Waarom lesgeven het meest complexe beroep ter wereld is, maar nauwelijks juiste ondersteuning krijgt

Als een bouwkundig ingenieur gebruik maakt van de beschikbare wetenschappelijke kennis en de juiste formules, zal hij met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid een veilige constructie kunnen ontwerpen. Hoe anders is dit voor een leerkracht. Er is geen enkele zekerheid dat een bepaalde aanpak voor een specifieke groep werkt. Waarom lesgeven een van de meest complexe beroepen ter wereld is en waarom dit beroep, ondanks (en ook mede door) deze complexiteit, te weinig gepaste ondersteuning krijgt.

Over onderwijs wordt veel geschreven. Dat is niet onlogisch aangezien iedereen ermee te maken heeft of heeft gehad. Vele meningen over het belang van onderwijs en waar het met ons onderwijs naartoe moet, worden verkondigd, recent nog naar aanleiding van de PISA-resultaten.

Er wordt ook veel geschreven over het lesgeven zelf. Dat is al minder vanzelfsprekend. We zijn immers allemaal leerling en/of student geweest, maar zeker niet allemaal leraar. Toch zijn er een heleboel opiniemakers en wetenschappers die straffe uitspraken doen over lesgeven, terwijl ze het nooit zelf hebben gedaan.

Ik wil in dit artikel twee stellingen verdedigen die te maken hebben met het lesgeven zelf. Ten eerste dat lesgeven een van de meest complexe beroepen ter wereld is en ten tweede waarom ik vind dat, ondanks (en ook mede door) deze complexiteit het beroep te weinig gepaste ondersteuning krijgt.

Met enige overdrijving zou je kunnen zeggen dat lesgeven in een klas de meest ingewikkelde, uitdagende, veeleisende, subtiele, genuanceerde en zelfs beangstigende activiteit is die de mensheid ooit heeft bedacht.1 Een leraar moet complexe processen voltooien binnen een vooraf bepaalde tijdsspanne voor een zeer gevarieerde groep mensen. Deze groep kan erg verschillen onder andere wat betreft motivatie, aantal, voorkennis en talenten.

Het werk van de leerkracht is moeilijker dan dat van een bouwkundig ingenieur (hoewel deze veel meer zal verdienen). Een bouwkundig ingenieur is nochtans verantwoordelijk voor de constructie van appartementsgebouwen en bruggen. Hij moet er voor zorgen dat deze constructies stabiel genoeg zijn om veilig in gebruik te nemen. Geen simpele opdracht. Maar hij kan beschikken over een stabiele kennisbasis. Als hij gebruik maakt van de beschikbare wetenschappelijke kennis en de juiste formules, zal hij met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid een veilige constructie kunnen ontwerpen. De weg naar een optimaal eindresultaat is duidelijk en gekend (tenminste als het een competente ingenieur is).

Hoe anders is dit voor een leerkracht. Er is geen enkele zekerheid dat een bepaalde aanpak voor een specifieke groep werkt. Zelfs het werk van een dokter is nog duidelijker. Ook de dokter (één patiënt tegelijkertijd) kan bij zijn beslissing wat te doen met de patiënt terugvallen op een stabiel (weliswaar evoluerend) wetenschappelijk kennisbestand. De leerkracht kan dit nauwelijks en hij heeft een hele klas tegelijk voor zich.

In het onderwijs is er een onoverbrugbare kloof tussen theorie en praktijk. Niet alleen zijn theorieën reducties van de realiteit, ze zijn ook te algemeen van aard. Er bestaan geen theorieën die een leerkracht achteloos kan toepassen en die de zekerheid bieden van een stabiel resultaat.

Als een leerkracht dat wel zou doen, zou die het bijzondere over het hoofd zien. De leerkracht moet een complexe denkoefening maken, waarbij hij uitvindt wat er voor een bepaalde groep kinderen, jongeren of volwassenen het beste is in dié specifieke situatie, op dàt moment.

Bovendien beschikt hij (en daar kom ik later nog op terug) over zeer weinig wetenschappelijke onderbouwing die hem een redelijke zekerheid kan geven dat zijn plan zal lukken. De lerenden die de leraar voor zich heeft, kunnen het niet per se goed met elkaar vinden, ze gedragen zich onvoorspelbaar en verrassend. Ze hebben niet voor elkaar gekozen. Ze hebben al een heleboel meegemaakt en nemen heel deze geschiedenis mee in de klas. Het is duidelijk dat een interactie met zo’n verscheiden groep stress kan opleveren.

Het beroep van leraar vraagt een groot improvisatievermogen en veel creativiteit. Een leerkracht heeft nood aan handelingskennis of praktijkwijsheid.1 Met een wat bredere term kan je het ook vakmanschap noemen. Het gaat om kennis en kunde van hoofd, hart en handen. Het is niet te leren uit boeken, een leerkracht bouwt dit (bewust en onbewust) op door ervaring. Hij bouwt een soort onzichtbare kennis op die persoonsgebonden en dus ook niet objectief is. De weg daarnaartoe is in de praktijk helaas bezaaid met veel vallen en opstaan en ook de nodige burn-out-verschijnselen en drop-outs.

Na de opleiding kost het leraren gemiddeld vijf jaar om het vak min of meer in de vingers te krijgen. De eerste jaren van startende leerkrachten zijn vaak zwaar, niet iedereen ‘overleeft’ deze zoektocht. De complexiteit en daardoor de zwaarte van het beroep is een belangrijke reden dat zoveel leraren afhaken en het lerarentekort dus groter wordt.

Ik kom nu bij mijn tweede stelling, namelijk dat leerkrachten, ondanks deze zware opdracht, weinig ondersteuning krijgen. De belangrijkste reden hiervoor is dat er in het onderwijsveld twee groepen bestaan: enerzijds deskundigen die kennis ontwikkelen en/of verspreiden, maar die kennis niet gebruiken in de praktijk, en anderzijds leraren die wel in de onderwijspraktijk werken maar wier kennis geen officiële status heeft.3

Ik zeg het nu een beetje zwart-wit, maar de wetenschappelijke onderwijswereld gaat ervan uit dat de theorieën die zij ontwikkelen in de onderwijspraktijk kunnen worden toegepast. Politici, wetenschappers en allerlei opiniemakers beschouwen deze theorieën als bewezen, als effectief of als evidence-based. Helaas is het niet zo simpel.

Nog los van het feit dat de meeste leerkrachten maar zelden iets lezen over onderwijsonderzoek, is deze kennis uit onderzoek vaak simplistisch. Intellectuele kennis is niet hetzelfde als handelingskennis, als toepasbare kennis. Uiteraard is intellectuele kennis voor leraren van belang, maar vakmanschap leer je door het te beoefenen, door er doelgericht mee bezig te zijn.

Je kan het vergelijken met voetballen (of nog een heleboel andere sporten). Niemand leert voetballen door een stappenplan op papier te volgen. Ook in het voetbal moet je allerlei snelle beslissingen nemen, voortdurend inschattingen en afwegingen maken die je alleen onder de knie krijgt door het veel te doen. Het zijn trouwens allemaal inschattingen die afhangen van de omstandigheden op dàt moment, met een tegenstander die specifieke acties onderneemt, net zoals in het onderwijs dus.

Kennis die het onderwijs kan verbeteren, kan niet geleverd worden door buitenstaanders.3 De veronderstelling dat onderwijsonderzoek een bruikbare aanpak kan leveren, is even grote fictie als dat je leert voetballen door ernaar te kijken of door enkel stilstaande fases te oefenen.

De vaststelling dat het onderzoek naar de onderwijspraktijk niet aansluit op de praktijk schept meer problemen dan je zou denken. Het creëert ook de illusie dat de oplossingen voor goed onderwijs voor handen zijn. Ik citeer uit het rapport ‘Beter Onderwijs’ dat aanbevelingen gaf aan de minister van Onderwijs: ‘We weten ondertussen hoe ons brein en het leren optimaal werken. Het basismechanisme van leren verandert niet, de manier waarop kennis en vaardigheden het best aangeleerd worden ook niet. Een massa onderzoek toont intussen aan hoe leren het efficiëntst gebeurt. Deze evidentie moet geherwaardeerd worden in de klaspraktijk vanuit een evidence-informed aanpak’.4 Wat er impliciet bij gedacht kan worden: de kennis ligt er, u als leerkracht moet ze nu gewoon toepassen.

