Nationaal register in strijd tegen fietsdiefstal

Nationaal register in strijd tegen fietsdiefstal

De Kamer heeft donderdag eveneens het pad geëffend voor een nationaal fietsregister, dat fietsendiefstallen moet helpen voorkomen. De leden keurden unaniem een wetsontwerp goed tot instemming met het samenwerkingsakkoord dat zo’n fietsregister invoert. Daardoor kan tegen de zomer de registratie van fietsen van start gaan.

De federale regering en de gewesten sloten in april vorig jaar een samenwerkingsakkoord over de oprichting van MyBike. Dat register bestond al in Brussel en wordt binnenkort uitgebreid naar het hele land. Concreet wordt elke fiets gemerkt met een unieke QR-code en geregistreerd in de databank, die toegankelijk is voor politie en justitie. Gebruikers zullen er alle details over hun fiets kunnen invoeren, zoals foto’s en aankoopbewijzen.

Bedoeling is de diefstal en heling van fietsen tegen te gaan. “Fietsers weten jammer genoeg maar al te goed dat fietsdiefstal nog steeds een echte plaag is in België. Dit kan zelfs een rem zetten op de keuze voor de fiets als vervoermiddel, hoewel fietsen de beste keuze is voor je gezondheid, voor het klimaat en je portemonnee”, aldus een opgetogen minister van Mobiliteit Georges Gilkinet (Ecolo).

Bron: HLN

Roddelen en pesten: ‘Waar mensen voor mensen werken, zijn collega’s verschrikkelijk hard voor elkaar’

Roddelen en pesten: ‘Waar mensen voor mensen werken, zijn collega’s verschrikkelijk hard voor elkaar’

“Roddelen is een belangrijke reden waarom mensen ergens vertrekken. Goede werknemers stappen op en de minder sterke blijven. Sommige werknemers vallen uit door ziekte of depressie, wat veel geld kost.” Aan het woord is organisatiecoach Nele Verrezen, auteur van het boek ‘Gekonkelfoes in organisaties. Roddelen is niet onschuldig!’.

Week tegen Pesten

Morgen start de Week tegen Pesten. Scholen willen leerlingen aanmoedigen om verdraagzaam en respectvol met elkaar om te gaan. En dat doen ze niet zomaar. Onder kinderen komt pesten regelmatig voor, vaak met een impact op de rest van iemands leven. Maar ook volwassenen pesten en roddelen meer dan we denken. Bovendien is het niet zo onschuldig.

We spreken met organisatiecoach Nele Verrezen. Zij is eigenaar van adviesbureau Marcells Journey en schreef het boek ‘Gekonkelfoes in organisaties. Roddelen is niet onschuldig!’: “85 procent van onze opdrachten bestaat uit het ombuigen en doorbreken van negatieve sfeer op de werkvloer en het oplossen van ontwrichte samenwerkingsstructuren in organisaties.”

“Ik geloof niet dat dit fenomeen is toegenomen, wel dat het vaker wordt gesignaleerd en er meer bewustzijn is. Er is verandermoeheid, we hebben het lastig met verschil, mensen lijken individualistischer ingesteld en we hebben geen goede communicatiecultuur,” zegt Verrezen.

Bovendien is het makkelijker dan vroeger om commentaar op iemand te geven, meent ze. “Medewerkers hebben vaak moeite om rechtstreeks met collega’s te communiceren en kiezen dan voor digitale communicatie. Dat is een eenvoudig en snel kanaal om je gal te spuien. Denk aan sociale media waar iedereen te pas en te onpas kritiek heeft. Mensen zetten hun pet van vrije meningsuiting op, maar ook daar zijn grenzen aan. Je kan niet zomaar mensen kwetsen.”

Wat verstaan we onder roddelen? Is het altijd iets negatiefs?

“Roddelen is een containerbegrip dat zowel een positieve als een negatieve vorm heeft. Je hebt het menselijke vlooien en je hebt kwaadspreken. 60 procent van onze gesprekken gaan over andere mensen. We vinden andere mensen bijzonder boeiende wezens om over te spreken. Uit onderzoek blijkt dat we in 33 procent positief roddelen over anderen, 32 procent is neutraal en een verontrustende 35 procent is kwaadspreken.”

“Positief roddelen noem ik ‘menselijk vlooien’: het betekent dat iemand zijn beeld van iemand gaat checken bij een collega. Waarom zegt iemand geen goeiendag tegen mij? We doen aan informatievergaring en toetsen ons mensbeeld af. Dat hoeft ook niet gestopt te worden, dat is normaal. Je maakt een diepere connectie met elkaar.”

Je boek gaat over de negatieve vorm van roddelen: het bewust slecht spreken over anderen om daar zelf iets voor in de plaats te krijgen, om er een voordeel uit te halen. Volgens jou zijn er verschillende redenen waarom mensen doelbewust gaan roddelen.

