Zorgsector heeft personeel nodig

De personeelstekorten in de zorg moeten vandaag opgelost worden.
De tweede golf dreigt een nieuwe tsunami te worden in de woonzorgcentra, maar ze wachten nog steeds op extra personeel. De personeelstekorten in de zorg moeten niet morgen maar vandaag opgelost worden!

https://www.facebook.com/watch/?v=838554020284725

Zorg voor de zorgers
“De mensen in de zorg moeten de tweede coronagolf beginnen zonder extra middelen en zonder extra personeel. Ik denk dat u de ernst van de situatie niet snapt”, zegt PVDA-volksvertegenwoordiger Sofie Merckx tegen minister Frank Vandenbroucke.

https://www.facebook.com/watch/?v=350955425992238

Worden de lonen gedeblokkeerd?

Sinds 1996 onderhandelen vakbonden en patroons niet meer in alle vrijheid over loonsverhogingen. Een wet legt sindsdien een loonnorm op die niet mag worden overschreden. Komt daar de komende jaren verandering in? De liberalen houden vol van niet, maar de groenen en de socialisten duwden de deur meer dan op een kier. Het Verbond van Belgische Overnemingen is ‘uiterst bezorgd’.

Vorige week overleed Fons Verplaetse, de laatste échte gouverneur van de Nationale Bank van België. In de vele artikels die daags nadien over hem verschenen werd hij geloofd voor zijn bijdrage aan de sanering van de Belgische economie in de jaren 80 en 90. De devaluatie van 1982 was historisch. De Belgische frank werd in een klap 8,5% minder waard, waardoor de loonhandicap tegenover de buurlanden verdween als sneeuw voor de zon.

De facto zijn de lonen sinds 1996 zo goed als geblokkeerd in België
Loonmatiging bleef de ultieme mantra van Verplaetse die op het einde van zijn loopbaan nog de goedkeuring meemaakte van de ‘wet ter preventieve vrijwaring van ’s land concurrentievermogen’ van 1996.

Vakbonden en patroons konden op intersectorieel, sectorieel en bedrijfsniveau geen loonsverhogingen afspreken die hoger waren dan de loonnorm en die werd berekend op basis van de lonen van Frankrijk, Nederland en Duitsland. Christendemocraten en socialisten in de regering-Dehaene waren de architecten van deze wet.

De patroons waren er erg verheugd mee, omdat daardoor de onderhandelingspositie van de vakbonden kon worden beknot. Ze moesten de – unieke – koppeling van de lonen aan de consumptieprijzen (‘de index’) al voor lief nemen, maar door de loonnorm bleven de stijgingen bovenop die index erg beperkt. Telkens ging het om verhogingen van een paar punten achter de komma. De facto zijn de lonen sinds 1996 zo goed als geblokkeerd in België.

Koopkracht
De loonkloof met de buurlanden is, mede door de taxshift van de regering-Michel helemaal dichtgefietst. Ook vorig jaar nog bleken de lonen in België minder snel te stijgen dan elders in Europa. Daarom moest de regering-Michel in 2017 een verstrenging van de wet laten goedkeuren door het parlement om te verhinderen dat de loonnorm opnieuw fors de pan zou uitswingen.

Het verhogen van de koopkracht was een van de belangrijkste verkiezingsbeloften van zowel de rode (PVDA en sp.a) als de groene oppositie. De loonwet is al lang een doorn in hun oog. Ook de vakbonden lopen er al jaren storm tegen. Wraakroepend is vooral dat leidinggevenden (CEO’s, hoger kaderpersoneel) niet onder de loonnorm vallen. Zij kunnen dus à volonté hogere lonen onderhandelen.

Het verhogen van de koopkracht was een van de belangrijkste verkiezingsbeloften van zowel de rode als de groene oppositie
Dat heeft vooral te maken met het feit dat ze niet met een ‘gewoon’ arbeidscontract verbonden zijn aan het bedrijf waarvoor ze werken, maar wel via managementvennootschappen of zogenaamde ‘contractbeloftes’.

Ook Vlaams Belang had een verhoging van de koopkracht voor lagere inkomens hoog op zijn verkiezingsagenda staan, al wil de extreemrechtse partij dat vooral verkrijgen door lastenverlagingen. In 2017 steunde ze de verstrengde loonwet van liberalen en N-VA.