Helaas, die kennis ligt er niet! Lesgeven kan niet op een gestandaardiseerde manier. Vakmanschap of praktische wijsheid is veel meer dan het toepassen van een lijstje uit een onderzoek. Het succes van een les hangt veel meer af van de handelingskennis van de leerkracht dan van een format.

Ik daag u uit om leerkrachten te bevragen nadat ze (verplicht) een vorming hebben gevolgd over een bepaalde, zogenaamd effectieve aanpak. Ik voorspel weinig enthousiasme. Ik zeg bewust verplicht hebben gevolgd, want wellicht zal er meer enthousiasme zijn als iemand er zelf voor kiest om een vorming te volgen. Als iets aansluit bij je eigen interesse kan het zeker deel worden van je vakmanschap.

Hét recept om een betere leerkracht te worden bestaat niet. En het zal zeker niet komen van al te simpele theorieën. Opgelet, ik ben niet tegen theorievorming over onderwijs. Ik vind het zelfs zeer boeiend, en het kan het inzicht in dit beroep alleen maar verdiepen.

Maar leerkrachten mogen zich niets laten wijsmaken. Zij zijn de belangrijkste actor in het onderwijs, zij moeten het in de praktijk waarmaken. Ze kunnen dit haalbaarder maken door overleg te plegen met hun collega’s, (praktijkgerichte) vormingen en opleidingen te volgen, te reflecteren over hun ervaringen en zeker ook door regelmatig iets te lezen over onderwijs.

Maar het is een illusie om te denken dat zij iets zullen vinden dat gewoon copy-paste werkt. Het onderwijs is en blijft vooral ploeteren, een voortdurend zoeken naar wat er werkt voor een specifieke leerkracht, in zijn situatie en met zijn leerlingen.

Bron: Dewereldmorgen.be

Het Verhaal van Wél Werkende Walen zet de N-VA een neus

Het Verhaal van Wél Werkende Walen zet de N-VA een neus

Recent verschenen twee boeken van Franstalige Belgen, antwoorden op belegen luie-Walen-clichés die de N-VA blijft recycleren voor elke verkiezing – om het maar niet te hebben over hoe slecht ondertussen de eigen Vlaamse Regering werkt. Ze zullen rabiate Vlaams-nationalisten niet overtuigen, daarentegen kunnen mensen die nog willen nadenken er heel wat uit leren.

Mais qui sont Dermine et Gerlache?

Het boek van Thomas Dermine Walen Werken Wél! heeft als lange ondertitel Een daad van verzet tegen de foute clichés over Wallonië. Als er foute clichés zijn, dan zijn er dus ook goede, juiste of terechte clichés? De werkelijkheid is zoals steeds meer genuanceerd. Dermine is voor de PS federaal staatssecretaris1 voor relance, strategische investeringen en wetenschapsbeleid (de Belgische politiek houdt van lange titels).

Journalist Alain Gerlache schreef Het Verhaal van Wallonië. Hij is net als Dermine een nog altijd uitzonderlijke Franstalige Belg die vloeiend Nederlands spreekt. Bij Dermine hoor je het wel in zijn accent en hier en daar een verkeerde zinsbouw, maar wie Gerlache niet kent en hem Nederlands hoort spreken mét zachte Vlaamse ‘g’ – dé tongbreker voor elke Franstalige – zou niet eens weten dat hij Franstalig is.

Want ook dat blijft een betreurenswaardig feit: taalonderwijs – niet alleen van het Nederlands! – blijft ronduit slecht in Franstalige middelbare scholen. Nederlands is niet eens een verplicht vak. En Nederlands wordt in Franstalige scholen niet eens door Vlamingen gegeven (en vice versa). Was het in Vlaanderen ooit anders qua kwaliteit van taalonderricht, dan is dat de laatste 20 jaar drastisch verslechterd, samen met de algemene achteruitgang van het Vlaamse onderwijs.

Wie in Vlaanderen technisch of beroepsonderwijs volgt spreekt geen Frans meer en in het klassieke middelbaar gaat het eveneens fel achteruit. Universiteiten krijgen meer en meer studenten over de vloer die nauwelijks nog Frans kunnen spreken.

Federale ministers die geen Nederlands spreken, anno 2024

In 2024 zitten nog steeds ministers in de nationale Belgische regering die amper Nederlands spreken. Minister van Buitenlandse Zaken Hadja Lahbib, tot 2022 een RTBF-nieuwsanker, kan ons land slechts met moeite vertegenwoordigen in het Nederlands. Ze spreekt net als de meeste Franstalige politici een soort Nederlands dat je alleen begrijpt als je zelf Frans verstaat.

Gerlache is een vroegere collega van Lahbib. Hij heeft een lange carrière achter de rug bij de Franstalige openbare zender RTBF (Radio Télévison Belge Francophone), die nog steeds zijn oorspronkelijke naam heeft, mét de B van België. De Vlaamse overheidszender heette oorspronkelijk BRT, zonder taalletter N, heel even werd het wel BRTN tot de zender zich VRT (Vlaamse Radio en Televisie) ging noemen in 1998. Het typeert de Belgische interne verhoudingen. Dit land heeft in feite géén nationale omroep.

Een van de bizarre gevolgen van die naamsverandering die ik zelf kon vaststellen tijdens mijn jaren in buitenlandse VN-missies is dat VRT-correspondenten mogen uitleggen dat ze wel degelijk een Belgische overheidszender zijn, terwijl de RTBF dat niet hoeft te doen (en dikwijls wordt ontvangen als dé Belgische overheidszender).

Gerlache was van 1999 tot 2003 woordvoerder van eerste minister Guy Verhofstadt, waarna hij directeur werd van de RTBF. Hij wordt nog steeds gevraagd als gast op Vlaamse zenders en heeft een vaste column in de krant De Morgen. Staatssecretaris Dermine komt ondanks zijn uitstekend Nederlands nauwelijks aan bod in de Vlaamse media.

Onschuldige versus gevaarlijke clichés

De verhoudingen tussen Vlamingen en Franstalige Belgen, Walen en Brusselaars, zijn grotendeels gespeend van degelijke wederzijdse kennis, zijn gebaseerd op vooroordelen, vooraannames en misverstanden – niet alleen taalkundig.

Inhoudelijk lijken Franse en Nederlandse clichés over België op de clichés tussen Vlamingen en Walen, maar de angel zit in de politieke consequenties.

Waar zelfs de meest bijtende clichés over Belgen in Frankrijk en Nederland uiteindelijk eerder onschuldig en onschadelijk zijn, is dat niet het geval met de clichés in Vlaanderen over Wallonië. Er zijn in Vlaanderen twee politieke partijen actief – goed voor bijna 40 procent van de stemmen – die van die zogezegde ‘verschillen’ tussen noord en zuid gebruik maken om dit land op te splitsen en van Vlaanderen een neoliberaal Singapore aan de Schelde te maken, zonder al te veel ongein als sociale zekerheid, openbaar vervoer, openbaar onderwijs, sociale woningen en andere liflafjes waar de Vlaamse staat van hun dromen zich niet meer moe aan hoeft te maken.

Niet zo onschuldig dus, deze clichés. Ze worden maximaal ingezet en uitvergroot door de N-VA en Vlaams Belang ten bate van andere doelstellingen. Zit daar voor het Vlaams Belang nog een zekere extreemrechtse logica achter – het is voor hen altijd de schuld van een ander, de Waal, de moslim, de vluchteling, de werkloze – dan is dat niet het geval voor de N-VA.

