Aantal mensen in invaliditeit op 15 jaar verdubbeld: vrouwen, zelfstandigen en 55-plussers lopen meer risico

Het aantal mensen in ons land dat langdurig arbeidsongeschikt is, is de afgelopen 15 jaar verdubbeld. Ruim een half miljoen mensen verkeert in invaliditeit. Bijna 40 procent van hen worstelt met psychosociale problemen, zoals een burn-out of depressie. Dat blijkt uit een studie van het RIZIV en het Intermutualistisch Agentschap. 55-plussers, vrouwen en zelfstandigen met een burn-out lopen meer risico op invaliditeit.

Vandaag zijn er meer dan 500.000 mensen in invaliditeit. Iets meer dan 1 op de 3 lijdt aan psychosociale aandoeningen. Ter vergelijking: in 2008 waren er zo’n 250.000 mensen in invaliditeit, 1 op de 4 leed toen aan psychosociale aandoeningen. 2 op de 3 mensen in de invaliditeit die vandaag aan psychosociale aandoeningen lijden, hebben een depressie of burn-out. 

Invaliditeit: wat is dat precies?

Als je wegens ziekte of ongeval niet meer kan werken en daardoor je beroepsinkomen of werkloosheidsuitkering verliest, heb je recht op een ziekte-uitkering. Je bent dan arbeidsongeschikt en ontvangt de zogenoemde ‘primaire arbeidsongeschiktheidsuitkering’.

Wanneer je langer dan 1 jaar erkend bent als arbeidsongeschikt, treed je in de invaliditeit. Vanaf dan ontvang je een invaliditeitsuitkering.

De term invaliditeit wordt gebruikt om langdurige arbeidsongeschiktheid te benoemen, maar heeft niks te maken met een handicap of beperking.

Het RIZIV en het Intermutualistisch Agentschap (IMA) onderzochten het profiel van personen die langer dan 6 maanden niet kunnen werken als gevolg van een psychosociale aandoening. Ze keken ook naar de factoren die een impact hebben op de overgang in invaliditeit.

Duidelijke risicogroepen

Uit het onderzoek blijkt dat 55-plussers bijzonder kwetsbaar zijn, met langere periodes van arbeidsongeschiktheid door psychosociale problemen dan bij andere leeftijdsgroepen. Zo’n 70 procent bij de 55-plussers in vergelijking met 31 procent bij de 18- tot 24-jarigen.

Ook is het risico hoger bij vrouwen (58 procent), zelfstandigen (67 procent) en personen die recht hebben op de verhoogde tegemoetkoming van de ziekteverzekering (68 procent).

In het algemeen zijn meer dan de helft van de personen die na 6 maanden nog arbeidsongeschikt zijn wegens een burn-out, ook na een jaar nog niet in staat om het werk te hervatten. Dit percentage is nog hoger bij personen die aan angststoornissen (60,5 procent) of stemmingsstoornissen (67,1 procent) lijden.

Intensieve inspanningen nodig om kwetsbare groepen te bereiken

Het RIZIV en IMA vragen daarom dat het beleid meer intensieve inspanningen levert voor de kwetsbare groepen, die werden geïdentificeerd in het onderzoek. De geïdentificeerde risicofactoren kunnen ook nuttig zijn voor adviserende artsen en het multidisciplinaire team bij gesprekken met de persoon tijdens de arbeidsongeschiktheid.

Volgens Luk Bruyneel, expert Onafhankelijke Ziekenfondsen, kunnen er 3 types maatregelen genomen worden. “Primair gaan we vermijden dat gezonde mensen een bepaalde gezondheidsproblematiek krijgen.” Hierbij wordt specifiek gekeken naar de toepassing van de wetgeving rond welzijn op het werk.

“Secundair gaan we bijstand verlenen aan mensen die de eerste symptomen vertonen van een aandoening. Hierbij spelen de arbeidsartsen en collega’s op het werk een belangrijke rol. En tertiair gaan we de terugkeer naar het werk zo vlot mogelijk laten verlopen.”

Bron: vrt.nws

Waarom huidige regering (nu) moet beslissen welke grondwetsartikelen volgende parlement mag aanpassen

Welke artikelen uit de grondwet mag het volgende parlement wijzigen? Over die vraag boog de regering zich al enkele keren, voorlopig zonder resultaat. Vanmiddag hopen de ministers knopen door te hakken. Waarom verloopt dat zo moeizaam? En bepaalt de huidige regering nog wat er na de verkiezingen gebeurt met onze grondwet? 

