De bittere nasmaak van voedselhulp

De bittere nasmaak van voedselhulp

In 2023 ontvingen 213.000 mensen maandelijks voedselhulp via de voedselbanken. Een triestig record. Het gaat in toenemende mate ook over gezinnen met een te laag inkomen uit werk. Voedselbanken fungeren vandaag niet langer als tijdelijke noodhulp.

Teleurstellende armoedecijfers en tekortschietende sociale vangnetten hebben de deur opengezet voor een grotere rol van het maatschappelijke middenveld in sociale voorzieningen. Een veel besproken voorbeeld hiervan is liefdadige voedselhulp. Steeds meer mensen die moeite ondervinden om rond te komen, vinden hun weg naar één van de vele voedselhulp initiatieven die ons land ‘rijk’ is. In 2023 ontvingen maar liefst 213.000 mensen maandelijks voedselhulp via de voedselbanken. Een triestig record, want in 2013 ging het nog om 122.000 mensen. Het gaat daarbij zeker niet alleen om ‘nieuwkomers’ of mensen zonder papieren, die geen of slechts na bepaalde tijd aanspraak kunnen maken op sociale zekerheidsuitkeringen. Het gaat ook om gezinnen met een te laag inkomen, vaak afkomstig van een ontoereikende uitkering maar in toenemende mate ook door een te laag inkomen uit werk.

Deze trend, die we ook in andere rijke landen zien, is verontrustend. Zo verzacht voedselhulp enkel de symptomen van armoede, maar pakt het de onderliggende oorzaken niet aan. Bovendien is het een gunst, en geen recht. Het ontvangen van voedselhulp gaat daarnaast vaak gepaard met schaamte en stigmatisering. Toch groeit het aantal mensen dat hierop beroep doet gestaag door. Wat is er aan de hand?

ONTOEREIKENDE INKOMENSBESCHERMING

Hoewel armoedebestrijding via formele sociale bescherming een kerntaak is van de welvaartsstaat, wordt op dit vlak bitter weinig vooruitgang geboekt. Dit is niet alleen in België het geval, het is een universele tendens die zich ook in andere Europese landen voltrekt. Maatschappelijke veranderingen zoals de globalisering, technologische vooruitgang en demografische verschuivingen brachten nieuwe sociale risico’s mee waar de traditionele sociale beschermingsmechanismen minder bestand tegen zijn.

Ondanks recente verhogingen, schiet het vermogen van sociale uitkeringen om armoede te verminderen dan ook tekort, in het bijzonder voor personen op beroepsactieve leeftijd die het meest afhankelijk zijn van het sociale vangnet. Dit is niet alleen het gevolg van de ontoereikendheid van uitkeringen in de sociale zekerheid en de bijstand. Ook de toegankelijkheid staat onder druk. De toenemende focus op activering en de strengere toegangsvoorwaarden tot een werkloosheidsuitkering en het leefloon zorgen ervoor dat mensen sneller uit de boot vallen, of hun rechten niet uitputten.

DE ‘SECTOR’ VAN VOEDSELHULP

Als gevolg van deze ontwikkelingen en limieten is de rol van lokale, plaatsgebonden acties en liefdadigheidsinitiatieven toegenomen. Talloze vrijwilligersorganisaties en burgerinitiatieven proberen zo de gaten in het sociale vangnet op te vullen. Velen doen dat ‘onder protest’, omdat de overheid primair de verantwoordelijkheid heeft om sociale rechten te realiseren. Mede daarom is sedert de jaren 1990 de ‘sector’ van voedselhulp sterk gegroeid, geprofessionaliseerd en in toenemende mate verweven geraakt met de formele sociale beschermingsmechanismen.

De ‘sector’ van voedselhulp is sterk gegroeid, geprofessionaliseerd en verweven geraakt met de formele sociale beschermingsmechanismen.

De ‘sector’ van voedselhulp omvat een complex kluwen van verschillende betrokken publieke en private actoren op verschillende niveaus, van lokaal tot Europees. Een mix van non-gouvernementele, al dan niet religieus geïnspireerde, organisaties verdeelt voeding kosteloos of tegen een kleine vergoeding in de vorm van voedselpakketten, maaltijden, vouchers, of een mengvorm. Voor hun aanbod zijn de meesten sterk afhankelijk van gedoneerde overschotten van de voedingsindustrie, -distributie of veilingen. Organisaties als Foodsavers en het online platform ‘de schenkingsbeurs’ faciliteren de verzameling van overschotten.