De N-VA haat de Franstalige socialistische partij PS maar heeft een zeer innige liefdesverhouding met de Franstalige liberalen van MR, wat staat voor Mouvement Réformateur (‘hervormingsbeweging’). Met die partij delen ze de idealen van een bikkelharde neoliberale staatsorde – waarbij ‘staat’ uiteraard Vlaanderen betekent. Menig MR-politicus/a aarzelt niet om de Vlaamse clichés over Wallonië over te nemen.

Andere accenten, hetzelfde verhaal

Gerlache benadert in zijn analyse het probleem meer algemeen, niet alleen sociaal-economisch maar ook sociaal-cultureel en historisch. Hij legt grondig uit waarom Brusselse Franstaligen – tenzij het zeer recente Waalse immigranten zijn – in geen enkel geval ‘Walen’ zijn. Brusselaars denken zelf in clichés over les Wallons, die zeer goed gelijken op de Vlaamse clichés over ‘de Walen’ (waar Vlamingen dan weer Brusselaars én Walen mee bedoelen).

Gerlache geeft eveneens een deskundige uitleg over de redenen waarom in Franstalig België gewest en gemeenschap2 afzonderlijke instellingen zijn, terwijl dat in Vlaanderen één geheel is.

Ik herken wel wat in de persoonlijke beleving van Gerlache. Ik woon bijna 30 jaar in de officiële Vlaamse gemeente Sint-Genesius-Rode (en ik kwam van Wezembeek-Oppem), tussen het Brusselse Ukkel en het Waalse Waterloo. In mijn ‘Vlaamse’ gemeente is meer dan 75 procent van de bevolking Franstalig.

Dat ‘de grens’ tussen deze twee gemeentes loopt “langs een straat met een verschillende naam aan Waalse en Vlaamse zijde” klopt echter maar een heel klein beetje, in twee straten in de wijken Terkluizen en Zevenbronnen. Het overgrote traject van de ‘grens’ tussen beide gemeenten ligt in open veld dat aan beide zijden Waterloos Veld – Champ de Waterloo heet.

Gerlache vermeldt ook dat zijn leraar Nederlands op school een Vlaming was. Dat was en is jammer genoeg zeer uitzonderlijk en is sinds de staatshervormingen bijna onmogelijk geworden. Het is gemakkelijker om als Vlaming een baan te vinden, zelfs als leerkracht Frans, in een Franse school, zeker op het platteland waar een schrijnend gebrek is aan onderwijzend personeel, zoals een Vlaamse lerares Frans van onze kinderen in Rode mocht vaststellen toen ze in de Ariège ging wonen.

Gerlache en Dermine relativeren de reële verschillen

Verschillen tussen Vlaanderen en Wallonië? Dermine en Gerlache ontkennen ze niet. Maar ze herleiden die tot hun ware dimensie. Meer nog, er is niets uitzonderlijks aan. “Zelfs bij onze Nederlandse buren, die nochtans vaak als het goede voorbeeld aangehaald worden (door de N-VA, nvdr), is de kloof inzake economische dynamiek tussen de meest en de minst welvarende regio’s van het land groter dan bij ons.”

Dermine ontkent dus niet dat er wel degelijk specifieke Waalse problemen zijn – ook Gerlache schrijft geen verhaal dat alle vooroordelen volledig op zijn kop zet. Ja, er zijn problemen waar aan gewerkt moet worden, maar neen, die zijn niet uitzonderlijk.

Dermine: “Wat echt bijzonder is aan België, is dat zijn twee grootste gewesten tegengestelde historische achtergronden hebben en een grondgebied delen dat maar een paar honderd vierkante kilometer groot is… Tot slot is ook nog bijzonder aan België dat onder sociaal-economische verschillen een taalkundige en culturele breuklijn loopt waaraan een complex verhaal van communautaire frustraties, onuitgesproken zaken en conflicten verbonden is.”

Dat het in België om slechts twee regio’s gaat geeft alleen maar de schijn dat dit een onoverkomelijke situatie zou zijn. De ene regio heeft alleen de andere regio om op neer te kijken. Duitsland heeft zeventien deelstaten, Italië twintig regio’s, Spanje heeft vijftig provincies. Die hebben veel grotere socio-economische verschillen dan de twee Belgische regio’s.

Het is tenslotte ook fout om ‘Walen’ als één hechte groep te zien. Wat Wallonië kenmerkt is een zeer sterk regionalisme, dat in grote lijnen overeenkomt met de provinciegrenzen. De N-VA houdt daar in zijn oppervlakkige veralgemeningen geen enkele rekening meer en goochelt graag met de ‘transfers’ van de sociale zekerheid naar het arme en luie Wallonië.

Henegouwen en Luik

Wie de moeite doet om voorbij de clichés te kijken, ziet daarentegen iets heel anders. De Waalse armoede en werkloosheid zit geconcentreerd in de twee Waalse provincies Henegouwen en Luik. Bovendien, de rijkste Belgische provincie per hoofd van de bevolking is Waals-Brabant.

De provincies Namen en Luxemburg zijn op de as Namen-Aarlen voorlopers qua nieuwe innovatieve bedrijven (zie over die transfers Waarom N-VA en Vlaams Belang ‘transfers’ naar Wallonië en Brussel best OK vinden).

Dermine gaat meer dan Gerlache in op die sociaal-economische context. Zijn boek leest minder vlot, bevat veel tabellen en statistieken. De ervaren journalist Gerlache leest beter, maar inhoudelijk is Dermine sterker. Zeer leerrijk is zijn vergelijkende studie in het hoofdstuk: Zijn de economische verschillen tussen Wallonië en Vlaanderen uitzonderlijk? over sociale transfers tussen regio’s binnen andere Europese landen.

Omgerekend per hoofd van de bevolking is de transfer van sociale bijdragen van de Nederlandse regio rond Rotterdam naar de noordelijke provincies Groningen, Friesland en Drenthe hoger dan de transfers van Vlaanderen naar Wallonië.

Nog hoger zijn de transfers van Catalonië naar Andalucía, eenzelfde verhaal over de verschillen tussen de Duitse Länder en de sociale transfers naar het noorden van Frankrijk. Lees vooral in datzelfde hoofdstuk vooral het onderdeel De verschillen tussen Vlaanderen en Wallonië zijn niet uitzonderlijk.

De clichés uitvergroten is voor de politieke agenda van de N-VA en het Vlaams Belang broodnodig. Zelfs in de meest gunstige peilingen zijn slechts 20 procent van alle Vlamingen voorstander van een eigen staat. Waarom dan toch zoveel Vlamingen er voor stemmen is eenvoudig: ze stemmen er voor met andere motieven dan de communautaire kwestie. Het steekt hen dan ook dat de Vlaamse solidariteit na de regenramp in de vallei van de Vesder zo groot was. Verkeerde boodschap…

Degelijk werk, beide boeken. Wel enigszins verbazend om lezen dat Gerlache op de achterflap de loftrompet krijgt van openbare omroep VRT, de kranten Le Soir en Het Laatste Nieuws, terwijl deze Vlaamse media (niet alleen deze drie) in hun dagelijkse berichtgeving voortdurend onkritisch plaats geven aan het anti-Waalse discours van N-VA en Vlaams Belang.

Beide boeken vormen samen een mooi geheel, ook al zijn ze los van elkaar ontstaan en bekijken ze de problematiek vanuit een andere invalshoek.

Vlaams-nationalisten hoeven de moeite niet te doen, voor hen telt immers alleen het doel, feiten zijn irrelevant. Voor de Vlamingen die verder willen kijken dan eng nationalisme bevatten beide boeken een ton aan degelijke informatie.

Nogmaals Dermine: “… veel van de gemeenplaatsen (zijn) onwaar, of moeten sterk gerelativeerd worden.” Dat doen beide auteurs met verve.

Thomas Dermine. Walen Werken Wél – Een daad van verzet tegen de foute clichés over Wallonië. Borgerhof & Lamberights, Gent, 2023, 216 pp. ISBN 978 9464 7597 61

Alain Gerlache. Het verhaal van Wallonië. Ertsberg, Antwerpen, 176 pp. ISBN 978 9464 7503 31

Notes:

1   Voor Nederlandse lezers: de ‘staatssecretaris’ is een vice-minister, die onder het gezag van een minister een deel van zijn/haar bevoegdheden beheert. In de regionale regeringen bestaat deze functie niet.