Het is de laatste taak van de regering en het parlement: officieel vastleggen welke grondwetsartikelen voor herziening vatbaar zijn. Enkel die specifieke artikelen kunnen dan door het volgende parlement worden gewijzigd. Na die beslissing wordt het parlement op 8 mei ontbonden. 

“De regering legt dus eigenlijk het kader vast waarbinnen het volgende parlement kan werken als het gaat over de grondwet”, legt professor grondwettelijk recht Patricia Popelier van de Universiteit Antwerpen uit.

“Dat is eigenlijk vreemd, want men beslist nu iets met een meerderheid die er na de verkiezingen mogelijk niet meer is. Het idee daarachter is dat zoiets als de grondwet niet lichtzinnig gewijzigd mag worden en er dus verschillende stappen nodig zijn.”

Wat is de grondwet?

De Belgische grondwet is de belangrijkste wet van ons land. Zij bepaalt de basisregels van het land: de fundamentele rechten van inwoners, de structuur van het land en de verdeling van macht tussen verschillende overheden. Het is de hoogste wet en alle andere wetten moeten ermee in overeenstemming zijn.

Het openstellen van de grondwet is in de eerste plaats belangrijk omdat het een staatshervorming mogelijk maakt. De regering moet nu dus beslissen of er volgende legislatuur een vervolg kan komen op de 6 staatshervormingen die we al gehad hebben.

Afgelopen jaren was dat niet mogelijk: de vorige regering – onder leiding van Charles Michel – had geen belangrijke grondwetsartikelen voor herziening vatbaar verklaard. De regering-De Croo sprak bij haar aanvang in 2020 wel meteen af om de grondwet op cruciale punten open te stellen. 

Selectie artikels veroorzaakt onenigheid

De regering moet nu specifiek aanduiden welke van de 198 artikels uit de grondwet ze voor herziening vatbaar wil verklaren. Dan ligt vast welke hervormingen er precies mogelijk zijn na de verkiezingen. Nu puntje bij paaltje komt, is daar onenigheid over.

“Op zich is het goed dat daar discussie over is, het gaat over iets belangrijk”, vindt Popelier. “Het toont wel duidelijk aan dat er eigenlijk geen gemeenschappelijke visie is op wat er met de grondwet moet gebeuren.” De regering had zich nochtans voorgenomen om een staatshervorming voor te bereiden, dat stond in het regeerakkoord. 

In 2021 stelde de regering daarom al een lijst op van de grondwetsartikels die volgens hen aan verandering toe waren. Het gaat om artikel 46, 48, 96, 142 en 195.

Artikel 46 en 96 bepalen hoe de regeringsvorming verloopt. Door die te wijzigen, zouden regeringsonderhandelingen in de toekomst anders georganiseerd worden. Denk aan een concrete deadline waarvoor er een nieuwe regering moet zijn of bepaalde deblokkeringsmechanismen.

Artikel 48 en 142 gaan over de controle van verkiezingen. Het parlement beoordeelt of die verkiezingen correct zijn verlopen. België moet dat systeem aanpassen. Volgens Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens is die manier van werken onwettig. 

De “truc” met artikel 195

Dat de regering er al enkele vergaderingen over doet om tot een akkoord te komen, is vooral te wijten aan het befaamde artikel 195.

 

“Door dat artikel voor herziening vatbaar te verklaren, maak je eigenlijk in één keer de hele grondwet voor herziening vatbaar. Artikel 195 dient eigenlijk om de procedure te veranderen om de grondwet te wijzigen. Maar op die manier kan het parlement ook artikels wijzigen zonder dat die door hun voorgangers voor herziening vatbaar zijn gemaakt.”

“Het laat het volgende parlement toe – als daarover een tweederdemeerderheid is – om zelf aan te duiden welke artikels aangepast moeten worden”, legt Popelier uit.

Die manier van werken werd al eens toegepast, bij de 6e staatshervorming, maar stuit op kritiek bij grondwetsexperts. “Het is een soort van trucje dat de regering toepast om niet de specifieke artikelen te moeten aanduiden”, aldus Popelier. 

Net daar wringt nu het schoentje. De groenen stellen zich vragen bij die manier van werken. Ze vragen zich af of het niet beter is om wel degelijk een duidelijk kader vast te leggen en alleen specifieke artikelen open te stellen. “De grondwet is geen vodje papier dat je zomaar mag wijzigen”, verwijzen ze naar de bekende uitspraak van voormalig premier Leo Tindemans. 