Van taboe naar compromis
Tijdens de regeringsonderhandelingen was de loonnorm een zware dobber. Al in december, toen de PS van Paul Magnette onderhandelde met sp.a, de groenen en de liberalen bleek het versoepelen van de wet van 1996 een taboe voor MR en Open Vld en een must voor de linkerzijde. De vakbonden hadden goede contacten met de socialisten en de groenen zodat het uiterst technische dossier niet zomaar kon worden afgewimpeld.

Uiteindelijk werd een compromis uitgewerkt dat nog verder werd verfijnd toen de paars-groene partijen (én CD&V) elkaar terugvonden aan de onderhandelingstafel in september. Bij het ACV (Algemeen Christelijk Vakverbond) is te horen dat er van de CD&V maar weinig steun viel te rapen voor hun standpunt.

In het regeerakkoord staat het nu zo:

“De regering zal erover waken dat de inspanningen en hervormingen van de voorbije regeringen om de productiviteit van de Belgische economie te verbeteren, behouden blijven.”

Dat betekent dat de loonwet én de verstrenging van 2017 behouden blijven. Maar verder lezen we:

“Teneinde een goed evenwicht te hebben tussen concurrentiekracht en koopkracht verzekert de regering een vergelijkbare ontwikkeling met de buurlanden. Om dit te bereiken wordt in de eerste plaats in overleg met de sociale partners met omzendbrieven gewerkt. De minister van Werk zal dit in overleg en in samenspraak met de ministerraad doen.”

Truc met omzendbrieven
Die ‘truc met de omzendbrieven’ is cruciaal. Het is een perfect achterpoortje om de vakbonden en de patroons toch de mogelijkheid te geven grotere loonsverhogingen af te spreken in hun toekomstige CAO’s.

Het is immers een publiek geheim dat de strenge loonwet van 1996 al geruime tijd versoepeld werd door de zogenaamde ‘omzendbrief-Cox’. Die is genoemd naar Guy Cox, tot 2017 directeur-generaal van de Algemene Directie Collectieve Arbeidsbetrekkingen, de dienst die CAO’s bindend moet verklaren, zeg maar.

Het is een publiek geheim dat de strenge loonwet van 1996 al geruime tijd versoepeld werd door de zogenaamde ‘omzendbrief-Cox’
De omzendbrief dateert van mei 2013, toen de regering-Di Rupo aan de macht was. In die brief worden heel wat uitzonderingen opgenomen van loonsverhogingen die niet onder de loonnorm vallen. Een aantal ervan liggen voor de hand: verhogingen van het minimumloon en het wegwerken van discriminaties tussen mannen en vrouwen.

Andere zijn dan weer geschreven op maat van de werkgevers. Die willen vaak wel loonsverhogingen toestaan om talent in eigen huis te kunnen houden of te kunnen aantrekken, maar zonder te veel extra sociale lasten. De omzendbrief-Cox stond dan ook toe dat collectieve bonussen of bijdragen voor aanvullende pensioenen buiten de loonnorm vallen.

Deze omzendbrief, waarvan het bestaan niet aan de grote klok werd gehangen toen de regering-Michel aantrad en de loonnorm nog verstrengd werd, is tot op vandaag nog steeds van kracht.

Uitermate bezorgde patroons
Het idee dat de regering-De Croo deze techniek zou gebruiken om met nog meer uitzonderingen de marge van vakbonden bij de volgende CAO-onderhandelingen op te rekken, is ondraaglijk voor de patroons. Bij het VBO is men er niet gerust op. Uiteraard zijn ze daar blij dat de taxshift overeind gebleven is en de loonwet an sich behouden bleef. Maar over de ‘truc met de omzendbrief’ is men “uitermate bezorgd”.

Bij het VBO is men over de ‘truc met de omzendbrief’ ‘uitermate bezorgd’
De liberalen binnen de Vivaldi-coalitie willen de gemoederen bedaren. Zij wijzen erop dat de loonontwikkeling in België die van de buurlanden zal moeten blijven volgen. En hoe die eruit zal zien, is in deze verwarrende coronatijden niet te voorspellen. Zelfs de meest doorgewinterde experts op de studiediensten van de vakbonden en het VBO durven daar nu nog niets over zeggen. Ze verwachten dat er pas eind januari duidelijkheid zal zijn.