“Een eerste reden waarom mensen negatief roddelen is omdat ze een machtspositie willen hebben. Soms doen ze het om hun frustraties kwijt te raken, maar het kan ook een manier zijn om je eigen fouten te maskeren en de aandacht af te leiden naar anderen.”

“Soms spreken mensen kwaad omdat ze willen meedoen met de meerderheid. Misschien zegt mijn moreel kompas wel dat roddelen of pesten niet oké is, maar ik doe het om erbij te horen. Een laatste groep schept er gewoon plezier in om anderen te zien lijden.”

“Negatief samenwerkingsgedrag gedijt het best wanneer er veranderingen in de organisatie op til zijn. Mensen vrezen voor hun positie en gaan zichzelf in een beter daglicht stellen door anderen omlaag te halen. Daar betrekken ze dan anderen bij.”

“Een andere voedingsbodem is een werkomgeving waarin de groep niet goed aan elkaar hangt. Teams, ontwricht door roddelen, vergelijk ik wel eens met koelcellen: het worden mijnenvelden waar mensen zich niet meer veilig voelen, je wil er zo snel mogelijk weg. Bovendien evolueert het roddelen dan vaak tot echt pestgedrag.”

Soms denken we dat vrouwen vaker roddelen dan mannen. Volgens jou roddelen ze evenveel, maar op een andere manier.

“Wanneer bij mannen een situatie ontploft, wordt dat uitgepraat en kunnen ze weer voort. Vaak is de aanleiding vaardigheden die niet ingelost worden of taken van de job die niet juist gebeuren. Bij vrouwen is het geroddel sluwer en gaat het over zaken die niets met het werk te maken hebben: over de dure auto waar een collega mee rijdt, het aantal reizen dat iemand maakt, de kleding die een collega draagt, een relatie waar jaloezie over is…”

“Als er tussen vrouwen conflicten zijn, duurt het langer om ze op te lossen. Het roddelen is persoonlijker en er zijn ook meer partijen bij betrokken. De emotionele schade die wordt aangericht, is bij vrouwen veel groter dan bij mannen.”

Je hebt zelf ervaring als leidinggevende in de social profit. Wordt er door sociale professionals minder geroddeld?

“We zien weinig verschil tussen werkomgevingen: in het politiekorps of bij de brandweer wordt er evenveel geroddeld als in een ziekenhuis of op een school. Het valt zelfs op dat in sectoren waar mensen voor mensen werken, collega’s verschrikkelijk hard zijn voor elkaar.”

“We zien wel een verschil tussen landen. In Scandinavië bestaat kwaadspreken amper of niet. Daar bestaat een betere communicatie- en feedbackcultuur. Wanneer collega’s respectloos met elkaar omgaan, wordt dat benoemd. Wanneer er frustraties zijn, wordt dat rechtstreeks met de betrokkene besproken.”

In ons land loopt dat anders?

“In België ontbreekt die feedbackcultuur. Collega’s geven al moeilijk complimenten aan elkaar, nog minder durven ze feedback of kritiek geven uit angst voor represailles of om niet meer leuk te worden gevonden. Of ze vinden het niet hun taak om feedback te geven. Daarom kiezen ze liever voor een alternatief: roddelen in de wandelgangen.”

“Maar feedback – positief en negatief – is belangrijk. Openheid en vertrouwen zijn daarbij de sleutelwoorden. De dag dat je geen kritiek meer krijgt, hebben de collega’s je naar het containerpark gebracht. Dan ben je een hopeloos geval, niet meer de moeite waard om iets over te zeggen.”

Wat is de impact van roddelen op de organisatie?

“Soms zijn de effecten van roddelen klein, soms gaat dat heel ver. Roddelen nestelt zich achter het behang. Het is onzichtbaar, maar je voelt het in de sfeer. Het is een belangrijke reden waarom mensen ergens vertrekken. Goede werknemers stappen vaak op en de minder sterke blijven. Sommige werknemers vallen uit door ziekte of depressie, wat veel geld kost.”

“Ik ken organisaties waar nieuwe medewerkers meteen voelden dat ze niet welkom waren. De nieuwkomers waren op sociale media gescreend en kregen nog voor ze waren begonnen al een label. Dat is problematisch, zeker in ziekenhuizen of kindercrèches waar er al een personeelstekort is.”

“Bovendien zijn bedrijven meer en meer bezig met hun imago. Elke organisatie wil de beste werkgever zijn. Als er veel wordt geroddeld, kan een organisatie een slechte reputatie krijgen op de arbeidsmarkt. Daardoor kunnen er minder kandidaten reageren op jobaanbiedingen, wat nefast is in een tijd waarin de ‘war for talent’ zo groot is.”

“Nog erger wordt het wanneer het roddelgedrag een rechtstreekse impact heeft op de dienstverlening. Dat kan dubbel zijn: de zorg wordt niet meer goed verzekerd of patiënten en klanten vertrekken waardoor de bedrijfsresultaten dalen.”

Wanneer evolueert roddelen naar pesten?

