20.000 gezinnen kunnen woonlening niet meer betalen:

“Eén ding mag je zeker niet doen”

Liefst 20.327 kredietnemers kunnen hun hypothecaire lening niet betalen, zo blijkt uit nieuwe cijfers. Tijdens de dure maand september zal het bij veel mensen krabben zijn, maar wat doe je als het water je financieel aan de lippen staat en je je woonlening niet meer kan aflossen?

Kristof Simoens, Jeroen Deblaere

Vandaag om 19:18

Volgens de laatste cijfers van de Nationale Bank konden afgelopen juli 264.301 kredietnemers hun lening niet meer afbetalen. Bij de overgrote meerderheid gaat het om consumentenkredieten, maar bij 20.327 gezinnen gaat het dus om de woonlening. Dat is een daling van 6,5 procent tegenover het jaar voordien, maar het gemiddelde achterstallige bedrag wordt wél groter. Dat bedraagt gemiddeld 3.500 euro voor een consumentenkrediet, gemiddeld 41.504 euro tegenover 40.516 euro het jaar voordien.

“Als je bedrijf de deuren sluit en je werkloos wordt of bij andere onvoorziene gebeurtenissen zoals een slepende ziekte, heeft dat een impact op je financiële situatie. Je hypothecaire krediet weegt dan plotseling veel meer op je budget”, zegt Isabelle Marchand van Febelfin. “Steek je kop dan niet in het zand, maar neem maatregelen. De eerste stap: praat erover met je bankier. In goede verstandhouding kan je naar oplossingen zoeken. Want die bestaan.”

“Je hebt daar overigens alle baat bij”, zegt Yves Evenepoel, expert hypotheekleningen bij Test-Aankoop. “Zolang je de maandelijkse aflossingen niet betaalt, komen er nalatigheidsintresten bovenop. En ook aan herinneringsbrieven en ingebrekestellingen zijn kosten verbonden.” Wie drie aflossingen niet (volledig) op tijd betaalt, riskeert zelfs op de ‘zwarte lijst’ van wanbetalers te komen bij de Centrale voor Kredieten aan Particulieren. “Er wordt dan een procedure opgestart voor de beslagrechter, waarbij de bank beslag kan leggen op je loon en in het meest extreme geval zelfs op je huis. Dat wordt dan openbaar verkocht om met de opbrengst je schuld aan te zuiveren.”

Wat je zeker niet mag doen? Een tweede lening nemen om de eerste af te betalen. “Dan is de kans groot dat je je alleen maar dieper in de financiële nesten werkt”, klinkt het bij Test-Aankoop. “Als je de eerste lening al niet kon afbetalen, kun je er wellicht geen twee aflossen. Bovendien is die tweede lening dan wellicht een consumentenkrediet, met een hogere intrestvoet en een kortere looptijd.”

Deze pistes kunnen mogelijk wel een uitweg bieden.

Piste 1: Terugbetaling van kapitaal tijdelijk opschorten

De aflossing van een hypotheek bestaat zoals net uitgelegd dus uit twee delen: een stukje kapitaal en de intrest. Is je afbetalingsprobleem slechts tijdelijk, vraag je bankier dan om de terugbetaling van het kapitaal tijdelijk op te schorten (voor de intrest is dat in principe niet mogelijk). “Je maandelijkse aflossing ligt dan lager”, zegt Yves Evenepoel, “maar ze is wel beperkt in de tijd, bijvoorbeeld zes maanden. Daarna betaal je weer de volle pot. En het kan ook maar een paar keer tijdens de looptijd van de lening.”

Sommige banken spreiden de terugbetaling van het niet-betaalde kapitaal uit over de rest van de looptijd, andere verlengen de looptijd van de lening met het aantal maanden dat je geen kapitaal afloste. Reken op enkele honderden euro’s dossierkosten.