2   Voor Nederlandse lezers: de bevoegdheden van de Gewesten betreffen alles wat aan het grondgebied is verbonden zoals leefmilieu, infrastructuur, openbaar vervoer e.d. terwijl de bevoegdheden van de Gemeenschappen betrekking hebben op persoonsgebonden zaken zoals onderwijs en cultuur. Het is een fictief onderscheid waar niet alleen buitenlanders niet wijs uit raken, ook de meeste Belgen herkennen zich er niet in. De naam ‘Gewest’ was een doelbewuste politieke keuze omdat de Franstalige onderhandelaars ten allen prijze een term als ‘deelstaat’ willen vermijden.

Bron: dewereldmorgen.be

Jongeren voeren actie tegen stijging NMBS-tarieven

Jongeren stapten vandaag verkleed als ‘bourgeoisie’ op de trein bij Brussel-Zuid om te laten zien dat het tegenwoordig een luxe is om met de trein te reizen. Deze actie, georganiseerd door jongerenvakbonden en de Franstalige studentenkoepel, is gericht tegen de recente verhogingen van de tarieven van de Belgische spoorwegen (NMBS).

In 2023 stegen de NMBS-prijzen al met 9 procent, en vandaag komt daar nog eens 5,9 procent bovenop. “Het probleem is dat het openbaar vervoer al duur is en alleen maar duurder wordt”, benadrukt Anton Obbels, educatief medewerker bij ABVV-Jongeren. Vooral nu, in een tijd waarin werkonzekerheid onder jongeren toeneemt en inflatie hard toeslaat, is deze prijsstijging problematisch, melden de jongerenvakbonden.

De jongerenvakbonden zetten zich in voor een ‘jongerenticket’, waarmee je voor slechts 12 euro per jaar door heel België kunt reizen. “Openbaar vervoer moet toegankelijk zijn voor iedereen”, benadrukt Obbels. Echter, met de tariefverhoging van de NMBS worden er steeds meer groepen uitgesloten. “Daarom zijn wij vandaag uitgedost als bourgeoisie”, vertelt Joke Vrijs, Nationaal Verantwoordelijke van Jong ACV. In de trein schenken jongeren glazen champagne in en gaan ze rond met een dienblad met toostjes kaviaar. “Het openbaar vervoer is echt iets voor de rijken geworden.’’

“Voor veel studenten is dit een financiële kater”, vervolgt Vrijs. Volgens haar zijn er studenten die jaarlijks meer dan 500 euro aan vervoerskosten moeten betalen. “Vooral studenten die hun eigen studiegeld bekostigen, worden het hardst getroffen. We streven naar betaalbaar en toegankelijk onderwijs, en daar hoort eveneens betaalbaar en toegankelijk openbaar vervoer bij.”

Deze tariefsverhoging treft niet alleen studenten. De Vlaamse Jeugdraad wijst op vervoersarmoede die ook voor steeds meer kinderen en jongeren in kwetsbare situaties een realiteit wordt, zowel voor hun onderwijs als voor hun vrije tijd. Ze waarschuwen dat bij elke prijsstijging steeds meer scholieren in kwetsbare omstandigheden in vervoersarmoede dreigen te belanden.

Daarnaast benadrukken de jongerenvakbonden dat de tariefverhoging niet alleen tegen sociale doelstellingen ingaat, maar ook tegen de klimaatdoelstellingen die België centraal moet stellen. “Als we willen dat meer mensen de wagen laten staan en het openbaar vervoer nemen, dan helpt zo’n prijsverhoging totaal niet”, stelt Obbels. Volgens de jeugdvakbonden moet de openbare dienstverlening synoniem staan aan toegankelijkheid en duurzaamheid om de ecologische transitie te bevorderen.

Overigens “vormt niet alleen de prijsverhoging het probleem”, voegt Obbels toe, “maar ook de dienstverlening wordt steeds slechter, met voortdurende vertragingen”. Volgens de Vlaamse Jeugdraad ben je bovendien, na de invoering van het nieuwe vervoersplan, afhankelijk van of je bus überhaupt (nog) rijdt in jouw regio. Een UGent-student vertelde aan de Vlaamse Jeugdraad: “Wegens de herstructureringen bij De Lijn werd mijn bus geschrapt. Ik word nu verplicht om een abonnement bij de NMBS te nemen, dat door de prijsstijging ook nog eens een pak duurder wordt. Er wordt tegen mij gezegd dat ik dan maar gewoon de auto moet nemen, maar dit kan toch geen alternatief zijn voor het openbaar vervoer?”

De jongeren in de trein pleiten voor een betaalbaar openbaar vervoer zodat duurzame mobiliteit ook wordt aangemoedigd. “Het is belangrijk om te blijven strijden hiervoor”, stelt Obbels, ”anders wordt het treinreizen een luxeproduct”.

Bron: dewereldmorgen.be

Ongemoeide wegblokkades door boeren? Tien vragen, tien antwoorden

Ongemoeide wegblokkades door boeren? Tien vragen, tien antwoorden

Natuurbeschermers en klimaatactivisten zijn verontwaardigd dat hun wegblokkades zwaar worden aangepakt en gecriminaliseerd, terwijl wegblokkades door boeren onaangeroerd blijven. Hun woede is begrijpelijk, maar ze richten zich tegen de verkeerde vijand. Het boerenprotest is terecht. Dat het niet zo hard wordt aangepakt klopt ook, maar er zit een andere tragiek achter die protesten die we niet mogen ontkennen. Ten gronde voeren boeren en klimaatactivisten dezelfde strijd.

1. Waarom worden wegblokkades van klimaatactivisten zwaar aangepakt, die van boeren ongemoeid gelaten?

Je kan er niet naast kijken. Overal wordt klimaatprotest zwaar aangepakt. In Groot-Brittannië worden klimaatactivisten met een nieuwe draconische wet tot zware gevangenisstraffen veroordeeld. In de VS worden ze veroordeeld op basis van nieuwe wetten die klimaatactivisme als terrorisme classificeren. Die harde aanpak gebeurt ook in Frankrijk, Duitsland, Polen, Italië…

Klimaatactivisten en natuurbeschermers worden bij de opruiming van hun wegblokkades fysiek zwaar aangepakt door de politie en administratief aangehouden. Ze krijgen naast boetes voor ‘schade’ en ‘hinder van het vrije verkeer’ gevangenisstraffen aangerekend.

De recente wegblokkades door boerenprotesten kunnen blijkbaar ongestoord doorgaan. Er is dus een frappant zichtbaar verschil in aanpak. Tractoren komen en gaan blijkbaar zonder hindernissen. Daar zijn meerdere redenen voor die we verder in deze vragenlijst nader gaan bekijken.

Dat zijn onweerlegbare feiten. De verontwaardiging van de klimaatactivisten en natuurbeschermers over deze selectieve aanpak valt zeer goed te begrijpen. Er zijn echter redenen voor die niet alleen maar te herleiden zijn tot voorkeuren van de overheid (zie verder).

Klimaatactivisten en natuurbeschermers mogen daaruit niet de conclusies trekken dat de motieven voor de boerenprotesten niet legitiem zouden zijn. De boeren hebben terechte grieven, die ieders aandacht verdienen. Om oplossingen te vinden is het kennen van die motieven essentieel, wat niet betekent dat je het met hun actievormen eens moet zijn.

2. Kan je wegblokkade door tractoren voorkomen of ontbinden?

Een wegblokkade door tractoren voorkomen of ontbinden is logistiek nog moeilijker dan wegblokkades door truckers. Een gering aantal tractoren, 20 à 30, volstaat al om een autosnelweg, een cruciaal kruispunt, een stadscentrum of een industriezone te blokkeren.

Een stoet tractoren houdt je ook niet zomaar tegen. Er op springen om de deuren te openen van een rijdende tractor is levensgevaarlijk en fysiek niet evident. Toegangswegen blokkeren met politievoertuigen is ook allesbehalve evident.