Klimaat en abortus in de grondwet?

Ondertussen schuiven partijen ook een wenslijstje met bijkomende grondwetswijzigingen naar voor, die niets met een staatshervorming te maken hebben. 

Open VLD wil bijvoorbeeld het recht op zelfbeschikking in de grondwet, zodat abortus en euthanasie niet kunnen worden afgeschaft. De liberalen willen dat ons land Frankrijk volgt, dat in maart als eerste land ter wereld abortus opnam in de grondwet

Bij Groen hopen ze in de toekomst op een aanpassing van artikel 7bis. Dat gaat over duurzame ontwikkeling. Door een wijziging zou het federale niveau meer beslissingsrecht kunnen krijgen over klimaatbeleid en bestaat de mogelijkheid om doelstellingen steviger te verankeren.

Vraag blijft of de regering al die afzonderlijke artikels zal aanduiden of voor de gemakkelijkheidsoplossing – artikel 195 – opteert.

Het parlement – de Kamer en de Senaat – moet de lijst met artikels die de regering opstelt wel finaal goedkeuren. In de Senaat stond al enkele keren een vergadering over de grondwetsartikels gepland. Maar bij gebrek aan consensus binnen de regering werd die steeds uitgesteld. 

Nog veel stappen tot een echte grondwetswijziging

Voor het tot echte grondwetswijzigingen komt, is er nog een lange weg af te leggen. De volgende regering moet het erover eens geraken en twee derde van het parlement moet de wijziging goedkeuren. Het is afwachten hoeveel ruimte daarvoor zal zijn. Hoe groter de radicale partijen op 9 juni, hoe moeilijker het zal worden om zo’n grote meerderheid te vinden. 

De kans op een nieuwe grote staatshervorming lijkt hoe dan ook klein. De PS – in Wallonië volgens de laatste peiling nog steeds goed voor meer dan een kwart van de stemmen – heeft tijdens de campagne al meermaals laten verstaan dat die er niet komt als het van hen afhangt. Dat is “politieke fictie” aldus PS-vicepremier Pierre-Yves Dermagne. 

Bron: vrt.nws

Tongerse mama van Quinn (12) met autisme schrijft open brief aan Vlaams minister van Onderwijs Weyts: “Het is bijna leuren met je kind”

De provincie Limburg kampt met ernstige tekorten in het buitengewoon onderwijs. Daarom schreef Carolien Groenendaels uit Tongeren een open brief aan Vlaams minister van Onderwijs Ben Weyts (N-VA). Haar zoon moet in september naar het secundair onderwijs. “Maar op dit moment weet ik niet wat er in september met mijn kind zal gebeuren. Hij is leerplichtig, maar kan nergens heen”, vertelt ze.

Groenendaels heeft de brief geschreven nadat ze donderdag te horen kreeg dat haar zoon Quinn (12) op de zesde plaats op de wachtlijst staat. “Zijn basisschool raadde ons onderwijsvorm 1 type 9 aan. We hebben enkele scholen bezocht en ons ingeschreven waar dat kon. Dan is het afwachten of de computer je lotje trekt. Hij staat 6e op de wachtlijst voor een klas van 5 leerlingen. Dat wil zeggen dat er nog zo’n klas gevuld kan worden voor hij een plaats krijgt.” 

De basisschool raadde de onderwijsvorm aan omdat Quinn een autismespectrumstoornis (ASS) heeft. Hij heeft dus extra nood aan duidelijkheid en structuur en raakt sneller overprikkeld. Daarnaast heeft hij een MCDD-profiel. “Voor hem is de grens tussen fantasie en werkelijkheid veel brozer. Medicatie kan die wel verstevigen. Daarnaast beleeft hij emoties zeer intens. Als hij blij is, is hij niet te houden. Als hij verdrietig is, kan hij soms zeggen dat hij dood wil.” 

Quinn heeft op school dan ook omkadering nodig. “Vorige week zijn we met hem nog naar een opendeurdag geweest. Je wil hem toch wat laten wennen, mocht je lotje getrokken worden. Tijdens het bezoek voel je de bui al hangen. Vanbinnen smeekt iets dat je gekozen wordt, maar het ligt in de handen van een computer. Ik begrijp dat je zo iedereen gelijke kansen wil geven, maar het is toch moeilijk te slikken.” 

Soms wordt ook thuisonderwijs gesuggereerd. “Maar hij heeft het al zo moeilijk met sociale contexten. Net in een schoolcontext komen, biedt hem zoveel leerkansen waar hij in zijn latere leven nog veel aan zal hebben.” 

