Topeconoom waarschuwt: kapitalisme verkeert in ernstige crisis

Topeconoom waarschuwt: kapitalisme verkeert in ernstige crisis

Als een kopstuk van het establishment verklaart dat het kapitalisme een zware crisis doormaakt, dan is het ernst en zit de schrik er goed in. Hieronder lees je een vlijmscherpe analyse van hoe de wereld er aan toe is. Deze longread is een must-read.

Martin Wolf (1946) is een van de meest gezaghebbende economen ter wereld. Hij heeft in het verleden bij de Wereldbank gewerkt, is vandaag de belangrijkste economische commentator bij de invloedrijke Financial Times en is lid van het Wereld Economic Forum, dat de topelite van de wereld verenigt. In 2018 werd hij gelauwerd als doctor honoris causa van de KU Leuven.

In zijn beginperiode was Wolf een vurige neoliberaal, maar na de grote financiële crisis van 2008 maakte hij een grote bocht en werd hij een van de meest invloedrijke voorvechters van het Keynesianisme. Dat is een economische doctrine die stelt dat de markt moet gereguleerd worden en dat de staat een belangrijke rol te spelen heeft in de werking van de economie.

Existentiële crisis

Het zal niet verwonderen dat Martin Wolf een felle verdediger is van het kapitalisme. Volgens hem is er “op dit moment geen ander geloofwaardig systeem voor het organiseren van productie en uitwisseling in een complexe economie”.

Maar, dat systeem is in crisis. Het gaat om een ernstige, ja zelfs existentiële crisis. De huidige toestand is “zeer zorgwekkend” en “het weer gezond maken van het westerse systeem is een van onze grootste uitdagingen”. Dat is de reden waarom hij zijn laatste boek schreef: De crisis van het democratisch kapitalisme. Met zijn opus magnum wil hij een bijdrage leveren om dit systeem te redden.

Volgens hem voltrekt de crisis zich op twee vlakken. Het politiek systeem, dat hij omschrijft als ‘democratie’, wordt vandaag uitgedaagd door autoritaire alternatieven, waarbij hij o.a. verwijst naar Turkije, Polen, Hongarije, Rusland, Brazilië onder Bolsonaro, India en vooral de VS onder Trump.

Het economisch systeem, dat hij omschrijft als ‘marktkapitalisme’, wordt uitgedaagd door staatsgeleide alternatieven. Hierbij denkt hij voornamelijk aan China.

De situatie is acuter geworden als gevolg van “de financiële crisis, de slechte kwaliteit van het daaropvolgende politieke leiderschap en de inadequate reactie van veel westerse democratieën op COVID-19”.

Zowel het marktkapitalisme als de liberale democratie zijn ziek en het evenwicht tussen beide is ook verbroken. Het neoliberalisme van de afgelopen veertig jaar heeft geleid tot “economisch falen: trage groei, toenemende ongelijkheid en verlies van goede banen”.

Daarnaast en mede als gevolg van het neoliberalisme hebben we te maken met een “milde maar langdurige democratische recessie”. Er heerst een groot ongenoegen, niet zozeer tegen specifieke partijen of regeringen, maar meer fundamenteel “tegen het democratisch bestel zelf”.

Er is de sombere vaststelling dat een vijfde van de wereldbevolking in een land leeft waar minder dan een kwart van de burgers tevreden is met hun democratie”. En dat is helaas niet alleen het geval in de armste landen, maar ook in de welvarende westerse landen.

Wereldwijd is het “vertrouwen in de democratische instituties, mondiale markteconomie en de politieke en economische bovenlaag afgenomen”. “De legitimiteit van ieder stelsel hangt af van de prestaties ervan.” Vandaar dat omwille van zijn “succes” China vandaag “het meest geloofwaardige alternatief is voor het democratisch kapitalisme”.

Het kapitalisme staat dus voor zeer grote uitdagingen. Wolf vergelijkt de huidige crisissituatie met die van begin van de twintigste eeuw: er zijn “fundamentele verschuivingen in de wereldmacht”, er zijn enorme crises (Spaanse griep, hyperinflatie, wereldoorlogen, de Grote Depressie) en de “ineenstorting van democratieën en de opkomst van autoritarisme”.

Daar bovenop worden we vandaag nog eens geconfronteerd met “de risico’s van een nucleaire oorlog en op hol geslagen klimaatverandering”.

Volgens deze topeconoom is dit “een moment van grote angst en vervangende hoop. We moeten het gevaar erkennen en nu vechten, als we de hoop nog willen omzetten in realiteit. Als we daar niet in slagen, kan het licht van de politieke en persoonlijke vrijheid wederom uit de wereld verdwijnen”. Zijn boek wil een bijdrage zijn aan dat gevecht.

Failliet van het neoliberalisme

Volgens Martin Wolf heeft de economische koers van de afgelopen veertig jaar een ware puinhoop veroorzaakt.

Economie

Om te beginnen op economisch vlak. Bezuinigingsmaatregelen en fiscaliteit ten gunste van de rijken veroorzaakten toenemende ongelijkheid, en die ongelijkheid heeft een negatieve invloed op de groei.[1] Ook was er in alle hoge inkomenslanden een sterke daling te zien van de productiviteit en een proces van de-industrialisatie, met verlies van “relatief goed betaalde en vaste banen voor lager opgeleide mannen” als gevolg.

De wereldeconomie werd geconfronteerd met macro-economische instabiliteit. In het ene land waren er grote spaaroverschotten terwijl in het andere land er serieuze tekorten optraden op de lopende rekening. Er ontstond een “overmatige schuldenlast” als gevolg van “pogingen om de kwestie van de structureel ontoereikende vraag te tackelen”.

De liberalisering en deregulering zorgden ervoor dat multinationals op zoek gingen naar de goedkoopste belastingtarieven. Zo ontstond “een race to the bottom op dit belastingterrein”. Daarnaast waren er heel wat “mazen in de fiscale wetten”, waardoor multinationals vrolijk belastingen konden ontduiken.

Dat alles heeft de rijke landen jaarlijks zo’n 1 procent van het bbp gekost. Deze bergen kapitaal werden meestal geparkeerd op belastingparadijzen. Wolf vermeldt een studie die aangeeft dat 10 procent van de wereldwijde productie offshore wordt gehouden. Dat is gigantisch veel. Hij vermeldt ook dat België een van de landen is met “een hoog aandeel van het offshore-vermogen in het bbp in vergelijking met het wereldgemiddelde”.

We werden de afgelopen veertig jaar ook getuige van de opkomst van het “rentenierskapitalisme”, dat gekenmerkt wordt door een explosie van wereldwijde financiële transacties en speculatie. “De financiën veranderden van de dienstmaagd van de onderneming in de meesters.” Door deze “financialisering” van de economie “worden zowel menselijke talenten als productiemiddelen verspild”. Deze financialisering “was ook de directe oorzaak van de financiële crises van 2007-2012”.

Politiek

Ook op politiek vlak zijn de gevolgen van de neoliberale koers zeer nadelig. Door de internationalisering van de economie komt de democratische politiek, die nationaal is georganiseerd, onder druk.

“De democratie is veranderd in een technocratie, waarbij meer en meer bevoegdheden gedelegeerd worden aan ‘niet-gekozen instanties’ – centrale banken, constitutionele hoven, regulerende instellingen”. De Europese Unie is daar een goed voorbeeld van.

Grote delen van het beleid worden als gevolg daarvan onttrokken aan het democratisch debat. “Hoe meer nationale identiteit wordt ontwricht door de economische ontwikkeling, hoe minder mensen zich zullen vereenzelvigen met de politiek, en dus ook de economie, en hoe moeilijker het wordt om de verbinding tussen marktkapitalisme en democratie in stand te houden.”

Het terrein waarop de gekozen vertegenwoordigers nog kunnen beslissen, is steeds kleiner geworden. Daardoor heeft de bevolking het gevoel niet langer meester te zijn over haar politieke lot. En dat is een weinig geruststellende vaststelling.

Sociaal

De grootste puinhoop situeert zich op sociaal vlak. Het neoliberalisme heeft een ware kloof geslagen tussen rijk en arm, en die wordt alsmaar groter. Wolf verwijst naar een studie van 2022 van de OESO, de club van rijke landen, die stelt dat de inkomensongelijkheid de afgelopen vijftig jaar nooit zo groot is geweest als vandaag. Bovendien is “in veel landen nu ook de middenklasse onzeker en angstig geworden voor sociale achteruitgang en uitsluiting”.

Daarnaast zijn er de zeer onzekere en slechte werkomstandigheden. Wellicht een kwart van de volwassen bevolking behoort tot het ‘precariaat’: “onzekere banen, geen vooruitzicht op carrière, geen beroepsidentiteit en weinig of geen rechten”. Mede door de tanende invloed van de vakbonden leidde dat ertoe dat “vele leden van de oude, relatief goed betaalde mannelijke arbeidersklasse op drift raakten, met enorme politieke gevolgen”.

Wolf spreekt in dat verband van ‘statusangst’, de angst om omlaag te vallen in de sociale hiërarchie. Die doet zich vooral voor bij degenen die niet helemaal onderaan de maatschappelijke ladder staan. “In westerse landen komt daar nog bij dat witte mensen met een relatief lage opleiding zich bedreigd voelen door etnische minderheden en immigranten, en dat mannen … ook de verbeterende positie van vrouwen als een bedreiging ervaren.”

Financiële crisis en pandemie

Deze economische, politieke en sociale malaise is gedurende decennia opgebouwd, maar werd versterkt door de financiële crisis en de pandemie.

De financiële crisis en bezuinigingspolitiek die daarop volgden waren zeer negatief voor reële inkomens, de werkgelegenheid en de overheidsbegroting. Deze crisis tastte ook het vertrouwen in de kennis en de eerlijkheid van de financiële en politieke wereld aan.

“De directeuren die hun banken (en de wereldeconomie) de grond in boorden, voor de wereldwijde financiële crisis, kwamen meestal weg met grote fortuinen, terwijl het leven van tientallen miljoenen onschuldige mensen kapot was gemaakt.” In de VS heeft slechts één bankier een gevangenisstraf gekregen en in de meeste andere landen niemand.

De pandemie kwam daar bovenop en versterkte de vele problemen uit de financiële crisis. De ziekte zorgde ook voor felle politieke conflicten. Het klimaat van angst, bezorgdheid en stress deden de steun voor politiek extremisme groeien. “Wanneer mensen bang en onzeker zijn, worden ze gevaarlijk boos. Zo simpel is het.”

Populisme in opmars

De puinhopen die het neoliberalisme heeft nagelaten ondermijnen de democratie: “Hoe groter de ongelijkheid, de onzekerheid, het gevoel van verlatenheid, de angst voor onbeheersbare veranderingen en het gevoel van onrechtvaardigheid, des te kwetsbaarder het fragiele evenwicht dat nodig is voor het functioneren van het democratisch kapitalisme.”

Mede doordat “het de gevestigde politiek niet gelukt is om voor een langere periode stabiele welvaart te leveren aan het gros van de bevolking” winnen politieke extremen aan kracht. Mensen koesteren wrok tegen de elites waaronder de politici en volgens Wolf is die wrok ook vaak gerechtvaardigd.

Zo’n situatie leidt tot een hang naar populistische en autocratische leiders. “Als een groot deel van de bevolking niet langer in de gevestigde orde gelooft … dan kan dat deel iemand kiezen die belooft de elite weg te vegen.” Ze verkiezen dan “zelfverzekerde rechtse populisten in plaats van gevestigde politici”.