Hoe groot het taboe over loonsverhogingen was bij de liberalen bleek luttele dagen voor het einde van de formatiegesprekken van Paul Magnette en Egbert Lachaert. Op een bepaald moment vlogen sp.a-voorzitter Conner Rousseau en zijn collega van de MR, Georges-Louis Bouchez elkaar in de haren. Bouchez wilde (onder meer) het compromis met de omzendbrieven, dat moeizaam tot stand gekomen was tijdens urenlange onderhandelingen met sherpa’s, niet langer honoreren.

Apache vernam dat over dit punt in het regeerakkoord meer dan vijftig uur werd onderhandeld. Rousseau vertrok en dreigde ermee niet ter zullen terugkeren als Bouchez niet zou inbinden. Uiteindelijk bleef het compromis overeind. Bouchez moest inbinden.

Ongelijkheid
Dat weerhield de flamboyante liberaal er niet van om daags na de eedaflegging de blauwe accenten in het regeerakkoord in de verf te zetten. “De loonwet van 1996 wordt behouden”, zei hij. “Voor de liberalen is dat een succes.” Over het achterpoortje dat in het akkoord werd opgenomen, repte hij niet.

Voor de linkerzijde kan de verhoging van de marge voor de vakbonden om loonsverhogingen af te dwingen een krachtig wapen zijn in de onderhandelingen over de fiscale hervorming en de bijdrage van de ‘sterke schouders’. Ofwel herverdeel je via de belastingen, ofwel worden de winsten van de bedrijven aan de bron herverdeeld door de lonen van werknemers te verhogen.

Daarbij is het van belang dat de collectieve arbeidsovereenkomsten tot stand komen in grote vrijheid. Het was Guy Cox die daarover in 2018 een interessante bijdrage schreef, met als titel Collectief onderhandelen: niet goed voor de ongelijkheid. Bron: Apache

De groep “onderwijsredders”

Deze veertien ‘gewone’ leraars en experts moeten ons onderwijs redden

De commissie die het niveau van ons onderwijs moet opkrikken, is woensdag officieel voorgesteld. Naast voorzitter Philip Brinckman, directeur van het Sint-Jozefscollege in Turnhout, gaat het om zeven leerkrachten en zeven academische experts. ‘Dankzij hen zal het debat zich niet afspelen boven de hoofden van de leerkrachten zelf’, zegt Brinckman.

In maart kondigde Onderwijsminister Ben Weyts (N-VA) het met veel aplomb aan: een nieuwe werkgroep moest een antwoord bieden op het afbrokkelende niveau van ons onderwijs. Aanleiding was het zoveelste internationale onderzoek dat aantoonde dat onze leerlingen almaar slechter scoren voor wiskunde, begrijpend lezen en wetenschappen.
Oorspronkelijk zou onderwijsexpert Dirk Van Damme de groep leiden, maar hij mocht niet van zijn werkgever de Oeso. Enter Philip Brinckman, directeur van het Sint-Jozefscollege in Turnhout, dat de reputatie heeft het strengste internaat van het land te zijn. Woensdag stelde hij de leden van zijn werkgroep voor, bestaande uit zeven leerkrachten en zeven academici ‘die de rijkdom van het onderwijsveld weerspiegelen’, zo klinkt het in het persbericht.

Vooral de zoektocht naar de zeven leerkrachten bleek een huzarenstukje. Kwestie van niet op zere tenen te trappen en alle netten en onderwijsniveaus een stem te geven. ‘Ik heb álle 967 motivatiebrieven van de kandidaten zelf gelezen’, zegt Brinckman. ‘Op basis van hun ervaring, expertise en motivatie heb ik een keuze gemaakt. Dankzij deze toppers zal het debat zich niet afspelen boven de hoofden van de leerkrachten zelf. We moeten eigenaarschap teruggeven aan leerkrachten zodat leerlingen er beter van worden.’

De werkgroep zal nu de komende maanden verschillende keren samenzitten rond zes thema’s, die voorlopig nog niet worden bekendgemaakt. Tegen de paasvakantie hoopt Brinckman met concrete voorstellen te komen.

Hieronder zijn ze dan, alle leden van de werkgroep.