Tractoren tegenhouden die stilstaan op een gewone verkeersweg is al helemaal onbegonnen werk.  Tractoren wegen gemakkelijk vijf ton, die duw je niet zomaar in de kant. Landbouwtractoren rijden bovendien als ze dat willen even goed over open veld naast de weg en geven de politie dan het nakijken.

Dat is tegelijkertijd ook de reden waarom tractoren in de steden wél kunnen gestopt of afgeleid worden. Tussen huizenblokken kan ook een tractor geen kant op. Vandaar dat de Europese wijk in Brussel goed afgesloten kan worden.

Boeren aanhouden wanneer ze uit hun tractoren stappen is riskant, wegens de mogelijke reactie van andere boeren. Er zijn tot nu nog geen gekwetsten gevallen, onder meer omdat geen agent het waagt in zijn voertuig te blijven zitten wanneer woedende boeren komen aanstormen.

Dit praat uiteraard niet goed dat wegblokkades ongemoeid zouden worden gelaten. Maar ook dat klopt niet helemaal. Ze worden wel degelijk afgeleid en meestal volgen ze de instructies goed op. Dat de hoofdzetel van Colruyt toch kan geblokkeerd worden heeft net te maken met de onmogelijkheid om ze te tegen te houden  in open bebouwing.

Overigens hebben vooral Waalse boeren redenen genoeg om zeer boos te zijn op Colruyt (zie Boeren blokkeren distributiecentrum Colruyt na weigering boeren toegang to hun grond te garanderen en Boerenprotest tegen massale aankoop landbouwgrond door Colruyt). Colruyt koopt massaal gronden op en stelt de boeren die er op pachten (= huren) voor de keuze: alleen nog telen wat Colruyt hen oplegt, aan de prijs die Colruyt oplegt of vertrekken.

Het is ook niet zo dat aangerichte schade niet vervolgd wordt. In Frankrijk filmen als boer vermomde agenten alle boeren en de  nummerplaten van hun tractoren en worden boeren vervolgd, ook voor schade die ze niet persoonlijk hebben aangericht, vanuit het dubieuze principe van ‘medeverantwoordelijkheid’.

Boeren worden weken of maanden later aangehouden en verhoord. Ze riskeren gigantische boetes, die het voortbestaan van hun boerderij bedreigen. Niet (kunnen) betalen leidt tot inbeslagname van tractor of andere machines.

Ook hier maakt de federale politie foto’s,  de vervolging is nog niet zo repressief als in Frankrijk. Met andere woorden, ook boeren worden vervolgd, meestal veel later, ver weg van de schijnwerpers. Het is in ieder geval niet zo dat boeren met hun protesten geen risico’s nemen.

3. De sector ‘boert’ toch goed?

Dat de voedselsector grote winsten maakt betekent niet dat de boer of boerin het goed doet. De sector doet het voor het ogenblik uitstekend. Met de boeren gaat het daarentegen van kwaad naar erger. Dat kan contradictorisch lijken maar is het niet.

Boeren en boerinnen zijn loonslaven geworden van de agrobusiness (zie hierboven al wat Colruyt wil aanrichten). Ze zijn met handen en voeten gebonden aan aankoop- en leveringscontracten. En vooral: boeren zijn zowat de enige producenten die de prijs van hun producten niet eens zelf kunnen bepalen.

De agrobusiness dringt zijn zaaigoed, zijn plantgoed, zijn meststoffen, zijn pesticiden op aan de boeren, die vervolgens de rekening krijgen gepresenteerd van de bodemvervuiling die ze zo veroorzaken, terwijl de echte daders buiten schot blijven en zelfs de eersten zijn om aan nieuwe Europese normen te beantwoorden.

Dat kunnen ze dankzij machtige lobbygroepen als COPA-COGECA (Comité des organisations professionnelles agricoles-Comité général de la coopération agricole de l’Union européenne) die poseren als vertegenwoordigers van ‘de boeren’ maar in werkelijkheid rijden voor de grote agrobedrijven en de klein gezinsboerderijen compleet in de verdrukking duwen.

Voorzitter van COPA is Christiane Lambert, tevens voorzitter van FENSEA (Fédération nationale des syndicats d’exploitants agricoles), de Franse koepel van  boerensyndicaten die al evenmin de kleine boeren vertegenwoordigt. Meerdere landbouwvakbonden zoals de Tsjechische APFCR hebben de koepel daarom al verlaten.

De Litouwse vakbond LRZUR overweegt dat ook te doen. De Roemeense koepel AAC is ook lid van COPA-COGECA maar vertegenwoordigen slechts 3500 ‘boeren’ – slechts 0,1 procent van alle Roemeense boeren – die samen wel 35 procent van alle Roemeense akkers bezitten.

In Vlaanderen is de Boerenbond de vos in het hoenderhok. Deze organisatie beweert eveneens de kleine boeren te verdedigen, maar in werkelijkheid promoot de organisatie volledig de visie van de Europese Commissie en van het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid van de EU.

Ook de Boerenbond pusht de boeren tot alsmaar grotere exploitaties, grotere machines, monoculturen, klassieke landbouw, een volledig door winstbejag gedreven landbouw.

4. Hoeveel kosten tractoren en landbouwmachines?

(hou je calculator bij de hand voor deze vraag)

Een gemiddelde tractor kost tussen de 55.000 en 108.000 euro, met enkele uitschieters zoals de mastodont Fendt 1050 die voor 388.000 euro de jouwe is.

Met een tractor alleen ben je echter niets, daar horen machines bij. Een getrokken balenpers kost je gemakkelijk 42.000 euro. Er zijn ook zelfrijdende balenpersen  (met een eigen motor voor aandrijving van de machine en verplaatsing), die zijn krachtiger en sneller maar ook veel duurder.

Maaidorsers zijn te groot om getrokken te worden en zijn dus altijd zelfrijdend.  Een degelijke maaidorser John Deere W650 mag je mee naar huis nemen voor 122.000 euro. Je hebt dan wel een machine in de hangar staan die amper drie maand per jaar werkt, net als heel wat andere landbouwmachines. Dure investeringen.

Ook aardappelrooiers kunnen zelfrijdend zijn, die zijn duurder maar hebben een veel grotere oogstcapaciteit. Een gloednieuwe Grimme Trecton 415 haalt 77.000 euro van je rekening af – en weeral, ik val in herhaling, buiten de oogstmaanden staat dat duur spul maar te niksen. Je kan er niets anders mee doen.

Tractoren trekken of duwen zaaimachines, mestverspreiders (afzonderlijke voor kunstmest of dierlijk mest), productverstuivers, ploegen, brekers. Een degelijke achtscharenploeg kost gemakkelijk 30.000-40.000 euro. Die zijn zo duur omwille van de scharen en het chassis. Die moeten oersterk zijn. Ploegen is wat de meeste energie vergt van een tractor.

Je ziet ze tijdens die wegblokkades rijden met die megabanden, dikke rubber die een politieagent met een pistool niet lek krijgt. Een degelijke tractorband als de IF1250 Alliance van gespecialiseerd bedrijf Holland Tyre weegt 634 kg, rubberdikte 6 cm, hoogte 2,15 m . Je hebt hem voor 7150 euro.

Je moet al dat kostbaar materiaal ook droog houden in de maanden dat het staat te niksen of je hebt hangars nodig voor je veestapel. Een niet-geïsoleerde hangar met plat of schuin dak van 7 meter hoog kost gemiddeld 100-250 per m2, geïsoleerd loopt dat op tot 200-350 euro. Een degelijke hangar is gemakkelijk 500m. Die laat je bouwen voor 50.000 euro.

5. Is de brandstofprijs zo belangrijk, tractordiesel is toch goedkoper dan autodiesel?

Dat klopt. De diesel aan de pomp is een pak duurder dan de diesel die de boer in grote hoeveelheden aankoopt en in een eigen tank stockeert. Daarom dat in landbouwgebieden dieselauto’s door de politie worden gecontroleerd op hun kleur. Bij tractordiesel wordt rode kleurstof toegevoegd. Menig boer durft zijn wagen wel eens met goedkope tractordiesel te tanken.

