Septemberverklaring: Vlaamse regering schrijft een succesverhaal enkel voor de happy few

Septemberverklaring: Vlaamse regering schrijft een succesverhaal enkel voor de happy few

“Vlaanderen is een succesverhaal.” Met die woorden begon minister-president Matthias Diependaele (N-VA) zijn Septemberverklaring. Op het eerste gezicht is dat een weinig zeggende algemeenheid, zoals dat wel vaker het geval is. Maar wie goed luistert, ontdekt ook een heel beperkte visie op wat succes betekent en daarmee een visie op de samenleving.

“Vlamingen hebben een unieke mentaliteit”, aldus de minister-president verder. De Vlaming, zo verklaart hij, staat “met de voeten op de grond, maar zonder grote mond.” Ook weer zo’n vage algemeenheid waarbij het woordje ‘maar’ overigens totaal niet op zijn plaats is.

Veel wordt echter duidelijk als je inziet dat de uitspraak niet descriptief is, maar prescriptief, oftewel niet beschrijvend, maar voorschrijvend. Wat Diependaele als minister-president verwacht van zijn onderdanen, is dat ze gewoon hard werken en verder hun mond houden.

Verderop in zijn toespraak spreekt Diependaele zichzelf enigszins tegen. “Vlamingen zijn veel te bescheiden”, zo klinkt het. Dat lijkt op het eerste gezicht in strijd met het voorschrift om de voeten op de grond te houden, maar wordt begrijpelijk als je inziet dat hij het hier niet over dezelfde Vlamingen heeft.

“Het ondernemerschap zit in ons bloed”, zo sprak Diependaele voor hij bescheidenheid plots als een probleem ging zien. Hij heeft het hier dus over de ondernemers. Van hen verwacht de regering niet dat ze de voeten op de grond houden, zij moeten gewoon zo snel mogelijk zo rijk mogelijk worden.

Het succesverhaal van Diependaele is er enkel één voor de happy few. Dat merk je ook wanneer je de holle retoriek confronteert met de concrete beslissingen.

Een sterk medialandschap

Zo spreekt Diependaele over “een sterk medialandschap” met internationaal geprezen acteurs, regisseurs en artiesten die furore maken tot ver over de Vlaamse grenzen heen. Tegelijkertijd zet de Vlaamse regering de subsidies voor MO* magazine stop.

Een sterk medialandschap betekent voor Diependaele dus niet dat we met z’n allen het recht hebben om op een toegankelijke manier geïnformeerd te worden. Diepgaande duiding bij de complexe problemen die zich in andere delen van de wereld afspelen en hoe die samenhangen met wat er hier gebeurt, is niet wat deze Vlaamse regering bedoelt met een sterk medialandschap.

Voor Diependaele is het helemaal prima dat de wereld van de gewone Vlaming kleiner wordt: hard werken en voeten op de grond, weet je wel. Een sterk medialandschap interesseert de Vlaamse regering vooral wanneer het gaat om commerciële producten waar prestige en uitstraling aan verbonden zijn.

De beste zijn

“We hebben niet de luxe om de grootste te zijn. We hebben niet de luxe om de sterkste te zijn. Maar we maken de keuze om de beste te zijn”, zo spreekt Diependaele de happy few toe waarmee hij een succesverhaal wil schrijven.

Met ‘de beste’ bedoelt Diependaele vooral ‘de rijkste’. En het succesverhaal betekent eigenlijk gewoon dat de rijksten nog rijker zullen worden. De Septemberverklaring van Diependaele is doordrongen van een samenlevingsvisie waarin de rol van de overheid zich beperkt tot het ondersteunen van kapitaalkrachtige ondernemingen om de concurrentie met ondernemingen uit andere landen aan te gaan.

“De Vlaamse motor moet in deze uitdagende tijden op hoog toerental draaien, aangestuurd door hard werk, innovatie en veerkracht, bereiden we de toekomst voor”, zo klinkt dat dan. Heel concreet betekent het echter dat de Vlaamse regering plat op de buik gaat voor het grote geld. “We staan pal achter onze industrie”, zegt Diependaele later iets minder omfloerst wanneer hij aankondigt bij de Europese Unie te gaan lobbyen voor het versoepelen van klimaatdoelstellingen en regulering.

Om de industrie te kunnen steunen, moet al de rest besparen. Zo ziet Diependaele het. “Daarom voert Vlaanderen de grootste tussentijdse besparingsoefening ooit door, goed voor maar liefst 1,5 miljard euro”, kondigt hij trots aan. Er wordt bespaard op welzijn, onderwijs, werk, De Lijn en het overheidsapparaat.

Omgekeerde herverdeling

Wie de begroting van dichterbij bekijkt, merkt dat de Vlaamse regering aan omgekeerde herverdeling doet: van arm naar rijk. De zorgpremie gaat omhoog, dat is een vlakke belasting die voor de armste mensen het hardst doorweegt. Tegelijkertijd verdwijnt een vijfde van de totale erfbelasting, een belasting die net de vermogenden treft.

“We schrappen 300 miljoen euro aan subsidies, waarvan de meerwaarde voor de Vlaming niet opweegt tegen de nieuwe noden die de kop opsteken”, zo kondigt Diependaele verder aan. Maar een concrete lijst van geschrapte subsidies is er nog niet. “Elke minister moet kijken welke subsidies geschrapt kunnen worden”, vertelde vice-minister Crevits daarover. Er beloven dus nog lijken uit de kast te vallen.

Wat volgens deze regering alvast ‘geen meerwaarde voor de Vlaming’ betekent, is ontwikkelingssamenwerking. Dat wordt botweg gestopt. Dat betekent een besparing van 15 miljoen euro of zo’n drie euro per Vlaming. Voor de allerarmsten wereldwijd betekent het een grotere kans om te sterven.

Een nieuw verhaal

Vakbonden, milieubewegingen en middenveldorganisaties allerhande reageren afkeurend en scherp op de Septemberverklaring van Diependaele. Terecht, want de logica waarin grote ondernemers de koers bepalen en wij met z’n allen hard voor hen moeten werken en verder zwijgen, verdiept niet enkel de sociale en ecologische crisis. Ze is ook ondemocratisch en vergroot de kans op oorlog.

Daarom brengt Hart Boven Hard de verschillende tegenbewegingen in onze samenleving samen op 13 oktober voor De Nacht van het Verzet. Een niet te missen afspraak om ons niet alleen te verzetten tegen politiek die onze samenleving afbreekt in plaats van ze op te bouwen, maar ook mee te schrijven aan een nieuw verhaal.

Bron: Dewereldmorgen.be

Nieuw schooljaar, oude besparingen: onderwijs verdient beter

Nieuw schooljaar, oude besparingen: onderwijs verdient beter

Met het nieuwe schooljaar komen ook de oude problemen weer bovendrijven: van besparingen tot een schreeuwend lerarentekort. Maar achter deze terugkerende uitdagingen schuilt een diepere strijd over de waardigheid van het beroep en de toekomst van ons onderwijs.

Het nieuwe schooljaar is nog maar net van start gegaan en de eerste stormen steken al op. Tekorten, besparingen, plannen van de Arizona-regering en discussies over de kwaliteit van ons onderwijs beheersen het debat. Wat opvalt: de uitdagingen zijn niet nieuw, maar ze komen wel steeds harder aan.

Onderwijs is het hart van elke samenleving. Hier wordt de toekomst van jongeren gevormd. Maar in Vlaanderen én Wallonië dreigt dat hart steeds meer onder druk te komen, door jarenlange besparingen, politieke keuzes en een structureel tekort aan leerkrachten.

Langer werken voor een lager pensioen?