Dat is in verhouding duidelijk meer het geval bij de laagopgeleiden. Hoe minder zij zich verbonden voelen met de gevestigde politiek en partijen, “des te groter de kans dat ze in de ban raken van een succesvolle demagoog” of “een sterke leider die binnenlandse vijanden kan identificeren en belooft op te treden zonder zich al te zeer over de legaliteit te bekommeren”.

Een wereld in evolutie, een meer vrije, gelijke en cultureel meer diverse wereld wordt door hen ervaren als verwarrend, richtingloos, eenzaam en onzeker. Daardoor ontstaat het verlangen “naar een gezaghebbende visie op de wereld en op zichzelf, en naar een betrouwbare leidraad voor wat ze moeten doen teneinde hun plaats, als individu en als volk, in die wereld veilig te stellen”.[2]

Geen wonder dat de populistische partijen in Europa sinds de financiële crisis sterk gegroeid zijn. In 2007 stemde 15 procent van de mensen in Noord-Europa op een populistische partij. In 2019 was dat al 45 procent. In Zuid-Europa was er ook een verdrievoudiging: van 7 naar 20 procent. (De cijfers dateren van voor Meloni aan de macht kwam in Italië).

Doelbewuste strategie

De geschetste malaise is een ideale voedingsbodem voor het populisme, maar de switch van het electoraat in die richting gebeurt niet alleen spontaan maar is ook het gevolg van “een politieke strategie van een bepaalde bovenlaag”. Populistisch stemgedrag wordt met andere woorden gecreëerd en aangestuurd. Het is een doelbewuste strategie van (een deel van) het establishment om aan crisisbeheer te doen en er zelfs voordeel uit te slaan.

“Zo’n pluto-populistisch[3] systeem heeft opinieleiders en propagandisten nodig om het te rechtvaardigen, verdedigen en promoten.” Christelijke kerken kunnen daarin heel nuttig zijn maar ook de ‘nieuwe’ en ‘oude’ media zijn heel belangrijk. Zo was het imperium van Robert Murdoch een belangrijke factor in de verkiezing van Trump. Ook in Europa zie je hoe radicaal rechtse figuren kunnen rekenen op belangrijke mediasteun.[4]

Trump had in elk geval “een succesvol draaiboek om de middenklasse en armere witte mensen in te zetten voor de belangen van een groot deel van het grote bedrijfsleven”. Maar ook in veel andere democratieën zien we dit draaiboek aan het werk, “namelijk het creëren van raciale, etnische en culturele verdeeldheid in de samenleving”.

En racisme werkt nu eenmaal. “Het sluit aan bij duistere kanten van de menselijke aard: de zoektocht naar identiteit en machtsgevoelens door anderen uit te sluiten. En niets is makkelijker dan wijzen op zichtbare verschillen, zoals kleur.”

Het is ook geen toeval dat het verzet van het rechts populisme gericht is “tegen de academische, bureaucratische en culturele elite, en niet tegen de economische en financiële elite”. Dat is een handige manier om het onbehagen en het anti-establishment-gevoel te kanaliseren in een richting die de belangen en de privileges van de bovenlaag intact laat.

Op die manier wordt de klassenstrijd vervangen door culturele strijd en identiteitspolitiek. Dat is handig meegenomen voor de economische elite.

Waarom naar rechts?

Wolf stelt zich de vraag waarom rechtse populisten in de huidige context succesvoller zijn dan linkse partijen. Hij geeft daarvoor drie redenen. Vooreerst hebben de gevestigde linkse partijen dat voor een groot deel aan zichzelf te danken. In het verleden hebben ze het neoliberale beleid grotendeels overgenomen en boden ze “ook geen wezenlijk ander perspectief”. Het waren ook meer en meer hoger geschoolden die in die partijen de boventoon voerden. Daardoor voelt een deel van de klassieke achterban zich “in de steek gelaten door de gevestigde linkse partijen”.

Ten tweede is de arbeidersklasse verzwakt: arbeid is meer geatomiseerd en de syndicalisatiegraad is verlaagd. De vakbonden zijn “niet meer de machtige stem van de arbeidersklasse” en dat bemoeilijkt het uitrollen van een linkse politiek.

Ten derde heeft “het einde van het communisme” – waarmee hij doelt op de val van de Sovjet-Unie en het Oostblok – het geloof in een links alternatief aangetast. Wolf denkt dat de huidige arbeiders niet geloven dat ze zullen profiteren van een eventuele linkse “omwenteling”.

Dat zijn drie sterke argumenten, maar hij vergeet drie essentiële zaken te vermelden. Vooreerst is er de uiterst belangrijke rol van de media in de kanalisering van het onbehagen naar rechts. De mainstream media zijn nagenoeg volledig in handen van grote kapitaalgroepen. Zij geven rechts en zelfs extreemrechts een voorkeur- of flatterende behandeling terwijl uitgesproken links verketterd of verzwegen wordt. Kijk maar hoe Jeremy Corbyn en Bernie Sanders afgemaakt werden in de media.

In dezelfde lijn kan rechts en ook extreemrechts rekenen op steun van de zakenwereld. Links zal enkel op financiële steun kunnen rekenen als ze haar eigen programma verloochent of voldoende afzwakt en niet raakt aan de fundamenten van de machtsverhoudingen en de inkomensverdeling.

Ten slotte wordt elk links project dat zich wereldwijd aandient steevast geconfronteerd met vijandigheid en sabotage. Het linkse project van de Griekse regering Syriza werd gewoon de nek omgewrongen doordat de Europese Centrale Bank de geldkraan dichtdraaide. Een ander voorbeeld zijn de rampzalige economische sancties tegen Cuba en Venezuela.

Verschillen met de jaren dertig

Eenmaal een populistische leider of partij aan de macht is, wordt er alles aan gedaan om die macht ongebreideld uit te breiden. Dat gebeurt door het ondermijnen van het gezag van “scheidsrechters” (rechters, verkiezingsfunctionarissen, belastingambtenaren), het belemmeren of elimineren van tegenstanders – vooral door controle van de media -, het wijzigen van de grondwet of kieswet en het uitbuiten van een crisis of het zelfs creëren van een crisis “om noodbevoegdheden te krijgen”.

Het is wat we vandaag in Polen en Hongarije aan het werk zien. Het is ook wat we deels onder Trump al zagen en wat hij van plan is om bij een tweede ambtstermijn te doen.

We komen dan terecht in wat Wolf omschrijft als ‘fascisme light’. Hij ziet wel twee duidelijke verschillen met de jaren 20 en 30. Hitler en Mussolini werden door “goed georganiseerde politieke partijen aan de macht gebracht die in hun geval een militair karakter hadden”. Het hedendaags populisme is “veel minder gedisciplineerd”.

Een tweede verandering is de rol van de media, en vooral de opkomst van de sociale media. De klassieke media zoals kranten en radio waren meer gecentraliseerd, in handen van de fascisten was het “eenrichtingsverkeer”. De sociale media zijn daarentegen meer gedecentraliseerd en dus minder controleerbaar en inzetbaar.

Maar dat betekent ook dat je weinig kan doen “tegen de online verspreiding van gevaarlijke onzin, zoals de populariteit van de anti-vaccinatiebeweging heeft bewezen”. Het is voor de populisten “eenvoudiger dan ooit … om ‘geruchten’ te verspreiden en zo de publieke opinie te beïnvloeden”. Wolf stelt vast dat de nieuwste technologie de laatste jaren het effectiefst is gebruikt door de populisten.

Oplossingen

Veertig jaar neoliberaal beleid heeft ons naar de rand van de afgrond gebracht. Daarom moet er “een radicale en moedige hervorming van de kapitalistische economie komen”. Wolf wil terug naar de ‘verzorgingsstaat’ van de jaren 50 tot 80 en inspireert zich ook op de ‘New Deal’ in de VS (jaren 30). “Het blijkt dat de agenda van de grondleggers van de staten van na de Tweede Wereldoorlog nog steeds relevant is. We moeten ernaar terugkeren. Daarvoor moet ook de politiek veranderen.”

Zo’n terugkeer naar die periode is in mijn ogen echter zeer idealistisch en onhaalbaar omdat zo’n beleid toen mogelijk was omdat de krachtsverhoudingen dat toen toelieten. Na WOII was rechts gediscrediteerd, stond de wereld van de arbeid zeer sterk en had het establishment in het Westen schrik van het communisme.

Wolf verwoordt die historische realiteit als volgt: “Met het oog op het communistisch gevaar beseften de grote politieke partijen dat de democratie alleen kon blijven werken als ook de grote uitstekend georganiseerde en politiek machtige arbeidersklasse erin geloofde.”

Omwille van die krachtsverhoudingen, en enkel daarom was er de bereidheid van de elites om verregaande toegevingen te doen aan de arbeidersbeweging om alzo het gevaar van een linkse revolutie te vermijden. Vandaag zijn die krachtsverhoudingen precies omgekeerd en is een terugkeer naar de naoorlogse situatie utopisch zolang die krachtsverhoudingen niet gewijzigd worden.

Los daarvan zijn Wolfs voorstellen in dat verband wel interessant en voor iemand die dicht bij het establishment staat zelfs vrij radicaal. Dat duidt erop dat de schrik bij hem en bij een deel van de elite er goed in zit.

De terugkeer naar de agenda van de New Deal en het programma van een verzorgingsstaat veronderstelt voor hem een aantal zaken. Vooreerst moet de macht van de markt ingeperkt worden. “Om goed te kunnen functioneren, zowel economisch als sociaal, moet de markt zorgvuldig worden ontworpen en gereguleerd, en mag hij niet worden gedomineerd door een klein aantal oligarchen.” Hij gaat daarin ver: “Dat too big to fail or to jail-banken verboden of geketend moeten worden, lijdt geen twijfel.”

Wolf vindt dat de politieke invloed van bedrijven moet ingeperkt worden, denk maar aan het lobbyen. Daarnaast moeten vakbonden een tegengewicht bieden aan de politieke en economische macht.

De staat moet zelf een centrale rol spelen. Zij moet ervoor zorgen dat bedrijven onderworpen worden aan concurrentie, dat de bevolking goed opgeleid is, dat de infrastructuur eersteklas is en dat het technologische onderzoek voldoende wordt gefinancierd. “Voor een welvarende samenleving zijn hoge investeringen van hoge kwaliteit nodig.”

Het is voor Wolf zonneklaar dat de staat in veel landen meer middelen nodig zal hebben om te kunnen zorgen voor goed onderwijs en gezondheidszorg en ook omdat de bevolking vergrijst en zal blijven vergrijzen. Daarom zullen zowat overal de belastingen moeten stijgen om aan de huidige normen te kunnen blijven voldoen.

Dat impliceert ook een radicale taxshift. Volgens Wolf betalen rijke mensen “hoe dan ook weinig of geen belasting”. “De Trumps, de Zuckerbergs en de Buffetts van deze wereld betalen minder belasting dan leraren en secretaresses.” Dat moet veranderen. Wolf pleit voor een “permanente vermogensbelasting zoals Noorwegen en Zwitserland lange tijd hebben gedaan”. Hij rekent voor dat een rijkentaks van 1 procent inkomsten kan opleveren tot 2 procent van het bbp.

Deze voorstellen van Wolf zijn stuk voor stuk oké, alleen maken ze binnen de huidige krachtsverhoudingen geen schijn van kans.

In de geest van Plato hecht Wolf veel belang aan de “maatschappelijke bovenlaag”. “Zonder fatsoenlijke en competente bovenlaag gaat de democratie ten onder.” Hij verwijst hierbij naar de “roofzuchtige, kortzichtige en amorele elite” in landen als “Hongarije, Polen, en zelfs de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk”.