Dieselauto’s mogen dan wel verbannen raken op de openbare weg, de tijd van elektrische tractoren is nog niet voor morgen. Eerst en vooral zouden batterijen voor een tractor gigantisch groot en sterk moeten zijn, maar zelfs dan, de energie nodig om een achtscharenploeg te trekken is onmogelijk te halen met een elektrisch toestel.

Frans president Macron lokte met zijn ecotaks op diesel de protesten van de gilets jaunes uit, die met hun oude dieselauto’s elke dag ver weg naar hun slecht betalende fabriek moeten, waar al jaren het openbaar vervoer is weg ‘bespaard’. Minder opvallend was dat ook de boeren door die ecotaks zwaar werden getroffen.

Je rekent brandstofverbruik van een tractor per uur, niet per kilometer. Een tractor leeg op de weg verbruikt veel minder dan met een zware machine op het veld. Het verbruik varieert daarom tussen 8 à 12 liter per uur.

De zuinigste tractor op de markt is de Claas Axion 850. Zuinig is relatief, hij is dan wel ‘zuiniger’ dan andere tractoren, maar het blijft een machine die dagelijks liters diesel slurpt.

Kortom, tractordiesel mag dan al goedkoper zijn, het blijven gigantische hoeveelheden brandstof, als je bedenkt dat een tractor die op één dag tien uur ploegt 80 tot 120 liter diesel heeft uitgestoten. Een tractortank bevat gemiddeld 150 tot 200 liter. Die moet dus elke avond bijgevuld om onnodige terugkeer naar de hoeve overdag te vermijden.

6. Zijn boeren dan armoezaaiers?

Volgens de cijfers van 2018 werken er in België ongeveer 196.000 mensen in de land- en tuinbouwsector, 2.1 procent van de werkende bevolking. Vlaanderen telt 22.449 land- en tuinbouwbedrijven, waarvan 72 procent ‘beroepsmatig’ worden genoemd. Dat betekent concreet dat ze de enige bron van inkomsten van de uitbaters zijn.

Sinds 2005 is dat aantal met 35 procent gedaald (mensen die naast een vaste baan ook wat boeren op kleine oppervlaktes tellen niet als ‘beroepsmatige bedrijven’).

Gemiddelden zijn slechts één indicator, ze zeggen niets over verdeling van de welvaart. Als de ene boer het doet met 1000 euro (bruto) per maand en de andere met 9.000, verdienen ze samen gemiddeld 5000 euro per maand.

Een beginnende boer verdient in Vlaanderen gemiddeld 2535 euro bruto per maand, terwijl hij of zij tegen een berg afbetalingen van leningen voor investeringen aankijkt. Wie 20 jaar boert komt gemiddeld aan 3946 euro en met dertig jaar op de teller staat er gemiddeld 4524 euro op de rekening (steeds brutocijfers).

Niet veel, maar toch ook geen armoeloon. Vergeet echter niet dat boeren geen nine-to-five jobs hebben, geen vijfdagenweek, geen vakantie (en zeker niet in de zomer). Verdeel dat loon over gewerkte uren, afschrijvingen, afbetalingen, aankopen, dan krijg je al een heel ander beeld.

7. Met hoeveel zijn de boeren eigenlijk? Zijn ze electoraal wel zo belangrijk?

Electoraal gezien zijn boeren en boerinnen niet doorslaggevend. Zelfs voor extreemrechts die nu zo focust op boerenprotesten in alle landen waar ze doorgaan zijn ze in feite van weinig belang.

Hun electoraal belang ligt op een ander vlak. Boeren/boerinnen krijgen altijd veel sympathie van de bevolking. Die sympathie is er dus maar ze is zelden gebaseerd op echte kennis van zaken.

Sympathie betonen voor de boeren is voor politici een buitenkans om zich van hun ‘warme’ kant te tonen, daarom zijn boeren electoraal belangrijk. Verder wil iedereen wel verse groenten en vers brood en geloven we graag dat alles in onze boodschappentas recht van bij de boer komt. Met andere woorden, iedereen voelt zich wel solidair met de boeren (zolang ze ons de weg niet versperren).

De verstedelijking van de voorbije vijftig jaar heeft hele generaties grootgebracht die nauwelijks een idee hebben van het echte boerenleven. In tv-series of films floreren boeren nog steeds als stereotypische figuranten die een of ander zwaar aangedikt dialect spreken.

De echte boeren zijn even wereldwijs als de eerste beste stedeling, hebben internet, zitten op sociale media, noteren hun boekhouding met software speciaal voor de landbouw. Tractoren, oogstmachines, melkmachines zijn gedigitaliseerd. Ze zijn ook goed op de hoogte van de internationale handel.

Dat merk je onder meer aan het verzet in Frankrijk en in Wallonië tegen het EU-verdrag Mercosur met Latijns-Amerika, dat goedkope grondstoffen van megabedrijven in Argentinië op de Europese markt wil dumpen en de Europese boeren plat concurreert.

De schaalvergroting van de voorbije vijftig jaar heeft de landbouwbevolking weliswaar zwaar uitgedund, maar zij die nog boeren blijven even lange dagen kloppen als vijftig jaar geleden, 7 dagen per week, 365 dagen per jaar. Niet langer achter paard en ploeg, maar in hun mastodont-tractoren. Romantisch?

8. Wat is er dan mis met de marktwerking van landbouw?

Maar goed, uiteindelijk betalen we de boeren toch met onze aankopen? Weer fout. Het overgrote deel van je aankoop gaat naar de tussenschakels, de vervoerders, de verdelers, de fabrikanten van secundaire voedingsproducten (elke vorm van etenswaar die een bewerking van landbouwgrondstoffen heeft ondergaan). Het cijfer varieert van product tot product, van seizoen tot seizoen, maar gemiddeld mag je ervan uitgaan dat minder dan 20 procent van je prijs naar de boer gaat.

Hierboven ging het al over de kostprijs van alle machines die je nodig hebt om te boeren. Elke nieuwe aankoop is een zware investering waar je kapitaal voor nodig hebt. Daar heeft de agro-industrie een kant-en-klare oplossing voor. Zij bieden goedkope leningen aan.

Daar zitten echter voorwaarden aan, zoals verplicht aankopen van zaaigoed bij een door de uitlener bepaalde fabrikant, levering van geoogste grondstoffen, aardappelen, bieten, graan, maïs… eveneens aan door de uitlener bepaalde aankopers, met bovendien verplichting van minimale productiequota. Last but not least, niet de boer bepaalt de prijs van zijn product, dat doen de aankopers.

Dit verband wordt niet letterlijk gelegd door de uitlener. Koppelverkoop mag immers niet, maar ‘wat wettelijk mag’ en ‘wat effectief wordt gedaan’ zijn géén overlappende begrippen, zeker niet in de landbouw.

Kom je met die door de aankoper opgelegde verkooprijs niet uit je productiekosten, de afschrijving van de leningen, de aankopen van zaaigoed, meststoffen, pesticiden (eveneens van contractueel vastgelegde leveranciers aan door hen vastgelegde prijzen), onderhoud van machines, brandstof?

Geen nood, de bank springt opnieuw bij met herziening van je leningen, zodat je droom om na tien-vijftien jaar écht zelfstandig te zijn telkens weer enkele jaren wordt uitgesteld. En als ook dat niet meer helpt, dat neemt de bank je hele hebben en houden over.

Belgische of Nederlandse cijfers vond ik niet. In 2022 gingen 994 boerderijen failliet in Frankrijk, een stijging van 10,6 procent met het jaar ervoor.

Nog dramatischer: in Frankrijk stapte tot 2017 gemiddeld één boer per twee dagen uit het leven. Sindsdien is dat aantal gestegen tot bijna één per dag… Het probleem is zo acuut geworden dat de Franse Senaat er in 2021 een grondig onderzoek over liet uitvoeren – waarna de adviezen van het rapport door president Macron werden genegeerd: landbouw socialiseren en kleinschaliger maken? No way!