LEES OOK. Zelfs de staatssecretaris voor Begroting maakte ooit een geldblunder: “Daar kan die gratis koffiemachine niets aan veranderen”

Piste 2: Looptijd van de lening verlengen

Dreigt het probleem langer aan te slepen, bijvoorbeeld omdat jullie allebei in hetzelfde bedrijf werkten dat over de kop is gegaan, dan is de verlenging van de looptijd een betere optie. “Die optie verlicht de maandelijkse afbetalingslast blijvend”, zegt Yves Evenepoel, “maar je betaalt dan wel langer af. Overigens is de verlenging die de bank zal toestaan, vaak beperkt in de tijd – bijvoorbeeld 5 jaar – en sommige banken doen het alleen voor een lening met variabele rentevoet.”

Qua kosten moet je rekenen op maximaal 250 euro dossierkosten. “Voor een verlenging mag de bank geen wederbeleggingsvergoeding – doorgaans drie maanden intrest – vragen, omdat het om een wijziging van de lening gaat en niet om een vervroegde terugbetaling.” De specialist waarschuwt wel: “Een verlenging van je lening verlaagt dan wel je maandelijkse aflossing, maar zelden het totale afbetalingsbedrag: op het einde van de rit heb je vaak meer betaald dan bij je oorspronkelijke lening.”

LEES OOK. Jonge ondernemer die bank oprichtte geeft tips om met geld om te springen: “Zonder risico’s zou het leven maar saai zijn”

Piste 3: Je huis verkopen

De meest drastische oplossing is misschien wel je huis verkopen. “Probeer hoe dan ook een gedwongen verkoop door de bank te vermijden”, klinkt het bij Test-Aankoop. “Een verkoop ‘uit de hand’ levert vaker een hogere prijs op tegen lagere kosten dan een openbare verkoop.”

Veel hangt af van je plannen. “Ga je huren, dan zal je jouw lening vervroegd moeten terugbetalen – dat betekent dus een wederbeleggingsvergoeding betalen aan de bank – en notariskosten ophoesten om de hypotheek te schrappen. Koop je daarentegen een kleiner huis, dan brengt een ‘pandwissel’ of ‘hypotheekoverdracht’ soelaas, tenminste als de bank die toestaat”, zegt Yves Evenepoel. Omdat de lening dan blijft bestaan, zal je in principe lagere notariskosten betalen en bespaar je de wederbeleggingsvergoeding, de handlichtingskosten en de registratierechten bij de inschrijving van een nieuwe hypotheek. “Onderhandel dan met je bankier over betere voorwaarden – een lagere rente of een langere looptijd – en laat die vastleggen in een bijlage aan het contract. Bijkomend pluspunt: aangezien je lening blijft bestaan, speel je de eventuele woonbonus niet kwijt en behoud je de eerdere fiscale voordelen.”

Moeten basisscholen kinderarmoede oplossen?

Moeten basisscholen kinderarmoede oplossen?

Kinderarmoede toont zich op de basisschool. Maar is die school ook vragende partij om armoedebestrijding toe te voegen aan haar lange lijst van opdrachten? Onderzoekers van HOGENT spraken daarover met directies, leerkrachten en sociale professionals.

Kroongetuigen van ongelijkheid

Hoe kinderen op school functioneren, hangt ook af van hun thuissituatie. Kinderen die in armoede leven, hebben het moeilijker om zich op school goed te ontwikkelen. Financiële zorgen werpen hun schaduw op schoolprestaties.

Niet iedereen heeft dezelfde mogelijkheden om te voldoen aan schoolse verwachtingen. De coronapandemie en het noodgedwongen afstandsonderwijs toonde nogmaals het verschil tussen kinderen die een studeerruimte, laptop en internetverbinding hebben en zij die hier niet over beschikken.

Scholen zijn kroongetuigen van die ongelijkheid: ze botsen op lege brooddozen of onbetaalde schoolfacturen. Kinderarmoede stopt niet aan de schoolpoort, maar stapt mee de klas binnen.

Aan de schoolpoort

Daarom is de schoolpoort uniek: hier passeren alle gezinnen. Voor sommige ouders en kinderen zijn scholen zelfs het enige aanspreekpunt.