Deze veertien ‘gewone’ leraars en experts moeten ons onderwijs redden

DE LEERKRACHTEN

– Mohamed Al Farisi: leerkracht elektromechanica in de GO! Spectrumschool in Deurne, een multiculturele middelbare school voor aso, tso en bso.

– Johan De Donder: geeft Nederlands, geschiedenis en economie aan het Maria-Boodschaplyceum in Brussel. Getuigde eerder al in onze krant over het dalende onderwijsniveau.

– Miranda Geens: kleuterjuf in de derde kleuterklas van Gemeentelijke basisschool De Puzzel in Begijnendijk.

– Charlotte Luyssen: leerkracht in De Vlinder, een basisschool voor buitengewoon onderwijs in Tielt.

– Charlotte Ringoir: geeft Engels en Nederlands in het Sint-Paulusinstituut in Gent.

– Mari Scotillo: leerkracht in het vijfde leerjaar van basisschool Dolfijn (Gemeenschapsonderwijs) in Rillaar (Aarschot).

– Patrick Voet: leerkracht in de Johannesschool in Wilrijk, een basisschool van het katholieke net.

DE EXPERTS

– Bieke De Fraine: tot voor kort professor in de onderwijseffectiviteit aan de KU Leuven. Eén van de auteurs van het internationale Pirls-onderzoek dat in 2017 de alarmbellen over het leesniveau in het lager onderwijs deed afgaan. Werkt nu als wetenschappelijk medewerker bij de Onderwijsinspectie.

– Wouter Duyck: professor cognitieve psychologie aan de UGent. Een van de luidste stemmen in het huidige onderwijsdebat. Klaagt het gebrek aan ambitie en de ‘zesjescultuur’ in ons onderwijs aan.

– Daniel Muijs: Vlaming die het onderzoeksteam bij de Britse onderwijsinspectie leidt. Daarvoor was hij professor onderwijswetenschappen aan de universiteit van Southampton.

– Tim Surma: coördineert ExCEL, het expertisecentrum voor effectief leren van hogeschool Thomas More. Expert in didactiek. Stond voordien bijna twintig jaar voor de klas.

– Jan Vanhoof: hoogleraar aan het Departement voor Onderwijs- en Opleidingswetenschappen aan de Universiteit Antwerpen. Gespecialiseerd in schoolbeleid.

– Ann Verreth: het enige lid met een duidelijke politieke achtergrond (CD&V). Werkte op de kabinetten van Kris Peeters en Hilde Crevits, was secretaris-generaal van Katholiek Onderwijs Vlaanderen en is nu algemeen directeur van de Associatie KU Leuven.

– Kristiaan Versluys: professor emeritus in de Amerikaanse literatuur en cultuur aan de UGent. Was acht jaar lang directeur Onderwijsaangelegenheden aan de universiteit.

Levenslang leren moet

Het opleiden van volwassenen is een maatschappelijke uitdaging die een specifieke nationale onderwijs-strategie vergt. Om het traject te laten slagen, moeten we onderzoeken met welke moeilijkheden de volwassenen die zich in dit avontuur storten geconfronteerd worden. Bij deze, een eerste analyse.

In België is het aanbod van volwassenenonderwijs verdeeld onder een overvloed aan bedrijven die over het hele grondgebied verspreid zijn. Sommige cursussen worden ondersteund door de Gewesten (de beroepsopleidingen), terwijl andere onder de verantwoordelijkheid van de Gemeenschappen vallen (het onderwijs). Alle werknemers hebben de mogelijkheid om opleidingsverlof te vragen. In bedrijven met meer dan tien werknemers moet de werkgever gemiddeld vijf opleidingsdagen voorzien per voltijdsequivalent per jaar. Werklozen moeten actief en positief meewerken met de opleidingen die de bevoegde regionale dienst voor arbeidsbemiddeling voorstelt.

Op het eerste gezicht wordt dus iedereen uitgenodigd om zich permanent te vormen. Nochtans blijkt uit de laatste enquête van Randstad1 dat alleen de meest competente profielen dat doen. De personen in de beroepen met een hoog risico om te verdwijnen, daarentegen, vormen zich niet genoeg. Ook mijn persoonlijke ervaring sluit hierbij aan: met mijn universitair diploma, een zelfstandigenstatuut en (nog) geen ouderlijke verantwoordelijkheden beschik ik over de tijd, middelen en geestelijke ruimte om me eenvoudig te organiseren als ik een bijkomende opleiding wil volgen. Maar dat is uiteraard niet bij iedereen het geval.