Competent bestuur en hoogwaardige bureaucratie zijn nodig. Het is van essentieel belang om daarvoor kwalitatief hoogstaande mensen aan te trekken en ze er voldoende voor te betalen.

Het kiessysteem is volgens Wolf aan een grondige remake toe. Hij is bijzonder scherp voor de manier waarop de huidige representatieve democratie functioneert. De huidige verkozenen omschrijft hij als “vaak ambitieuze, gewetenloze, fanatieke, onevenwichtige en, niet-representatieve mensen die representatief gekozen organen vullen”. Zij werken met “manipulatieve campagnes, die door de hedendaagse informatietechnologie nog schadelijker zijn geworden”.

Hij doet een aantal voorstellen om het politieke stelsel te versterken. Hij denkt daarbij aan een “Kamer van Verdienste”,[5] een systeem van loting om parlementairen aan te duiden, een panel met experten en referenda. Ook moet er een verbod komen op politieke donaties door bedrijven of buitenlanders aan politieke partijen. De voorstellen zijn mijns inziens niet alleen weinig overtuigend, ze zullen de fundamentele problemen waarmee we worstelen ook niet echt kunnen aanpakken (zie verder).

De media moeten nieuw leven ingeblazen worden. Er moet vooral strijd gevoerd worden tegen de flagrante desinformatie, zowel in delen van de “oude media” als in de “machtige sociale media”. Hij doet daarvoor een aantal voorstellen.

Wolf breekt een lans voor openbare omroepen. Hij wil een beperking op politieke reclame, ook op sociale media. Hij is voorstander van overheidssteun aan de media om de diversiteit aan hooggekwalificeerde nieuwsbronnen te behouden. Anonieme commentaren en berichten moeten geëlimineerd worden en er is een strengere controle nodig op bedrijven als Facebook door middel van hogere boetes en toezicht op de algoritmes.

Dit zijn eerder ‘brave’ voorstellen, maar zelfs die maken in het huidig krachtenveld weinig kans van slagen.

Een laatste aspect voor het herstel van de democratie is de noodzaak van goed burgerschap. “Wil een democratisch politieke gemeenschap goed gedijen, dan moet er een overkoepelend en door iedereen gedeeld gevoel van identiteit bestaan.” Het gaat om een “wederzijdse verbondenheid” die tot uiting komt in “vaderlandsliefde”.

Vaderlandsliefde is de toewijding aan een bepaalde plaats en een manier van leven, maar die men niet wil opdringen. Daarin verschilt het van nationalisme, dat onlosmakelijk verbonden is met het verlangen naar macht en prestige.[6]

Voor Wolf zijn vaderlandsliefde en burgerlijke deugdzaamheid twee kanten van dezelfde medaille. Burgerlijke deugdzaamheid is het “inzicht dat burgers verplichtingen hebben jegens elkaar. […] Een samenleving die dergelijke deugen ontbeert, dreigt te verwilderen en wanordelijk te worden”.

“Voor de overgrote meerderheid van de gewone mensen is burgerschap een bron van trots, veiligheid en identiteit.” Volgens Wolf was een grote fout van de traditionele elite “haar minachting voor vaderlandsliefde, voor de vaderlandsliefde van de arbeidersklasse”. Mijns inziens geldt dat ook voor de traditionele linkerzijde, die in het verleden nationalisme en vaderlandsliefde op een hoop heeft gegooid. De argumenten die Wolf over deze kwestie aanhaalt zijn in elk geval het overwegen waard.

Inconsequent

Het opus magnum van deze topeconoom is zeer interessant omdat het bijna alle ingrediënten bevat van een vlijmscherpe, materialistische[7] analyse van de hedendaagse maatschappij. Hij ontrafelt de totaal scheefgegroeide krachtsverhoudingen die aan de oorzaak liggen van de ongelijkheid of het disfunctioneren van het politieke stelsel.

Het probleem is dat hij zijn analyse niet consequent doortrekt of kan doortrekken omdat hij dan het kapitalisme als dusdanig in vraag zou moeten stellen. Het is precies dat systeem dat hij wil redden.

Voor een uitweg uit de huidige crisis van het kapitalisme neemt hij daarom uiteindelijk zijn toevlucht tot moralistische of idealistische voorstellen. Zo bijvoorbeeld stelt hij “dat een samenleving die op hebzucht gebouwd is, geen stand kan houden. Wil een samenleving succesvol zijn, dan moet ze doordrongen zijn van andere morele waarden, zoals plichtsbetrachting, eerlijkheid, verantwoordelijkheidsgevoel en fatsoen. En deze waarden … moeten leidend zijn in het economische leven”.

Hij verwacht heel veel van de moraliteit van de economische en politieke bovenlaag van onze samenleving: “De liberale democratie … is uiteindelijk afhankelijk van de eerlijkheid en de betrouwbaarheid van de mensen die de verantwoordelijkheid dragen”.

We wezen al op het utopisch en idealistisch karakter om terug te willen keren naar de verzorgingsstaat. Bij wijlen grenst zijn idealisme aan naïviteit. Twee voorbeelden: “We hebben inderdaad een probleem met de doelstellingen van de onderneming en het model van een ondernemingsbestuur waarin de belangen en de macht van de aandeelhouders overheersen.” “Maar waarom onmetelijk rijke mensen zo veel moeite doen om geen belasting te betalen, gaat ieder redelijk mens boven de pet.”

Winstmaximalisatie op basis van productie in privéhanden en door middel van het zich toe-eigenen van de meerwaarde[8] van arbeid is de essentie van het kapitalisme. Winstmaximalisatie is geen kwestie van immoraliteit of hebzucht, het is een wetmatigheid die opgedrongen wordt door de concurrentie.

Grote sociale ongelijkheden, monopolievorming, superwinsten en veel door Wolf opgesomde andere kwalen zijn geen excessen van het systeem, maar volgen rechtstreeks uit de logica ervan. Onder gunstige krachtsverhoudingen kan je ze misschien wat temperen maar niet ongedaan maken.

Het feit dat Wolf deze ‘inconvenient truth’ (ongemakkelijke waarheid) ontwijkt doet echter geen afbreuk aan de grote waarde van het boek. Als je de moralistische en idealistische dimensie eruit haalt en je trekt zijn argumentatie consequent door, dan krijg je een vlijmscherpe analyse van hoe het kapitalisme in elkaar steekt.

We werken daarvan drie aspecten uit: de verhouding staat en kapitaal, het fundamenteel probleem van elke democratie en het fascisme als crisisbeheer.

Verhouding staat en kapitaal

In het kapitalisme mag het kapitaal niet zelf regeren maar moet er een scheiding zijn tussen politiek en economie, of in de woorden van Wolf “tussen macht en vermogen”. De economie heeft de staat nodig om de markt te reguleren, om te arbitreren tussen verschillende kapitaalgroepen, om optimale voorwaarden te scheppen voor economische groei (infrastructuur, onderwijs, …), enz.

De staat moet sterk genoeg zijn, maar ook niet te sterk, het moet de economie en de markt voldoende ruimte geven. Wolf spreekt van een “geketende Leviathan”.[9] Omgekeerd mag de overheid “niet in de greep zijn van de machtigste economische actoren”. Het gaat om een “fragiel evenwicht”.

Dat ideaalbeeld staat echter haaks op de realiteit die Wolf zelf schetst doorheen zijn boek. Zo vindt hij dat de politiek een tegengewicht zou moeten zijn tegen de machtsmisbruiken van de economische wereld. Maar zo werkt het niet volgens hem.

Hij verwijst naar de grondlegger van het liberalisme, Adam Smith die waarschuwde voor “de neiging van de machthebbers om het economische en politieke systeem zodanig naar hun hand te zetten dat het ten koste gaat van de rest van de bevolking”.

Adam Smith zelf windt er in elk geval geen doekjes om: “Voor zover de burgerlijke regering is ingesteld ter bescherming van de eigendom is de staat in feite ingesteld voor de verdediging van de rijken tegen de armen, van degenen die enig eigendom bezitten tegen degenen die in het geheel geen eigendom hebben.”

Het probleem zit hem voor Wolf bij “grote bedrijven”. Zij zijn wel “motoren van welvaart. Maar het nadeel is dat ze heel veel economische en politieke macht hebben, een macht die ze kunnen misbruiken, en dat doen ze ook.” Hij heeft het onder andere over monopolies en zogenaamde systeemintegratoren die op hun eentje grote delen van de wereldhandel domineren en een omzet hebben die vaak groter is dan het bnp van heel wat landen.

In verband met de macht van het financieel kapitaal citeert hij Franklin Roosevelt, de VS-president die de New Deal lanceerde: “We weten nu dat het net zo gevaarlijk is wanneer het georganiseerde geld regeert als wanneer de georganiseerde misdaad regeert.”

Het probleem is dat vermogende personen via allerhande wegen “grote en directe invloed hebben op de politiek”. Ze spelen een dominante rol “bij het uitzetten van het overheidsbeleid”. In dat verband citeert Wolf welwillend twee politieke analisten: “De meerderheid regeert niet, althans niet in de causale zin dat zij de gevolgen van het beleid daadwerkelijk bepaalt. […] Wanneer een meerderheid van de bevolking het oneens is met de economische top of met georganiseerde belangen, verliest zij meestal.”

“Democratie is te koop” zegt Wolf. Anders gezegd, het kapitaal regeert niet maar heerst wel.

Als we de elementen hierboven op een rijtje zetten en dat bekijken vanuit de klassen in de samenleving dan kunnen we stellen dat de politieke arena twee elementaire functies heeft: het smeden van cohesie tussen de klassen en arbitrage tussen de verschillende fracties van de leidende klasse.[10] Om dit voor elkaar te krijgen, hebben de politieke leiders een zekere speelruimte nodig. Die is noodzakelijk om soepel te kunnen inspelen op de veranderende omstandigheden en op nieuwe uitdagingen.

De autonomie waarover de politici beschikken, is echter beperkt. De regering kan niet rechtstreeks ingrijpen in het productieapparaat en een eventuele economische politiek is sterk gelimiteerd. Nog belangrijker is het soort vetomacht waarover de kapitalistische klasse beschikt. Als ze dat wil, kan ze de economie van een land in een wurggreep houden. Dat gebeurde bijvoorbeeld in Chili net voor de staatsgreep in 1973, in Venezuela in 2003 en in Griekenland in 2015.

De staat ligt als het ware aan de leiband van het kapitaal. De ketting kan lang of kort zijn en geeft aan hoe groot de manoeuvreerruimte is van de regering, maar uiteindelijk ligt de ketting wel stevig vast.[11] Dat is ook de reden waarom de voorgestelde maatregelen van Wolf om het politieke stelsel te hervormen weinig of geen effect kunnen hebben.

Hoewel Wolf zelf tot die vaststelling komt, trekt hij er de nodige conclusies niet uit. Om de al te grote machtspositie en misbruiken van de monopolies te counteren moeten “democratisch gekozen politici tegengewicht kunnen bieden. […] Dat veronderstelt echter een neutraal politiek proces waarin goedwillende wetgevers doen wat goed geïnformeerde kiezers willen. Maar zo gaat het helemaal niet.” (onze cursivering)

De sleutel om de fundamentele maatschappelijke problemen aan te pakken ligt niet zozeer bij de politieke wereld en de wijze waarop de besluitvorming daar wordt georganiseerd, maar bij “de enorme machtsongelijkheid” op economisch vlak. En die machtsongelijkheid is onderdeel van het DNA van het kapitalisme en aan de grondslagen daarvan wil Wolf niet raken.