Het pensioen is al lang een pijnpunt in het onderwijs. Waar oudere generaties konden rekenen op een stabiel en waardig pensioen, zien jonge leerkrachten hun vooruitzichten jaar na jaar achteruitgaan. De afschaffing van de diplomabonificatie – waarbij studiejaren meetelden voor het pensioen – was al een zware slag. Nu wil de Arizona-regering nog verder gaan.

De boodschap is duidelijk: langer werken, voor minder pensioen. En dat geldt niet alleen voor de huidige generatie, maar vooral voor de jongeren die vandaag in de klas staan. Wie nu begint aan een carrière in het onderwijs, doet dat met de wetenschap dat de financiële zekerheid op het einde van de rit sterk verminderd is.

De gevolgen laten zich voelen. Het beroep van leerkracht, ooit een van de meer gewaardeerde en zekere jobs, verliest zijn aantrekkingskracht. Jongeren haken sneller af. Wie blijft, doet dat vaak uit roeping, maar ook zij voelen de druk van een onzekere toekomst.

De reactie van het onderwijspersoneel laat niet op zich wachten. Op 13 januari kwamen duizenden leerkrachten op straat. De massale mobilisatie deed formateur De Wever toen al op zijn stappen terugkomen. Maar de dreiging blijft, en daarom bereiden de vakbonden zich nu voor op een nieuwe grote betoging op 14 oktober, samen met ABVV, ACV en ACLVB.

De inzet is groot: niet alleen het pensioen, maar ook de waardigheid van het beroep staat op het spel.

Onderwijs kreunt onder geldtekort
Naast de pensioendiscussie is er de al jaren aanslepende kwestie van de onderfinanciering. Het onderwijsbudget in Vlaanderen volstaat niet om tegemoet te komen aan de vele noden. De lijst met problemen is lang: capaciteitstekorten in het buitengewoon onderwijs, scholen die te weinig werkingsmiddelen krijgen, ouders die moeten opdraaien voor laptops, studenten die steeds hogere inschrijvingsgelden betalen, en tienduizenden leerlingen die zonder leraar voor de klas zitten.

Demir voorspelt zelf een tekort van bijna 6.000 plaatsen in het buitengewoon lager en secundair onderwijs tegen 2030. Dat betekent dat duizenden kinderen met specifieke noden geen plek zullen vinden. Hoe valt dat nog te rijmen met het idee van gelijke kansen?

In het hoger onderwijs zien we hetzelfde patroon. Het aantal studenten blijft stijgen, maar de financiering blijft achter. In de graduaten bijvoorbeeld wordt het gebrek aan middelen steeds nijpender. Volwassenenonderwijs wordt onbetaalbaar door de verdrievoudiging van inschrijvingsgeld. En in het basisonderwijs blijven klassen veel te groot, waardoor elk kind minder aandacht krijgt.

Ook aan Franstalige kant is de situatie dramatisch. De financiële marge van de Communauté française is veel kleiner, terwijl de noden er nog groter zijn. Het verzet daar is stevig: de voorbije drie schooljaren vonden zeven grote manifestaties plaats. Op 27 januari 2025 trokken 30.000 Franstalige leerkrachten door Brussel, een dag later nog eens 20.000 in Waalse steden.

De Vlaamse onderwijsvakbonden hebben de afgelopen jaren ook meermaals actie gevoerd: stakingen in 2019 en 2024, manifestaties in 2023, protesten in 2025. Voor het eerst sinds 1996 kwamen Vlaamse en Franstalige bonden zelfs samen op straat met 8.000 deelnemers op een onderwijsbetoging in 2024.

Hun eis is duidelijk: onderwijs moet opnieuw minstens 7 procent van het bbp krijgen, zoals in 1980. Vandaag zitten we onder de 6 procent. Intussen is het aantal studenten in het hoger onderwijs verdubbeld en zijn de verwachtingen naar onderwijs enkel toegenomen. Investeren in onderwijs is investeren in de toekomst. Maar die toekomst wordt vandaag verkocht voor korte-termijnbesparingen.

Lerarentekort: pleisters of echte oplossingen?

Al jaren klinkt hetzelfde refrein: er zijn te weinig leerkrachten. De oplossingen die worden voorgesteld, zijn vaak noodgrepen: gastleerkrachten zonder pedagogisch diploma, gepensioneerden die terugkeren, of zij-instromers die in versneld tempo voor de klas worden gezet.

Op papier lijken die maatregelen tijdelijk verlichting te brengen. Maar in werkelijkheid verhogen ze de druk op de kwaliteit van het onderwijs. Want hoe goed een zij-instromer of gastleraar ook zijn best doet, niets vervangt een degelijke lerarenopleiding en jarenlange pedagogische vorming. In de helft van de basisscholen staat een leerkracht zonder juist diploma voor de klas.

Het probleem is structureel. Vandaag zijn er 3.700 leerkrachten te kort. Tegelijk worden bijna 100.000 lesuren besteed aan begeleidende of coördinerende functies, vaak onmisbaar voor het welzijn van leerlingen en de werking van scholen. Minister Demir suggereert dat deze uren beter voor lesgeven zouden worden gebruikt. Maar wie vangt dan de leerlingenbegeleiding, ICT, graadcoördinatie of zorg op?

De oplossing ligt elders: in het aantrekken, opleiden en behouden van jonge leerkrachten. Dat begint met een sterke lerarenopleiding. Vandaag slaagt twee derde van de toekomstige studenten in de lerarenopleiding niet of nauwelijks voor de starttoetsen in wiskunde en Frans. Er is dus werk aan de winkel, zowel bij de instroom als bij de opleiding zelf.

Daarnaast moet de job aantrekkelijker gemaakt worden. Dat betekent: waardering voor het pedagogisch diploma, een stevig loon, en bovenal werkzekerheid. Het statuut van vaste benoeming garandeert dat. Het beschermt leerkrachten tegen willekeur en biedt hen zekerheid.

Voor wie tijdelijk aan de slag is, kan een regionale reservepool een oplossing bieden. Leerkrachten zouden daar gegarandeerde werkzekerheid krijgen en flexibel ingezet kunnen worden waar de noden het grootst zijn. Met een extra loonstimulans kan dit beroep aantrekkelijker worden. Zo wordt het tekort niet alleen bestreden, maar ook eerlijk verdeeld over alle scholen.

Het niveau van ons onderwijs

De zorgen over het dalende niveau zijn niet nieuw, maar ze worden steeds dringender. Internationale vergelijkingen zoals PISA tonen een dalende trend, net als de Vlaamse toetsen en peilingsproeven. Leerkrachten geven ook zelf aan dat het niveau achteruitgaat.

Nieuwe minimumdoelen in het basisonderwijs zijn een stap in de goede richting. Ze vervangen de vage en vrijblijvende competentiegerichte eindtermen van de afgelopen jaren. Duidelijke doelen zorgen voor betere leerplannen, handboeken en bijscholing.

Maar dat alleen volstaat niet. Onderwijskwaliteit hangt ook af van de omstandigheden waarin les wordt gegeven. Te grote klassen maken het onmogelijk om elk kind de nodige aandacht te geven. Het ontbreken van een leerkracht voor elke klas holt de basis uit.

Een democratisch onderwijs moet jongeren de kennis en vaardigheden geven om de wereld te begrijpen én te veranderen. Dat betekent investeren in inhoud, in kleinere klassen, in sterke leerkrachten, en in een sociaal mixbeleid. Kwaliteit is niet alleen een kwestie van cijfers en toetsen, maar ook van gelijke kansen en sociale rechtvaardigheid.

De school is geen eiland

Onderwijs staat nooit los van de samenleving. Wat buiten de muren van de school gebeurt, dringt onvermijdelijk binnen. Oorlogen, klimaatcrisis, armoede en ongelijkheid: leerlingen brengen die realiteit mee in hun hoofd en hart.