“Je kan niet in je eentje roddelen. Ik vergelijk het graag met een bijenkorf. De persoon die het systeem op til zet, is de bijenkoningin: de roddelaar. Daarrond zitten de medestanders, de bijen, die informatie gaan halen en terugbrengen. Daarnaast heb je de struisvogels: de collega’s die het zien gebeuren maar niet reageren. En er zijn de actievoerders die wel ingrijpen, maar vaak in de minderheid zijn.”

“Al die rollen komen ook terug in een pestcultuur. Daarom is het niet zo raar dat roddelen kan evolueren naar pesten. In een roddelcultuur spreek je kwaad over anderen. In een pestcultuur ga je nog een stap verder. Daar ga je iemand zwartmaken door bij de betrokkene bewust fouten uit te lokken door vallen uit te zetten.”

“De grens tussen roddelen en pesten is flinterdun. Zolang de roddelaar wordt beloond voor zijn gedrag, blijft het systeem draaien. Je kan roddelen of pesten vergelijken met een rodelbaan. Het is niet makkelijk om onderweg te stoppen of eruit te stappen.”

Hoe ga je als organisatie best om met roddel- en pestgedrag? Kan je tips geven?

“Meer en meer organisaties investeren preventief in een samenwerkingscharter waarin duidelijke afspraken worden vastgelegd: welke waarden vindt de organisatie belangrijk en welk gedrag van de werknemers hoort daarbij? Voorbeelden zijn een open communicatie, respect, niet over maar met elkaar praten. Belangrijk is om die waarden te vertalen naar gedrag in het team. Collega’s zeggen ’s morgens goeiendag tegen elkaar, je helpt een collega die het moeilijk heeft…”

“Geef teams inzicht in de drijfveren en dynamieken van het roddelproces. Duid wat de impact van roddelen of pesten is. Spreek de roddelaars en hun hofhouding aan. Stop je hoofd niet in het zand.”

“Meestal helpt het niet om gewoon de ‘rotte appel’ eruit te halen. Er verschijnt dan gewoon een andere rotte appel op het toneel. De leidinggevende moet in een gesprek duidelijk maken dat pestgedrag niet wordt getolereerd. Tijdig ingrijpen is belangrijk. En durf als leidinggevende ook zelf om feedback vragen en vraag aan je medewerkers hoe ze zich in het team voelen. Zorg voor een positieve cultuur, stimuleer feedback en erkenning onder collega’s.”

Moet je medewerkers stimuleren om ongewenst gedrag als roddelen of pesten te melden?

“Daarvoor moet er een veilige omgeving zijn. Voor de ene is de leidinggevende een belangrijk kanaal, voor anderen zijn dat medewerkers van de personeelsdienst, maar soms zijn ook die personen niet veilig genoeg. Stel daarom een vertrouwenspersoon, preventieadviseur of een externe dienst aan. Een goed HR-beleid heeft al die kanalen.”

“De laatste jaren bereiken pestverhalen vaker de media. Ik denk niet het aantal gevallen is toegenomen, wel dat mensen meer hun verhaal doen. Bovendien stimuleren ze zo anderen om op hun beurt hun verhaal naar buiten te brengen, wat op zich een goede zaak is.”

Soms komt een zaak voor de rechtbank, is roddelen of pesten strafbaar?

“Dat moet zaak per zaak bekeken worden. Meestal bekijkt de organisatie zelf welke maatregelen ze zal nemen. Wel is recent de wetgeving veranderd over Whatsapp. Vroeger werd een WhatsApp-groep wettelijk beschouwd als een privégroep. Wanneer er vandaag door een groepje een negatieve impact is op de organisatie, mogen de berichten van Whatsapp als bewijsmateriaal gebruikt worden.”

“Je mag er als werkgever wel niet actief naar op zoek gaan door inkijk in de berichten te vragen. Maar wanneer een klokkenluider binnen de groep met de berichten naar de organisatie stapt, mag die de berichten wel gebruiken.”

Kan je geroddel ooit volledig een halt toeroepen?

“Nog te vaak stelt een leidinggevende: ‘Het waait wel over’. Niet dus. Want wanneer jij die informatie hoort, heeft het roddel- en pestgedrag al een lange weg afgelegd. Via de overdracht van persoon tot persoon wordt het erger. Vaak deint het zelfs binnen de organisatie uit van team naar team.”

“Toch kan je roddel- of pestgedrag stoppen! Het is wel een proces van vallen en opstaan. Wanneer je een team goed kan sterken en stimuleren om onderling goed te communiceren, kan je roddel- of pestgedrag de kop indrukken. We zien genoeg voorbeelden van organisaties waar het gedrag werd doorgeknipt of volledig stopte.”

“Leidinggevenden hebben een verpletterende verantwoordelijkheid in het bevorderen van een positieve organisatiecultuur, in het stimuleren van open feedbackr en het respecteren van de samenwerkingsafspraken. Zij moeten een veilige omgeven creëren waarin dat mogelijk is.