Het grondprobleem van elke democratie

Plato en Aristoteles zijn de meest gekende grondleggers van het politiek denken in het Westen en zijn een belangrijke inspiratiebron voor Wolf. Beide Griekse denkers werden al geconfronteerd met een fundamenteel dilemma:

Democratie betekent letterlijk dat de macht bij het volk ligt en dus bij de arme(re) meerderheid. Maar, als die armen hun numeriek overwicht daadwerkelijk inzetten om hun (economische) belangen te doen gelden, dan is het snel afgelopen met de rijkdom en privileges van de elite, en dat is natuurlijk niet de bedoeling.

Wolf verwoordt dit grondprobleem als volgt: “Je kan verwachten dat zodra de ongelijkheid een bepaald niveau bereikt, de weinige rijken de democratische vertegenwoordiging van de arme massa willen terugdringen.”

Deze kwestie laat zich het scherpst voelen bij het heffen van belastingen, waarvan de herverdeling van de rijkdom een belangrijk aspect kan zijn: “Het vermogen van een gekozen wetgevende macht om te bepalen wat, hoe en hoeveel er wordt belast, is dan ook het meest fundamentele kenmerk van democratie.”

Omwille van dat dilemma waren Plato en Aristoteles tegen een democratische staatsvorm. Aristoteles: “In de democratie zijn de armen koning omdat ze met meer zijn en omdat de wil van het grote aantal de kracht van wet heeft.” En dat is voor hem geen goede zaak.

Voor deze Griekse wijsgeer is alleenheerschappij wel uit den boze. Politieke discussie en tegensprekelijk debat zijn belangrijk en nodig om de verschillende fracties van de elite met elkaar in evenwicht te houden. Het dilemma werd opgelost door de deelnemers aan het politieke debat te beperken. In het democratische Athene was debat voorbehouden voor een kleine elite, van ongeveer tien procent van de Griekse polis.[12]

De Griekse ‘democratie’ heeft niet lang stand gehouden en was een zeldzame uitzondering in de geschiedenis. Tot aan het eind van de Middeleeuwen was er van democratisch debat geen sprake, het was de adel die tot dan toe de plak zwaaide. Met de opkomst van het kapitalisme ontstond een nieuwe, rijke klasse die zijn deel van de macht ging opeisen.

De burgerlijke revoluties zorgden voor een herverkaveling van de macht en voor een nieuw politiek stelsel dat rekening moest houden met de nieuwe krachtsverhouding. De ‘scheiding der machten’ en de opsplitsing tussen Senaat en Kamer bijvoorbeeld waren bedoeld om het conflict tussen de adel en de opkomende burgerij te bedwingen.

Wolf verwoordt het zo: “Het marktkapitalisme vereiste een meer egalitair politiek systeem”. De discussies in het parlement waren nodig om de belangen van de verschillende fracties van de burgerij een plaats te geven en er een evenwicht tussen te bereiken.

Maar net zoals in Athene werd de politieke discussie beperkt tot de elite. Enkel de vermogende burgers kregen stemrecht en konden zich laten vertegenwoordigen in het parlement, het zogenaamde cijnskiesrecht. Het zou nog een hele poos duren vooraleer iedereen stemrecht krijgt.

Wolf merkt in dat verband op dat het Verenigd Koninkrijk “tot ver in de negentiende eeuw in wezen monarchaal of aristocratisch” was, dat de grondwet van de Verenigde Staten “doelbewust zo opgesteld was dat de wil van de meerderheid in meerdere opzichten werd beperkt” en dat het “algemeen kiesrecht een opmerkelijk recente ontwikkeling is”.

Het was met andere woorden niet de bedoeling dat de werkende bevolking mee zijn zeg zou krijgen. De burgerij en de parlementairen hebben er alles aan gedaan om te verhinderen dat de numerieke meerderheid van de werkende bevolking zich vertaalde in politiek overwicht. Daarom hebben ze het algemeen stemrecht zo lang mogelijk proberen tegen te houden.

Maar onder toenemende druk en bikkelharde strijd hebben ze dat uiteindelijk moeten toestaan. De “representatieve democratie … was het resultaat van een langdurige strijd”, schrijft Wolf.

Om ervoor te zorgen dat de economische privilegies intact bleven en het niet tot een al te grote herverdeling van de rijkdom zou komen werden allerhande trucs en mechanismen bedacht.[13] Met succes. Het huidig burgerlijk parlementair stelsel is bijzonder functioneel gebleken om aan de gewone mensen de schijn van medezeggenschap te geven, terwijl het de fundamentele economische ongelijkheid intact laat.

“Hoe kan het immers dat een politieke partij die opkomt voor de financiële belangen van de bovenste 0,1 procent van de inkomensverdeling, de macht wint en behoudt in een land met algemeen kiesrecht?”, vraagt Wolf zich geërgerd af.

De elites kunnen de schijn hoog houden zolang de ongelijkheid niet te groot is, zolang er voldoende economische groei is en zolang er goede toekomstperspectieven zijn. Indien dat niet het geval is, valt de schijn weg en komt het grondprobleem in alle scherpte naar boven en davert het systeem op zijn grondvesten.

Net zoals in de jaren dertig beleven we opnieuw zo’n periode. En dat brengt ons bij het laatste punt.

Fascisme als crisisbeheer

Sinds zijn ontstaan heeft het kapitalisme verschillende regeringsvormen gekend, gaande van democratische republieken, monarchieën en militaire dictaturen tot fascistische regimes. In ‘normale’ omstandigheden is de economische elite geen voorstander van autoritaire regimes omdat ze er meestal minder vat op heeft en omdat die regimes gevaarlijk onvoorspelbaar kunnen zijn.

De burgerlijke regimes, met hun spel van wisselende meerderheden en hun voorspelbaar en gewillig karakter, genieten de voorkeur van de leidende klasse. Zij geven aan de bevolking ook de schijn van medezeggenschap.

Maar bij een ernstige sociaaleconomische crisis worden de bezwaren tegen autoritaire regimes opzij geschoven om het hele systeem te vrijwaren. In de jaren dertig zag een groot deel van de kapitalistische klassen geen graten in een alliantie met de fascisten in bijna alle landen van West-Europa. In de jaren zestig en zeventig herhaalde dat fenomeen zich in Latijns-Amerika.

Wolf verwoordt het niet zo scherp maar ziet doorheen de voorbije anderhalve eeuw wel een verband tussen de economische conjunctuur en het democratische gehalte. “Het patroon van voor- en tegenspoed in het marktkapitalisme en vooral de mondialisering loopt in opvallende mate gelijk op met dat van de democratisering.”

Het is op zo’n moeilijke momenten dat de economische elites “een pact met de duivel sluiten” ook al hebben ze “geen greep op de man of de krachten achter hem”.[14] De nazi’s, zo weet Wolf, werden gesteund door de “succesvolste zakenlieden”. Dat gold ook voor Mussolini. Zijn mars op Rome had niet kunnen plaatsvinden zonder dat Italiaanse zakenleiders de fascistische squadrons financierden.

Zo’n pact met de duivel wordt vergemakkelijkt door het feit dat in die omstandigheden “onder de bevolking veel onzekerheid, angst en woede heerst” en dat er een verlangen is naar een “sterke leider”. Gebruikmakende van die onzekerheid en dat onbehagen proberen die autocratische leiders een massa-aanhang te verwerven. Trump heeft dat gerealiseerd op basis van zijn ‘culture wars’ (cultuurstrijd).

“Leden van deze plutocratie hebben ook het politieke debat afgeleid van de economische ongelijkheid, door gebruik te maken van identiteitspolitiek van het etnisch-nationalisme. In de VS heeft de alliantie tussen plutocratie en de witte arbeidersklasse Trump aan de macht geholpen.”

Vandaag zien we hoe het neoliberalisme zich uitstekend schikt met autoritaire regimes. Dat is duidelijk zichtbaar in Europese landen zoals Hongarije, Polen, Italië, Frankrijk of in Brazilië (onder Bolsonaro) en Bolivia (onder Jeanine Añez) in Latijns-Amerika. “Het populisme is weer een verbond aangegaan met het nationalisme”, schrijft Wolf.

Wolf trekt de redenering niet helemaal door, maar de geschiedenis levert voldoende materiaal om te concluderen dat autoritaire regeringsvormen, militaire dictaturen en in het verleden fascistische regimes de uiterste vormen zijn van de macht van economische elites. Ze zijn hun plan B en vormen de laatste redplank om het systeem overeind te houden.[15]

*                  *                 *

Voor Wolf is het kapitalisme het enig verkieslijk systeem. Maar, als je alle elementen op een rij zet die hij zelf aanbrengt en je denkt ze consequent door, dan is het maar zeer de vraag of de burgerlijke democratie te redden valt door te blijven zweren bij dit systeem. Ik laat het oordeel daarover graag over aan de lezer.

Martin Wolf, ‘De crisis van het democratisch kapitalisme’. Spectrum, Amsterdam, 541 pagina’s.

Notes:

[1] Rijken consumeren proportioneel minder van hun inkomen dan armen. Wolf citeert in dit verband een studie van de OESO, de club van de rijkste landen, die stelt dat de economische groei “belemmerd wordt als de laagste inkomens achterblijven”.

[2] Martin Wolf citeert hier Shwan W. Rosenberg, ‘Democracy Devouring Itself: The Rise of the Incompetent Citizen and the Appeal of Right Wing Populism’.

[3] Plutocratie is een bestuursvorm waarin de rijksten aan de macht zijn en de wetgeving voor grote groepen binnen een samenleving kunnen bepalen.

[4] Enkele voorbeelden: Berlusconi, de gangmaker van Meloni, controleerde een groot deel van de Italiaanse media. In Frankrijk kan de ultrarechtse Zemmour rekenen op de steun van miljardair en mediamagnaat Vincent Boloré. In Hongarije heeft Orban een verregaande controle verworven op de media.

[5] Dat is een soort niet-gekozen senaat met een beperkte zittingstermijn, waarbij elk jaar een deel wordt vervangen. De leden ervan zijn mensen “met uitzonderlijke prestaties in een breed maatschappelijk scala, zoals recht, nationale en internationale politiek, overheidsdienst, bedrijfsleven, vakbonden, media, academische wereld, onderwijs, maatschappelijk werk, kunst, literatuur, sport, enzovoort”.

[6] Wolf haalde dit onderscheid bij George Orwell.

[7] Een materialistische analyse kijkt naar de belangen die op het spel staan en de krachtsverhoudingen. Een idealistische analyse kijkt naar de ideeën en waarden die de actoren drijven.

[8] Elke arbeider of bediende produceert meer rijkdom dan wat zij of hij aan loon ontvangt. Dat ‘meer’ wordt de ‘meerwaarde’ genoemd. Zij is de bron van winst. Zonder die meerwaarde of winst zou een werkgever geen personeel aanwerven of in dienst houden.

[9] Leviathan verwijst naar een boek van de politieke filosoof Thomas Hobbes. In dat boek staat Leviathan voor de staatsmacht, de soeverein, die voor ieders bestwil heerst over de burgers.

[10] De regering moet sociale toegevingen kunnen doen aan de lagere klassen en compromissen kunnen sluiten over secundaire kwesties om de politieke steun van de meerderheid niet te verliezen. De staat kan ook onmogelijk aan de noden en vragen van alle fracties van het kapitaal tegelijk tegemoet komen. Wat goed is voor de ene fractie is dat niet noodzakelijk voor de andere.

[11] Ralph Miliband heeft dat uitstekend geanalyseerd. Zie bijvoorbeeld zijn boek ‘The State in Capitalist Society’, London 1969.

[12] Bij die 10 procent ging het om de ‘vrije’ mannen, d.w.z. mannen die hun kost niet moesten verdienen. Slaven, vrijgelatenen, vreemdelingen, vrouwen, maar ook kleine boeren, handwerkers, ambachtslui, winkeliers en handelaars werden uitgesloten van het politieke leven.