Hier komen verhalen samen die elders moeilijk hun weg vinden: getuigenissen over dure leermiddelen, ontoegankelijke vrijetijdsactiviteiten, geweigerde asielaanvragen of dreigende uithuiszettingen. Voor gezinnen in kwetsbare situaties is de school een laagdrempelig aanspreekpunt, een belangrijke toeleider en mede-ondersteuner.

Ook welzijnsdiensten zoals OCMW’s, Centra voor Algemeen Welzijnswerk of Huizen van het Kind beseffen dat scholen een belangrijke bondgenoot zijn in de strijd tegen kinderarmoede.

Een opdracht voor de school?

Vanuit welzijnsperspectief wordt stevig aan de mouw van de school getrokken. Maar ze weet niet altijd hoe te reageren. Die vaststelling raakt een cruciale vraag: horen die welzijnstaken tot de opdracht van de school? We vroegen aan directies en leerkrachten van basisscholen hoe ze dat zelf zien.

De meeste scholen ervaren het oppikken en aanpakken van welzijnsproblemen van gezinnen als een noodzakelijke opdracht, ook al hoort ze niet tot hun kerntaken. Deze scholen investeren in een breed partnerschap met gezinnen, niet alleen om leerprocessen vlot te laten verlopen maar ook om een aanspreekpunt te zijn voor ouders en kinderen.

Bereikbaarheid en toegankelijkheid zijn dan belangrijk, zo stelt deze directeur van een basisschool: “Ik noem de school vaak het huis van vertrouwen. Door onze lage drempel kloppen mensen hier vaak met allerlei vragen aan. Ze vinden hier makkelijk iemand waarbij ze terechtkunnen.”

Noden zien en opvolgen

Dat enthousiasme klinkt aanstekelijk. Toch heeft niet elke basisschool voeling met de leefwereld van kwetsbare gezinnen. Heel wat schoolteams hebben het moeilijk om met ouders in gesprek te gaan over gevoelige thema’s zoals basishygiëne of verwaarlozing. Ondersteuningsnoden blijven onder de radar en de school installeert zelf ook onbewust uitsluitingsmechanismen.

Slaagt de school erin om die signalen op te pikken, dan is de vraag hoe ze die moet opvolgen. Hoe ver dat kan gaan, blijft onduidelijk. Minimaal informeren scholen ouders over het welzijnsaanbod en verwijzen ze hen door.

Sommige scholen gaan veel verder: vanuit een betrokkenheid gaan ze samen met gezinnen op zoek naar gepaste hulp en ondersteuning buiten de schoolmuren. Deze geëngageerde schoolteams botsen onvermijdelijk op grenzen. Dat is logisch: leerkrachten zijn geen hulpverleners. Weten waar je eigen professionele expertise ophoudt en anderen aan zet zijn, is belangrijk.

Een OCMW-medewerker bevestigt dat: “Strikt genomen heeft de school geen opdracht rond het werken aan armoede. Maar omdat dit probleem zich ook binnen de schoolpoorten manifesteert, kan de school niet wegkijken. Dat is enkel werkbaar als de school de verschillende sociale organisaties en welzijnsdiensten in haar buurt beschouwt als partners.”

Een uitdagende samenwerking

Samenwerken is de boodschap. Onderwijs en welzijn zijn twee verschillende werelden die elkaar kunnen versterken. Maar dan moeten eerst enkele hindernissen weggewerkt worden.

Welzijnsdiensten en sociaalwerkorganisaties worden aan de schoolpoort niet altijd met open armen ontvangen. Ze willen graag hun expertise op vlak van armoede en uitsluiting binnenloodsen, maar botsen op de kwetsbare plekken van scholen. Denk bijvoorbeeld aan een basisschool die nog niet veel kaas gegeten heeft van een diversiteitsbeleid. Niet elke school is bereid die lacune openlijk te delen met externen of de noodzaak ervan te erkennen.

‘Onderwijs en welzijn zijn twee verschillende werelden die elkaar kunnen versterken.’

Sociale professionals passeren vaak langs de schoolpoorten voor eenmalige vormings- en infomomenten. Maar om impact te hebben op het hele schoolteam, is een meer duurzame en structurele aanwezigheid belangrijk. Helaas verkiezen scholen vaak acties die op korte termijn vruchten afwerpen.