Vandaag worden jongeren geconfronteerd met existentiële dreigingen. De klimaatopwarming is zichtbaar: hittegolven, overstromingen, smeltende gletsjers. Oorlog in Oekraïne en de genocide in Gaza zorgen voor angst, boosheid en machteloosheid.

Maar jongeren zijn niet alleen slachtoffers. Ze tonen ook hun kracht. De massale klimaatmarsen in 2019 bewezen dat jongeren in beweging kunnen komen. Studenten voeren intens actie voor Palestina. Jongeren sluiten zich aan bij vredesbewegingen.

De vraag is: welke rol spelen leerkrachten hierin? Neutraliteit wordt vaak als excuus gebruikt om niets te doen. Maar echte neutraliteit bestaat niet. Niet kiezen is ook een keuze – meestal in het voordeel van de macht.

Leerkrachten hebben een maatschappelijke plicht. Ze moeten jongeren helpen kritisch na te denken, hen laten zien dat er alternatieven zijn en dat verandering mogelijk is. Tegen oorlog en vernietiging, tegen onrecht en ongelijkheid, voor vrede en solidariteit.

Mobilisatie

Het onderwijs staat onder druk van besparingen, tekort aan personeel en politieke kortzichtigheid. Maar het onderwijs is ook een plek van hoop en verzet.

Zonder herfinanciering, zonder respect voor leerkrachten en zonder structurele oplossingen voor het lerarentekort blijft de neerwaartse spiraal duren. Met investeringen, werkzekerheid en een duidelijke keuze voor solidariteit kan onderwijs opnieuw een motor van verandering zijn.

Het geld voor de forse geplande verhoging van de militaire budgetten zal men ergens moeten gaan halen. Omdat onderwijs een grote budgetpost is, zullen besparingen onvermijdelijk zijn, en dat is precies het tegenovergestelde van wat nodig is.

De vraag is dus simpel: kiezen we voor verdere afbraak en militarisering, of voor een samenleving die investeert in haar kinderen en leerkrachten? Het antwoord bepaalt niet alleen de toekomst van ons onderwijs, maar van de hele samenleving.

Afspraak op de grote vakbondsbetoging van 14 oktober.

Bron: Dewereldmorgen.be

Medewerker opvangcentrum: “Ik zie dagelijks hoe het fout loopt”

Als medewerker in de asielopvang van Rode Kruis Vlaanderen zie ik dagelijks hoe het asielbeleid mensen steeds meer van integratie afsnijdt en richting straat duwt. De contraproductieve maatregelen stapelen zich op, en dat roept op om erover te spreken.

De Belgische opvangstructuren, gecoördineerd door Fedasil en uitgevoerd in samenwerking met het Rode Kruis, vertonen de laatste jaren een duidelijke beleidsverschuiving richting verstrenging en voorwaardelijkheid. Er worden meer controlemechanismen ingevoerd, financiële bijdragen verplicht gesteld en dwingende regels opgelegd. Als medewerker merk je daarvan de dagelijkse realiteit.

Een voorbeeld is een jonge bewoner van ons opvangcentrum. Na een lange en moeizame zoektocht had hij eindelijk legaal werk gevonden. Hij kwam plots wanhopig naar me toe: “Assistent, ik kan niet gaan werken, want dan krijgt het centrum ruzie met mij en word ik eruit gezet.”

Hij had gehoord van andere bewoners dat, wanneer je formeel aangeeft te werken, je een bijdrage moet betalen. Wanneer dit niet lukt kan dit leiden tot onmiddellijk verlies van opvang. Sinds enkele maanden wordt in de asielopvang van Fedasil en het Rode Kruis de bijdrageregeling, beter bekend als het ‘KB CUMUL’, strikt gehandhaafd.

Torenhoge bijdrage voor een gedeelde container

Het Koninklijk Besluit CUMUL verplicht bewoners die formeel aangeven werk te verrichten, gecontroleerd via de Kruispuntbank, een aanzienlijk deel van hun inkomen (33 tot 50 procent) af te dragen aan Fedasil voor de voorzieningen en materiële hulp die zij ontvangen.

Dit geldt voor alle meerderjarige bewoners, ongeacht hun gezinssamenstelling. De bijdrage kan oplopen tot honderden euro’s per maand, of duizenden euro’s per inning. Zo ontstaat een sterke scheefgroei tussen de geboden voorzieningen, vaak collectief en zeer bescheiden – denk aan gedeelde containers – en de gevraagde vergoeding.

Officieel zou de maatregel bewoners moeten stimuleren sneller alternatieven op de particuliere huurmarkt te zoeken en hun autonomie te vergroten. In de praktijk blijkt de impact veel ingrijpender. De strikte handhaving en gebrekkige communicatie leiden tot plotselinge, soms retroactieve betalingsverplichtingen.

Wie de bijdrage niet kan voldoen, riskeert het recht op opvang en materiële hulp, waaronder maaltijdcheques en toegang tot lokale opvanginitiatieven (LOI). Bewoners vallen terug in armoede, stoppen met werk of wijken uit naar informele arbeid, waardoor hun zelfredzaamheid en integratie verder ondergraven worden.

Op 19 september klaagde een Fedasil-medewerker in Apache deze regeling al aan. Deze wees terecht op de willekeur in de toepassing, gebrekkige communicatie, bureaucratische drempels en de erbarmelijke staat van de opvangstructuren. Mijn ervaring in de asielopvang van het Rode Kruis bevestigt dat beeld. CUMUL is echter meer dan een slecht uitgevoerde regeling: het is een symptoom van een bredere beleidslogica die bewoners verstrikt, integratie ontmoedigt, het leven in opvang bemoeilijkt en uiteindelijk de samenleving schade toebrengt.

Alsof nieuwkomers geen verleden hebben

Beleid wordt vaak gerechtvaardigd in termen van efficiëntie en besparing. In dat discours lijkt de CUMUL-bijdrage logisch: ‘wie kan werken, draagt bij aan het zorgsysteem’. De praktijk is complexer. Bewoners die werk aangeven, worden geconfronteerd met torenhoge afdrachten die binnen de sociale en economische context van opvangcentra vaak onhoudbaar zijn.

Veel mensen met een migratieverhaal dragen al zware financiële verantwoordelijkheden. Ze hebben schulden bij smokkelaars of familieleden die hun reis financierden en voelen de dringende plicht geld naar huis te sturen, soms onder levensbedreigende omstandigheden. CUMUL vertrekt vanuit een tabula-rasa-benadering: bewoners worden behandeld alsof ze zonder verleden, sociale netwerken of culturele verplichtingen bestaan, louter als vluchteling of aanvrager van internationale bescherming.

Deze denkwijze vertoont parallellen met koloniale verhoudingen, waarin macht en controle centraal staan en groepen systematisch worden ontworteld, gehomogeniseerd en gereduceerd tot objecten van administratieve logica. Nieuwkomers worden op deze manier gezien als ‘lege bladen’, terwijl hun complexe sociale realiteit en verantwoordelijkheden volledig genegeerd worden. Het resultaat is een beleid dat bewoners reduceert tot objecten van toezicht, waardoor hun mogelijkheden tot autonome integratie ernstig beperkt worden.

Structurele uitsluiting en juridische ongelijkheid

In theorie geldt CUMUL voor alle bewoners, maar in de praktijk worden jongvolwassen alleenstaande mannen het hardst getroffen. Gezinnen genieten nog deels bescherming en enige ruimte tot dialoog, maar alleenstaande mannen verliezen hun opvang vrijwel direct zodra zij niet kunnen betalen. Deze beleidskeuze rust op een verouderde aanname: mannen zouden minder kwetsbaar zijn en “hun plan wel trekken”.