[13] Denk maar aan het ‘integreren’ van de radicale arbeidersbewegingen in het systeem, de controle op de media, de belangrijke sociaaleconomische beslissingen buiten het parlement houden, enz. Zie Waarom miljonairstaks kern van de democratie is.

[14] Wolf verwijst hier naar Trump.

[15] Miliband R., ‘Politieke theorie van het marxisme’, Amsterdam 1981, p. 59-60 en 89-91.

Bron: De Wereld Morgen

Van de privé naar het onderwijs: “Vroeger lachten ze met de vele vakanties. Nu vrezen ze dat je een burn-out krijgt”

De school, een warme thuis. Het lijkt evident, maar vaak wordt het beeld aangetast door grote werven en kleine ergernissen. Toch heeft het onderwijs nog altijd aantrekkingskracht, vertellen deze twee directeurs, die de sprong maken uit de privésector. “Die alarmbellen die afgaan zijn eigenlijk niet slecht. Nu weet iedereen: onderwijs is héél belangrijk.”

Hij heeft een grote bos bloemen mee. En een gezonde dosis jaloezie, als hij dat blinkende gebouw ziet. Zij zoekt nog wat onwennig naar de sleutel om de gouden poort mee te openen. De eerste ontmoeting tussen Joos Van Goethem en Corine Versteylen is hartelijk. De rust op de Egied Van Broeckhoven-school, net voor de start van het schooljaar, doet hen deugd. Maar vooral: het contrasteert met de storm in hun hoofd in de aanloop van 1 september.

De twee staan aan de start van een nieuw hoofdstuk in hun leven. Zij wordt directeur van ‘Egied’, een gloednieuwe school in Sint-Jans-Molenbeek. Hij wordt directeur van het Xaveriuscollege in Borgerhout. Van Goethem erft een honderdjarig instituut, een mastodont met 1.500 leerlingen. Versteylen begint ‘from scratch’ – ze leidt een start-up met dit jaar een honderdtal eerstejaars. En terwijl hij over de grandeur van zijn experimentele schoolgebouw uit de jaren 60 spreekt, pronkt zij met haar energiezuinige en lichtrijke nieuwbouw. Alles is er nieuw: de banken, de digitale borden, de muntgroene tegeltjes. Het werkt aanstekelijk. “Mijn mond valt open. Jij start van een compleet wit blad; hoe waanzinnig. De kasten zijn hier leeg. Bij mij valt er al eens af en toe een lijk uit.”

De directeurs stappen beiden over van de privésector. Van Goethem, die onder meer woordvoerder van de Antwerpse schepen Tom Meeuws (Vooruit) was, loopt de komende zes maanden mee met de afscheidnemende directeur. Versteylen, die overkomt als marketingmanager van Vlerick Business School, is al sinds oktober vorig jaar aanwezig op haar school/werf. Ze nam de tijd om mensen rond zich te verzamelen en zich in te werken.

Wat heeft jullie de stap naar onderwijs doen zetten?

Van Goethem: “Ik ben ooit zonder groot plan in het onderwijs begonnen. Na mijn studies heb ik bijna acht jaar lesgegeven. En eerlijk, ik raad dat alle afgestudeerden zonder plan aan. Je komt terecht in een warme thuisomgeving, en tegelijk ben je zeer intensief met jonge mensen bezig. Je leert flexibel te zijn, goed en slecht nieuws te brengen, empathisch te worden. Door les te geven ben ik volwassen geworden. En in die acht jaar ben ik par accident verliefd geworden op de sector. Ik ben daarna in de privé gestapt, omdat ik zin had in iets anders dan lesgeven. Maar ik wist dat ik ooit terug zou keren. Dat is nu het geval, en het voelt heel juist aan.”

Versteylen: “Het mooie aan onderwijs is dat je een klein steentje bijdraagt aan de groei van mensen. En die inspanning komt de samenleving ten goede. Jongeren krijgen vertrouwen, kennis en vaardigheden mee om zaken te veranderen. Dat proces mogen meemaken, even reisgenoot zijn, dat raakt mij in onderwijs. Ik heb het al gezien in het hoger, en ik denk dat het in het secundair nog straffer zal zijn. Tieners gaan door een enorm proces.”

Van Goethem: “Aboluut. Iedereen herinnert zich de periode in het middelbaar. Dat is gek; van zes jaar in een heel mensenleven weten we nog zoveel. En soms gaat het om kleine, maar significante details. Wat een bepaalde leraar ooit op een bepaald moment tegen jou gezegd heeft. Ik kom nog steeds leerlingen tegen die zeggen: “Ah, je hebt toen dat gezegd.” Heel opmerkelijk, dat heb je in geen enkele andere sector.”

Jullie stappen niet zomaar in het onderwijs, jullie worden directeur. Een job die volgens cijfers en verhalen erg zwaar is. Hoe bereid je je daarop voor?

Versteylen: “Je vraagt hoe we het vol gaan houden? (lacht) Kijk, wij zijn als school echt een start-up. Nu beginnen hier honderd leerlingen, over zes jaar zijn we met 840. We hebben tijd om te groeien. Ik ben zeer ongeduldig en bij het team merk ik heel veel energie. Het is vooral zaak om stap voor stap te gaan. Dat betekent: geen driehonderd dingen tegelijk doen.”

Van Goethem: “Ik heb me omringd met een soort raad der wijzen. Mensen buiten het onderwijs die ik kan bellen voor een ander inzicht of een nieuw perspectief. In het leven moet je je altijd omringen met mensen die slimmer zijn dan jij – slimmer in de breedste zin van het woord. Ik kom ook op een plek terecht met heel veel wijsheid. Daarnaast ben ik van nature niet overdreven perfectionistisch. En dat heeft mij al ongelofelijk ver gebracht in het leven. Ik zie mensen alleen maar ten onder gaan aan extreem perfectionisme. Ook in het onderwijs: leerkrachten die eronderdoor gaan zijn zij die willen dat elke les perfect is. Maar dat kan niet, dat besef heb ik altijd gehad. Een van mijn roemruchte voorgangers heeft me toevertrouwd: “Perfectionisme, het had bij de zeven hoofdzonden moeten zitten.””

Joos, je komt net als je vader, Herman Van Goethem, die rector is aan de UAntwerpen, aan het hoofd van een grote organisatie. Heeft hij je iets meegegeven?

Van Goethem: “Zeker niet zo letterlijk. Maar we zijn wel alle twee fan van grote instituties. Met grote structuren kun je veel doen. We zouden hele slechte zelfstandigen zijn.”

Onderwijs is de laatste jaren vaak negatief in het nieuws gekomen. Hoe hebben jullie dat als toeschouwer ervaren?

Versteylen: “Ik heb daar moeite mee. Ik zit er nu al een paar maand met m’n neus op: als je ziet hoeveel mooie dingen gebeuren en hoeveel engagement er is – dag en nacht met de voeten in de modder staan om te maken dat het voor leerlingen goed komt. Ik vind het jammer dat dat overschaduwd wordt. Ja, er zijn grote uitdagingen, maar voor je het weet zitten we met z’n allen te kijken naar wat er niet goed gaat. Daar hoop ik uit te kunnen blijven.”

Van Goethem: “Ik weet niet of ik het daar helemaal mee eens ben. Ik vind dat eigenlijk niet slecht, die alarmbellen over de slechte Pisa- en Pirls-testen en de vele berichten over het lerarentekort. Plots heeft iedereen door: dat onderwijs, dat is héél belangrijk. Als ik vroeger op café ging, lachten ze met de korte lessen en vakanties. Als ik vandaag zeg dat ik in het onderwijs sta, is de reactie: “wow, shit, ça va?” Ze vragen of je niet tegen een burn-out aanschurkt. Verder ben ik vrij optimistisch. Er komen veel nieuwe mensen naar het onderwijs. Dat geeft een nieuwe dynamiek.”

Versteylen: “Akkoord. De sense of urgency is er, maar nu is het tijd om te zeggen: hup, vooruit, gas geven. Een kat een kat noemen, is belangrijk. Maar met veel energie er positief tegenaan gaan om er iets aan te doen, dat is nog veel belangrijker.”

Van Goethem: “Het onderwijsdebat is de laatste twintig jaar wel op een foute manier gevoerd. Als je voor excelleren was, dan was je tegen gelijke kansen. Idem met de breuk tussen welbevinden en welslagen. Het stoort me dat die twee tegen elkaar werden opgezet. Ik heb ook gezien in leraarskamers dat het tot discussies leidt waarbij mensen worden weggezet voor links of rechts of wat dan ook. Dat het onderwijsdebat zo gepolitiseerd is geraakt, dat heeft niet geholpen in de praktijk. Ik heb wel de indruk dat iedereen nu weet: je moet inzetten op én hoog excelleren én breed ondersteunen. Voor de volle 100 procent. En dat je inzet op hoog excelleren, doe je in de eerste plaats voor de groep die dat het meest nodig heeft: dat zijn de nieuwe pioniersstudenten van wie er binnenkort heel veel in de school van Corine en mij zullen binnenkomen.”

Goede grond doorgeven

Beide directeurs komen uit ‘dezelfde goede grond’. Ze zijn producten van het jezuïetenonderwijs en koesteren de visie bij hun terugkeer nog altijd. Meer zelfs dan vroeger. “In ons opvoedingsproject staat de zin: “Vertrouwen krijg je van bij aanvang voor de volle 100 procent. Je moet het niet verdienen.” Kijk, dat vind ik fantastisch. Daar kan ik een jaar goed op gaan. Ik krijg daar kippenvel van”, zegt Van Goethem. Ook Versteylen heeft zo’n zinnetje. Het staat zelfs op de gevel van haar nieuwe school. ‘En todo amar y servir.’ Vrij vertaald: heb in alles lief en dien. “Je moet niet alleen proberen het maximum uit jezelf te halen, je moet vooral je eigen talenten en je positie gebruiken om de mensen rondom je op te tillen.”

Hun scholen proberen met die filosofie de goede grond door te geven. Beiden zijn dan ook op dezelfde ambitie geschoeid: ze willen een rijk programma aanbieden en willen sociale mobiliteit bewerkstelligen. De emancipatorische rol die het Xaveriuscollege speelde voor de Vlaamsgezinde arbeidersklasse na de Eerste Wereldoorlog, is vandaag opnieuw relevant in het superdiverse Borgerhout. Ook Egied is ingebed in een buurt met veel anderstalige jongeren en kwetsbare gezinnen.

Hoe gaan jullie de ambitie van het jezuïetenonderwijs waarmaken?

Versteylen: “Ik hoop dat we als school een maatschappelijke rol gaan spelen. Voor mij moet dat een rode draad zijn doorheen dit project. We willen geen eiland zijn. Een van de speerpunten van de jezuïeten is: kwetsbare mensen nabij zijn. Daarom hebben we voor Molenbeek gekozen, een van de armste gemeentes van België. We hadden ook een prestigieus college in Elsene kunnen openen. Niet dus. We hopen hier echt mee het verschil te maken.”

Van Goethem: “We zijn in onderwijs bezig met vorming. Niet alleen met lesgeven. Dat is mijn kompas. Vanaf dit schooljaar starten we bijvoorbeeld met taallessen voor anderstalige moeders op school. Waarom? Omdat een kind is ingebed in een gezin, een gezin in een wijk, een wijk in een stad. Je kunt niet alles oplossen in onderwijs, maar een opvoedingsproject is er niet alleen voor kinderen. Dat is er ook voor leraars en ouders.”