Door in te zetten op onderwijs als sociaal grondrecht begeven welzijnsorganisaties zich soms op het terrein van de school. Preventief zetten sommige sociale professionals in op een betere communicatie tussen ouders en scholen. Als het stroef loopt, gaan ze curatief aan de slag door te verhelderen, te bemiddelen. Nu en dan wordt de aanpak of het een advies van de school in vraag gesteld. Dat kan gevoelig liggen en tot  grensconflicten leiden.

Ontgoochelde scholen

Ook scholen hebben wisselende ervaringen met sociale professionals.

Buiten de schoolmuren op zoek gaan naar gepaste hulp en ondersteuning voor kwetsbare gezinnen is niet evident. Het landschap van hulp- en dienstverlening is complex, weinig scholen kennen de sociale kaart.

‘Scholen kijken ook kritisch naar de traagheid van sommige begeleidingstrajecten.’

Als scholen een leerling of zijn gezin toeleiden naar hulp- en dienstverlening, dan vernemen ze graag of daar verder ook iets mee gebeurde. Vaak zijn scholen ontgoocheld over de gebrekkige terugkoppeling. Zonder het beroepsgeheim en het recht op privacy van de gezinnen te schenden, is minimale hoffelijkheid belangrijk bij succesvolle samenwerking. Er is een groot verschil tussen radiostilte en het beknopte maar geruststellende bericht “We zijn er mee bezig”.

Scholen kijken ook kritisch naar de traagheid en vrijblijvendheid van sommige begeleidingstrajecten. “Het mag wat meer vooruitgaan”, is een vaak gehoorde verzuchting van schoolteams. Nu en dan terecht, maar vaak ook ingegeven door onrealistische verwachtingen en een gebrek aan inzicht in elkaars professionele kaders.

Brugfiguren als antwoord

Goed dus dat er verschillende diensten ontstaan die de samenwerking tussen onderwijs en welzijn faciliteren. Die worden vandaag gebundeld onder de brede noemer van ‘brugfiguren’. Deze initiatieven verbinden gezinnen, scholen en sociale professionals met elkaar. Ze maken daarbij vaak gebruik van de school als laagdrempelige vindplaats van kwetsbare gezinnen.

Vanuit opbouwwerk bijvoorbeeld zoeken brugfiguren contact met ouders die hun kinderen naar school brengen. Met een spontane babbel gaan deze ‘schoolpoortwachters’ op zoek naar zorgen en noden. Ze stimuleren en begeleiden het gesprek daarover tussen gezin en leerkracht. Waar nodig verwijzen ze door naar hulp- en dienstverlening buiten de school.

Die brugfiguren leveren winst op: gezinnen voelen zich gehoord, het schoolteam wordt beter ondersteund en sociale professionals kunnen gericht tussenkomen waar nodig. Die positieve dynamiek kan letterlijk grenzen doorbreken. Een sterke illustratie daarvan zijn de welzijnswerkers die op school zitdagen organiseren.

Grenzen aan brugfiguren

Brugfiguren brengen gezinnen, het schoolteam en sociale professionals dichter bij elkaar. Ze zijn van onschatbare waarde voor gezinnen die een duwtje in de rug kunnen gebruiken en orde te brengen in het aantal vragen die ze hebben. Toch moeten we ons hoeden voor een ondoordachte inzet van brugfiguren.

Want waar begint en eindigt de opdracht van zo’n brugfiguur? Brugfiguren kunnen wederzijdse leerprocessen faciliteren, maar moeten die niet overnemen. Het eigenaarschap van gedeelde zorg voor kwetsbare gezinnen ligt bij schoolteams en sociale professionals, niet bij faciliterende brugfiguren.

Moeten brugfiguren de opdracht rond armoedebestrijding overnemen van scholen? Of moeten ze veeleer schoolteams prikkelen en uitdagen om anders naar gezinnen te kijken? Moet een brugfiguur enkel aanklampend werken naar ouders toe of mogen ze ook moeilijk bereikbare sociale professionals een spiegel voorhouden?

