ligt opnieuw onder vuur. Dit keer vanwege de pensioenleeftijd van het rijdend personeel. Het publieke debat wordt gekenmerkt door een overvloed aan ongenuanceerde argumenten en selectieve interpretaties van feiten, waarbij sommige experts en beleidsmakers zich schuldig maken aan een gebrek aan inzicht in de werkomstandigheden van deze werknemers. Hoe terecht is de kritiek op het pensioen op 55 jaar voor treinbestuurders en treinbegeleiders?
Debat vol cijfers, maar zonder context
Ik meng me zelden in politieke debatten, maar de aanvallen op de NMBS – en de intellectuele oneerlijkheid (of onwetendheid) van sommige experten – gaan me als ex-treinbegeleider/wetenschapper toch net iets te ver. Ik lach vaak weg dat academici in een ivoren toren leven, maar bij sommigen zou enkele jaren werken buiten de academische wereld toch een toevoeging aan hun expertise zijn. Gelukkig durf ik nog te zeggen dat mijn collega’s zich normaal met een oneindige nieuwsgierigheid en openheid onderdompelen en vastbijten in hun domein.
Laten we één ding duidelijk stellen: deze hele discussie over pensioen op 55 jaar gaat niet over alle NMBS-medewerkers, maar specifiek over het rijdend personeel. Die kunnen na 30 jaar in rijdende dienst op 55 jarige leeftijd op pensioen en krijgen na 36 jaar een volledig pensioen. In 2023 waren er dat welgeteld zeven die op 55 jaar besloten weg te gaan. Eén is al dood. Want – harsh reality – de gemiddelde levensduur bij het rijdend personeel ligt naar verwachting ook veel lager dan bij de rest van het personeel.
Als mijn collega academici hun intellectuele eerlijkheid waarderen, zouden ze ook aangeven dat onderzoek al lang heeft uitgewezen dat de voorwaarden waaronder deze groep werkt, een significante impact heeft op de gezondheid, het welzijn en de levensduur. En ja, dat hebben ze gemeen met veel andere beroepen die zich sterk aftekenen tegenover de 9-to-5 werkmens en/of jobs met meer jobcontrole.
Zet tegenover die zeven eens de politici die in die periode (2023) – met een fikse afscheidspremie en extreem mooi pensioen, waar deze groep mensen nog niet bij in de buurt komt – afzwaaiden. Een groep die er meesterlijk in getraind lijkt bij besparingen vooral te kijken naar wie in de loonpiramide onder hen staat en dus de besparingen vooral wil halen bij wie ál minder heeft. Dat vinden we als maatschappij precies normaler, terwijl het ons veel meer kost.
Realiteit van rijdend personeel: flexibiliteit zonder grenzen
Mensen die echter dag in, dag uit werken onder onregelmatige en slopende omstandigheden zouden geen enkele gunst mogen krijgen. Werknemers die geen vaste uren hebben, die de ene dag ’s ochtends, de volgende dag ’s avonds en daarna weer ’s middags werken. Die soms zeven dagen na elkaar worden ingeroosterd en elke paar maanden tijdens een periode van 3 weken of meer pas de dag ervoor weten of én wanneer ze moeten werken. Die hun verlof – dat zogenaamd ‘enorm’ is – niet zomaar kunnen opnemen (24 dagen als ik me niet vergis, de rest zijn compensaties voor overuren). En die daarbovenop ook nog eens met agressie te maken krijgen.
Denken we nu echt dat deze mensen een 9-to-5 job hebben? Van het rijdend personeel bij de NMBS hebben treinbegeleiders amper één uur in de nacht (tussen 2 en 3 uur) waarin er geen diensten zijn. Voor zover ik weet kunnen shiften van bestuurders de hele dag én nacht plaatsvinden. Bij De Lijn, waar men ook staakte, zijn de shifts soms zelfs twaalf uur lang, waarvan slechts zeven betaald worden, omdat de uren er tussenin als ‘persoonlijke tijd’ worden beschouwd. Dat zijn de realiteiten die genegeerd worden in dit debat.
Ploegendiensten zijn al nefast voor de gezondheid, maar totale onregelmatigheid nog veel meer. Het verloop bij deze personeelsgroep is dan ook enorm – een logisch gevolg van de ‘geweldige’ arbeidsomstandigheden. Verwachten dat deze werknemers nu ook zonder protest zomaar langer blijven werken is simpelweg absurd. Dit heeft niks te maken met een ‘voorkeursbehandeling’. Dit gaat over elementair respect voor de mensen die ons transport draaiende houden, vaak onder zware en onzekere omstandigheden.
Uitgestelde kosten van politieke kortzichtigheid
En dan is er nog de financiële realiteit. De NMBS heeft 300 miljoen euro aan de staat betaald om bestaande arbeidsvoorwaarden te behouden, nadat de pensioenkas werd overgenomen om de begroting van Verhofstadt II te spijzen. In bijhorend koninklijk besluit zaten ook voorzieningen voor de toekomst, waar nú verantwoordelijkheid moet worden genomen. Over de effecten op langere termijn werd toen, zoals het politici blijkbaar vaker betaamd, niet goed nagedacht.
Werknemers hebben hun hele carrière minder loon geaccepteerd in ruil voor het vooruitzicht op een degelijk pensioen (NIET alleen rijdend personeel trouwens). Ook: geen 13e maand, geen volledig vakantiegeld, geen groepsverzekering tijdens die hele loopbaan. Nu dat pensioen wordt afgebouwd, krijgen ze niet terug wat ze hebben opgegeven. Alsof dat niet genoeg is, wordt er nu ook nog gesnoeid in nacht- en weekendvergoedingen.
Hoe ver moet dit nog gaan? En dat moeten ze normaal vinden? Of rechtvaardig? Als men hiervoor op straat komt, heeft men mijn volle steun.
En dat ook politici deze mensen proberen te demoniseren in plaats van verbinding te zoeken en naar een échte oplossing te werken, is bij de haren getrokken. Laat hen maar eens verantwoording afleggen voor dat riante loon en pensioen. Laat hen deze crisis oplossen in plaats van nog meer te polariseren. Dát is wat ik van staatsmannen en -vrouwen verwacht. Regeren ze verantwoordelijk, dan mogen ze ook gerust meer verdienen (maar wel wat redelijk blijven).
Dit debat zou niet moeten gaan over hoe we de slechtste arbeidsvoorwaarden als norm stellen, maar over hoe we streven naar menswaardige omstandigheden.
Werkgevers zitten echt niet te wachten op werknemers die tegen hun zin tot hun 62e of 67e blijven. Zeker niet in functies waarin veiligheid centraal staat.
Boven de 55 jaar is de kans op werkincidenten immers al significant hoger. Het hoogste risico situeert zich boven de 65 jaar. In dit geval zijn vaak ook meteen reizigers betrokken. In veel sectoren is werken tot 67 dan ook gewoon absurd.
Ook pluk je een 60+-bestuurder trouwens niet zomaar van de trein om die ‘even’ in een ‘aangepaste’ job te schuiven. De impact van die job in een recent verleden verdwijnt dan ook niet plots. Is het zoveel gevraagd daar nu eens open en fair bij stil te staan?
Laten we eerlijk blijven. Dit is geen kwestie van privileges, maar van basisrespect en fatsoenlijke arbeidsomstandigheden.
Iris Steenhout is ex-treinbegeleidster en nu onderzoeker/docent aan Vrije Universiteit Brussel en Erasmushogeschool Brussel.
Bron: DeWereldMorgen.be