De Buurtkar zoekt in Aarschot naar mensen die door de mazen van het hulpverleningsnet glippen. Outreacher Marika Ceulemans probeert beetje bij beetje hun vertrouwen te winnen en hulp te installeren. Het initiatief won onlangs een Gouden Duim, een prijs die de stille krachten in mentaal welzijn in Vlaams-Brabant in de bloemetjes zet.

De Buurtkar

Door de straten van de Vlaams-Brabantse stad Aarschot rijdt dagelijks een witte camionette: de Buurtkar. Achter het stuur zit Marika Ceulemans, outreacher van de Dienst Welzijn van de stad. “Ik zoek en bezoek mensen die de weg naar de hulpverlening niet vinden”, vertelt ze. “Soms staan ze weigerachtig tegen hulp vragen, omwille van slechte ervaringen in het verleden. We proberen hun vertrouwen te winnen zodat we informele en professionele netwerken rond hen kunnen installeren.”

Haar functie ontstond in de nasleep van de coronacrisis. Toen belde de Dienst Welzijn van Aarschot alle 65-plussers op om te polsen hoe ze zich voelden, of ze genoeg sociale contacten hadden en of ze hulp nodig hadden met zaken zoals boodschappen.

Daaruit bleek dat veel mensen problemen hadden, maar geen hulp. Een aantal diensten, zoals de Dienst Welzijn, het OCMW en het CAW sloegen de handen in elkaar, want dit was informatie die ze niet zomaar naast zich neer konden leggen. Zo groeide het idee van een outreachend project.

Vanwaar het idee van de camionette, en dus ook de naam Buurtkar?

Marika: “We wilden graag rondrijden met iets dat zichtbaar is in het straatbeeld, zodat we makkelijk aanspreekbaar zijn. Tegelijk is de naam Buurtkar niet stigmatiserend. Het is laagdrempeliger dan ‘het OCMW’. Maar de camionette heeft ook een praktische functie. Tweewekelijks bedeel ik pakketten van de voedselbank bij mensen die zelf niet tot daar geraken omwille van fysieke of mentale gezondheidsproblemen. Daarvoor hebben we zo’n grote bestelwagen nodig met koelcel.”

Hoe kom je mensen op het spoor die hulp nodig hebben?

“Vooral in het begin gingen we actief naar hen op zoek: we reden door de stad en keken goed rond. Zagen we bijvoorbeeld dat iemand duidelijk al lang zijn gras niet meer afgereden had of dat de rolluiken al lang gesloten waren, dan belden we aan. We polsten of alles oké was en vroegen of er iets was waar we mee konden helpen.”

“Ondertussen komen we meestal bij mensen terecht omdat andere diensten signaleren dat ze mogelijks hulp nodig hebben. Bijvoorbeeld als ze een persoon helemaal niet meer vastkrijgen en niet weten wat er aan de hand is. Met de wijkagenten hebben we ook een goede samenwerking. Zij kennen hun wijk en de bewoners goed en als ze zich zorgen maken, bellen ze ons. Doordat we zo veel signalen krijgen, hebben we vandaag niet veel ruimte meer om zelf op zoek te gaan.”

Ik neem aan dat je niet met de deur in huis valt met: ‘We denken dat je hulp nodig hebt’?

“Inderdaad. Ik stel me meestal voor als: ‘Ik ben Marika en werk als buurtwerker bij de stad. Ik ga bij mensen langs om te horen of alles oké is.’ De meeste mensen zijn niet geschoffeerd. Ze zijn oprecht blij met de vraag.”

“Het is heel intuïtief werken. Ik moet goed proberen aanvoelen wat ik kan zeggen en wat niet. Op het moment dat iemand de deur opendoet, krijg je daar al een idee over door de lichaamstaal van de persoon en de woonomgeving. En zeker als ik geen informatie kreeg vooraf, ben ik heel voorzichtig.”