Wat nu?

In zijn basisschool zijn – naast Quinn – nog twee andere kinderen georiënteerd naar hetzelfde type onderwijs. Geen van hen heeft een plek gevonden. Volgens Groenendaels bieden in Limburg maar twee scholen het aan: Kids in Hasselt en De Dageraad in Kortessem. In Kortessem waren de vijf plaatsen al bezet. Kids had nog drie plaatsen. 

Het weegt enorm op de ouders. “Wanneer je leest dat hij op de wachtlijst staat, valt het plafond op je hoofd. Wat nu? Waar moet moet mijn kind in september heen? Hij is leerplichtig, maar er is geen plaats met de juiste omkadering. Op het einde van de dag weet ik niet wat er in september met mijn kind zal gebeuren. Andere ouders zitten ook met de handen in het haar. Je weet niet hoe je moet toeleven naar september.” 

Voor Quinn zelf is het ook niet makkelijk. “Hij hoorde hoe we erover bezig waren en was overstuur. Hij vraagt dan waarom hij niet naar de school kan waar hij is ingeschreven. Dan zijn we eerlijk en zeggen we dat we het nu niet weten. We verzekeren hem dat we er alles aan doen en dat wij ons wel zorgen zullen maken. Omdat hij ons vertrouwt, kan hij dat dan loslaten.” 

Niet alleen meer plaatsen, maar ook meer bewustwording

In de eerste plaats wil Groenendaels dat er plaatsen bijkomen. “Geen enkel kind verdient het om op een wachtlijst te staan. Recht op onderwijs is universeel. Ik ben dankbaar dat ik in België leef, omdat hier al wat omkadering is. Tegelijkertijd betaal ik elke maand belastingen. Daar heb ik geen probleem mee, maar je verwacht wel iets terug zoals het onderwijs waar mijn kind nood aan heeft.” 

Daarnaast pleit de mama van Quinn voor meer bewustwording. “We hebben de mond vol over een inclusieve maatschappij en inclusief onderwijs. Dan wordt het ook tijd om inclusief te denken. Hoe veel je je als ouder ook focust op wat een prachtkerel zoals Quinn wel kan, toch blijf je met vragen zitten. Wat als je er zelf niet meer bent? Zal hij ooit kunnen werken in een sociale werkplaats? Als zelfstandig alleen wonen niet lukt, is een kangoeroewoning dan een oplossing? Het is zeer moeilijk.” 

Bron: VRT.nws

De onderwijsexperten die vandaag in de media aan bod komen, zijn allemaal van hetzelfde type

Soetkin Bulcke is auteur van Expeditie onderwijs en docent journalistiek aan de Thomas More Hogeschool. Ze vraagt zich af waarom de onderwijsexperts die we vaak in de media zien opduiken zelf amper ervaring hebben in de klas. ‘Ex-cathedra doceren in een aula is echt niet hetzelfde als lesgeven in het middelbaar.’

Na twintig jaar in de journalistiek besliste ik in maart 2020 om een parttime-interimjob aan te nemen als leerkracht Nederlands-Engels in een school in het Antwerpse Merksem.

Na al die jaren als journalist was ik nooit ergens geweest waar de verhalen zo voor het rapen lagen als in de klas van vandaag. Het was een wereldreis en een reis naar mezelf. Door uit mijn comfortzone te stappen en voor de klas te gaan staan, besefte ik hoe mijn beeld van het onderwijs bepaald was door de heersende clichés. Ik kon ze een voor een voor mezelf ontkrachten.

Na mijn eerste drie weken voor de klas liep ik al krom van de rugpijn (van de stress). Ik ging naar de kinesist en deed oefeningen samen met iemand anders. Die man had ook stress omdat hij een presentatie moest geven op zijn werk. ‘Mijn werk als leerkracht bestaat uit zeven presentaties / workshops / feedbacksessies per dag’, ging het in mijn hoofd. Toen ik dat vertelde aan een kennis zei die: ‘Dat is toch echt niet hetzelfde als in het bedrijfsleven.’ Ik gaf haar volmondig gelijk. In het onderwijs is het publiek veel moeilijker.