Jullie werken beiden in een superdiverse stad. Welke uitdagingen brengt dat mee?

Van Goethem: “Een van de uitdagingen waarmee wij worstelen is schoolse vertraging. Al de kinderen in onze school hebben – meer dan vroeger – een verschillend pad afgelegd. Dat komt allemaal samen in één ruimte en je moet daar zo goed mogelijk onderwijs aan bieden.”

“Dat kan, denk ik, alleen als je taboes overboord gooit. Beeld je de ene leerling in die aan het Rivierenhof woont, een grote kamer heeft en ouders met een goeie job die weten wat het verschil is tussen zes en acht uur wiskunde. Naast hem zit een andere jongen die in een klein tweekamerappartement woont aan de Stenenbrug, met een alleenstaande moeder die het onderwijslandschap hier niet kent. Dat het traject van de ene iets langer kan duren dan van een andere: je moet echt geen kernfysicus zijn om dat te begrijpen, dat is niet zo vreemd. In het hoger onderwijs heet dat trouwens anders: studieduurverlenging, dat is helemaal anders dan je jaar overdoen. Als je iets langer doet over het middelbaar, maar daardoor wel op de juiste plek terechtkomt: dat is oneindig veel waardevoller.”

Versteylen: “Bij ons wordt het een echte zoektocht naar wat ons bindt. Dat wordt een interessante uitdaging. Ik ben wel een beetje ontgoocheld in mezelf omdat ik weinig diversiteit in het team heb gekregen. Dat stond in mijn allereerste boekje helemaal bovenaan mijn lijstje. Ik heb er ook actief op ingezet. Er is op heel veel vlakken diversiteit, maar te weinig op het etnisch-culturele en het religieuze. Ik geloof dat het een enorme meerwaarde is voor het schoolteam en de leerlingen. Er zijn nog te weinig leerkrachten van kleur. En zonder die rolmodellen blijft dat probleem zich voortzetten.”

Van Goethem: “Dat klopt absoluut. En hetzelfde geldt voor de genderbalans bij leerkrachten. Ik vind dat ook een groot probleem – zonder het te rangschikken. Er zijn vandaag veel jongens die tot hun 12 jaar nooit een man in een gezagsfunctie zien, behalve hun vader. Ik vind dat problematisch.”

De Egied Van Broeckhoven-school wordt een domeinschool. Wat houdt dat in?

Versteylen: “Onze school is als een werf. Je hebt architecten, werfleiders, metsers en schilders nodig om een nieuwbouw te realiseren. Al die mensen komen hier samen om gas te geven. Er is eigenlijk geen reden waarom dat nog niet op school zou kunnen starten en te leren appreciëren wat een ander kan. Door de schotten tussen doorstroom, technisch en arbeidsmarkt weg te werken, hopen we een steentje bij te dragen. We zetten in op twee domeinen: Stem (wetenschappelijke en technologische richtingen, red.) en Maatschappij en Welzijn.”

Van Goethem: “Ik kijk met veel nieuwsgierigheid naar dit project. En ik denk heel veel scholen. Zo lijkt het me logisch dat wij in Xaverius op termijn ook evolueren naar richtingen in de dubbele finaliteit (het vroegere tso en kso, red.).”

Het is de eerste keer dat de jezuïeten buiten de klassieke aso-scholen kleuren.

Versteylen: “In Vlaanderen wel. Internationaal is dat een evidentie. Maar ik ben ervan overtuigd dat ons pedagogisch project uitstekend bij deze jongeren werkt. Hun wereld verruimen, hen zo veel mogelijk laten proberen en absorberen.”

De colleges hebben de naam vrij streng te zijn. Hoe staan jullie daartegenover?

Van Goethem: “Ik vind discipline geen vies woord. Op onze school hechten we veel belang aan structuur. In de basisschool staan leerlingen in de rij op de speelplaats. Ik stel vast dat dat in de zeer prikkelrijke wereld van kinderen rust geeft. Ik zeg niet dat alle scholen in Vlaanderen dat moeten doen, maar bij ons werkt het. Ook in de eerste jaren van het middelbaar vormen kinderen nog een rij, niet op de speelplaats, maar voor de klas. In de hogere jaren komen ze zelf de klas binnen. Dat loopt goed.”

Versteylen: “Hoe Joos het omschrijft, is echt hoe het jezuïetenonderwijs werkt. Je geeft jongeren niet alleen een structuur, maar je leert hun daar ook mee om te gaan. Geleidelijk aan. Dat is opvoeden in vrijheid en verantwoordelijkheid.”

In veel Vlaamse scholen volgt een leerkracht de directeur op. Staat die gewoonte op de helling?

Versteylen: “Ho. Dat lijkt me niet. Diversiteit onder directeurs lijkt me een meerwaarde. Voor een zijinstromer als mezelf is de stap groot. Maar is het dat ook niet voor een leerkracht die van de ene dag op de andere directeur wordt? Dat is ook een heel andere job. Mijn rol is te maken dat die experts van leerkrachten de kans krijgen om hun job maximaal goed te doen. En voor leerlingen exact hetzelfde. Ik denk dat het net een voordeel kan zijn dat de directeur niet de expert is in wat je zelf doet.”

Een vraag die in enkele jaren tijd een klassieker is geworden: wat merken jullie van het lerarentekort?

Versteylen: “Ik had de luxe eind juni een volledig team te hebben. Ik heb natuurlijk het voordeel dat het een nieuw project is. Mensen weten waarvoor ze kiezen. De meesten wonen in Brussel, sommigen komen uit Vlaanderen. Die mix is goed. En dat er veel Brusselaars zijn die zeggen: voor mijn stad doe ik dit, ik heb zin om mij voor Brusselse jongeren te engageren, ik wil talent mee helpen ontginnen: ik vind dat heel mooi.”

Van Goethem: “Ook wij hebben al onze vacatures ingevuld. Maar ik besef heel goed dat we als school in Antwerpen de gaten creëren voor andere scholen in de rand.” 

Bron: GVA

Maak alles herstelbaar

  • 29 augustus 2023

Alles herstelbaar maken, geldt dan niet enkel voor producten, maar ook voor bouwprojecten en de ecosystemen errond. En indien het niet herstelbaar is, dan mag het niet worden gemaakt, gebouwd, verkocht.

Het klinkt alvast goed, het ‘Right to Repair’ voorstel dat de Europese Commissie publiceerde op 22 maart 2023. Met dit voorstel wil ze de eerste aanzet geven voor gemeenschappelijke regels om het recht op herstel van goederen te bevorderen. De volgende stap is nu aan het Europese Parlement en de Raad van de Europese Unie om amendementen voor te stellen en tot een akkoord te komen met de Commissie.

Alle Europese burgers samen consumeren een massa aan goederen en laten ook een massa aan afgedankte goederen achter. Zowel de producenten als consumenten zijn verantwoordelijk voor deze afvalberg van 35 miljoen ton per jaar in de EU, maar dit voorstel moet vooral duidelijk maken dat het recht op herstel een andere manier van produceren en van consumeren moet inluiden. En daar maakt de EU best snel werk van omdat het voorstel niet alleen de Green Deal van Europa activeert, maar ook omdat het kan bijdragen tot een essentiële verandering van ondernemen en consumeren op korte termijn.

Het ‘Right to Repair’ voorstel heeft betrekking op twee periodes: tijdens en na de garantieperiode. Tijdens de garantieperiode heeft elke fabrikant de plicht om gratis te repareren wanneer reparatie goedkoper blijkt dan vervangen. Ook wanneer de schade duidelijk is veroorzaakt door de consument, is er recht op herstel, maar de kosten zijn dan wel voor de consument. De Europese Commissie blijft vasthouden aan de wettelijke garantieperiode van twee jaar. Dit is natuurlijk erg kort en een mogelijk amendement zou kunnen zijn om deze termijn te verlengen. Bovendien is het onduidelijk wie gaat bepalen of herstel nog mogelijk en goedkoper is dan vervanging. Onderdelen zijn vaak heel duur in verhouding tot de aanschaf van een nieuw product zodat de berekening snel gemaakt is.

Na de garantieperiode worden een aantal maatregelen voorgesteld om herstel te faciliteren, zoals verplichting tot het herstellen van goederen, tot tien jaar na de aankoop afhankelijk van het type toestel, en het informeren van consumenten via een online platform. Voorlopig slaat de ‘Right to Repair’ na de garantieperiode op een beperkt gamma aan elektronische producten die in de EU verkocht worden, zoals televisies, (vaat)wasmachines, stofzuigers, koelkasten. Op termijn zal dit uitgebreid worden naar tablets en gsm’s wanneer de Ecodesign Richtlijn is aangenomen. Vooral bij deze producten is de nood het hoogst, want geplande veroudering en de verleiding om steeds de nieuwste versie aan te kopen, zijn precies het grootst bij gsm’s en tablets.

Het ‘Right to Repair’ voorstel geeft een eerste aanzet in de richting van een drastische breuk met de oude cultuur van produceren en consumeren. Echter, alle producten zouden vanuit een herstelgedachte moeten worden geproduceerd en geconsumeerd. Dit vraagt uiteraard om een geheel nieuw business model waarbij verkopers opnieuw inzetten op het herstellen van de producten en waarbij kopers zich bij de aanschaf op de eerste plaats afvragen hoe makkelijk het product kan worden hersteld bij een defect en wat de kostprijs zal zijn.

Alle EU-landen kunnen het voorbeeld nemen aan Frankrijk waar sinds 2021 een index bestaat die aangeeft in welke mate een product herstelbaar is. Dergelijke ’Indice de réparabilité’ is nuttig wanneer de score niet enkel gaat over de praktische mogelijkheden van reparatie, maar ook over de kostprijs ervan. De score zou ook een ideale vergelijkingsbasis kunnen bieden voor verschillende producten. Inspiratie kan alvast worden gevonden in het verplichte energielabel bij de verkoop van auto’s, elektrische apparaten, lampen en gebouwen of bij de vrijwillige Nutriscore, dat de voedingswaarde van voedsel en dranken visualiseert. Met een systeem van rood tot groen, waarbij rood staat voor een zeer slechte reparatiescore wegens te duur en te moeilijk, zullen consumenten meer geneigd zijn om te opteren voor een product met een groene score. Producenten kunnen hierdoor positief worden gestimuleerd om in te zetten op betaalbare reparatie.

Zo ver zijn we echter nog niet, want de industrie loopt niet warm voor een dergelijke herstelscore. Ook voor de consument is het nog steeds veel eenvoudiger, goedkoper en sneller om een nieuw product te kopen, dan te wachten op herstel. Herstel moet dicht bij de bron gebeuren, is dus lokaal waardoor rekening moet worden gehouden met Europese arbeidskosten die veel hoger zijn dan de arbeidskosten van de landen waar de toestellen worden gemaakt. In vele Europese landen is er ook geen echte reparatiecultuur meer. Bovendien zet het onderwijssysteem steeds minder in op het aanleren van deze vaardigheden waardoor consumenten geen andere uitweg hebben dan een ander product aan te kopen en dat is meestal een nieuw.

Momenteel kiest ruim 65% van de Europeanen ervoor om hun product te vervangen in plaats van het te laten herstellen, ondanks de vele initiatieven die bottom up zijn ontstaan en reeds lang in verschillende EU-landen actief zijn, zoals de Repair Cafés. Het eerste Repair Café zag het licht in Amsterdam in 2009. Ondertussen is dit een wereldwijde organisatie geworden die als doel heeft om reparatievaardigheden te behouden en om herstelbare producten te promoten. De stichtster Martine Postman had de EU niet nodig om een beweging te starten die herstel van alle producten beoogt en die inzet op leren van elkaar. Immers, vooral de jongere generatie weet vaak niet of, en hoe, producten kunnen worden hersteld.