Door hen als zelfredzaam te bestempelen, worden zij niet ondersteund maar symbolisch opgeofferd. Het beleid vergroot hun isolement, verhoogt het risico op uitbuiting en verkleint hun kansen op integratie. Zo creëert de samenleving haar eigen zondebokken: groepen die verantwoordelijk worden gemaakt voor problemen die eigenlijk uit de beleidskeuzes zelf voortkomen.

CUMUL legt ook bloot dat bewoners van opvangcentra in een juridische grijze zone terechtkomen. Ze betalen verplichte bijdragen, de facto huur, voor voorzieningen die vaak beneden elk aanvaardbaar niveau zijn, van gedeelde slaapzalen tot vochtige containers. In het regulier huurdersrecht zou dit nooit door de beugel kunnen.

Mensen in opvang worden niet benaderd als bewoners met rechten, maar als tijdelijke gebruikers die vooral een kost vormen. Deze benadering ondergraaft hun rechtspositie, de legitimiteit van het beleid en normaliseert een onderscheid dat noch rationeel noch moreel houdbaar is.

Breuklijnen in het centrumleven

De gevolgen van CUMUL zijn ook zichtbaar binnen de centra zelf. Er ontstaat een sfeer van wantrouwen en angst: wie moet betalen, voelt zich gestraft; wie niet betaalt, wordt gewantrouwd. De sociale cohesie verslechtert.

Ook het personeel wordt zwaar getroffen. Medewerkers die geen verantwoordelijkheid dragen voor het beleid, moeten het wel uitvoeren, waardoor hun rol verschuift van begeleiding naar schuldbeheer en conflictbemiddeling. De ondersteuning vanuit Fedasil en het Rode Kruis is ontoereikend, terwijl veel centra kampen met onderbezetting en vacante leidinggevende posities. Het gevolg is een werkdruk die steeds minder te dragen is en een verdere erosie van de vertrouwensband met bewoners. Wat opvang in essentie zou moeten zijn, veiligheid, begeleiding en perspectief, verwordt zo tot controle en sanctionering.

Brede maatschappelijke impact en nood aan heroriëntatie

De CUMUL-maatregel heeft duidelijke maatschappelijke repercussies. Wanneer bewoners het centrum verlaten met torenhoge schulden en zonder stabiel sociaal of economisch vangnet, wordt hun kans op duurzame integratie ernstig ondermijnd. Het beleid verhoogt het risico op dakloosheid en gemiste sociale bijdragen, terwijl de kans op sociale frictie, uitbuiting en veiligheidsproblemen toeneemt.

Dagelijks ervaren medewerkers dat dit beleid contraproductief werkt: het creëert nieuwe problemen terwijl het verondersteld efficiëntie en zelfredzaamheid te bevorderen. In een periode waarin structurele steun voor daklozenopvang wordt beperkt, zijn de effecten nog ingrijpender. CUMUL is daarmee uitgegroeid tot een testcase voor een bredere beleidslogica van verstrenging en voorwaardelijkheid. Het resultaat is niet emancipatie, maar uitsluiting. Niet integratie, maar schaduwbestaan. Niet stabiliteit, maar schulden.

Het is tijd om deze logica te herzien: een beleid dat mensen breekt, ondermijnt zowel hun individuele kansen als de maatschappelijke mogelijkheid om met hen te bouwen.

*Schuilnaam, naam van de auteur bekend bij de redactie. 

Bron: Dewereldmorgen.be

Vakbonden waarschuwen voor gevaarlijke evolutie

Steeds meer grijpen autoritaire politieke leiders de macht. Samen met superrijke eigenaars van wereldwijde bedrijven zetten ze de democratie steeds meer buitenspel en schuiven ze decennialang opgebouwde sociale spelregels opzij. Tijd voor een interview met algemeen secretaris Lieveke Norga van ACV Puls en algemeen secretaris Luc Triangle van ITUC.

De International Trade Union Confederation (ITUC), die 200 miljoen leden vertegenwoordigt in 170 landen, lanceerde een campagne om deze ‘Billionaire Coup’ helder en concreet aan te klagen. “Hun agenda staat haaks op democratie, eerlijke belastingen, openbare dienstverlening, betaalbare gezondheidszorg, vrije pers en ga zo maar door,” legt algemeen secretaris van ITUC Luc Triangle uit. “Als grootste sociale organisatie ter wereld hebben wij de verantwoordelijkheid om daar tegenin te gaan.”

Ook in België staan sociale rechten onder druk, stelt algemeen secretaris Lieveke Norga van ACV Puls. “Veel van wat in het regeerakkoord staat – en nu in wetgeving wordt omgezet – is bijna letterlijk overgenomen uit de agenda van werkgeversorganisaties. De lijnen tussen de regering en het bedrijfsleven zie je wel heel direct.”

Tijd voor een dubbelgesprek over hoe politiek en bedrijfsleven, in België en internationaal, steeds gevaarlijker verweven worden en de democratie ondermijnen.

Luc, sinds mei 2023 sta je aan het hoofd van ITUC, de International Trade Union Confederation, oftewel de internationale vakbond die 200 miljoen leden vertegenwoordigt in 170 landen. Wat betekent dat concreet?

“Om met een kwinkslag te beginnen, als ik ‘s avonds om 10 uur mijn computer dichtklap, zijn de Amerikanen nog aan het werk. En als ik die ‘s morgens om 7 uur terug open, dan zijn de Aziaten al zeven uur aan het werken. In juli en augustus is het hier vakantie, maar in het zuiden van de wereld is dat een gewone werkperiode. En ik kreeg een uitnodiging voor een congres op 25 december, want die christelijke dag is natuurlijk niet overal een feestdag. Mijn e-mail stopt dus nooit.”

“Maar belangrijker dan dit zijn de  uitdagingen op wereldniveau. Ik word elke dag geconfronteerd met de grote ongelijkheid in de wereld. De armoede en de overlevingsstrijd in grote delen van de wereld staan in schril contrast met andere delen van de wereld, zoals Europa of de Verenigde Staten, waar rijken alleen maar nog rijker worden. Miljonairs, miljardairs. Het is wachten op de eerste biljonair – of hoe noem je die volgende stap? – terwijl elders in de wereld miljoenen kinderen geen toegang hebben tot onderwijs.”

“Er zijn landen die zo in de wurggreep zitten van het Internationaal Monetair Fonds of internationale leningen, dat de terugbetaling ervan 70 tot 75 procent van hun jaarlijks overheidsbudget opslokken. Daar is geen ruimte voor openbare diensten of sociale bescherming. Je moet goed beseffen dat 1 op de 2 mensen in de wereld, dus bijna 4 miljard mensen, geen enkele vorm van sociale bescherming kennen. Geen pensioen, geen werkloosheidsuitkering, geen gezondheidszorg. Nul komma nul. Die ongelijkheid wegwerken is een groot deel van onze vakbondsagenda.”

Dat is makkelijker gezegd dan gedaan. Want the billionaire’s coup gaat net de andere kant op.

Luc: “Met ITUC hebben we de voorbije jaren stilgestaan bij de maatschappij die we willen. En dan kwamen we bij het belang van democratie. Dat betekent niet alleen verkiezingen hebben die op een correcte manier verlopen. Het gaat ook over het verdedigen van democratische waarden: respect voor de mensenrechten, voor vrouwen, voor minderheden, voor lgbtq. Democratie gaat over een vrije pers en vrij je mening mogen geven zonder vervolgd of opgesloten te worden. Maar wat we de voorbije jaren zagen, is dat er vaak wel min of meer vrije verkiezingen zijn, maar dat verkozen leiders die democratische waarden beginnen af te breken.”