Bron: sociaal.net

‘In ongeveer elke mens zit tegelijkertijd een pester, een gepeste en een omstaander’

‘In ongeveer elke mens zit tegelijkertijd een pester, een gepeste en een omstaander’

‘Waar mensen zijn, wordt er gemenst, soms op heel andere wijze wanneer lichten, camera’s of microfoons uit staan’, schrijft Trudo Herman naar aanleiding van de Week tegen Pesten, die vandaag van start gaat.

Waar mensen zijn, wordt er gemenst,” liet een oud-collega zich wel eens ontvallen. Inderdaad. Waar mensen zijn, komen er naast aangename omgangsvormen soms wel onbeleefdheden, ruzies en zelfs oorlogen voor. Kinderen zijn daar over het algemeen gelukkig minder in bedreven dan volwassenen, maar het blijft belangrijk om er opvoedkundige aandacht aan te besteden. Des te meer als het over pesten gaat.

De 19e Vlaamse Week tegen Pesten (2 tot 9 februari 2024) is hiertoe een mooi initiatief. Op de site wordt een oproep gedaan om zich niet alleen tijdens die week, maar natuurlijk heel het jaar in te zetten tegen pesten. Er zijn veel uitgewerkte activiteiten te vinden, waarbij bijvoorbeeld wordt uitgelegd dat anders zijn ok is, het uiten van andere meningen ook, dat we het best positief houden online, dat we liever complimenten geven, en nog heel wat andere zinvolle zaken.

Niet elke onbeleefdheid of ruzie kan worden gelinkt aan pesten, en een toename van meldingen mag niet worden verward met een toename van pesters. In welke mate er een respectvolle en rustige groepssfeer aanwezig is, met weerbare kinderen of jongeren, speelt daarbij een grote rol. Inzien dat die rustige weerbaarheid ook afhankelijk is van slaap-, voeding- en bewegingsgewoontes, is van belang bij elke opvoeding. Veilige en gedisciplineerde leer- en werksituaties met voldoende mogelijkheden tot concentratie en ontspanning, voorkomen veel pestproblemen.

We waken er best over dat we niet gaan stigmatiseren en mensen indelen in pesters, gepesten of omstaanders, zoals bij het inblikken van een derderangs cowboyfilm, waarbij een denkbeeldige kloof wordt benadrukt tussen goeden en slechten. In ongeveer elke mens zit tegelijkertijd een pester, een gepeste en een omstaander. Wie van de drie het meest zichtbaar wordt, op welk moment en waarom, is interessant om te bestuderen, ook tijdens de Vlaamse Week tegen Pesten. Waar mensen zijn, wordt er gemenst, soms op heel andere wijze wanneer lichten, camera’s of microfoons uit staan.

Het is ook zinvol aandacht te besteden aan de mate waarin we kinderen of jongeren gaan beschermen. Het totaal overnemen door ouders of opvoeders wanneer er een vermoeden is van onenigheid, ruzie of pestgedrag is geen goed idee. Het blijft belangrijk dat kinderen leren omgaan met het wel en wee van sociale interacties. Wanneer ze leren fietsen, kan dit gepaard gaan met angst, pijn of frustraties. Dit is geen reden om hen het stuur te ontnemen. Natuurlijk moet er worden ingegrepen wanneer zaken uit de hand dreigen te lopen, maar het blijft belangrijk hun lontjes de kansen te geven te kunnen groeien. Waar mensen zijn wordt er gemenst.

Ten slotte wil ik nog aanstippen dat onze jeugd niet blind of doof is voor sociale interacties tussen volwassenen. Onze commentaren over anderen dringen diep tot hen door, ook via de media. Veel mensen die werken voor mediabedrijven of politieke partijen, worstelen met de wetenschap dat hun boodschappen steeds meer moeten opbrengen. ‘Nieuws’ wordt vaak polariserend, alarmistisch en met veel herhaling in de etalage gezet, terwijl genuanceerde en minder hippe overtuigingen in de hoek blijven staan, zoals bij het pesten. Dit heeft ook impact op leerlingen, maar telkens we hun kunnen uitleggen dat de etalage in de hand slechts een deel is van de werkelijkheid, leren we ze positief mensen tussen de mensen.

We duimen voor een succesvolle Vlaamse Week tegen Pesten, een week die kan uitgroeien tot een maand, een jaar of een eeuw.

Trudo Herman is 42 jaar leerkracht geweest. Sinds dit schooljaar is hij met pensioen.

Bron: Knack.be

Het visnet van de fiscus wordt groter

Het visnet van de fiscus wordt groter

Voor wie het niet gevolgd heeft: de drietrapsraket van de federale regering voor de bestrijding van de fiscale fraude zet hoog in. Het begon met een actieplan dat focust op een nauwere samenwerking tussen de fiscus, de politie en justitie. Het tweede plan bood de fiscus langere onderzoeks- en aanslagtermijnen én maakte dwangsommen mogelijk voor balorige belastingplichtigen. Een onlangs aangekondigd derde actieplan verruimt de toepassing van de algemene antimisbruikbepaling tegen het gebruik van fiscale voordelen of gunstregimes. Opnieuw een kerstcadeau in de vorm van meer macht voor de fiscus.