Ik kwam in het onderwijs ook pas voor het eerst in contact met hoe de maatschappij er echt uitziet vandaag. Zelfs al was ik als journalist op veel plaatsen in de wereld geweest. Ik besefte hoe erg ik in een bubbel had geleefd. De bubbel van hoogopgeleide collega’s, vrienden, buren, ouders, familie, … Ik wist wel dat ik in die bubbel leefde, de zogenaamde tien procent, maar ik kon me niet echt een beeld vormen van hoe het leven eruitzag buiten die tien procent.

Die ervaringen mondden uit in een boek, Expeditie onderwijs, en daardoor was ik onlangs uitgenodigd voor een debat met onderwijsexpert Wouter Duyck op het literaire non-fictiefestival Faar.

Ter voorbereiding las ik zijn boek om te weten waaruit zijn discours bestaat. Tijdens de lectuur heb ik veel geïnteresseerde kruisjes gezet, wanneer het ging over zijn expertise op het vlak van cognitieve psychologie. Duyck weet hoe het brein werkt en wat je kunt doen om beter te studeren. Nuttige info met drie studenten in huis en een job als docent.

Helaas begeeft Duyck zich steeds op glad ijs als hij zijn theorie probeert toe te passen op de praktijk. Ex-cathedra doceren in een aula is echt niet hetzelfde als lesgeven in het middelbaar.

GAZA KENNEN

In het secundair onderwijs spelen veel factoren die van het lesgeven een extra uitdaging maken. Bijvoorbeeld de algemene totale oververmoeidheid bij leerlingen. Ik verduidelijk: veel leerlingen werken vandaag na hun schooluren, soms letterlijk om den brode, met in Antwerpen een ontstellende 11 procent van de leerlingen die in kansarmoede opgroeien.

Vaak liggen leerlingen daardoor ’s ochtends met het hoofd op de armen te slapen. In het begin werd ik daar woest van, maar toen ik na een tijdje hoorde hoe een leerling twee jobs combineerde om haar eigen schoolfacturen te betalen, was ik diep onder de indruk. En na het werken en het huiswerk zijn er natuurlijk de socials. Op school kun je het schermgebruik wel tegengaan, maar thuis loopt de schermtijd makkelijk op tot zeven uur per dag. Slaapgebrek is bij veel jongeren echt een issue.

Tijdens ons debat poneerde Duyck het feit dat leerlingen vandaag geen kritische zin meer ontwikkelen, omdat ze niet meer lezen. Dat gevaar zie ik ook, maar ik snap ook hoe het komt. Dit is de generatie die met de AVI-toetsen is grootgebracht. Ik kom regelmatig een jongere tegen die daardoor al op jonge leeftijd lezen is beginnen te associëren met iets dat niet leuk was.

Ook het leerplan Nederlands dat ik moest volgen, bracht mijns inziens niet altijd de parels aan die er vandaag te lezen zijn. Gelukkig lees ik zelf veel, dus zette ik het plan naar mijn hand om leerlingen te bekoren met boeken die bij hen pasten. Een leerling leende met veel interesse mijn eigen kopie van Seizoenarbeid van Heike Geißler, het verhaal van een literair vertaalster die om den brode aan de slag gaat bij Amazon, omdat niemand nog wil betalen voor het werk dat ze echt goed kan.

Toen Duyck zijn punt wilde illustreren over de gevolgen van te weinig lezen, haalde hij als voorbeeld aan dat leerlingen niet eens weten waar Gaza ligt.

Daar moesten we hem wel even op corrigeren. Álle leerlingen weten vandaag waar Gaza ligt.

DE JUISTE VRAGEN STELLEN

Ook verweet hij tijdens het debat onze jongeren een gebrek aan ambitie. Daar was onderzoek naar gedaan. Ik vroeg hem even uit te leggen hoe dat onderzoek precies was verlopen. Op de vragenlijst had gestaan dat leerlingen moesten aanduiden of ze ambitie hadden voor hogeschool of universiteit. Blijkbaar hadden er niet genoeg aangeduid dat ze voor een master gingen. Waaruit Duyck de conclusie puurde dat onze jeugd niet ambitieus genoeg is.

Daar moest ik hem even uitleggen dat dit niet de juiste vragen zijn. Zowel op de hogeschool als in het middelbaar, heb ik studenten/leerlingen voor wie een masterstudie niet aan de orde is. Ik hoorde op school het verhaal van een meisje dat graag psychologie wilde studeren maar dat niet mocht van haar vader omdat ze dan ergens anders dan in Antwerpen moest studeren. Het meisje behaalde dus een diploma Toegepaste Psychologie maar wilde nog steeds haar master. De enige oplossing voor dat meisje was trouwen. Voor haar verloofde was het wel goed dat ze haar master zou halen.