“In Amerika zagen we niet alleen hoe Trump democratische waarden ondergraaft, maar ook hoe hij daarin on stage door miljardairs werd geholpen om hem te ondersteunen in die campagne. Finaal is Trump a puppet on a string. De miljardairs en grote techbazen krijgen steeds meer de touwtjes in handen. Het grote probleem daarbij is dat de Amerikanen misschien binnen drie jaar nog wel Trump kunnen wegsturen, maar niet die miljardairs. Die palmen intussen steeds meer cruciale delen in van onze maatschappij. Ze beheersen de sociale media, satellietsystemen en de pers. Ze tekenen de toekomst uit van artificiële intelligentie. En they’re here to stay. We kunnen ze niet herverkiezen of wegsturen.”

“Zo wordt onze democratie steeds meer uitgehold en ingepikt door mensen die geen enkele verantwoording moeten afleggen, aan niemand. Ze zijn er alleen om hun macht verder en verder uit te breiden. Hun agenda staat haaks op eerlijke belastingen, openbare dienstverlening, betaalbare gezondheidszorg, een vrije pers en ga zo maar door. Als grootste sociale organisatie – want dat zijn we als vakbond – hebben wij de verantwoordelijkheid om daar tegenin te gaan.”

“Het is dan ook niet te verbazen dat de eersten die zij aanvallen precies de vakbonden zijn, zoals we zagen in Argentinië. Wij zijn hun grootste tegenstanders en bedreiging. Als wij tegen hen ingaan en onze tanden laten zien, krijgen ze schrik. Dat is dus precies wat we willen doen met onze campagne. Wij komen op voor de democratie waarin verkozen leiders democratische waarden verdedigen en durven kiezen voor werknemers en mensen die onderaan de maatschappij staan, zodat die opnieuw vertrouwen krijgen in de democratie.”

We hadden het zojuist over machthebbers in de Verenigde Staten of Argentinië. Maar zien we dat verhaal ook hier terug?

Lieveke: “Ja. Je zou kunnen denken dat het hier allemaal nog zo’n vaart niet loopt, maar er zijn heel duidelijke parallellen. Het is aan ons om die te vertalen en herkenbaar en tastbaar te maken. Het gaat over een heel fundamentele overtuiging over welk soort samenleving we willen en het mensbeeld waaruit men vertrekt. Een partij als de N-VA gaat er heel duidelijk vanuit dat het een goede zaak is dat er altijd maar meer rijkdom geaccumuleerd kan worden en dat het mensen hun eigen verdienste is hoe ver ze springen in het leven. Daar bouwen zij een systeem op dat op het einde van de rit op hetzelfde punt uitkomt als wat we elders in de wereld zien.”

“Dat is ook heel zichtbaar in het regeerakkoord dat nu in wetgeving wordt omgezet. Wat daar in staat over bijvoorbeeld arbeidstijd, komt rechtstreeks uit de agenda van werkgeversorganisaties. Er is geen enkele andere maatschappelijke afweging gemaakt. Het zijn heel specifieke sectorale organisaties die hebben gevraagd om nachtarbeid goedkoper te maken. Gaat dat levenskwaliteit opleveren voor de werkende bevolking? Nee. Maar een aantal ondernemingen kunnen daardoor betere financiële resultaten neerzetten. De lijnen tussen de regering en het bedrijfsleven zie je dus heel direct.”

Luc: “Voor de duidelijkheid: ook met ITUC focussen we niet enkel op de Verenigde Staten. Wat wij met onze campagne gedaan hebben, is aan elk land vragen om na te gaan wie daar de Trumps en de Musks zijn. Want die zijn er overal, in meer of mindere mate.”

Lieveke: “In de huidige Belgische politieke coalitie hebben we niet dat soort heel agressieve types, denk ik. Bouchez komt wellicht het dichtst in de buurt. Maar wat voor mij essentieel is, is dat men het sociaal model dat na de Tweede Wereldoorlog tot stand is gekomen – dat misschien niet perfect was, maar waar toch een zekere balans in zit – nu actief aan het afbreken is. De financieringsstromen voor de sociale zekerheid worden dichtgeknepen, waardoor die uitdroogt en de hele collectieve bescherming op zijn einde loopt – of toch zeker veel dunner wordt.”

De hamvraag is dan natuurlijk: hoe organiseren we ons daartegen?

Luc: “We moeten eerst en vooral de analyse maken van wat er rondom ons bezig is. Met onze campagne leggen we uit wat de grote hoofdlijnen zijn. De miljonairsagenda gaat over belastingen, over publieke diensten, over het inpalmen van ministeries, over een kleinere overheid en verregaande privatisering. Ons alternatief is een maatschappij waarin mensen rechtvaardige belastingen betalen en toegang hebben tot gezondheidszorg, openbare diensten, een vrije pers… Daar willen we ons op organiseren – op heel uiteenlopende punten en fronten, want ons verhaal heeft heel veel facetten.”

“Op een conferentie van de Verenigde Naties hadden we het over openbare schulden. Je moet weten: 70 landen zijn virtueel failliet. Als je die wil laten ontwikkelen, moet je schulden kwijtschelden om ze ruimte te geven om te investeren in ontwikkeling. Door onze aanwezigheid op een herdenking van Hiroshima en Nagasaki in Japan toonden we dat ook de vredesagenda deel uitmaakt van onze agenda, terwijl de militaire industrie vooral oog heeft voor de cash die oorlog hen oplevert. Binnenkort zijn we ook op de COP in Brazilië. Want ook klimaatrechtvaardigheid maakt deel uit van ons verhaal, terwijl het verhaal van Trump anti-klimaat is. Met de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO) maakten we voor het eerst afspraken over spelregels voor platformwerk, dat tot nog toe heel ongereglementeerd verliep.”

“Op al die verschillende terreinen willen we stappen vooruit zetten. Dat doen we via concrete acties en mobilisatie van vakbonden. Want wat wij op internationaal niveau proberen te bereiken, is natuurlijk alleen maar mogelijk als vakbonden ook op nationaal niveau meewerken. En dat doen ze ook.”

Lieveke: “Door dezelfde essentiële richting op te gaan, versterken we elkaar. Dus zelfs als het vanuit Belgisch perspectief misschien soms een beetje overtrokken lijkt, lopen de verhalen en uitdagingen toch altijd parallel als we een beetje doordenken. We moeten samen de strijd aangaan.”

Waar halen vakbonden de kracht om die strijd te blijven aangaan?

Lieveke: “In België hebben we de eer en het genoegen een heel sterke vakbondstraditie te hebben. Het is dan ook belangrijk om die sterke historische positie te vrijwaren. En dat betekent in allereerste instantie dat we moeten blijven proberen veel leden te verenigen. Dat betekent dat de focus voor ons ligt op: wat kunnen wij betekenen voor individuele werknemers? Waar hebben zij nood aan vandaag? En dat zal allicht anders zijn dan 30 jaar geleden. Dat is dus een voortdurende zoektocht naar contact met mensen in allerlei sectoren en met allerlei profielen om te weten waar zij vandaag nood aan hebben om van hun loopbaan de best mogelijke versie te maken.”

“Dat vergt zeer specifieke aandacht voor twintigers en dertigers. En dat lukt. We sluiten elk jaar meer leden onder de 40 jaar aan. Dat toont aan dat ons verhaal aansluit bij wat veel mensen óók vinden. Dat geeft hoop. Want als we de dingen samen aanpakken, kunnen we het verschil maken. Dat is wat ik zo magisch vind aan de vakbond. Wat een vakbond eigenlijk doet, is mensen vanuit hun persoonlijke behoeften samenbrengen en die behoeften optillen naar een collectief niveau waardoor je de optelsom van al die individuele noden overstijgt.”