Voor alle duidelijkheid: fiscaal misbruik in zijn huidige vorm is geen fraude. Fraude is het wetens en willens niet aangeven van inkomsten, met het bedrieglijke opzet belasting te ontduiken. Fiscaal misbruik is gebruikmaken van een fiscaal voordeel of het vermijden van een belasting, en daarbij in strijd met het doel van de wetgever handelen, zonder bedrieglijk opzet. Sinds 2012 kan de fiscus optreden tegen die vorm van misbruik. Maar door de complexiteit en de veranderlijkheid van de wetgeving is niet altijd duidelijk welk doel een fiscale wetsbepaling heeft en of die geschonden is. De fiscus moet dat misbruik bewijzen, de belastingplichtige moet het tegenbewijs leveren en niet-fiscale motieven aantonen. Als die er zijn, is er geen fiscaal misbruik in het spel – denk aan de creatie van een holdingstructuur voor familiale en patrimoniale successieplanning.

In verschillende dossiers werd de fiscus al teruggefloten. Het nieuwe plan beoogt de definitie van fiscaal misbruik te verruimen. De fiscus hoeft dan niet meer te bewijzen dat een specifieke wetsbepaling is geschonden, het volstaat dat het belastingvoordeel in strijd is met het “doel van het toepasselijke belastingrecht.” Wat het doel van dat belastingrecht in de visie van de fiscus is, laat zich raden: belasten. Nochtans stelt de grondwet dat er geen belasting geheven kan worden dan door een wet. In het nieuwe plan kan de belastingplichtige niet langer een tegenbewijs leveren door te wijzen op niet-fiscale motieven. Enkel zakelijke of economische redenen tellen, een reden van familiale of vermogensrechtelijke aard zou niet meer mogelijk zijn.

Waarom steekt de regering de hand niet in eigen boezem en probeert ze de wetgeving niet transparanter en eenvoudiger maken, bijvoorbeeld door die te vereenvoudigen, of door minder gefragmenteerd te werken in functie van doelgroepen? Of er kan worden ingezet op een grotere bereikbaarheid van de fiscus. Persoonlijk rechtstreeks overleg zou ondernemers en particulieren meer zekerheid bieden. Waarom wordt de complexiteit van de fiscale wetgeving doorgeschoven naar de belastingplichtigen? Zij hebben het kader niet gecreëerd. Ze moeten alleen proberen zich erin te bewegen zonder kleerscheuren.

Door het uitblijven van een fiscale hervorming krijgen belastingplichtigen nu een behoorlijk eenzijdige hervorming, grotendeels in hun nadeel. Ik doe graag een warme oproep aan de minister van Financiën om rekening te houden met de kwetsbaarheid van de ondernemers en particulieren die geconfronteerd worden met fiscale controles en het daaraan geregeld gekoppelde machtsvertoon, wat vaak uitmondt in een lange zware financiële en psychologische strijd. Misschien is dat strijdveld niet altijd zichtbaar voor onze beleidsvoerders en zijn ze te zeer verblind door de fiscale misstappen van enkelingen. Ik blijf ervan overtuigd: een fiscaal charter dat streeft naar bereikbaarheid en naar een evenwicht tussen de fiscus en de burger komt zowel de overheid als de belastingplichtigen ten goede.

Bron: Trends

Wat is uiterst rechts anno 2024?

Uiterst rechts is vandaag in toenemende mate globaal, heterogeen, gemainstreamd en genormaliseerd.

Als we het vandaag over uiterst rechts hebben, spreken we nog vaak over een beweging die eigenlijk niet meer bestaat. We hebben het dan vaak over partijen en posities uit de jaren 1990, toen uiterst rechts nog klein was en buiten het systeem fungeerde. En waarvan opportunistische politici en partijen dachten dat ze deze uiterst rechtse groupuscules nog in de marge van het politieke gebeuren konden houden.

Als er één les te leren valt uit de dramatisch verlopen Nederlandse verkiezingen is dat we dit punt fors voorbij zijn. Maar hoe ziet uiterst rechts er vandaag dan uit? Een dissectie.

UITERST RECHTS VANDAAG

Tot een paar jaar geleden zou ik gezegd hebben dat uiterst rechts voornamelijk op electoraal vlak goed scoorde, maar er is veel aan het verschuiven. Ik wil die verschuiving graag als volgt duiden. De vermaarde Duitse politicoloog, Klaus von Beyme, onderscheidde drie verschillende fasen in de radicaal-rechtse politiek in naoorlogs West-Europa.