“Dat is anders bij de mensen waar we een voedselpakket komen brengen. Voor hen is het natuurlijk geen verrassing dat ik voor de deur sta. En soms is er nog contact met andere hulpverlening. Zij hebben dan vooraf gevraagd of het oké is dat ik eens langskom om te bekijken welke extra hulp mogelijk is.”

Het gaat vaak om mensen die wantrouwig zijn tegenover hulpverlening?

“Ja, en net daarom start het meestal met een gewone babbel aan de voordeur. Je moet eerst kennis maken. En dan hoop je dat ze je op een bepaald moment zeggen: ‘Kom anders maar even binnen.’ Het eerste gesprek gaat over wat je opmerkt in de leefomgeving van de persoon. Je gebruikt daarbij al je zintuigen: wat hoor je? Wat zie je? Wat ruik je?”

“Zie ik foto’s, dan kan ik vragen: ‘Zijn dat je kleinkinderen?’ Of ik ruik bepaalde kruiden en pols wat iemand aan het koken is. Als je ziet dat iemand spulletjes verzamelt, kan je daar interesse in tonen. Daar draait het eigenlijk om: mensen zien, aandacht geven en interesse tonen in wie ze zijn. Zo win je stilaan vertrouwen.”

“Ik probeer met een open vizier te kijken. Je weet niet wat er allemaal voorafgegaan is aan je bezoek. Daar moet je respect voor hebben. Niet meteen wijzen naar problemen en met oplossingen komen aandraven, maar je bescheiden opstellen.”

Hoelang duurt die kennismakingsfase?

“Alles groeit heel organisch, op het tempo van de persoon. Vertrouwen winnen kost tijd. Bij mensen die wantrouwig zijn kan dat niet in één gesprek. Dan vraag ik of het oké is als ik nog eens terugkom. En hebben ze graag dat ik eerst bel of mag ik gewoon passeren? Het is een enorm voordeel dat ik geen afgebakende procedures moet volgen.”

“Helemaal in het begin kwam ik via een wijkagent terecht bij iemand die psychotische kenmerken vertoonde. De buren hadden al verschillende keren geklaagd dat ze ’s nachts aan het roepen was. Na twee bezoeken schakelde ik al de huisarts in. Dat bleek te snel. De huisarts had haar doorgestuurd voor allerlei onderzoeken en dat vond ze niet fijn. Het heeft lang geduurd voor ik weer binnen mocht.”

Niet iedereen vindt dus zelf dat ze hulp nodig hebben?

“Dat is erg wisselend. Er zijn mensen die aangeven dat ze graag zouden hebben dat hun leven er anders uitzag. Dan is hulp minder een taboe. Er is ruimte om het over de moeilijkheden te hebben en daarin stappen te ondernemen.”

“Maar best vaak ervaren mensen zelf niet dat ze met problemen zitten. Mensen met een psychose, vinden bijvoorbeeld zelf niet altijd dat de situatie problematisch is. Dan neem ik tijd om vertrouwen te winnen. Ik kan helpen met kleine praktische dingen zoals administratie, samen even bellen of een boodschap doen. Uiteindelijk kan je dan het gesprek openen over of het niet goed zou zijn als er wat ondersteuning komt zoals van gezinszorg of meer gespecialiseerde hulpverlening.”

Het is niet de bedoeling dat jij de mensen langdurig blijft helpen?

“Ik ben zelf niet de hulpverlener. Ik verbind mensen met andere hulpverlening. Maar tegelijk is het niet te vermijden dat ik regelmatig in de rol van hulpverlener beland terwijl ik aan de vertrouwensband werk.”

“Veel trajecten lopen heel vlot en duren niet lang. Mensen zijn al vooruitgeholpen met iets relatief eenvoudigs. Bijvoorbeeld iemand die een pakket van de voedselbank wil, maar die geen auto heeft en omwille van gezondheidsredenen geen lange busrit aankan. Dan regelen we dat wij het voortaan brengen. Of iemand heeft hulp nodig in het huishouden. Dat is één telefoontje naar gezinszorg, één gezamenlijk bezoek voor de kennismaking en klaar.”