“Zoveel mensen samenbrengen en dan samen een groter verschil maken, geeft energie en mogelijkheden. Maar desondanks blijft het wel altijd vechten, vechten, vechten. Je staat heel de tijd in de confrontatie. Elke keer opnieuw proberen een stap verder te zetten, vergt veel van ons.”

Luc: “Onze basis zijn onze leden. We kunnen nog de beste experts hebben aan tafel – en die hebben we ook – maar onze kracht ligt in onze getalsterkte en onze overtuiging. We moeten dus constant proberen die basis verder uit te bouwen. Dat is niet gemakkelijk.”

Lieveke: “Ambitieuze doelen vooropstellen helpt keihard om mensen te overtuigen. Eén van mijn stokpaardjes is ‘tijd’. Dat is een thema dat heel dicht op het vel van mensen zit. De manier waarop productiviteitswinst wordt omgezet op de werkvloer, voert de druk zodanig op dat we daar allemaal een zware prijs voor betalen. Sinds het interbellum hebben we op gezinsniveau nooit zoveel gewerkt als nu, als je betaalde en onbetaalde arbeid meerekent. Dat creëert ongelooflijk veel stress en is gewoon slecht voor iedereen individueel én voor de maatschappij. Dus zeggen wij: zou het geen vooruitgang zijn om die lat geleidelijk aan wat naar beneden te halen? Daar gaan we allemaal deugd van hebben.”

“Met onze ambitieuze ideeën, die tegen de stroom in gaan, willen we mensen enthousiasmeren en werven. Maar ze staan haaks op wat de regering nu van plan is. Als een werkgever eenzijdig kan bepalen of jij volgende week dertig of vijftig uur werkt, betalen wij daar met zijn allen een gigantische kwaliteitsprijs voor. Dat gaat niet over zomaar wat bijschaven. Het gaat over fundamentele keuzes over wat er op de eerste plaats komt. Mag dat de levenskwaliteit van mensen zijn? Dan kom je tot heel andere conclusies dan wat nu op tafel ligt.”

Luc: “Bovendien is de nieuwe overurenregeling weer een besparing op de lonen van mensen. Werkgevers moeten dan geen overurentoeslag meer betalen. Werknemers moeten dan flexibeler werken én voor minder geld.”

Lieveke: “Het is bovendien onomstotelijk bewezen dat nachtwerk ongezond is voor mensen. Daar moeten we dus niet nog meer naartoe.”

Is het niet demotiverend om te zien dat regeringen wereldwijd steeds minder geneigd zijn te luisteren?

Lieveke: “Ik zou natuurlijk ook liever hebben dat het anders was, of dat we met grote realisaties konden uitpakken. En het is verleidelijk om te blijven hangen in wat we niet bereikt hebben. Maar we moeten ook beseffen dat we ook heel wat wél bereiken. Het regeerakkoord zou er nog heel wat anders uit hebben gezien als we gewoon in ons kot waren blijven zitten en niks hadden gedaan. En dat we bijvoorbeeld in België nog altijd een automatische indexering hebben, en een heel erg stevige plek in het sociaal overleg, zowel in ondernemingen, sectoren als nationaal, is op Europees niveau toch wel een hele realisatie.”

Luc: “De vakbeweging realiseert echt nog wel vooruitgang. Ik had het eerder al over ons akkoord over een beter kader voor platformwerkers. Tot voor een paar jaar was dat onbespreekbaar. Nu hebben we toch afspraken gemaakt. Dat is toch vooruitgang?”

Lieveke: “We moeten mensen blijven overtuigen dat er een alternatief is. De rechterzijde is sterk in mensen overtuigen dat het niet anders kan. Dat wat zij voorstellen onvermijdelijk is. TINA. There is no alternative. Maar dat is het niet. Het kàn anders. Dit beleid is een keuze. En wij maken een andere keuze. We moeten het debat op tafel krijgen over welk soort samenleving of arbeidsmarkt we willen. Want het kan anders.”

Luc: “Hoe we de maatschappij de voorbije jaren hebben zien evolueren, is het gevolg van politieke keuzes. Het is geen automatisme. Het kan veranderen. Laat me een paar cijfers geven. Forbes, niet meteen een linkse denktank, berekende in 2023 dat 2.781 individuen samen 14,2 biljoen dollar bezaten. De wereldwijde militaire uitgaven zijn vorig jaar gestegen tot bijna 3 biljoen dollar. Alleen al die twee cijfers geven aan dat er wél geld is voor een meer rechtvaardige samenleving.”

“Je kan via rechtvaardige belastingen de rijkdom die we samen creëren eerlijker verdelen. Er is geld om een andere, meer rechtvaardige, wereld te creëren. Oxfam berekende dat de vijf rijkste mensen ter wereld hun rijkdom verdubbeld hebben sinds 2020, terwijl de 50 procent armste mensen nog armer werden. De laatste 30 jaar is de rijkdom fenomenaal gegroeid. Maar die groei is niet gegaan naar de mensen die werken. Het is gegaan naar enkelingen. De ongelijkheid groeit. Maar er is een andere keuze mogelijk. De vakbond wil en moet als grootste sociale organisatie ter wereld die strijd verderzetten op nationaal, Europees en wereldniveau. Dat is onze missie.”

Dit interview is een overname van ACV Puls

Bron: Dewereldmorgen.be

Voka en N-VA: van Vlaamse droom tot machtspact

‘Voka is mijn echte baas’, stelde Bart De Wever ooit. Het is een boutade die meer waarheid bevat dan ze lijkt. Hoe bepaalt deze band vandaag de koers van N-VA én Vlaanderen?

Op 2 september vond Voka Rentrée plaats in de Sky Hall van Brussels Airport. Voor een publiek van meer dan 1.000 ondernemers en beleidsmakers stonden federaal premier Bart De Wever en Vlaams minister-president Matthias Diependaele op het podium. In hun interventies benadrukten ze het belang van productiviteit, ondernemerschap en innovatie. Twee regeringsleiders van één en dezelfde partij, in gesprek met Voka – dat is op zich al opmerkelijk. Dat ze daarvoor hun overleg over Gaza tijdelijk stillegden, gaf de avond bijna een symbolische lading.

Het illustreerde eens te meer de nauwe band tussen Voka, de grootste werkgeversorganisatie van Vlaanderen, en N-VA. Hun band vormt een ideale casestudy om te begrijpen hoe relaties tussen partij en belangenorganisatie in Vlaanderen zich manifesteren en een impact hebben op de prioriteiten en standpunten van partijen.

IDEOLOGISCHE VERSTRENGELING

De band tussen de Vlaams-nationalisten en Voka is diepgeworteld. Voka (staat voor: Vlaamse Ondernemers Kamers Alliantie) ontstond in 2004 uit een fusie tussen de acht regionale Kamers van Koophandel en de Vlaamse Economische Vereniging (VEV). Het VEV werd in 1926 opgericht als economische en communautaire denktank binnen de Vlaamse Beweging en gaf ondernemersbelangen een stem in Vlaanderen. VEV werd opgericht vanuit een onvrede van sommige bedrijfsleiders over het Centraal Nijverheidscomité dat later deel zou gaan uitmaken van het VBO (Verbond van Belgische Ondernemingen), en dat men beschouwde als te veel gericht op de belangen van de Franstaligen.