Maar, belangrijk, ook overheden spelen een groeiende rol. Nationale, regionale en lokale overheden kennen subsidies toe, terwijl de federale overheid ook belastingvoordelen toekent aan bedrijven die voeding doneren of individuen die een schenking doen. De Europese Unie grijpt dan weer in via het Fonds voor Europese hulp aan de meest behoeftigen (FEAD). Daarmee verkrijgen lidstaten budgetten die ze mogen gebruiken om nieuwe voeding aan te kopen om als voedselhulp uit te delen. In België is het FEAD een belangrijke speler: meer dan een derde van het aanbod van de voedselbanken is afkomstig van Europese steun.

OCWM’S ALS BRUGFIGUUR?

Ook de rol van lokale overheden in de voedselbedeling is groter geworden. OCMW’s in het bijzonder zijn opvallend betrokken bij de praktijk van voedselhulp, rechtstreeks en onrechtstreeks. FEAD-producten worden niet enkel verdeeld door vrijwilligersorganisaties, maar ook door OCMW’s: 358 OCMW’s ten opzichte van 419 ngo’s om precies te zijn. Met andere woorden, meer dan 60% van alle OCMW’s in ons land hebben een actieve rol door zelf voedselhulp te verdelen. Deze FEAD goederen worden gratis verstrekt aan huishoudens die onder de Europese armoedegrens leven. Ngo’s die FEAD-producten verdelen, zijn verplicht om een partnerschap aan te gaan met het OCMW van hun gemeente, die vaak deze beoordeling voor hen doet.

Meer dan 60% van alle OCMW’s in ons land hebben een actieve rol door zelf voedselhulp te verdelen.

Deze samenwerking tussen OCMW’s en lokale voedselhulpinitiatieven is sterk geformaliseerd aangezien vaak een officieel attest van het OCMW vereist is. In veel gevallen verwijzen sociaal werkers mensen bovendien door naar een voedselinitiatief als ze merken dat een gezin nauwelijks het einde van de maand haalt, vaak gaat het om een ‘wanhoopsdaad’ om met directe ingang wat ademruimte aan cliënten te kunnen bieden. Sociaal werkers botsen namelijk op een muur van bureaucratie en regelgeving voor formele hulp zoals het toekennen van een leefloon.

DE WAARDE VAN EEN VOEDSELPAKKET

Uit recent onderzoek bij voedselverdeelpunten in vier Europese steden, waaronder drie in Antwerpen, blijkt dat voedselhulp een behoorlijke financiële impact kan hebben voor gezinnen met een laag inkomen. In drie Antwerpse organisaties bedroeg in 2022 de marktwaarde van voedselpakketten gemiddeld 102 euro per maand voor een alleenstaande en 132 euro voor een gezin met twee volwassenen en twee kinderen, met zeer grote verschillen tussen verdeelpunten. Toch was zelfs in de organisatie met het minst genereuze aanbod, de monetaire waarde van een voedselpakket voor een alleenstaande nog 56 euro (ten opzichte van 152 euro in de meest genereuze). Dat is niet niets voor een gezin dat moet rondkomen van een leefloon. Voor hen bedraagt voedselhulp zo’n 5% tot 9% van het beschikbaar inkomen, afhankelijk van het gezinstype.

Voor een gezin dat moet rondkomen van een leefloon bedraagt voedselhulp zo’n 5% tot 9% van het beschikbaar inkomen.

Het hoeft echter niet te verbazen dat liefdadige voedselhulp er niet in slaagt om de kloof met de armoedegrens dichten. Daarvoor is de afstand tussen het leefloon en de armoedegrens gewoonweg te groot. Bovendien gaat de geschatte geldwaarde van voedselhulp ervan uit dat begunstigden alle producten willen, mogen of kunnen consumeren (denk aan voorkeuren en eetpatronen, beperkingen door allergieën, voedselintoleranties -of ziektes, en de beschikbaarheid van de nodige uitrusting om voeding correct te bewaren en klaar te maken). Dit is in praktijk lang niet altijd het geval. Uit veldonderzoek bij drie Antwerpse voedselverdeelpunten blijkt dat begunstigden gemiddeld zo’n 10% van de producten niet wensen mee te nemen. Dit zorgt ervoor dat de waarde van voedselhulp voor begunstigden beduidend lager ligt dan de objectief geschatte marktwaarde.