Het ‘Right to Repair’ voorstel moet dus een veel bredere scope hebben en alle producten omvatten, inclusief de niet-elektronische. Alleen op die manier kan er werk worden gemaakt van een duurzame verandering van produceren en consumeren. Ieder product moet zo gemaakt worden inclusief recht op herstel. In plaats van geplande veroudering wordt het dan gepland herstel! ‘Planned obsolescence’ ontstond in 1924 toen General Motors kleine designveranderingen voorstelde om de consumenten te overhalen om een nieuwe wagen te kopen en zo een boost te geven aan de verkoop. Bijna 100 jaar later is het meer dan tijd om af te stappen van die productiestrategie en volop te gaan voor ‘Planned Repair’. Alles herstelbaar maken, geldt dan niet enkel voor producten, maar ook voor bouwprojecten en de ecosystemen errond. En indien het niet herstelbaar is, dan mag het niet worden gemaakt, gebouwd, verkocht.

Het Right to Repair voorstel draagt bij tot de doelstelling van de Europese Commissie om tegen 2050 het eerste klimaatneutrale continent te zijn. De verschroeiende temperaturen en verwoestende stormen in verschillende landen binnen en buiten Europa, tonen dat het sneller moet gaan en dat niet mag worden getalmd om voorstellen in acties om te zetten. Wie van de beleidsvoerders zal nog actief zijn in 2050? En wie zal dan nog tot verantwoording kunnen worden geroepen wanneer de doelstelling niet wordt bereikt? Een eerste actiepunt zou daarom al zijn om niet langer 2050 als einddoel te beschouwen. Met een doelstelling die zo ver weg ligt in de tijd, krijgt de burger vooral het fout signaal dat het nog niet zo dringend is.

Bron: Sampol

Wie pakt er op als je naar Tele-Onthaal belt?

Wie pakt er op als je naar Tele-Onthaal belt?

Bij Tele-Onthaal kun je 24 op 7 terecht voor een anoniem gesprek. Of je nu in crisis zit of gewoon eens je hart moet luchten: je kan je zorgen kwijt op het gratis nummer 106 of via de chat. Sociaal.Net nam een kijkje achter de schermen van de hulplijn.

Verborgen en geborgen

Tele-Onthaal heeft in elke provincie een locatie waar anonieme vrijwilligers de telefoon opnemen. Om die anonimiteit van de vrijwilligers te waarborgen, wordt er discreet omgegaan met adressen van deze locaties. In Antwerpen zit Tele-Onthaal verscholen in een doorsnee kantoorgebouw. Woordvoerder Jennifer en stafmedewerker Anke leiden ons rond.

Waarom het allemaal zo discreet moet? Volgens Jennifer is de anonimiteit van de vrijwilligers cruciaal in de laagdrempeligheid van de hulplijn. “Voor de beller betekent het dat je niet beoordeeld wordt op hoe je eruitziet, waar je vandaan komt of wat voor job je beoefent. Elk gesprek begint zonder vooroordelen. Daardoor kun je echt een gesprek van mens tot mens hebben.”

Iets terug doen

Al snel schakelen we over op fluistertoon. Een vrijwilliger heeft iemand aan de lijn. We verplaatsen ons vlug naar de keukentafel, waar een andere vrijwilliger wacht op de volgende telefoon. “De keuken noemen we ook wel de praatbarak”, zegt Anke. “Hier kunnen vrijwilligers napraten of elkaar om advies vragen.”

“Eigenlijk is dit atypisch voor Tele-Onthaal, zo’n kantoorkeuken”, vertelt Jennifer. “In andere provincies zitten de vrijwilligers in huizen of appartementen, om de sfeer zo geborgen mogelijk te maken.” Een geborgen sfeer, omdat de gesprekken die de vrijwilligers hier voeren best heftig kunnen zijn.

Wie zijn de mensen die zich vrijwillig aan die heftige gesprekken wagen? We spreken twee vrijwilligers, Elise, die al jaren bij Tele-Onthaal werkt, en Lucas, die in januari 2023 startte. “Ik heb het goed in de wereld,” zegt Elise, “dus besloot ik dat ik iets wil terug doen.” Lucas sluit zich daarbij volledig aan: “Ik werkte lang in een hele zakelijke omgeving.  Naast dat ik iets wilde terugdoen, zocht ik ook meer intermenselijk contact. Je komt bij Tele-Onthaal echt dicht bij mensen, dat is bijzonder.” De namen Elise en Lucas zijn pseudoniemen. Alle vrijwilligers bij Tele-Onthaal zijn anoniem.

Alle lijnen open

De vrijwilligers van Tele-Onthaal leveren stevig werk, dat is aan de jaarcijfers wel te zien. In 2022 voerden ze 83.030 telefoongesprekken en 15.941 gesprekken via chat. En dat met 622 vrijwilligers aan de knoppen.

Die gesprekken gaan over van alles. Een vierde van de gesprekken is een echt crisisgesprek, bijvoorbeeld over zelfmoord, de andere drie kwart is dat niet. De top drie thema’s zijn: relaties (30 procent van de gesprekken), gezondheid (21 procent) en eenzaamheid (12 procent).

En hoe een gesprek verloopt, is ook wisselend. Lucas vertelt: “Met sommige mensen heb je snel een klik, met anderen moet je wat meer zoeken tot ze echt hun verhaal durven vertellen.” Elise vult aan: “Soms geraak je niet ver in een gesprek. Daar moet je je bij neerleggen. Mensen zijn soms al blij dat ze even aandacht hebben gehad. Veel mensen bellen omdat ze niet gehoord, niet gezien worden. Dan is een korte babbel al genoeg.”

Geen therapie

Bij Tele-Onthaal staat luisteren centraal. “De vrijwilligers zijn geen therapeuten, maar gewoon mensen die tijd willen maken voor hun medemens”, zegt stafmedewerker Anke. “Ze gaan dus ook geen behandelplan opstellen of oplossingen voor je problemen aanreiken. Ze zijn er om te luisteren naar je zorgen, zodat je opgelucht de telefoon kan neerleggen. Zodat je daarna weer verder kan.”

“En dat is ook het mooie aan onze werkwijze”, vindt Anke. “Onze vrijwilligers zetten mensen terug in hun kracht. Je krijgt geen oplossing aangereikt van iemand anders, maar de vrijwilliger zoekt mee naar wat je zelf kan en wil doen.”

Elise is het daarmee eens: “De meest toffe gesprekken zijn die waarin je mensen inzicht kan geven in hun problematiek. Dat je met hen kan verkennen wat ze zelf kunnen doen en zo samen alle opties uitpluist. Als iemand zegt: ‘Zo had ik het nog nooit gezien’, dan is het voor mij geslaagd.”

Indruk

Lucas en Elise vertellen over de gesprekken die hen bijblijven. Van mensen die bellen over seksueel misbruik, zelfmoordgedachten of bellers die op het moment zelf iets meemaken. “Dan hoor je bijvoorbeeld iemand tegen de beller schreeuwen op de achtergrond. Wij kunnen niets doen. We sporen hen aan om de hulpdiensten te bellen. Zo staan ze rechtstreeks in contact met de politie en kunnen ze hun bijvoorbeeld laten weten waar ze zijn of hoe de politie binnen kan komen.”

‘Ik was bang dat ik de moeilijke verhalen mee naar huis zou pakken.’

Maar over het algemeen weten ze de verhalen goed achter zich te laten wanneer ze de telefoon inhaken. “Ik had schrik dat het veel meer impact zou hebben”, zegt Lucas. “Dat ik die moeilijke verhalen mee naar huis zou nemen. Maar verrassend genoeg blijkt dat niet het geval. Je kan na een zwaar gesprek steeds terecht bij de andere vrijwilligers of het team, dat helpt.”

“Soms heb je wel een rot gesprek, maar het voordeel is dat je hier altijd met meerdere vrijwilligers aanwezig bent”, bevestigt ook Elise. “Ik kom bovendien met de fiets. Op de terugweg kan ik het even van me af laten glijden. Dan denk ik wel eens: ‘Oh, wat is mijn leven simpel’. Als je zelf over iets piekert, kun je dat na een shift echt relativeren.”

Het verschil maken

Hebben de vrijwilligers het gevoel dat ze mensen vooruithelpen? “Je weet niet altijd wat voor impact je op de oproeper hebt”, zegt Elise. “Je weet natuurlijk niet wat iemand doet nadat die de hoorn inhaakt.”

“En andere keren weet je het wel zeker, omdat mensen je expliciet bedanken, bijvoorbeeld”, zegt Lucas. Elise vult aan: “Je hoort soms letterlijk dat je een verschil maakt. Sommige mensen komen hyperventilerend aan de lijn maar op het einde van het gesprek zijn ze rustig. Soms is het ook intuïtie. Je voelt dan aan je hart dat die persoon er beter van is geworden.”

Helaas zijn de reacties niet altijd zo positief. Elise: “Het gebeurt ook dat mensen niet leuk reageren. Dan doe je alle moeite om te luisteren en empathisch te zijn en na een halfuur zeggen die mensen dan ‘Niemand luistert’, waarna ze kwaad de hoorn neergooien.”

“Je kan na een zwaar gesprek steeds terecht bij de andere vrijwilligers, dat helpt.” (deze foto is illustratief)© Pexels / MART PRODUCTION

Vrijwilliger worden

Wie vrijwilliger bij Tele-Onthaal wil worden, start met een intensieve opleiding, waarin je naast veel theorie, ook praktische oefeningen meekrijgt. Zo zit je goed voorbereid klaar voor je eerste gesprek.

“Het is een gedegen opleiding en voor iedereen toegankelijk, je hebt geen voorkennis nodig”, vertelt Lucas. Elise licht toe: “Je leert er vooral empathisch luisteren en natuurlijk ook specifiek wat je moet doen bij een zelfmoordgesprek, bijvoorbeeld. Ik herinner me dat ik de uitwisseling met andere deelnemers echt een meerwaarde vond. Wat een ander als antwoord geeft in de oefengesprekken, is toch steeds wat anders dan jij bedacht had.”

‘Je hebt geen voorkennis nodig om vrijwilliger te worden.’

Voelden ze zich voorbereid op het eerste gesprek? “Ons eerste telefoongesprek deden we in de helft van de opleiding”, vertelt Lucas. “Toen dacht ik wel: ‘Oei, zijn we daar al klaar voor?’ Maar achteraf bleek dat wel het geval. Je voelt direct dat de opleiding impact heeft.”

“Ik was heel zenuwachtig voor mijn eerste gesprek”, zegt Elise. “Ik zie mezelf daar nog zitten. Ik had een jong meisje aan de telefoon met examenstress. Het was super spannend.”

Blijvende steun en vorming

De stafmedewerkers van Tele-Onthaal leiden de vrijwilligers op. Ook staan zij dag en nacht klaar om de vragen van vrijwilligers te beantwoorden of hen op te vangen na een heftig gesprek. “We hebben allemaal ook andere taken, maar zodra een vrijwilliger ons nodig heeft, laten we alles vallen”, vertelt stafmedewerker Anke. “Mijn deeltaak is werving en dat is eigenlijk onze grootste uitdaging. Mensen blijven wel lang vrijwilliger bij ons, gemiddeld 8,6 jaar, maar we zien een sterke vergrijzing.” Ze komen vrijwilligers tekort.

De stafmedewerkers van Tele-Onthaal beantwoorden zelf geen telefoons. Maar om de vrijwilligers beter te kunnen ondersteunen, volgen ze wel dezelfde opleiding. “We nemen ook een keer de telefoon op”, zegt Anke. “Zo begrijp je wat vrijwilligers meemaken. En het geeft je een nog groter respect voor hun engagement.”