N-VA, opvolger van de Volksunie, sloot hier nauw bij aan. De partij profileerde zich als centrumrechts alternatief voor wie VLD te toegeeflijk vond tegenover PS, en voor Vlaamsgezinden die Vlaams Belang te radicaal vonden. “Het VEV zorgde met zijn knowhow voor de economische dimensie van het Vlaamse verhaal,” zegt Peter De Roover, reeds actief binnen de Vlaamse Volksbeweging in de jaren 1980 en 1990 (DS, 9/9/2023). Dat de institutionele link verder werd versterkt, blijkt uit het feit dat voormalig N-VA-minister Philippe Muyters tot 2009 gedelegeerd bestuurder van Voka-VEV was. Ook beleidsmatig vertonen de twee organisaties veel overlap: volgens De Tijd lijkt het economisch programma van N-VA “op veel punten een doorslagje van de rapporten van Voka” (19/6/2010). Toen Bart De Wever tijdens de regeringsonderhandelingen in 2010 zei dat “Voka mijn echte baas is”, was dat geen uitschuiver. En in 2014 faciliteerde toenmalig Voka-voorzitter, Michel Delbaere, de vorming van de regering-Michel, waarbij N-VA tijdelijk haar communautaire eisen liet vallen (Trends, 26/9/2019).

PRAGMATISME BOVEN IDEOLOGIE

De nauwe historische banden en ideologische overeenstemming zorgen nog steeds voor een aanzienlijke invloed op de prioriteiten en standpunten van N-VA. Maar zoals Peter De Roover (N-VA), voorzitter van de Kamer van Volksvertegenwoordigers, opmerkte: De ideologische gedrevenheid van toen heeft plaatsgemaakt voor pragmatisme. Je kunt daarnaar heimwee hebben, maar dat komt niet meer terug.’ (DS, 9/9/2023).

Hiermee doelt De Roover op de vroegere gezamenlijke focus op een staatshervorming. Intussen ligt de nadruk steeds meer op pragmatische beleidsvoorstellen, waarmee Voka zijn rol als neutrale speler in het Vlaamse politieke middenveld wil versterken. Terwijl N-VA lange tijd een staatshervorming als cruciaal voor efficiënt bestuur zag, lijkt dit communautaire thema voor Voka geleidelijk aan minder centraal te staan. Zo stelde Rudy Provoost, voorzitter van Voka, in De Tijd dat “efficiënt bestuur belangrijker is dan een staatshervorming” (4/9/2023). Tekenend in dit opzicht is ook de uitspraak van voormalig gedelegeerd bestuurder, Hans Maertens, in de nasleep van het electorale succes van Vlaams Belang in 2019: “Je kunt de kiezer niet miskennen. Daarom moet er eerst en vooral gepraat worden met Vlaams Belang.” Want voor Voka telt alleen “wat er precies in het regeerakkoord staat. En wat er goed is voor onze bedrijven, de mensen en Vlaanderen.” (DM, 9/9/2023). Hiermee illustreert Voka dat de organisatie zich primair richt op beleidsmatige resultaten en toegang tot politieke besluitvorming, tot wie de sleutel tot macht in handen heeft of aan politieke agendasetting kan doen.

VERKIEZINGEN 2014

De casus-Voka illustreert duidelijk hoe historische banden en ideologische afstemming de relatie tussen een middenveldorganisatie en een politieke partij kan structureren. Voka’s wortels in de Vlaamse Beweging en de nauwe banden met N-VA, tonen dat historische allianties stabiliteit bieden en een platform creëren voor beleidsbeïnvloeding.

Onderzoeker Tom Schamp (Universiteit Gent) bracht in 2016 een studie uit over de verkiezingscampagne in 2013-2014. Hij onderzocht de contacten en de verkiezingsmemoranda van tal van middenveldorganisaties. Uit de studie bleek dat Voka de invloedrijkste belangenorganisatie was. Het had de meeste contacten met zowat alle politieke partijen, het meest intensief met N-VA. Voka slaagde er ook in zijn standpunten het best door te drukken in de verkiezingsprogramma’s van de partijen.

De studie laat daarmee zien dat Voka niet alleen invloed heeft bij N-VA. Zo stelde Tom Ongena – interim-voorzitter van Open VLD: “Voka is een heel belangrijke partner voor ons. Wij voeren dezelfde strijd voor lagere belastingen, de activering van mensen en een lagere regellast. Het is een belangrijk – niet het enige – klankbord voor onze ideeën.” (DS, 9/9/2023). En omgekeerd gaf Maertens ook al aan dat het moeilijk is te wegen op een linkse regering (DS, 9/9/2023).

VERKIEZINGEN 2024

Een rudimentaire vergelijkende inhoudsanalyse tussen het Voka-verkiezingsmemorandum ‘Nu ondernemen voor morgen!’ – voorgesteld in het bijzijn van toenmalig premier Alexander De Croo (Open VLD) en minister-president Jan Jambon (N-VA) – en het partijprogramma van N-VA voor de verkiezingen van 2024 leert ons hoe sterk de connectie is met N-VA. Enkele speerpunten van Voka lopen grotendeels parallel met het N-VA-programma: het activeringsbeleid waarbij werkloosheidsuitkeringen na twee jaar uitdoven, fiscale maatregelen die werken en ondernemen lonender moeten maken dan een uitkering door het verschil groter te maken, en gedeelde aandacht voor gezonde overheidsfinanciën.

Toch is het belangrijk om te benadrukken dat deze overeenstemming niet noodzakelijk betekenen dat Voka N-VA rechtstreeks heeft beïnvloed op al deze punten. We weten simpelweg niet welke keuzes de partij had gemaakt in de afwezigheid van Voka’s lobbywerk. De overlap kan net zo goed voortkomen uit gedeelde ideologische uitgangspunten of politieke prioriteiten. Het laat dus vooral zien dat ze op een aantal cruciale punten goed op elkaar aansluiten.

En dat loont tijdens de regeringsonderhandelingen. In juni 2024 namen Vlaamse formateurs Matthias Diependaele (N-VA), Melissa Depraetere (Vooruit) en Sammy Mahdi (cd&v) twee weken de tijd voor gesprekken met het middenveld. Voka zat aan tafel – een duidelijk teken dat hun expertise telt bij de onderhandelingen. De inhoud van deze gesprekken werd niet bekendgemaakt, maar een blik achter de schermen maakt het concreet. Wesley De Visscher, kabinetschef van minister van Financiën Jan Jambon (N-VA), schetst op een lezing over fiscaliteit in Brugge hoe het eraan toegaat. Hij beschrijft hoe hij op zoek moest naar een werkbare maatregel om het groeiende aantal managementvennootschappen dat bedrijfsleiders oprichten om minder belastingen te betalen een halt toe te roepen: “Wesley, zoek een maatregel tegen de vervennootschappelijking die niet al te veel pijn doet. En dan kom je met zoiets. Ik vraag dat dan aan Voka: ja, hoe doen we dat en op welke manier geven we dat vorm? En dan komt men af met een heel goed idee en dan denk je: ja, dat gaat niemand echt … Dat zal niet te zwaar zijn,” aldus De Visscher (Het Nieuwsblad, 28/5/2025).

ALMACHT VAN VOKA?

Toch botsen Voka en N-VA wel eens. Zo was er intern bij de partij enige frustratie over Voka’s late steun voor het openhouden van kerncentrales tijdens de Oekraïnecrisis (DS, 9/9/2023). Op milieuthema’s liep het ook geregeld spaak: toenmalig Vlaams minister Zuhal Demir (N-VA) vond bijvoorbeeld dat Voka Limburg “onverantwoord” handelde door gemeentes op te roepen zich te verzetten tegen het nationaal park Bosland (DS, 9/9/2023).