EEN MES DAT AAN TWEE KANTEN SNIJDT

Voedselhulp creëert voor kwetsbare gezinnen wat broodnodige ruimte in hun beperkt budget. Dat is goed en nodig. Het aanwenden van voedselhulp om gaten in het sociaal vangnet op te vullen, is echter niet zonder gevaar. Het gaat niet om rechten, de hulp is stigmatiserend, discretionair en onzeker. Toch geraakt deze hulp steeds meer verweven met de wettelijke vangnetten. De informele voedselbedeling dreigt zo uit te groeien tot een volwaardig deel van de sociale bescherming én van het sociale beleid. De institutionalisering die we hebben vastgesteld wijst in deze richting.

Een andere moeilijke vraag doemt op aan de horizon. OCMW’s voorzien middelen getoetste uitkeringen. Om te toetsen of mensen recht hebben op het leefloon, bestaan er uitgebreide wettelijke criteria, die inkomen, en een deel van spaargeld en de eigen woning, afwegen tegen de waarde van het leefloon. Voor aanvullende discretionaire steun bestaat zo’n duidelijk afgebakende lijst echter niet. In een poging om deze steun in te zetten waar ze het meeste nodig is, omarmen OCMW’s onder impuls van de POD Maatschappelijke Integratie en minister Lalieux een toetsing van het eigen inkomen aan de noodzakelijke kosten opgenomen in de referentiebudgetten (zie het artikel van Marieke Frederickx en collega’s elders in dit nummer), inclusief mogelijke voordelen zoals het sociaal tarief, sociale huisvesting en andere tegemoetkomingen. Dit is een lovenswaardig initiatief, om schaarse middelen zo goed mogelijk in te zetten om menselijke waardigheid te garanderen. Maar hoe dient men in zo’n afweging om te gaan met deels geïnstitutionaliseerde liefdadige steun uit het middenveld? Voor sommigen kan het een aantrekkelijke gedachte zijn om de waarde van de voedselhulp mee te tellen in het bestaansmiddelenonderzoek.

Het ontvangen van voedselhulp heeft veel weg van een loterij.

Dit is echter problematisch. Het ontvangen van voedselhulp heeft immers veel weg van een loterij. Uit veldwerk blijkt dat de verkregen hoeveelheid en soort producten, de geldwaarde ervan en de mate waarin men zelf producten kan kiezen, sterk verschilt naargelang de specifieke organisatie waar men voedselhulp ontvangt. Meestal hebben begunstigden niet te kiezen waar ze voedselhulp ontvangen, omdat het gebonden is aan iemands woonplaats. De werkwijze en financiële impact verschilt echter niet alleen tussen organisaties, steden en gemeenten. Ook doorheen de tijd schommelt de geldwaarde van voedselhulp behoorlijk. De verkregen producten hangen sterk af van het gamma gedoneerde voedseloverschotten van die dag, alsook van het aantal begunstigden onder wie het aanbod verdeeld dient te worden. Tot slot maakt het specifieke moment waarop men voedselhulp ontvangt uit: wie aan het begin van de bedeling komt gaat vaak met een grotere tas naar buiten dan wie op het einde aan de beurt is. Hoewel vrijwilligers kunnen proberen om de verdeling zo ‘eerlijk’ mogelijk te organiseren, blijft het soms onvermijdelijk een arbitraire inschatting wie wat mee naar huis krijgt.

Voedselhulp is een instabiele, onzekere en discretionaire praktijk. Bovendien voldoet de voeding niet altijd aan de noden en voorkeuren van begunstigden. Dit creëert een welvaartsverlies en holt de menselijke waardigheid uit als men bijvoorbeeld producten krijgt die over datum zijn. Dit geldt vooral bij voorgemaakte of deels zelf gekozen voedselpakketten, wat in ons land nog steeds de meest gangbare vorm van voedselhulp is. Hoewel steeds meer organisaties werken aan een systeem met meer keuzevrijheid, bijvoorbeeld met gebruik van punten of categorieën om producten te kiezen, blijven de opties steeds minder dan in een reguliere winkel.