Het zijn die jongeren die niet invullen dat ze een master willen behalen. “Mevrouw, voor u is dat allemaal normaal, maar voor ons niet”, zei een leerling eens. Als je zoiets hoort, breekt je hart.

Los daarvan zijn we een van de weinige landen waar de nadruk nog steeds op die master ligt. In het buitenland is een bachelor even goed. ‘College is college’, om het in het Engels te zeggen.

Toen ik onlangs op een event op onze hogeschool drie hr-specialisten hoorde spreken, klonk het unaniem: het is al tien jaar niet meer per se nodig op de arbeidsmarkt om een masterdiploma te hebben.

Tso-opleidingen hebben niet het curriculum dat je verwacht voor toekomstige leraren’, staat er verder in Duycks boek. Nu heb ik zelf 2,5 jaar in klassen met dubbele finaliteit (vroeger tso) lesgegeven. Daar zitten heel uiteenlopende profielen bij elkaar. Veel jongeren die richtingen met dubbele finaliteit volgen, zijn in mijn ogen vaak intelligenter dan de jongeren in doorstroomrichtingen (het vroegere aso). In mijn klassen had standaard de helft dyslexie en de andere helft ADHD. Met hulp, geduld en steun komen al die jongeren er ook. In traditionele doorstroomscholen zien ze leerlingen die hulp nodig hebben soms liever niet komen.

Zo zitten in de derde graad dubbele finaliteit vaak leerlingen die tot en met het vierde middelbaar in een doorstroomrichting hebben gezeten. Met frustratie en demotivatie vatten die leerlingen de derde graad in dubbele finaliteit aan, om uiteindelijk in het zesde met hernieuwde energie en levenservaring af te studeren. Ik vraag me af wie dan het best geschikt is voor verdere studies. Het kind dat er niet veel moeite voor heeft moeten doen of het kind dat zelf een weg heeft moeten vinden en gevonden heeft?

Ik heb lesgegeven aan leerlingen die met alle levenslust van een zeventienjarige maar met de levenservaring die ik misschien zelf maar op volwassen leeftijd heb verworven in het leven staan. En die enorm goed weten hoe belangrijk een diploma als wissel op een betere toekomst is. Die pampergeneratie waar iedereen zo graag over spreekt, ben ik niet tegengekomen op mijn school.

Meer dan ooit heeft onze maatschappij diversiteit nodig voor de klas. In alle betekenissen van het woord; leerkrachten die zelf dyslectisch zijn en daardoor veel beter weten wat het is om een label te hebben; leerkrachten met een migratie-achtergrond … Onze leerlingen hebben leerkrachten nodig die een rolmodel zijn of waar ze zich in kunnen herkennen. Dus ja natuurlijk moeten er ook leerkrachten zijn die tso hebben gevolgd.

ONDERWIJSEXPERTISE? NIET NODIG

Het is blijkbaar iets typisch Vlaams dat we het meeste heil verwachten van onderwijsexperten die nooit een voet in een klas hebben gezet als leerkracht.

In de medische wereld zien professoren regelmatig patiënten. Ik weet niet hoe dat bij u zit, maar ik zou niet bij een professor cardiologie te rade willen gaan die nog nooit een hart van binnen heeft gezien. Sterker nog: ik ga liefst bij een oudere specialist, die al veel verschillende cases heeft zien passeren en veel verbanden kan leggen (pun intended).

De onderwijsexperten die vandaag in de media en in het beleid aan bod komen, zijn allemaal van hetzelfde type: hoogopgeleid, meestal mannelijk, wit en niet voorzien van een uitgebreide didactische ervaring. Behalve dan de voorzitter van de Commissie der Wijzen. Voor de mensen die ooit het onvolprezen programma Radio Gaga hebben gezien: dat is de prefect van die in een internaat vermomde teletijdmachine naar de jaren ’50 ergens in de Kempen.

Dus ja, mijn punt is: graag meer doorleefde expertise en ook meer diversiteit in wie we in de media en in het beleid aan bod laten komen op het vlak van onderwijsvernieuwing. Willen we een denktank voor de toekomst of een reservaat van het patriarchaat aan de onderwijstop?

I rest my case.

Bron: demorgen.be

De binnenkant van sociaal isolement

Bijna 1 op de 10 Belgen voelt zich altijd of meestal eenzaam. Dat lijkt een individueel probleem, maar is het niet. Het voorkomen van sociaal isolement is een collectieve inspanning.