Het fundamentele probleem dat de Europese Commissie en de agrobusiness weigert te erkennen is dat voedselproductie niet werkbaar is in een vrijgelaten commerciële markt, tenminste als de productie van gezond en betaalbaar voedsel de doelstelling is. Voor de landbouwlobby gaat het over winst, winst die grotendeels gesubsidieerd wordt met belastinggeld.

De EU gaf in 2019 38,2 miljard euro uit aan rechtstreekse betalingen van boeren en 13,8 miljard aan plattelandsontwikkeling. De ‘boeren’ in de vorige zin blijken voor meer dan 80 procent grote agrobedrijven te zijn, niet de zelfstandige gezinsboerderijen.

Die ongelijke verdeling is volledig wettelijk, om de eenvoudige redenen dat de criteria zijn geschreven op maat van de agrobusiness. Dikwijls zijn de Europese richtlijnen direct geschreven door machtige lobbygroepen die hun teksten kant-en-klaar aan de Commissie en aan de Europarlementariërs van de traditionele partijen leveren.

Met ‘vrije markt’ heeft dit alles niets te maken. Dit is een door de grote bedrijven gereguleerde ‘markt’.

9. Is de vrije markt dan niet de beste garantie voor de productie van gezond voedsel?

Als productie van degelijk en gezond voedsel de echte drijfveer zou zijn van de sector dan is wat de ‘vrije markt’ wordt genoemd totaal ongeschikt voor landbouwproductie.

De echte boeren op hun akkers zijn de enigen die risico’s moeten op die ‘vrije markt’, die zoals hierboven al gezegd,  alleen ‘vrij’ is voor de megabedrijven. De boeren zijn ook de enigen die de andere risico’s van de sector moeten trotseren. Eerst en vooral hangt elke oogst af van het weer – en de onvoorspelbare wisselvalligheid van het weer wordt er met de klimaatcrisis niet beter op.

Bovendien, je moet wat je volgend jaar wil oogsten dit jaar plannen, terwijl je nog geen idee hebt hoe de marktprijzen een jaar later er zullen uitzien. Boeren hebben ook geen enkele impact op de economische conjunctuur. Je neemt als boer dus elk jaar onzekere risico’s, élk jaar opnieuw…

Sinds de oorlog in Oekraïne is de graanprijs bijna verdubbeld, maar niet voor de boer, die krijgt er nog altijd even weinig voor als in de jaren 1980.

Maar, als de oogst goed is, dan heb je toch degelijke inkomsten? Weer fout. Stel dat de oogst van tarwe uitzonderlijk goed is, dan is er heel veel tarwe beschikbaar en zakt de prijs. Je zou dan zeggen, dan wordt ook het brood goedkoper? Dat gebeurt echter niet, de tussenschakels houden hun verkoopprijs altijd hoog, markt of geen markt.

Slechts 4 megabedrijven bepalen de graanprijzen over heel de wereld: Archer Daniels, Bunge, Cargill en Louis Dreyfuss controleren 90 procent van de wereldmarkt en gelijkaardige percentages van de voedselverwerking.

Je hoort er weinig over, maar deze 4 bedrijven halen een even hoog bedrijfscijfer als de vier grootste aardolie- en aardgasbedrijven samen (Saudi Aramco, Exxon Mobil, Chevron en Shell).

Die bedrijven passen hun prijzen niet aan zoals dat zou moeten op een markt. Ze vormen wat men een oligopolie noemt, een monopolie van enkele bedrijven samen. Bij grote oogstjaren gaan ze stockeren, om het aanbod lager te houden dan de vraag. Zo hebben ze sinds de oorlog in Oekraïne Oekraïens graan opgekocht dat voor Afrikaanse landen bestemd was, die daar dan ‘marktprijzen’ moeten voor betalen.

Samengevat, met een vrije markt heeft dit niets te maken.

Maar nogmaals, als de prijzen van de grondstoffen dalen, dan wordt voedsel algemeen gesproken toch goedkoper en kopen we er meer van? Opnieuw, ook dat klopt niet. Je koopt niet dubbel zoveel boter, melk, eieren, vlees, pasta, groenten, aardappelen wanneer de prijzen halveren, je koopt nog altijd maar zoveel als je gaat eten. Je koopt nooit meer dan je nodig hebt. Nooit.

Voor alle zekerheid ga je als boer dan maar dat ene gewas telen dat dit jaar veel opbracht, en niets anders. Het jaar erop is er echter slecht weer, een nieuwe ziekte duikt op, wég winst.

Nogmaals, de ‘markt’ werkt gewoon niet voor voedselproductie. Dit is geen pleidooi voor Sovjetkolchozen, wel een voor gezinsboerderijen, maar tevens voor andere landbouwtechnieken die geen peperdure investeringen vergen, geen zaaigoed dat alleen bloeit met die of die meststof, met die of die pesticide. Meer daarover in de laatste vraag.

Overigens, de agrobusiness is wel voorstand van kolchozen. Die noemen ze uiteraard niet zo, maar wat bijvoorbeeld Colruyt doet in Wallonië is exact dat: de arbeid op het veld collectiviseren, de winsten privatiseren, de lonen drukken en boeren herleiden tot ‘personeel’ zonder hen officieel een statuut als werknemer te geven. Ze blijven ‘zelfstandige’ boeren, voor wie ‘zelfstandigheid’ een lege verpakking is.

De kafkaiaanse absurditeit van dit systeem is nog het meest schrijnend in het gebruik van pesticiden. De ‘meeropbrengst’ van de oogsten door middel van het voorkomen van ziektes met pesticiden is over de hele lijn kleiner dan de kostprijs van de pesticiden zelf. Toch moeten boeren er mee doorgaan wegens contractuele verplichtingen, zonder pesticiden halen ze uit hun monoculturen helemaal niets meer en wordt de put nog dieper…

10. Is er dan echt geen alternatief voor deze manier van boeren?

Dat is er wel degelijk. Kleine moderne gezinsbedrijven kunnen veel meer variatie brengen in wat ze telen, zodat er van het gamma producten dat ze telen altijd wel een aantal goed verkopen, geen monoculturen betekent tevens veel minder risico’s op plantenziektes. Bovendien heb je voor je kleinere oppervlaktes minder zware machines nodig.

Moderne gezinsbedrijven zouden van de overheid fiscale stimuli of subsidies kunnen krijgen om zaaigoed, meststoffen, grote machines met groepsaankopen  te financieren. Twintig coöperaties van kleine gezinsbedrijven kunnen bijvoorbeeld naar verkopers van tractoren stappen en kortingen eisen bij hun gemeenschappelijke aankoop van 20 tractoren. Dat vergt wel een overheid die dit soort samenwerking faciliteert.

Het is niet zomaar toevallig dat de grote agribusiness gezinsboerderijen in hun propaganda als een kneuterig onding van het verleden voorstelt. Landbouwcoöperaties zijn hun grootste nachtmerrie.

Wie meer teeltwissels toepast, geen tientallen hectaren monoculturen van één soort, maar een gamma van groenten, graan, kleinschalige veeteelt combineert, werkt beter voor de bodem, heeft veel minder meststoffen en pesticiden nodig – het streefdoel is een volledige afschaffing van kunstmeststoffen en chemische pesticiden. Nogmaals, net dit is een gruwelijke nachtmerrie voor de agrobusiness die van die producten zijn verdienmodel maakt.

Dat vergt echter een complete ommekeer van het huidige Europese en nationale landbouwbeleid van de de EU-lidstaten, een beleid dat nu volledig op maat geschreven wordt van de agrobusiness, niet van de boer. Over dat alternatief vind je meer informatie in een volgend artikel (zie link hieronder).

Dat klimaatactivisten boos zijn op de tolerante houding van de overheid tegenover de wegblokkades van de boeren valt emotioneel te begrijpen. Dat is tragisch, want klimaatactivisten, natuurbeschermers en boeren horen één strijd te voeren.