Die vragen moeten op tafel komen. Afspraken over opdrachten en verantwoordelijkheden van alle betrokken actoren moeten vanaf de start helder zijn. Duidelijkheid over wat wel of niet tot de opdracht van een brugfiguur behoort is ook een houvast voor de brugfiguur zelf, die voortdurend een evenwicht moet zoeken tussen ouders, scholen en welzijnsdiensten.

Wat met het CLB?

Hebben Centra voor Leerlingenbegeleiding (CLB) geen sleutelrol op deze brug tussen onderwijs en welzijn? Voor scholen zelf is dat niet zo evident. Sommige problematieken zoals gezinsarmoede verbinden ze niet meteen aan het CLB. Ze verwachten niet dat het CLB hen hier snel en aanklampend zal ondersteunen.

CLB’s zelf tonen bereidheid om hierin een rol spelen. Of ze dit ook kunnen, hangt af van hoe ze lokaal georganiseerd zijn of er ruimte is voor ‘presentie’ en van de kennis en betrokkenheid van individuele medewerkers.In een vervolgonderzoek gaan we dieper in op de draaischijffunctie van het CLB.

Geen nieuwe koker

Willen we sociale grondrechten garanderen voor kwetsbare gezinnen, dan is samenwerking tussen onderwijs en welzijn noodzakelijk. Toch mag die brug tussen onderwijs en welzijn geen nieuwe koker worden.

Samenwerking moet professionals uit beide werelden uitdagen om vanuit een gedeelde verantwoordelijkheid breder naar gezinnen te kijken. Elke interactie tussen professionals van onderwijs en welzijn is een kans om van elkaar te leren en perspectieven en verwachtingen bij te stellen.

We noemen dit de interprofessionele reflex, een zelfkritische en betrokken reflectie op wat je voor elkaar en voor de gezinnen kan beteken. Op die manier kan sneller geschakeld worden, kunnen perspectieven en verwachtingen bijgesteld worden en kunnen gezinnen beter ondersteund worden. Want daar is het uiteindelijk om te doen.

Kan onderwijs zonder welzijn?

En vice versa?

Celine Mertens, Marie Seghers, Katrien De Maegd, Christian Van Kerckhove

Antwerpen | Mammoet | 2021

Meer info

Kinderarmoede: ‘Te weinig geld is de basis van het probleem’

Kinderarmoede: ‘Te weinig geld is de basis van het probleem’

Bioloog en journalist Geerdt Magiels gaat in zijn boek ‘De kinderen van de rekening’ op zoek naar de gevolgen van armoede voor kinderen. Professor Wim Van Lancker (KU Leuven) las het boek. “Het boek helpt om volgende keer als nonkel Frans een blik met clichés over armoede opentrekt, een gepast antwoord te kunnen geven.”

We weten veel over armoede

Een van de grootste doorbraken in het armoedeonderzoek van de laatste decennia is dat we veel beter dan vroeger in staat zijn om te begrijpen wat armoede met een mens doet.

Uiteraard wisten we al veel. Het pionierswerk van Herman Deleeck en Bea Cantillon stelde ons in staat armoede te meten, en de hardnekkigheid ervan in kaart te brengen. In Vlaanderen hadden Maria De Bie en Jan Vranken al conceptuele modellen gepresenteerd die hielpen om op een systematische manier de oorzaak en de verantwoordelijkheid van armoede te ontwarren. Ze gaven ons een taal om het over armoede te hebben.

Daarnaast was er de theorie van hulpwaardigheid van Wim van Oorschot die ons in staat stelde om te voorspellen wie in welke context op solidariteit en steun mocht rekenen, en waarom. En dat verklaarde dan weer deels waarom de sociale bijstand slechts op marginale politieke steun kan rekenen.

En uiteraard was en is er de kennis uit ervaring, van mensen in armoede zelf, die veel beter dan wie ook kunnen duiden wat het betekent om in een samenleving als de onze met te weinig geld moeilijk keuzes te moeten maken.

Stereotypen zijn hardnekkig

Maar toch: waar geen enkel model, theorie, ervaring of onderzoek tegenop kan, zijn de stereotypen. Huizenhoge clichés à la “ze hebben toch een gsm” of “ze kunnen niet om met hun geld”.