“Maar bij mensen die het moeilijk hebben op meerdere domeinen tegelijk loopt het anders. Ik volg hen voor een langere periode op, want je kan niet alles in een keer aanpakken. Dat zou ook te bedreigend zijn. We bekijken dan rustig wat het eerste is waar je samen aan wil werken. Je moet ook altijd oog blijven hebben voor wat de mensen energie geeft.”

Hoe bedoel je?

“Ik probeer altijd te weten te komen wat er nog licht geeft in mensen hun leven, ondanks de miserie waarin ze zitten. Die energie heb je nodig om aan de andere domeinen te kunnen werken.”

“Neem een cliënte die slecht in haar vel zat door een traumatische ervaring. Ze werd opgevolgd door een psychiater maar ze zat thuis en was geïsoleerd. Ze kookte graag. We regelden dat ze op een lokale ambachtelijke markt kon staan met een eetstandje. Dat gaf haar opnieuw energie. En overal in haar huis hingen zelfgemaakte schilderijtjes. Dus polste ik of ze niet naar de academie wilde. Daar was ze achteraf super enthousiast over. Ze leerde er leuke nieuwe mensen kennen.”

Zie je veel eenzaamheid?

“Eenzaamheid is een rode draad bij de mensen waarmee ik werk. Bijna negen op de tien vernoemt het ook. Door de moeilijkheden die ze ondervinden op andere domeinen, raken ze vaak meer en meer geïsoleerd. Mobiliteit speelt daar een grote rol in. Ze hebben geen auto en zijn afhankelijk van het openbaar vervoer, dat hier niet zo goed georganiseerd is.”

“Met de mensen bij wie we pakketten van de voedsel- of dierenvoedselbank brengen, slaan we ook altijd een praatje. Het is niet zomaar een leveringsdienst. Tijdens die babbels horen we soms heftige verhalen. Het zijn mensen die veel meegemaakt hebben en blij zijn om eens te kunnen praten. Je merkt dat mensen daarnaar uitkijken. Onlangs vroeg een vrouw die niet langer recht had op een pakket of wij niet toch nog konden blijven langskomen.”

“Natuurlijk kan ik niet langdurig bij iedereen die eenzaam is wekelijks langsgaan. Ik wil mezelf overbodig maken. Ik breng hen dan bijvoorbeeld in contact met een dienstencentrum, waar je elke weekdag gewoon binnen en buiten kan lopen. In de hoop dat mensen zo opnieuw een netwerk opbouwen.”

Waarom lukt het de Buurtkar wel om contact te leggen en hulp in te schakelen bij mensen die hulpverleningsschuw zijn? Wat doe jij dat de reguliere hulpverlening niet doet?

“Bij andere hulpverlening is er meestal te weinig tijd om zo outreachend te werken. Ze zullen wel bellen of een e-mail sturen, maar als iemand een slechte ervaring had met hulpverlening in het verleden is er weinig kans dat ze zullen reageren.”

“Mensen onderschatten soms hoeveel drempels je tegenkomt op weg naar hulp. Het begint al met toegeven dat je ondersteuning nodig hebt. Vervolgens moet je zelf de telefoon nemen, een afspraak maken met een sociale dienst en naar daar gaan om een hulpvraag te bespreken. Dat is niet vanzelfsprekend, zeker als je niet goed in je vel zit. Ik probeer die drempels weg te nemen door tot bij hen thuis te gaan en aanklampend te werken.”

“Een voordeel is dat ik in de grijze zones kan opereren. Ik kan dingen doen waarvan je voelt dat ze belangrijk zijn voor de mensen, maar waarvan andere organisaties allemaal zeggen dat het niet in hun takenpakket valt of dat ze er te weinig tijd voor hebben. Kleine dingen, zoals helpen met een boodschap, maar ook grotere dingen, zoals een verhuis regelen terwijl iemand in het ziekenhuis ligt.”