Historische banden en een overlappende ideologische visie helpen dus om invloed uit te oefenen op partijen hun prioriteiten en standpunten. Tegelijkertijd laat de evolutie van Voka zien dat ook pragmatische factoren meespelen: de organisatie onderhoudt contacten met meerdere partijen en past haar strategie aan op basis van de politieke context. En nauwe banden vertalen zich niet automatisch in directe invloed. Uit eigen onderzoek blijkt dat wanneer politieke dossiers veel publieke aandacht trekken en veel belangenorganisaties actief lobbyen, politici vaak worden gestuurd door de electorale reflex: de publieke opinie wordt dan doorslaggevend om rekening mee te houden (Willems, 2021). Bovendien moet N-VA haar keuzes afstemmen op de dynamiek binnen regeringscoalities, waardoor zelfs standpunten die aansluiten bij Voka niet altijd zonder compromis kunnen worden doorgevoerd.

BREDERE PATRONEN IN BELANGENBEHARTIGING

Uit datzelfde onderzoek van Tom Schamp naar de verkiezingsmemoranda voor 2014 kwam ook naar voor dat Voka dan wel invloedrijk was, ze waren lang niet de enigen die substantieel konden wegen op partijen. Ook UNIZO, ACV, Boerenbond, ABVV en Solidaris stonden in de top tien van meest actieve en invloedrijke organisaties (Schamp, 2016).

Wat deze laatste belangenorganisaties kenmerkt, is dat ze allen een verzuild verleden hebben. Hoewel het concept ‘verzuiling’ – zoals omschreven door Huyse (1987) als de verregaande organisatie van de maatschappij op basis van ideologische en levensbeschouwelijke verschillen in aparte werelden met elk hun verenigingen en netwerk – niet meer bestaat doordat belangenorganisaties met verschillende politieke partijen spreken, werkt dit verleden nog wel door tot op de dag van vandaag. Uit eigen onderzoek blijkt namelijk dat belangenorganisaties nog steeds een sterkere en structurele band onderhouden met partijen uit de voormalige eigen zuil. Tekenend is de recente verslaggeving over de nauwe band tussen cd&v en de Boerenbond (DS, 13/9/2025): “Brouns noemde Lode Ceyssens, de baas van de machtige Boerenbond, ook een ‘persoonlijke vriend’. Ceyssens was zelf ooit de gedoodverfde nieuwe cd&v-kopman in Limburg en burgemeester van Oudsbergen.” Of denk aan Christel Geerts, moeder van Conner Rousseau die aangesteld werd als voorzitter van Solidaris. Beide voorbeelden illustreren de verwevenheid tussen cd&v, Vooruit en het (verzuilde) middenveld.

De band van Voka met N-VA is historisch vergelijkbaar met die tussen de Boerenbond en cd&v, of Solidaris en Vooruit. Daarnaast laat wetenschappelijk werk ook zien hoe een organisatie als Bond Beter Leefmilieu (BBL) zich tot de insiders kan rekenen van ons politieke besluitvormingsproces (Fraussen, 2014). De BBL, net zoals het VBO, is sterk vertegenwoordigd in ons systeem van adviesraden. Deze institutionele verankering van machtige koepelorganisaties wordt vaak omschreven in termen van neo-corporatisme. Dit verwijst naar een bestuursmodel waarin de overheid systematisch een beperkt aantal geprivilegieerde belangenorganisaties consulteert bij de voorbereiding en uitvoering van beleid. Het gaat daarbij om representatieve koepelorganisaties die geacht worden brede segmenten van de samenleving of de economie te vertegenwoordigen, zoals vakbonden, werkgeversorganisaties of grote milieuorganisaties en andere sectorfederaties. In ruil voor hun toegang tot het beleidsproces, nemen deze organisaties ook een verantwoordelijkheid op zich: ze moeten zorgen voor interne coördinatie, het bundelen van uiteenlopende belangen en onderlinge compromissen bewerkstellingen. Het Belgische systeem van overleg in organen zoals de SERV of de Groep van 10 geldt als een klassiek voorbeeld van dergelijk neo-corporatisme. De traditionele zuilorganisaties zoals ACV, ABVV, UNIZO of de Boerenbond zijn allen lid zijn van deze raden. Opmerkelijk hierbij is dat Voka op het federale niveau geen vertegenwoordiging heeft. In tegenstelling tot UNIZO zit Voka niet in de Groep van 10; daar vertegenwoordigt het federale VBO de werkgevers. Dit verklaart mee waarom de organisatie haar strategische focus vooral op de Vlaamse zaak concentreert, waar ze via de SERV wel een directe rol kan spelen.

Een eigen bredere survey onder bijna 300 Belgische belangengroepen, naar aanleiding van de verkiezingen in juni 2024, bevestigt verder dat deze dynamiek niet uniek is voor Voka, noch de andere aangehaalde voorbeelden. Interacties tussen belangenorganisaties en partijen worden zowel door historische banden als door rationele kosten-batenafwegingen bepaald. Organisaties met historische banden onderhouden frequentere contacten met partijen, vooral wanneer ideologische afstemming niet verwaterd is. Belangenorganisaties rapporteren het vaakst interacties met PS en cd&v, partijen met een verzuild verleden en een sterk coalitiepotentieel, terwijl partijen zonder dergelijke historische banden, zoals PVDA en Vlaams Belang, minder frequent worden benaderd. Het stigma rond populistische partijen in het algemeen, en het cordon sanitaire rond Vlaams Belang, maken dat de meeste belangenorganisaties voorzichtig blijven in hun interacties of deze zelfs geheel vermijden uit vrees voor reputatieschade of vanwege morele principes.

De frequentie van contact blijkt bovendien sterk samen te hangen met waargenomen invloed op beleidsprioriteiten en oplossingen. Slechts een kleine groep van belangenorganisaties beschouwt zichzelf als ‘zeer’ invloedrijk, terwijl een groter deel zichzelf als ‘redelijk’ invloedrijk inschat. Historische banden en ideologische nabijheid verklaren grotendeels deze waargenomen invloed. Deze bevindingen illustreren dat, net zoals in de Voka-case, historische banden stabiliteit en ontvankelijkheid voor prioriteiten en standpunten bieden, en tegelijk ook pragmatische kosten-batenafwegingen bepalen hoe intensief en effectief interacties worden.

CONCLUSIE

De aanwezigheid van zowel federaal premier Bart De Wever als Vlaams minister-president Matthias Diependaele op de Voka Rentrée 2025 illustreert treffend de nauwe band tussen Voka en N-VA. Hun band, verankerd in gedeelde historische en ideologische wortels, heeft geleid tot intensieve en structurele interacties, waarbij Voka haar beleidsprioriteiten en standpunten effectief kan communiceren en zo N-VA haar partijprogramma’s en regeringsnota’s mee vormgeeft. Tegelijkertijd toont de evolutie van Voka dat pragmatisme cruciaal blijft: contacten worden afgestemd op de politieke context.

De casus Voka-N-VA illustreert dat belangenorganisaties met historische banden doorgaans de meeste interacties hebben met partijen en daardoor het meeste invloedpotentieel bezitten. Tegelijkertijd worden belangenorganisaties zonder zulke nauwe banden minder gehoord. Om het Vlaamse middenveld echt representatief te laten zijn en beleidsvorming breed te verankeren, is het daarom cruciaal oog te hebben voor dit ongelijke speelveld.

BRONNEN

  • Fraussen, B. (2014). The visible hand of the state: On the organizational development of interest groups. Public Administration, 92(2), 406-421.
  • Willems, E. (2021). Walking a tightrope between representing organizational constituencies and the general public: analyzing interest groups functioning as intermediaries between citizens and public policymaking. Doctoraat aan de UAntwerpen.
  • Huyse, L. (1987). De verzuiling voorbij. Kritak.

Bron: sampoi.be