Stereotypen die uitgaan van een armoedecultuur, een term die we te danken hebben aan de Amerikaanse antropoloog Oscar Lewis. In zijn etnografische studies uit de jaren 1950 en 1960 naar het leven van een aantal arme, Mexicaanse families in de Verenigde Staten stelde hij vast dat ze keuzes maakten die hun armoedeprobleem eigenlijk alleen maar bestendigde.

Hoewel hij duidelijk vertrok van een structurele oorzaak van armoede, concludeerde Lewis dat het een set van individuele keuzes en gedrag was die armoede in stand hield. Dat idee van een armoedecultuur heeft het denken en het beleid omtrent armoede diepgaand beïnvloed en versterkte de stereotypen over mensen in armoede.

Wie de recente discussies over de taalvaardigheid bij kleuters of over de hervorming van de kinderbijslag heeft gevolgd, zal weten: de clichés zijn meer dan ooit springlevend, en worden door politici met gezag met de roeptoeter versterkt.

Schaarste

Maar er is een antwoord. In 2014 verscheen ‘Schaarste’ van Eldar Shafir en Sendhil Mullainath, een boek over armoede dat wereldwijd de bestsellerlijsten haalde. Kernboodschap: het gaat er niet om of bepaalde handelingen van mensen ‘goed’ of ‘fout’ zijn, het gaat erom dat dezelfde mentale processen eraan ten grondslag liggen.

Of rijke mensen nu te weinig tijd hebben of arme mensen te weinig geld, het is die schaarste an sich die de oorzaak is van een bepaald gedragspatroon. Maar terwijl een gebrek aan tijd opgelost kan worden door eens ‘nee’ te zeggen, kan je niet zomaar eens even niet arm zijn. Te weinig geld is de basis van het probleem. Het veroordeelt mensen tot keuzes die ze in andere omstandigheden niet of anders zouden maken.

Er was echter niet alleen het boek ‘Schaarste’. Vanaf de eeuwwisseling werd baanbrekend onderzoek gepubliceerd naar de link tussen armoede en mentale aandoeningen, naar de vraag hoe financiële stress een impact heeft op gezinsrelaties.

En er was de Great Smokey Mountains-studie, waarin voor het eerst kon worden vastgelegd wat het directe, positieve gevolg is van meer inkomensstabiliteit en -zekerheid op allerlei levensdomeinen, zowel voor kinderen als voor ouders. Steeds meer puzzelstukjes werden gelegd die eindelijk de clichés van de armoedecultuur overstegen.

Kinderen van de rekening

In zijn boek ‘De kinderen van de rekening’ legt Geerdt Magiels, bioloog en bekend wetenschapsjournalist, al deze puzzelstukjes samen. In dit zeer leesbaar boek, met mooie illustraties van Sara Bervoets, ontrafelt Magiels stap voor stap, wat de gevolgen zijn van armoede: van voor de geboorte, vlak na de geboorte en tijdens het opgroeien, tot in het latere leven en uiteindelijk ook voor de hele samenleving.

Magiels slaagt er in om de complexe biologische en mentale processen, de interacties met de omgeving, de zelfversterkende impact op gezondheid en leren, en de sleutelrol van stress, voor een groot publiek verstaanbaar te maken.

Wie dit boek leest, kan niet anders dan besluiten dan dat het armoedebeleid volledig verkeerd wordt aangepakt. Of zoals Magiels schrijft: “Armoedebestrijding lijkt vooral op het bestrijden van armen, zoals ook werklozen of profiteurs of fraudeurs worden afgeschilderd”. Als het boek één mythe de wereld uit helpt, dan wel die van de armoedecultuur.

Waarom hardnekkiger in België?

De aanpak van Machiels werkt en is overtuigend, maar biedt niet op alle relevante vragen een antwoord. Bijvoorbeeld de vaststelling dat kinderarmoede in België veel hardnekkiger is dan in landen zoals Denemarken waar we toch graag het kompas op richten.