Naast de opleidingen voor starters, worden er ook continue vormingen voor de huidige vrijwilligers georganiseerd, vertelt Anke. “Rond nieuwe thema’s waar mensen over bellen, zoals narcisme, bijvoorbeeld. Ook kunnen vrijwilligers mee op uitstap naar welzijnsvoorzieningen, zoals het CAW, om een beter zicht op de sociale kaart te krijgen.”

Uitdagingen

Persoonlijke verhalen staan centraal, maar ook de trends uit de jaarcijfers zeggen veel over de mensen die het meest naar Tele-Onthaal bellen. Wat opvalt is dat vrouwen Tele-Onthaal opmerkelijk vaker contacteren dan mannen. Aan de telefoon zijn ze goed voor 65 procent en op chat zelfs 79 procent. “Dat baart ons wel zorgen”, zegt woordvoerder Jennifer. “Maar dat is een algemene trend in de hulpverlening. Mannen zoeken minder snel hulp. Al zou onze anonimiteit die drempel toch moeten verlagen. Het blijft een uitdaging.”

Jongeren weten de hulplijn wel steeds beter te bereiken. Vooral de chat is bij hen populair. In 2019 waren tieners tussen de 12 en 18 jaar nog goed voor 34 procent van de chatgesprekken. In 2022 steeg dat naar 48 procent. De grote meerderheid van de chatters, 76 procent, waren in 2022 mensen onder de 25 jaar oud. De openingsuren van de chat zijn daarom ook gefocust op de momenten dat jongeren online zijn: ’s avonds en in het weekend.

‘Er kloppen steeds meer jongeren bij ons aan.’

“Het verbaast ons wel dat we zoveel jongeren bereiken, want eigenlijk is Awel de jongerenhulplijn. En toch kloppen er steeds meer jongeren bij ons aan.” Negatief is dat niet, vertelt Jennifer: “Het betekent ook dat er stappen vooruitgezet zijn in het taboe rond mentaal welzijn bij jongeren. De bereidheid om hulp te zoeken wordt bij jongeren steeds beter, vermoeden we. Toch spelen waarschijnlijk de wachtlijsten elders ook een rol.”

Tele-Onthaal vrijwilliger zit aan een bureau en belt.
“De bereidheid om hulp te zoeken wordt bij jongeren steeds beter.”© Tele-Onthaal

Wildgroei?

Hoe ontoegankelijk de zorg met haar wachtlijsten ook mag zijn, over elk onderwerp lijkt wel een hulplijn te bestaan: 1712, de druglijn, Lumi… Hoe zien ze dat bij Tele-Onthaal? “We zijn heel complementair”, zegt Jennifer. “Mensen komen soms bij ons aankloppen voor ze zelf weten wat hun probleem precies is. Wanneer we merken dat iemand specifieke ondersteuning kan gebruiken, sturen we hen door naar de juiste dienst. En andersom geldt dat ook.”

“Het Vlaamse welzijnsveld is heel breed en in dit geval is dat een win-winsituatie”, zegt Jennifer. “We kunnen veel bruggetjes leggen. Als je buiten de kantooruren naar 1712 belt, dan staan wij op het antwoordapparaat, bijvoorbeeld. Maar we horen ook van veel oproepers dat het niet altijd evident is om je weg te vinden. Dat begrijpen we. Daarom krijgen onze vrijwilligers vorming rond de sociale kaart. Zo kunnen zij mensen mee wegwijs maken.”

‘Tele-Onthaal heeft mij als mens echt veranderd. Het verruimt je blik op de samenleving.’

Concreet wordt 26 procent van de bellers en 34 procent van de chatters doorverwezen. Vrijwilliger Elise vertelt dat ze regelmatig mensen bewustmaakt van de verschillende diensten. “Op de chat spreek ik veel jongeren die in moeilijke situaties zitten en echt hulp nodig hebben. Dan vertel ik ze over Tejo, bijvoorbeeld, en stuur ik ze een aantal linken door die ze na het gesprek kunnen bekijken.”

Moeilijk om niet trots te zijn

Voor de vrijwilligers zijn er maar twee dingen echt moeilijk aan hun werk: de nachtdiensten en de anonimiteit. “Het is lastig om niemand te kunnen vertellen dat ik dit doe”, zegt Elise. Om te zorgen dat ook voor het netwerk van de vrijwilligers de drempel om naar Tele-Onthaal te bellen laag blijft, vertellen ze het aan zo weinig mogelijk mensen. “Mijn gezinsleden weten het natuurlijk wel”, legt Elise uit. “Anders weten ze niet waar ik ’s avonds laat naartoe ben.”

Wanneer vrienden bellen om iets te doen in het weekend, is het soms excuses zoeken waarom dat niet gaat. “Ik woon ook in een straat met veel sociale controle”, schetst Elise. “In coronatijden was dat heel onwennig om na de avondklok nog op de fiets te stappen naar Tele-Onthaal.

Zo is dit interview ook een zeldzame gelegenheid om reclame te maken voor het vrijwilligerswerk. “Ik zou een zeer goede ambassadeur zijn voor Tele-Onthaal en zou graag mensen overtuigen om ook vrijwilliger te worden. Maar ik mag er niks over zeggen”, aldus Elise.

Nu ze er dan wel over mogen vertellen, leggen ze graag uit wat de meerwaarde van het vrijwilligerswerk is. Elise: “Tele-Onthaal heeft mij als mens echt veranderd. Het verruimt je blik op de samenleving.” Lucas: “Door de anonimiteit voer je zeer persoonlijke gesprekken met mensen. En als je dan iets kan betekenen voor iemand, verrijkt dat ook je eigen leven.”

Bron: Sociaal.net

‘Wachtlijsten woonzorgcentra? Alleen aantal beschikbare plaatsen uitbreiden zal niet volstaan’

‘Wachtlijsten woonzorgcentra? Alleen aantal beschikbare plaatsen uitbreiden zal niet volstaan’

‘Zorg- en welzijnsorganisaties dienen zich heruit te vinden’, schrijft Dirk Doucet naar aanleiding van de wachtlijsten in de woonzorgcentra. ‘Maar ook overheden moeten hun huiswerk maken.’

Wachtlijsten in heel wat woonzorgcentra zwellen terug aan. Geen evidentie voor zij die hiermee geconfronteerd worden. Deze confrontatie kan soms zeer hard zijn omdat  hoe langer hoe meer  mensen vanuit een crisissituatie naar een woonzorgcentrum verhuizen. Na bijvoorbeeld een val, fout medicatiegebruik, het plots wegvallen van de mantelzorger, komt men in het ziekenhuis terecht. Na de nodige zorgen wordt vastgesteld dat een terugkeer naar huis, ondanks heel wat ondersteuning, niet langer mogelijk is. Het woonzorgcentrum is het enige (negatief) alternatief.

Vele mensen weten niet dat de gemiddelde verblijfsduur van mensen in een woonzorgcentrum jaar na jaar spectaculair vermindert. In de meeste centra schommelt dit thans tussen de 18 en 24 maanden. De oorzaak hiervan is de hoge zorggraad die het gevolg is van het financieringsmechanisme van woonzorgcentra. Een recente studie van de Koning Boudewijnstichting geeft aan dat 62% van de 60-plussers het vooruitzicht van zorgbehoevendheid angst inboezemt en dat 40% negatief tot zeer negatief kijkt tegenover het ouder worden. Is het daarom verwonderlijk dat 71% van de 60-plussers hoopt om nooit in een woonzorgcentrum terecht te komen? Het is niet zozeer het woonzorgcentrum zelf, maar vooral de angst om zorgbehoevend te worden dat de oorzaak van deze negatieve perceptie is.

Laat het duidelijk zijn dat hoogstaande professionele residentiële zorg voor oudere kwetsbare mensen op de één of andere manier altijd nodig zal blijven. Maar ik durf te betwijfelen dat het gewoon uitbreiden van beschikbare plaatsen de enige oplossing is. De reflex om enkel naar de overheid te kijken om dit probleem op te lossen door het creëren van bijkomende plaatsen is niet enkel onbetaalbaar, maar ook niet steeds wenselijk. We dienen allen onze verantwoordelijkheid op te nemen. U en ik die het geluk hebben om ouder te worden, zorg- en welzijnsorganisaties en de verschillende overheden (lokaal, Vlaams en Federaal).

We vinden het allemaal belangrijk om de regie van ons eigen leven in handen houden, ook als we ouder en/of zorgbehoevender worden. Maar waar we kunnen hier zelf een grotere invloed op hebben dan we ons realiseren. Op het vlak van preventie kunnen we nog zoveel winnen. In de eerste plaats door zoveel mogelijk zo lang mogelijk al dan niet professioneel maatschappelijk geëngageerd te blijven. Hoe ouder, hoe groter de kans wordt op een vorm van kwetsbaarheid. Maar ook hier kan je impact hebben. Niet enkel op het vlak van fysieke kwetsbaarheid (denk maar aan gerichte krachttraining om de spieren te versterken of de preventie van diabetes), ook op het vlak van dementie (zie ook www.2voordeprijsvan1.be), het investeren in de uitbouw van je netwerk of op tijd verhuizen naar een aangepaste woning of co-housing. Maar zelf ook (opnieuw) nadenken of en hoe we iets voor kwetsbare mensen in onze eigen buurt kunnen betekenen. Een klein gebaar kan soms bijzonder veel betekenen.

Zorg- en welzijnsorganisaties dienen zichzelf her uit te vinden. Niet “meer op dezelfde wijze “. Wel meer samenwerken, zich enten op de buurt, differentiëren en vooral nog meer richten op kwaliteit van leven en sterven. Het zou een evidentie moeten zijn dat in iedere buurt naast de klassieke eerstelijnszorg ook een dienstencentrum, een (oriënterend) kort verblijf en dagverzorgingscentrum geïntegreerd samenwerken om mensen de mogelijkheid van kwaliteit van leven in hun eigen buurt te kunnen aanbieden. Een mooi voorbeeld hiervan is het buurtzorghuis te Holsbeek.

Maar ook de overheden dienen hun huiswerk te maken. In de eerste plaats opnieuw het gekende euvel van de versnippering van bevoegdheden. Beslissingen op het ene niveau hebben nu éénmaal zijn gevolgen op andere niveaus. Terecht wil men bijvoorbeeld de opnameduur in ziekenhuizen beperken. Mag het daarom verwonderlijk zijn dat dit tot een verhoogde druk leidt in de eerstelijnszorg (en dus ook woonzorgcentra)? Maar deze uitgespaarde middelen dan overhevelen om specifieke ondersteuning voor mensen met een chronische zorgnood in de buurt te organiseren? Neen hoor, dat is een ander bevoegdheidsniveau. Een tweede heikel punt is de goedbedoelde over-reglementering en over-registratie die de overheden opleggen aan zorg- en welzijnsaanbieders. Hoe meer regels en hoe meer registratie, hoe betere zorg? Misschien, maar in ieder geval minder tijd die aan de cliënt kan worden besteed.

Een laatste punt is nadenken over hoe we opnieuw niet enkel de mantelzorger, maar ook de professional, die dag in dag uit de cliënt ondersteunt, opnieuw de waardering kunnen geven die hij (meestal zij) verdient. En dat is niet door telkens opnieuw experten of structuren bovenop te creëren, maar echte (dus ook financiële) waardering.

Het kan allemaal goed, maar werk op de plank voor mij, voor u, voor bestuurders en alle overheden die dit land rijk is.

Bron: Knack