Iemand die vrijwillig een voortgezette opleiding volgt, weegt eerst heel wat factoren af. Ten eerste, moet hij/zij een min of meer gelukkige relatie met de academische instelling hebben. Als de schoolervaring pijnlijk was, moet de persoon die onaangename relatie te boven komen, en tegelijkertijd zichzelf ook geruststellen over zijn geestelijk vermogen om de lessen te volgen, taken af te geven en examens af te leggen. Een tweede moeilijkheid, die voor sommige van onze medeburgers onoverkomelijk lijkt, is het fysieke vermogen om dit nieuwe tijdelijke engagement te beheersen. Hoe organiseer ik mijn gezinsleven, de verplaatsingen tussen werk, kinderen en opleiding, en de tijd die besteed wordt aan de lessen en studeren? En niet te vergeten: hoe zorg ik voor een goed contact met mijn werkgever, iets dat moeilijker zou kunnen worden ten gevolge van een minder grote beschikbaarheid? Deze moeilijkheden verklaren waarom heel wat medeburgers zich een voortgezette opleiding niet rustig kunnen voorstellen, ook al zou hun beroep in een min of meer nabije toekomst kunnen verdwijnen.

Het herscholen gebeurt trouwens vaak pas na een gedenkwaardige gebeurtenis, zoals een sociaal plan of een andere werkaanbieding. We zijn het allemaal eens over de voordelen van levenslang leren. Maar we mogen niet wachten tot dat soort gebeurtenissen, om ervoor te zorgen dat iedereen massaal gaat deelnemen aan permanente vormingen.

Begrijpen waarom onze landgenoten al dan niet opleidingen volgen is niet meer dan de eerste fase van het werk. Maatregelen voorstellen die gestoeld zijn op dit micro-economische gedrag is de tweede fase. Ze dan vertalen naar concrete maatregelen zodat het voor het individu gemakkelijker wordt om de beslissing te maken, is de derde en laatste fase. De aanzet voor de twee eerste momenten kan gegeven worden door het maatschappelijke middenveld, iets waar we bij de Vrijdaggroep ook volop over reflecteren. De derde fase – de concrete maatregelen – is de verantwoordelijkheid van de politiek, die de uitdaging moet aangrijpen als een kans om een gemeenschappelijk project te creëren met de bevolking én de onderwijsinstellingen.

We moeten ons allemaal achter een verenigd project schuilen: onze maatschappij de volgende tien jaar omvormen zodat de voortgezette opleiding voor volwassenen integraal deel uitmaakt van onze cultuur, net zoals de schoolplicht dat is voor kinderen.

De Vlaamse sociale partners formuleren drie stappen voor meer levenslang leren.

Eens afgestudeerd, leert de Vlaming nog te weinig bij tijdens zijn / haar loopbaan. Zowel de Vlaamse als federale regering willen daar iets aan doen en denken aan een leer- of opleidingsrekening. Wat men daarmee precies bedoelt, is nog onduidelijk. Daarom formuleren de Vlaamse sociale partners zelf al een aantal aandachtspunten. Ze stellen een driestappenplan voor meer leergretigheid voor. Een eerste stap moet zijn om zo snel mogelijk een digitaal platform uit te bouwen. Voor werknemers en werkzoekenden kan dat via Mijn Loopbaan op de VDAB-website, voor werkgevers en zelfstandigen via het e-loket ondernemers. Via dit digitaal platform krijgt iedereen snel zicht op het aanbod van opleidingen en steunmaatregelen en wordt de stap naar bijleren eenvoudiger.

Advies SERV

LEES HET ADVIES

Elke leerling een PC

De eerste coronagolf was een snelcursus voor de digitalisering in het onderwijs. Biedt de tweede besmettingsgolf kansen om daarin te investeren? “Geld stoppen in technologie volstaat niet. Je moet ook de leerkrachten bijscholen”, zegt pedagoog Pedro De Bruyckere in Trends.

De eerste coronagolf nam in veel scholen de koudwatervrees voor digitale hulpmiddelen weg. Tegelijk bleek uit onderzoek van de Leuvense onderwijsexperts Kristof De Witte en Joana Elisa Maldonado dat leerlingen uit het zesde studiejaar een forse leerachterstand hadden opgelopen.