De mechanismen die ons doen begrijpen wat opgroeien in armoede betekent voor een kind, helpen ons echter niet om dergelijke landenverschillen te begrijpen. Ook in Denemarken leidt opgroeien in schaarste tot allerlei schadelijke gevolgen. De vraag die daaruit volgt, is hoe Denemarken erin slaagt om de schaarse te verminderen en gezinnen beter te ondersteunen. Maar op die vragen biedt het boek geen antwoord. Dat zou voer kunnen zijn voor een volgend boek.

Teleurstellend

Maar toch. Het beleid maakt het verschil, en het is net op dat vlak dat het boek wat teleurstelt.

Op basis van alle inzichten die Magiels heeft samengelegd, zou je een radicaal pleidooi voor een totale ommezwaai in de werking van de welvaartsstaat verwachten. Vandaag doen we immers het tegenovergestelde van wat moet. We leggen mensen die inkomensondersteuning nodig hebben torenhoge verwachtingen en regels op waar ze dan vaak niet aan kunnen voldoen, waarna ze gesanctioneerd kunnen worden, wat het probleem verergert. Over bestaande hulpprogramma’s schrijft Magiels: “Ze stellen voorwaarden of leggen regels op. Ze willen gedragsverandering afdwingen, maar als dat niet aansluit op wat mensen in armoede op dat moment aankunnen of durven, is dit gedoemd te mislukken.”

Daaruit volgt dan toch dat er veel mee ingezet moet worden op het wegnemen van de schaarste en op het bieden van inkomenszekerheid?

Menukaart

Die conclusie wordt niet ten volle getrokken. In hoofdstuk 7 wordt eigenlijk een menukaart van interventies op verschillende levensdomeinen gepresenteerd, gaande van opvoedingsondersteuning, taalversterking, buurtwerking, schuldhulpverlening, perinatale zorg of interventies op school.

Maar dat is een risico. Want een beleidsmaker die het probleem individualiseert, zal een gerecht kiezen waarbij de verantwoordelijkheid het meest bij het individu wordt gelegd. Wie vooral aan besparen denkt, zal de goedkoopste portie kiezen. Maar armoedebeleid verdraagt geen kersenplukkerij.

Bovenal moet het de oorzaak van de problemen wegnemen: de schaarste waarin mensen beslissingen moeten nemen. Hoe zinvol is opvoedingsondersteuning als de oorzaak van opvoedingsproblemen, het gebrek aan inkomen, niet wordt aangepakt? Minder kinderarmoede zal onvermijdelijk moeten beginnen bij het begin: het bieden van voldoende en toegankelijke inkomensbescherming voor het ganse gezin.

Aanrader voor leraar, sociaal werker en politicus

Maar laat dat niet afleiden van de grote meerwaarde van dit boek. Het is een aanrader voor iedereen die meer inzicht wil verwerven in wat armoede is en met kinderen doet.

Het is een aanrader voor de leraar die beter wil begrijpen waarom het toch “altijd dezelfde kinderen zijn die moeilijk doen”. Het is aanrader voor de sociaal werker die beter wil begrijpen waarom ouders soms keuzes maken die vanuit een middenklasseperspectief bekeken echt onbegrijpelijk zijn. Het is een aanrader voor politici die beter willen begrijpen waarom hun subsidies voor armoedeprojecten allerhande geen zoden aan de dijk lijken te zetten.

Maar bovenal helpt het ons allemaal om voorbij de stereotypen te leren kijken. En om de volgende keer als nonkel Frans een blik met clichés over mensen in armoede opentrekt, een gepast antwoord te kunnen geven.

De kinderen van de rekening

Geerdt Magiels met illustraties van Sara Bervoets

Manteau | 2023

Meer info

Co-teaching op school

Co-teaching op school

Samenvatting

In het aanbod van de Pedagogische begeleidingsdienst van het GO! zien we een duidelijke trend: scholen geven aan dat zij hun onderwijs op een innoverende manier willen organiseren. Co-teaching is daar een prominent aspect van.