TERUG NAAR DE ESSENTIE

Het problematische maar ook noodzakelijke karakter van liefdadige voedselhulp maken dat er al langer een fervente discussie woedt over waar we dan wel heen moeten. Direct afschaffen zonder meer is geen optie, gezien de grote en groeiende groep kwetsbaren die van deze hulp afhankelijk is. Wel is het noodzakelijk om voedselbanken en lokale voedselinitiatieven terug te brengen tot waar ze vanaf de jaren 1980 en 1990 voor ontworpen waren: als tijdelijke noodhulp. In acute crisissituaties, zoals aan het begin van de coronacrisis en de daaropvolgende energiecrisis, kan voedselhulp snel een onmiddellijke nood lenigen. Het is echter alarmerend dat het vandaag de dag zowel door begunstigden als door overheden als (lange termijn) strategie wordt aangewend om ontoereikende inkomens aan te vullen.

Het is alarmerend dat voedselhulp vandaag door overheden als strategie wordt aangewend om ontoereikende inkomens aan te vullen.

De zichtbaarheid en onmiddellijke effecten van voedselhulp om armoede te beheersen, mogen er niet toe leiden dat de focus verzwakt op het aanpakken van achterliggende oorzaken. Een toereikend inkomen uit werk of uitkering, een stabiele job of betaalbare en kwalitatieve huisvesting zijn zaken die gezinnen er écht op vooruit helpen. Dit vraagt om doordachte structurele beleidsmaatregelen aangepast aan de veranderende noden in de samenleving. Zo zijn eenoudergezinnen, gezinnen met een migratieachtergrond of mensen met een precaire job bijzonder kwetsbaar. Nieuw beleid moet dan ook het realiseren van rechten voor deze kwetsbare groepen vooropstellen. Als dat niet gebeurt, dan zal de groeiende groep mensen die beroep doet op voedselhulp blijven aanmodderen in hun situatie.

Bron: sampol.be

Kan je menswaardig leven met een minimuminkomen?

Kan je menswaardig leven met een minimuminkomen?

De minimuminkomens volstaan meestal niet om menswaardig te leven. Wanneer een gezin een sociale woning kan huren, worden ze net toereikend. Ook zijn er niet altijd voldoende financiële prikkels om over te stappen van een minimumuitkering naar een job, zeker niet als dit voor extra uitgaven zorgt. Kinderopvang en openbaar vervoer zijn hierin cruciaal.

Minimuminkomens zijn het laatste vangnet binnen een ruimer sociaal beschermingssysteem van financiële en niet-financiële voordelen waarop burgers, onder bepaalde voorwaarden, een beroep kunnen doen. Het doel van dit vangnet is voldoende middelen voorzien voor elke burger om een menswaardig leven te waarborgen.1 Wanneer gezinnen niet over voldoende middelen beschikken om aan de samenleving te kunnen deelnemen, heeft dit gevolgen op alle aspecten van hun leven. Toereikende minimuminkomens zijn dan ook een essentiële maatregel om sociale uitsluiting te vermijden en armoede te bestrijden.2

In dit stuk beoordelen we de toereikendheid van de minimuminkomens in het licht van een menswaardig bestaan. Dat doen we door de netto besteedbare inkomens uit sociale bijstand (leefloon en inkomensgarantie voor ouderen of IGO), sociale zekerheid (minimumwerkloosheidsuitkering en minimumpensioen) en arbeid (gemiddeld gewaarborgd minimummaandinkomen of GGMMI en een laag loon) te vergelijken met de hoogte van het referentiebudget voor verschillende typegezinnen. Referentiebudgetten zijn geprijsde korven van goederen en diensten die, op basis van wetenschappelijk onderzoek, een antwoord geven op de vraag hoeveel inkomen een gezin minimaal nodig heeft om volwaardig aan de samenleving deel te nemen. Bij het simuleren van de netto besteedbare inkomens houden we rekening met de kinderbijslag, schooltoeslagen, Vlaamse en federale werkbonus, RSZ en de personenbelasting.