De tweede coronagolf biedt digitale kansen in het onderwijs.
Deze week besliste minister van Onderwijs Ben Weyts (N-VA) dat voor de scholen vanaf de herfstvakantie code oranje geldt. De herfstvakantie is ondertussen verlengd tot en met 11 november. Dat betekent een rist extra voorzorgsmaatregelen tegen de verspreiding van covid-19. Het blijft de bedoeling leerlingen zo veel mogelijk op de schoolbanken houden. Nochtans was er aanvankelijk sprake van in de tweede en de derde graad weer over te schakelen naar afstandsonderwijs.

Moet Vlaanderen de tweede golf dan niet aangrijpen om voluit in te zetten op een inhaalbeweging? Het kabinet van minister Weyts laat weten dat de minister het ICT-budget dit jaar al heeft verdubbeld en werkt aan een plan voor een grote sprong voorwaarts. Daarbij wordt digitalisering gezien als een aanvulling op het klassieke contactonderwijs, niet als een vervanging.

“Het digitale gedeelte van ons onderwijs loopt achterop”, vindt de onderwijsspecialist Wouter Duyck (UGent). “In maart hadden sommige scholen niet eens wifi. Een inhaalbeweging in infrastructuur is zeker nodig, maar we mogen de tweede golf niet gebruiken om te experimenteren. Het is beter de digitalisering te plaatsen in een doordacht pedagogisch plan. Dat is een werk van lange adem.”

Drempels verdwenen.
“Het is positief dat de drempels voor digitale onderwijsvormen bij veel docenten zijn verdwenen”, zegt pedagoog Pedro De Bruyckere (Artevelde Hogeschool en Universiteit Leiden). “Maar de afgelopen maanden werd technologie niet bepaald optimaal ingezet. Technologie heeft pas een meerwaarde als er voldoende professionalisering en didactische inbedding is. Daar had niemand tijd voor.”

Een autoriteit in afstandsleren is Paul Kirschner, gastprofessor bij de Thomas More Hogeschool en emeritus hoogleraar onderwijspsychologie aan de Open Universiteit. Hij haalt aan dat er weinig empirische gegevens zijn over de impact van het afstandsonderwijs tijdens de eerste coronagolf. Uit een studie van de Vrije Universiteit Amsterdam van afgelopen zomer blijkt wel dat studenten minder studieplezier, maar betere resultaten behaalden. “Maar dat zijn universiteitsstudenten”, zegt hij. “Dat is een andere populatie dan kinderen in basisscholen en secundair onderwijs.”

Hij benadrukt het werk dat de leerkrachten tijdens de eerste lockdown hebben verricht. “Ze zijn van de ene op de andere dag in een noodsituatie gegooid”, zegt hij. “Ze waren niet opgeleid in de didactiek van afstandsonderwijs en ze moesten zich behelpen met vergadertoepassingen. Ze hebben zich gered, met de middelen die ze hadden.”

Digitale troeven.
Greet Vanderbiesen ondersteunt scholen in de netwerkorganisatie Katholiek Onderwijs Vlaanderen als coördinator ICT in het secundair onderwijs. Zij ziet een aantal voorwaarden die vervuld moeten zijn om de troeven van het digitale onderwijs uit te spelen. “Zowel leerlingen als leerkrachten moeten over de juiste apparatuur beschikken. Iedereen moet een computer en voldoende connectiviteit hebben om online te gaan. Leerkrachten moeten ook over de nodige vaardigheden beschikken om onlinelessen te maken. Die voorwaarden zijn nog niet allemaal vervuld.”

Een van de grote troeven van digitale technologie in het onderwijs zijn de differentiatiemogelijkheden. Dat zegt Piet Desmet (vicerector KU Leuven) die de imec- onderzoeksgroep Itec leidt, gespecialiseerd in educatieve technologie. “Het potentieel ligt in het adaptieve leren. Een leerkracht kan in een klas van 25 leerlingen niet voor iedereen een geïndividualiseerd leertraject aanbieden. Digitaal kan dat wel.”