Extreemrechts investeert volop in de instrumentalisering van de angst en de onzekerheid van de boeren om hen op te zetten tegen de klimaatstrijders – om ze zo weg te houden van de échte gemeenschappelijke vijand: de agrobusiness en het uitsluitend op winst en groei gebaseerde economische systeem.

Dat systeem maakt leefbaar boeren onmogelijk en vernietigt het klimaat. Zij zijn de vijand, niet de boeren die nu onze wegen versperren.

Bron: dewereldmorgen.be

Welke toekomst voor onze landbouw?

Welke toekomst voor onze landbouw?

Politici van alle schakeringen benadrukken hoe belangrijk het is om te luisteren naar ‘de boeren’, maar waar zij vooral recht op hebben is een oprecht en helder antwoord.

Het is een goed beeld, dat van de boze boer. Het voldoet ook precies aan het beeld dat we van de boer hadden. Boeren, zo is het in onze collectieve verbeelding, dat is een apart soort mensen dat dagenlang in de aarde ploetert en wanneer het hen niet aanstaat met hooivorken de straat op trekt.

Specialisering en schaalvergroting

Nochtans is de realiteit van het landbouwbedrijf de afgelopen decennia grondig veranderd.

Lange tijd was het gemengd boerenbedrijf dominant. Een boerderij zag er uit zoals de meesten van ons dat nog steeds voorstellen. Terwijl koeien voor melk zorgden, diende hun stront voor de bemesting van de akkers.

De afgelopen decennia werd door de verschillende overheden echter een ander model naar voor geschoven, dat van schaalvergroting en specialisering. Door zich te specialiseren in één onderdeel van het landbouwbedrijf en dat op veel grotere schaal te gaan produceren, zouden de boeren veel productiever worden.

Zo komt het dat je vandaag vooral witloofboeren, varkensboeren of melkboeren hebt. De bedrijven werden groter, het aantal boeren werd kleiner. In 1980 telde Vlaanderen nog ruwweg 75.000 landbouwbedrijven. In 2022 waren dat er nog maar 22.500, waarvan slechts 16.000 met een beroepsmatig karakter.

Om hun veld te bemesten konden de boeren in dit model niet langer een beroep doen op hun koeien, maar moesten ze kunstmest gaan aankopen. Om hun koeien te voederen werden ze afhankelijk van grote veevoederbedrijven. Ze moesten leningen aangaan voor grotere en duurdere tractoren.

Kortom: ze werden meer en meer afhankelijk van de agro-industrie.

Waar gaat het geld naartoe?

Ik herinner me nog dat ik als kind soms met mijn mama aardappelen ging kopen bij de boer in het dorp en dat er een melkboer aan de deur kwam om ons van melk te voorzien, maar dat soort verkoop is al lange tijd de uitzondering. In het nieuwe model wordt er geproduceerd voor de wereldmarkt. De prijzen worden bepaald door de grote afnemers.

Zo komt het dat terwijl de boeren steeds productiever werden, ze hun kosten al jaren zien stijgen terwijl hun inkomsten stagneren. Zo kan het dat terwijl de boer zijn gehakt in de winkel zo’n 10 euro per kilo kost hem slechts enkele euro’s per kilo oplevert.

Terwijl veel kleine boeren moeilijk rondkomen, genereerden de 4 cateringsbedrijven en 3 winkelketens die actief zijn op de Belgische markt sinds 2020 maar liefst 12 miljard euro winst, zo berekende Greenpeace.

Niet enkel de cateringsbedrijven en winkelketens, ook andere grote spelers verdienen grof geld. De vier ABCD-bedrijven (Archer-Daniels Midland, Bunge, Cargill en Dreyfus) controleren meer dan 70% van de wereldwijde graanhandel. Dat geeft hen een enorme invloed op de prijsvorming en mogelijkheden om te speculeren.

Uit het rapport van Greenpeace blijkt dat de 20 grootste voedingsbedrijven in 2020 en 2021 maar liefst 53,5 miljard dollar hebben uitgekeerd aan hun aandeelhouders. Een eerlijke prijs voor de boeren hoeft dus niet noodzakelijk duurdere producten voor de consument te betekenen, het kan ook lagere winsten voor een kleine groep grote bedrijven betekenen.

Gekaapte woede

De helft van alle landbouwbedrijven in Vlaanderen hebben veeteelt als specialisatie. Van het totale landbouwoppervlak wordt meer dan de helft gebruikt voor het verbouwen van veevoer, waar grote hoeveelheden kunstmest aan te pas komen. Dat levert veel geld op voor de agro-industrie, maar is een ramp voor natuur en milieu.

Vandaag zien we dat diezelfde overheden die de boeren decennialang hebben aangezet tot specialisering en schaalvergroting, hen nu gaan vertellen dat ze een probleem zijn voor de natuur. Je zou voor minder boos worden.

Het gevaar is echter dat die boosheid gekaapt wordt door net diegenen die de problemen veroorzaken. In Nederland toonde Zondag met Lubach mooi aan hoe het boerenprotest daar geleid werd door net die grote veevoederbedrijven die miljarden winst maken op kap van kleinere spelers.

Wat zij willen is het behoud van het landbouwmodel zoals dat vandaag bestaat. Ze vinden daarin steun van extreemrechts dat zich ook hier weer kampioen weet in het kanaliseren van woede, weg van het systeem. In plaats van zich te richten tegen de agro-industrie, wil extreemrechts de boeren net samen met hen tegen klimaat- en milieubescherming laten marcheren.

Perspectief

Het valt op hoe politici van alle schakeringen vandaag benadrukken hoe belangrijk het is om naar de boeren te ‘luisteren’. Die bereidheid tot luisteren is er zeker niet bij elke sociale actie en is in zekere zin al een belangrijke eerste stap. Het probleem is alleen: na al dat luisteren zal er vooral ook iets moeten gebeuren. Wil men vermijden dat de woede gekaapt wordt door extreemrechts, dan moet men de boeren perspectief bieden.

Zo’n 38 miljard euro of zo’n kwart van de Europese uitgaven gaan vandaag naar de landbouwsector, maar dat geld blijft voor een heel groot deel hangen in een heel klein aantal handen. Vandaag wordt het geld verdeeld op basis van oppervlakte van het bedrijf, waardoor zelfs iemand als Fernand Huts subsidies opstrijkt gewoon omdat hij landbouwgrond heeft opgekocht.

Een herverdeling van die middelen om boeren te helpen om op een meer duurzame manier te gaan produceren lijkt een logische eerste stap om naar een ander landbouwmodel te gaan. Verder is er ook nood aan onder andere  meer controle op de prijsvorming en het tegengaan van speculatie op landbouwgrond.

Agro-ecologie

Boeren zijn vaak de eerste slachtoffers van milieuproblemen. Denk maar aan de recente overstromingen in de Westhoek ten gevolge van klimaatverandering die veel oogsten hebben doen mislukken.

Uiteindelijk moeten we dus naar een model waarin landbouw niet tegenover natuur staat, maar deel uitmaakt van de natuur. Een model waarin enkel niet ingezet wordt op specialisering en schaalvergroting, maar de cirkel opnieuw gesloten wordt en natuurlijke cycli ten volle benut worden. Agro-ecologie, zo heet dat. Concreet betekent dat: minder kunstmest, minder krachtvoer, minder vee, maar wel weer veel meer boeren.

Er valt veel te winnen bij dat model, maar er is één groep die er duidelijk bij zou verliezen: de grote veevoederbedrijven. Willen we de boeren opnieuw perspectief bieden, dan moeten we met andere woorden stoppen met spreken over ‘de boeren’, alsof het om een homogene groep gaat.

Willen we de landbouwsector opnieuw perspectief bieden, dan zullen we het op moeten nemen tegen de grote en machtige spelers die er momenteel te plak zwaaien. Dan zullen we de moed moeten hebben om voor een ander en nieuw model te pleiten. Luisteren kan een goed begin zijn, maar wat de boeren vooral verdienen is een helder en oprecht antwoord.

Bron: dewereldmorgen.be