Co-teaching helpt om een krachtige leeromgeving te creëren, niet alleen voor leerlingen maar ook voor leerkrachten. Verschillen worden als een troef uitgespeeld: leerkrachten kunnen elkaar perfect aanvullen met hun eigen talenten en competenties en fungeren als rolmodel voor verbindend leren in de klas. Met twee voor de klas staan biedt meer kansen om te differentiëren en dat maakt dat leerlingen beter bij de les zijn. Door samen te werken word je sterker!

De auteur geeft concrete tips en goede praktijkvoorbeelden om co-teaching op school te implementeren, ongeacht of je het klein of groot aanpakt op klas- en beleidsniveau. Het boek begint bij de redenen om aan co-teaching te doen, analyseert de verschillende modellen van co-teaching, om uiteindelijk te landen bij de succesfactoren en de infrastructuur.

Heel handig zijn ook de checklists voor co-teaching achteraan in het boek. Met deze tools bouw je met je team zelf aan een schooleigen visie en organisatie van co-teaching.

Over de auteur(s)

Marijn Vandevelde

Marijn Vandevelde is werkzaam als pedagogisch begeleider in het secundair onderwijs. Haar expertise ligt enerzijds in ondersteuning van leerkrachten in trajecten zoals o.a. co-teaching, feedback geven, vakgroepwerking en socio-emotioneel leren, anderzijds in beleidsondersteuning op school in leerlingenbegeleiding en modernisering secundair onderwijs. Daarnaast geeft ze ook vormingen voor verschillende onderwijsinstellingen. Ze werkte ervoor als leerkracht Nederlands en Engels in Vlaanderen en Aruba en was ook projectleider taal- en diversiteitsbeleid aan het Expertisenetwerk Lerarenopleiding van de AUGent.Meer info

Productspecificaties

Auteur(s):Marijn Vandevelde
ISBN (print):9782509030535
ISBN (digitaal):978-2-509-03067-2
Verschijningsdatum:2017-09-15
TypeDigitaal Vastbladig boek
https://www.politeia.be/nl/publicaties/155483-co+teaching+op+school
Gemeengoed – Delen Brengt Welvaart

Gemeengoed – Delen Brengt Welvaart

Silke Helfrich e.a. Bureau de Helling & Oikos

—————————————————————-

Het is de grote onbekende. We leven er allemaal van en het is de fundering van onze maatschappij: gemeengoed. Lucht, water, kennis, software, de sociale sfeer en zo veel andere dingen die ons dagelijks leven mogelijk maken en de economie doen draaien. Veel gemeengoed loopt echter gevaar en wordt de collectiviteit ontnomen, gecommercialiseerd en op onomkeerbare wijze verwoest. Het zou moeten worden gekoesterd en ontwikkeld. We moeten ons opnieuw bewust worden van de waarde ervan. Zonder is er geen welzijn noch welvaart mogelijk.

Gemeengoed heeft mensen nodig die bereid zijn het te verdedigen en zich verantwoordelijk voelen. Vele problemen van onze huidige maatschappij kunnen worden opgelost als we onze energie en creativiteit toespitsen op wat onze rijkdom maakt, op wat functioneert en wat mannen en vrouwen helpt hun potentieel te ontwikkelen.

Naar aanleiding van het congres De commons: hoe beheren wat van iedereen is? op 9 maart 2012, vertaalde Oikos i.s.m. Bureau de Helling (NL) een publicatie van de Heinrich Böll Stiftung, waarin het concept van de commons (oftewel ‘gemeengoed’) wordt uitgelegd en concrete voorbeelden worden beschreven. De commons bieden het meest veelbelovende perspectief om uit de huidige crises te geraken. Het gaat over samenwerkingsverbanden tussen mensen, los van markt en staat. De commons hebben een rijke traditie en zijn tegelijk een bron van radicale innovatie: van open source software, verschillende vormen van delen en gezamenlijk consumeren, water beheerd door de gemeenschap tot transition towns. De ontwikkeling van nieuwe vormen van samenwerking, productie en bezit vormt de basis voor een toekomstgerichte, groene economie.

https://oikos.be/winkel/boeken/gemeengoed-delen-brengt-welvaart/