De derde fase begon in de jaren 1980, met Vlaams Blok in Vlaanderen en Front National in Frankrijk, FPÖ in Oostenrijk en de Centrumpartij (CP) in Nederland. Dat was de eerste echte moderne naoorlogse uiterst rechtse golf. ‘Modern’ in de zin dat de mensen die er een voorname rol innamen niet langer hun wortels in het historisch fascisme hadden en thema’s naar voren begonnen te schuiven die het over ‘vandaag’ eerder dan ‘vroeger’ hadden. Denk aan Vlaams Blok van begin de jaren 1980. Die partij had het weliswaar ook nog over amnestie, maar zette voornamelijk in op het thema immigratie. In deze derde fase werd uiterst rechts nog beschouwd als een buitenstaander, als een uitdager van het systeem. Onder ‘het systeem’ begrijpen we ‘de liberale democratie’ – de christendemocraten, de sociaaldemocraten, liberalen en groenen. Daarbuiten stond uiterst rechts en die schopten tegen de deur. Naar mijn inschatting eindigt deze derde fase zo rond de eeuwwisseling.

Vanaf de eeuwwisseling start de vierde fase, waarin we nu leven, die zowel kwalitatief als kwantitatief radicaal anders is. In die fase is uiterst rechts in toenemende mate globaal, heterogeen, gemainstreamd en genormaliseerd. Dit heeft geleid tot verschuivingen en poreuze grenzen tussen mainstream en radicaal-rechts, maar ook in toenemende mate tussen radicaal-rechts en extreemrechts.

Globaal

Vroeger was uiterst rechts ook wel relevant in meerdere landen, maar het is vooral in de laatste twintig jaar dat uiterst rechts nu ook in beide delen van Amerika relevant is geworden, in zowel het Noorden als het Zuiden. We zien het ook in Azië en Israël. Dit is dus niet alleen een Europese of een ‘witte ziekte’. Modi en zijn BJP (Bharatiya Janata Party) in India is één van de meest extreme voorbeelden van een uiterst rechts regime.

Heterogeen

Uiterst rechts is heel heterogeen. Je hebt extreemrechtse partijen zoals Gouden Dageraad in Griekenland en radicaal-rechtse partijen zoals Vlaams Belang. In termen van organisatie heb je iemand zoals Bolsonaro die in Brazilië is verkozen op een lijst van een niet radicaal-rechtse partij. Dan heb je iemand als Geert Wilders die 37 zetels heeft gewonnen, terwijl er maar één iemand lid van de partij is (hijzelf). Maar dan heb je ook de BJP uit India die beweert de grootste partij in de wereld te zijn met meer dan honderd miljoen leden. Je hebt partijen die al 70 jaar of nog maar 5 jaar bestaan. Je hebt partijen die minder dan 1% halen en partijen die meer dan 50% scoren. Er zijn partijen die meeregeren en partijen die dat nog nooit hebben gedaan. Vanzelfsprekend gedragen die partijen zich niet op dezelfde manier.

We moeten niet doen alsof uiterst rechts één en hetzelfde is. De covidpandemie was een interessant moment om te ontdekken hoe uiterst rechts niet op één en dezelfde manier reageerde. De mensen werden boos door de opgelegde maatregelen. Een deel van uiterst rechts probeerde te profiteren van die boosheid, maar de uiterst rechtse partijen die mee in de regeringen zaten konden veel moeilijker profiteren van de boosheid.

Gemainstreamd

We moeten dus veel genuanceerder denken over uiterst rechts. Het belangrijkste dat we in de voorbije decennia zagen gebeuren, is het mainstreamen van uiterst rechts. Mainstreaming is het empirisch proces waarbij uiterst rechts steeds meer hetzelfde wordt als wat we voorheen de mainstream noemden: sociaaldemocratische, centrumlinkse en -rechtse partijen.

Mainstreaming kan op drie manieren gebeuren: uiterst rechts kan matigen en de bocht maken richting mainstreamrechts; mainstreamrechts kan radicaliseren en opschuiven in meer radicaal-rechtse richting; of beiden gebeuren tegelijkertijd.

Op het vlak van immigratie is er een duidelijke radicalisering van de mainstreampartijen. Denk aan hoe de Deense sociaaldemocraten vandaag het migratiebeleid aanhangen dat in de jaren 1990 door uiterst rechts werd gepropageerd. Het is niet identiek, maar volgt wel dezelfde frames en als gevolg daarvan vaak dezelfde posities. Je kan over immigratie op verschillende wijzen spreken. Je kan het economisch benaderen en dan hebben we het over ‘de gastarbeider’. Tegenwoordig gebruiken we dit frame nog nauwelijks. Het frame dat we gebruiken is er één van dreiging, van problemen, van falen. Het idee dat multiculturalisme heeft gefaald, is gemeengoed geworden. Cameron, Sarkozy en Merkel hebben dit uitgesproken. We spreken over immigratie in radicaal-rechtse frames. Als een bedreiging voor onze nationale identiteit en nationale veiligheid.