Kristof De Witte (KU Leuven) benadrukt de mogelijkheden van blended learning en de flipped classroom. Het eerste maakt een mix van de zaken die je offline wil aanbieden en leerstof die online te vinden is. Het tweede gaat een stap verder: studenten bekijken thuis de theorie en komen naar de les voor uitdieping en oefeningen. “Mijn lessen aan de universiteit zijn zo opgebouwd”, vertelt De Witte. “Studenten komen voorbereid naar de les. Die lessen zijn een moment van intense feedback en kennisoverdracht. Het is anders dan gewoon doceren. Je combineert afstandsonderwijs met contactonderwijs. Maar dat vraagt veel voorbereiding.”

Het is beter de digitalisering te plaatsen in een doordacht pedagogisch plan. Dat is een werk van lange adem’ Wouter Duyck, UGent

Dat model van de ene op de andere dag in het middelbaar onderwijs invoeren lukt niet. Het is noodzakelijk te bepalen welke doelen je beter online en welke je beter off- line kunt halen. “Een video waarin iemand iets gewoon uitlegt, verschilt nauwelijks van een doceerles”, zegt Pedro De Bruyckere. “Investeren in technologie volstaat niet. Je moet ook de leerkrachten bijscholen.”

Ongelijkheid.
In opdracht van de Vlaamse overheid werkt Itec met imec en de KU Leuven aan iLearn. Het platform moet het onderwijs en de aanbieders van digitale oplossingen samenbrengen om adaptief en gepersonaliseerd leren in het basis- en secundair onderwijs in Vlaanderen mogelijk te maken. De toepassing draait in zo’n tien scholen op proef. De bedoeling is ze tegen september 2021 in heel Vlaanderen aan te bieden.

“Het digitale is een middel, geen doel”, zegt Desmet. “Een technologiegedreven aanpak leidt tot de verkeerde keuzes. Ik denk dat we in de eerste coronagolf hebben geleerd dat helemaal digitaal gaan te vermijden is. Een gezonde dosis contactonderwijs blijft de prioriteit. Zeker omdat sociale ongelijkheid een duidelijke impact had op de leerachterstand in de lockdown. De democratisering van het onderwijs in Vlaanderen is redelijk goed gelukt. Die moeten we behouden, ook met een verdere digitalisering van het onderwijs.” Bron: Trends

Neutr-On wil dat elke leerling, die thuis geen PC heeft, een PC krijgt die hij in de school kan gebruiken.

En op 2 november kwam er het volgende nieuws:
De Vlaamse overheid gaat 15.000 laptops uitdelen aan kwetsbare kinderen. Daarvan zijn er binnen een week 4000 beschikbaar. Ook studenten in het hoger onderwijs krijgen laptops en internetaanbieders zouden de komende twee maanden gratis internet gaan aanbieden.

De Vlaamse minister van Onderwijs Ben Weyts kondigde het plan op dinsdagochtend aan, schrijft de VRT. Het plan is bedoeld om kwetsbare kinderen te steunen en hen te helpen alsnog onderwijs te volgen. Dat houdt verband met het feit dat er in België sinds een paar weken veel minder contactonderwijs mag plaatsvinden. “De sluiting van scholen treft altijd de meest kwetsbare leerlingen. We moeten er alles aan doen om hen te helpen”, zegt Weyts tegen Radio 1.

De minister maakt daarom 15.000 laptops beschikbaar. Het is niet duidelijk wat voor laptops dat precies zijn. Toen de eerste lockdown in het land dit voorjaar begon, werden er ook al 12.000 tweedehands laptops bij elkaar verzameld, al duurde het wel lang voordat die beschikbaar waren. Weyts zegt nu dat de eerste 4000 laptops binnen een week beschikbaar zullen zijn. Het gaat dit keer wel om nieuwe laptops. Duizend daarvan zijn bedoeld voor studenten in het hoger onderwijs. De laptops worden verdeeld door een samenwerking van scholen en onderwijsinstanties. De laptops worden eigendom van de scholen en worden uitgeleend aan leerlingen.

Het plan kost volgens de minister tien miljoen euro.
Daarnaast zou er ook worden geïnvesteerd in internetverbindingen. Providers Telenet en Proximus gaan volgens de VRT tot het einde van dit jaar gratis internet aanbieden voor leerlingen die thuis geen internet hebben. Dat gebeurt door middel van een inlogcode voor de publieke hotspots van de providers.
Als het maar geen tweedehands-rommel-laptops zijn.

Lees ook het standpunt van PVDA