“Bij de hulpverlening loopt het vaak vast op dat iemand niet in een hokje past. ‘Deze persoon is niet voor ons.’ Soms lijkt het alsof er meer wordt gekeken naar waarom iemand niet binnen de doelgroep past, dan waarom wel. Maar organisaties kunnen ook samenwerken rond één persoon. Je hoeft het niet alleen te doen. Gelukkig is dat besef in Aarschot de laatste jaren beginnen groeien.”

Gebeurt het soms dat de mensen geen enkele hulp toelaten en je hen moet loslaten?

“Gelukkig niet zo vaak. Ik probeer altijd te werken aan verbinding tot ik het gevoel heb dat ik wat directer uit de hoek mag komen. Dan benoem ik dat ik me serieus zorgen begin te maken. Als mensen blijven aangeven dat ze het anders zien, dat zij vinden dat ze wel zo kunnen leven, moet je hun keuze respecteren. Dan komt er een moment waarop je het moet loslaten. Zolang de situatie geen bedreiging vormt voor hun gezondheid of iemands veiligheid, kunnen we geen hulp afdwingen.”

“Enkele jaren geleden werd een oudere man gesignaleerd door de wijkagent. De politie was al regelmatig opgeroepen omdat hij op weg naar de winkel neerviel, maar niet meer rechtop geraakte. Hij was erg onverzorgd, dementerend en er was geen familie. Toen ik langsging, deed hij de deur nooit open. Dus zijn we elke week soep aan de deur gaan zetten. De derde keer deed hij open. We babbelden kort en spraken af dat we voortaan dagelijks soep zouden brengen.”

“Na enkele babbels op de stoep liet hij me binnen. Zoals gevreesd, was het daar een ravage. Ik heb het Zorgloket ingeschakeld en zij kwamen mee op bezoek. Maar verder dan dat we af en toe eens mee binnen mochten, zijn we niet geraakt. Hij wilde geen hulp. Op een dag, net toen ik in verlof was, is hij dood aangetroffen in zijn huis. Dat is pijnlijk. Dat zijn verhalen die aan je blijven plakken.”

Bij de uitreiking van de Gouden Duim riep je mensen op om zich te bemoeien met elkaars leven.

“Vlamingen denken vaak ‘Ieder huisje heeft zijn kruisje’. Iedereen mag toch op zijn manier leven, we moeten ons niet te veel moeien. Mensen veronderstellen dat iemand zelf wel hulp zal vragen als die dat nodig heeft. Ik zie elke dag in mijn job dat dat niet waar is. Mensen hebben er niet de moed of de energie voor, voelen zich onzeker of trots. Als we vasthouden aan de overtuiging dat iedereen wel naar ons zal komen met een hulpvraag, mogen we nog lang wachten. Dan blijft er een groep mensen zijn die we nooit zullen bereiken.”

“Ook van andere sociale professionals hoor ik wel eens: ‘Hebben deze mensen wel een hulpvraag?’ Nee. Ze stellen die niet nadrukkelijk. Maar kom bij de mensen binnen en dan zie je dat alles om hulp schreeuwt. Zelfs als ik zou vragen of ik ergens mee kan helpen, klinkt het: ‘Nee hoor, ik red me wel’. Dan kan je beslissen om je om te draaien en weg te gaan. Je hebt het tenslotte gevraagd. Maar daar ben ik het niet mee eens. We moeten voorbij de hulpvraag durven kijken.”

Hoor ik er meer dan naar burgers ook een oproep in naar de hulpverlening?

“Het is een gedeelde verantwoordelijkheid van de hele samenleving. Als je ziet dat een buurvrouw er wat minder verzorgd uitziet en misschien wat verwarder overkomt dan vroeger, doe dan iets. Zeker als je niet weet of de persoon omringd is door familie of een netwerk. Je mag echt wel zeggen dat je je zorgen maakt. Kijk rond, zie elkaar en laat weten dat je wil helpen.”

Bron: Sociaal.net