Als je over immigratie praat in radicaal-rechtse frames dan kom je uiteindelijk op dezelfde positie uit. De positie zijn niet 100% identiek, maar in de kern gaat het over hetzelfde. Als je het verschil tussen mainstreamrechts (UMP) en radicaal-rechts (FN) in Frankrijk van de jaren 1990 bekijkt, dan is er nog een heel duidelijk verschil in de frames die ze gebruikten. Als je vandaag Les Républicains vergelijkt met het Rassemblement National van Marine Le Pen dan zit daar bijna geen verschil meer tussen. Dat is maar één voorbeeld. Er zijn nog voorbeelden. Denk in Vlaanderen aan het verschil tussen N-VA en Vlaams Belang. Of in Nederland tussen VVD en PVV. De verschillen zijn aanzienlijk kleiner geworden; en niet omdat Vlaams Belang of PVV nu plots veel gematigder zijn geworden.

Wat je ook ziet, is dat er meer coalities worden gevormd met uiterst rechts. In de jaren 1990 was er maar één regering in West-Europa waar een radicaal-rechtse partij mee bestuurde: de regering-Berlusconi tussen 1994 en 1996 met Lega Nord, die op dat moment een boderlinecase was. Tegenwoordig heeft de meerderheid van de EU-lidstaten een (sub)nationale regering gehad met uiterst rechts. En het worden er alleen maar meer. Dat is ook logisch. Want met die verschuiving wordt uiterst rechts steeds meer een natuurlijke partner van mainstream rechtse partijen. Een ander gevolg is dat radicaal-rechts beleid niet langer iets exclusiefs is van radicaal-rechtse partijen. VVD in Nederland wil dat Europa niet langer vluchtelingen opvangt, maar dat deze allemaal in de regio’s buiten Europa worden opgevangen. In de jaren 1990 was er maar één partij die dit wou, de radicaal-rechtse Centrumdemocraten (CP).

Genormaliseerd

Waar mainstreamen een empirisch proces is, is normalisatie een normatief proces. Daarin wordt wat uiterst rechts wil (of wie het is) als normaal beschouwd, alsof het hegemonisch is. Dan worden de ideeën van uiterst rechts niet meer als dusdanig erkend.

Eén van de meest interessante voorbeelden is hoe ‘het volk’ wordt gebruikt in de media en de politiek. Als je in Nederland bestudeert hoe ‘de bezorgde burger’ – waar VVD erg van houdt – wordt gebruikt, dan is die bezorgde burger altijd bezorgd over immigratie of islam en gek genoeg nooit over huisvesting, ondanks dat we uit onderzoek leren dat burgers grotendeels daarover bezorgd zijn. Of over onderwijs of ongelijkheid. ‘Het volk’ wordt in toenemende mate beschreven als dat deel wat potentieel voor uiterst rechts stemt. Radicaal-rechtse posities worden beschreven als ‘common sense’. De uitspraak of stelling dat multiculturalisme heeft gefaald, wordt zomaar aanvaard. We voeren hier zelfs geen debat meer over, ondanks dat hier helemaal geen bewijs voor is. Als je kijkt naar de objectieve criteria van wat men met immigratie en integratie voor ogen had, dan is dit redelijk succesvol.

Eén van de grootste problemen van uiterst rechts in de jaren 1980 en 1990 was de moeilijkheid om getalenteerde mensen aan te trekken, mensen die iets te verliezen hadden. Dit kwam door het stigma dat hierop kleefde. Als je binnen Vlaams Blok actief werd, kostte dit jou wellicht je werk of een aantal vriendschappen. Vandaag is dit in heel wat landen niet meer zo. Je betaalt als aanhanger van uiterst rechts geen sociale of economische prijs meer. Als gevolg hiervan zie je steeds meer mensen uit het establishment opduiken die voor hen en met hen gaan spreken, inclusief in academische kringen.

Een gevolg van mainstreaming zijn de verschuivende grenzen. Het wordt moeilijker om te zien wie radicaal-rechts is en wie niet. In de jaren 1980 schreven we: ‘we weten wie ze zijn, maar niet wat ze zijn’. Een beetje een vreemde uitspraak, maar het punt was dat er in die jaren een grote overeenstemming was over wie er uiterst rechts was en wie niet. Probeer eens met de criteria die we vroeger gebruikten, vandaag een onderscheid te maken tussen Vlaams Belang en N-VA. Dan ga je niet meer praten over waar ze specifiek voor staan, maar wel over hoe ze zich positioneren en of wat ze zeggen wel of niet gemeend is, en dus ideologisch of uit opportunistische redenen wordt verkondigd.

Ook de financiële wereld normaliseert uiterst rechts. Geld gaat natuurlijk altijd naar wie geld maakt. De financiële markten waren dolblij met Trump; ze schoten door het dak. In Nederland reageert men nu iets afwachtender, omdat Wilders in de campagne wat linkse programmapunten verkondigde. De markt wil in de eerste plaats voorspelbaarheid. Als VVD mee in de regering zit, zullen zij niet panikeren. Grote bedrijven normaliseren dus mee uiterst rechts, maar ik volg niet de communistische theorie dat het fascisme de stormtroepen vormden voor het kapitaal, dat is onzin. Kapitaal neemt geen risico, het wacht af. Van zodra uiterst rechts genormaliseerd is, doet het kapitaal mee.

VERSCHUIVING BINNEN RADICAAL-RECHTS VANDAAG

Recent schreef de voorzitter van de Heritage Foundation, één van de grootste rechts-conservatieve denktanks in de VS, een ideologisch manifest over wat conservatisme is. Het is een radicaal-rechts manifest. Het gaat over de nationale identiteit beschermen, over ‘het volk’. Het ideologisch onderscheid tussen radicaal-rechts en conservatisme is nog heel moeilijk te vinden. Een politieke partij als Fidesz (Hongarije) was conservatief; vandaag zijn de meesten het er over eens dat dit een uiterst rechtse partij is geworden. Idem voor Likoed in Israël. N-VA zit op de grens. De Republikeinse Partij in de VS is uiterst rechts geworden. Waar situeren zich de Tories in het VK zich? De Tories verkondigen een eerder nativistische boodschap, een anti-immigrantenstandpunt. Meer dan welke partij ook, terwijl ze anderzijds de etnisch meest diverse partij in Europa is.

Er is ook een verschuiving merkbaar binnen radicaal-rechts, en dit is vrij nieuw. Ten eerste heb je politieke leiders als Trump en Bolsonaro. Beiden hebben direct of indirect opgeroepen tot een staatsgreep. Beiden hebben de uitslagen van democratische verkiezingen niet erkend. In India heb je het BJP dat onderdeel is van een veel grotere hindoe-nationalistische beweging waarin de centrale organisatie (de RSS) al drie keer in de geschiedenis verboden is vanwege terrorisme. In India is er al heel lang sprake van systematisch geweld tegen moslims. Allemaal onder het toeziende en goedkeurende oog van Modi en de nationale regering. Trump zegt niet dat hij tegen de democratie is. Nee, hij claimt dat hij de echte democraat is en dat hij zich verzet tegen verkiezingen die ondemocratisch zijn verlopen. Hierdoor krijgen we schimmengevechten die het erg moeilijk maken.

Toen ik uiterst rechts begon te bestuderen, werd uiterst rechts als een normale pathologie beschouwd. Men dacht dat de ideeën van uiterst rechts geen enkele connectie of relatie hadden met de ideeën van de democratische samenleving en mainstreampartijen. En dat hun ideeën door slechts zo’n 5 à 10% van de totale bevolking ondersteund werden. Men dacht toen dat het voornamelijk mensen waren die niet mee konden met de moderne samenleving. Ondertussen weten we dat het niet zo gemakkelijk is. Uiterst rechts omschrijf ik vandaag als de ‘pathologische normaliteit’. Dat houdt in dat de uiterst rechtse ideeën als geradicaliseerde mainstreamideeën kunnen worden beschouwd. Eén voorbeeld: nativisme is een xenofobe vorm van nationalisme. Het betekent dat je niet alleen een monoculturele staat wil, maar ook eigenlijk alles wat niet nationaal en niet ‘native’ is als een bedreiging beschouwt.

Het idee van de natiestaat, dat ieder volk zijn eigen staat verdient, is ingeschreven in artikel 1 van de VN. Dit idee leeft in heel wat landen al enkele eeuwen. Nederland is het land van Nederlanders, Frankrijk het land van Fransen. Het idee van nativisme is de radicalere versie van nationalisme. Binnen de ‘pathologische normaliteit’ is er steeds meer steun voor gematigde versies van radicaal-rechtse ideeën. Dat zie je voorbeeld in de vaststelling dat in steeds meer landen tot meer dan de helft van de bevolking vindt dat er te veel migranten zijn. Of een groeiend deel van de bevolking vindt dat de criminaliteit een te groot probleem is en de staat te soft reageert. Echter, extreemrechts is nog steeds een normale pathologie. Het grootste deel van de bevolking is niet tegen de democratie en openlijk racisme wordt ook maar door een minderheid van de bevolking ondersteund. Maar in landen als Hongarije en ook Nederland zien we een verschuiving van radicaal-rechts als een normale pathologie naar een ‘pathologische normaliteit’.

Ik wil uiterst rechtse kiezers niet wegzetten als irrationele mensen. Wel stel ik vast dat veel in een andere werkelijkheid leven. Ze denken dat er veel meer migranten en moslims zijn dan in werkelijkheid, dat alle huizen naar de migranten gaan. Als jij denkt dat er 25% en niet 6% moslims in jouw land leven, en dat deze grotendeels tijdens de voorbije vijfentwintig jaar zijn gekomen, dan zijn zulke meningen vrij rationeels. Let wel, samenzweringstheorieën zijn niet het alleenrecht van uiterst rechts. Ze komen overal voor, ook in linkse kringen. Denk aan het verhaal van de Roze Balletten in België.

Deze tekst is gebaseerd op de lezing van Cas Mudde op Het Festival van de Gelijkheid in Gent. Met dank aan Dominique Willaert voor de transcriptie.

Bron: Sampol.be