MINIMUMINKOMENS ZIJN TE LAAG, OOK WANNEER MEN WERKT

Uit de vergelijking met de referentiebudgetten leren we dat het inkomen uit een minimum werkloosheidsuitkering of sociale bijstand te laag ligt om menswaardig te kunnen leven wanneer je een woning huurt op de private huurmarkt. Ook wanneer een volwassene in het gezin voltijds werkt aan een minimumloon (GGMMI) is het inkomen vaak ontoereikend, zeker wanneer er extra uitgaven aan te pas komen zoals kinderopvang of een eigen wagen. Voor gezinnen met kinderen zijn de bedragen uit de kinderbijslag (inclusief sociale toeslagen) in de verschillende regio’s onvoldoende om de minimale kost van kinderen te dekken. Deze tekorten zijn groter bij oudere kinderen. Voor ouderen volstaat het minimumpensioen net, als er geen eigen wagen of andere extra kosten nodig zijn. FIGUUR 1 toont de toereikendheid van de minima voor een aantal typegezinnen in Vlaanderen.

Voor ouderen volstaat het minimumpensioen net, als er geen eigen wagen of andere extra kosten nodig zijn.

Bij het opstellen van de referentiebudgetten vertrekken we van de veronderstelling dat de gezinsleden in goede gezondheid verkeren, de nodige competenties hebben om zuinig met een beperkt budget om te gaan, een kwaliteitsvolle woning huren en geen eigen wagen nodig hebben. Omdat deze ‘ideale omstandigheden’ voor vele kwetsbare gezinnen en ouderen niet opgaan, zullen de minima in sommige gevallen minder toereikend zijn dan wat uit onze berekeningen blijkt.

Ander wetenschappelijk onderzoek, waarbij de toereikendheid van de minimuminkomens wordt geëvalueerd met behulp van de Europese armoedegrens, komt tot gelijkaardige bevindingen.3 Deze resultaten suggereren dat België bijkomende inspanningen moet leveren om toereikende minimuminkomens te waarborgen, zoals omschreven in de Aanbeveling van 30 januari 2023 van de Raad van de Europese Unie. Lidstaten worden hierin aangespoord om armoede en sociale uitsluiting te bestrijden door middel van toereikende inkomenssteun, het bevorderen van de toegang tot ondersteunende en essentiële diensten voor personen met onvoldoende middelen, en het vergemakkelijken van de integratie van wie kan werken op de arbeidsmarkt.

Onze bevindingen ondersteunen ook het pleidooi van het Steunpunt tot bestrijding van armoede, bestaansonzekerheid en sociale uitsluiting om de minimumuitkeringen, en in het bijzonder de sociale bijstand, minstens op te trekken tot aan de Europese armoedegrens.4 Als sociale bijstandsuitkeringen worden opgetrokken tot op het niveau van de Europese armoedelijn, zouden ze voor een aanzienlijk grotere groep mensen voldoende hoog zijn om alle noodzakelijke behoeften te kunnen vervullen met het oog op het leiden van een menswaardig leven.

MAATREGELEN VAN VIVALDI

Bij aanvang van de huidige regeringsperiode heeft de federale overheid besloten om de leeflonen over vier jaar met 10,75% te verhogen, bovenop verhogingen als gevolg van de welzijnsenveloppe en de indexering (KB 20 december 2020). Door drie opeenvolgende verhogingen (telkens op 1 januari van 2021, 2022 en 2023) is de ontoereikendheid van de leeflonen verminderd. In 2020 bedroeg de toereikendheid van het leefloon, uitgedrukt als percentage van het referentiebudget private huur, 73% voor alleenstaanden en 75% voor koppels.5 In 2023 is dit respectievelijk 78% en 80%.

Wanneer het netto beschikbaar inkomen uit het leefloon wordt verhoogd, moet ook dit van de minimum werkloosheidsuitkering mee evolueren.

Hoewel deze verhogingen effect hebben gehad, is de inhaalbeweging niet voldoende om de uitkeringen menswaardig te maken. Bovendien heeft de federale regering onlangs besloten om de laatste geplande verhoging van het leefloon niet door te voeren, waardoor de trend om het leefloon meer toereikend te maken voorlopig is stopgezet (KB 12 september 2023). De netto beschikbare inkomens van de minimum werkloosheidsuitkering en het leefloon zijn ongeveer even hoog. Wanneer het netto beschikbaar inkomen uit het leefloon wordt verhoogd, moet ook dit van de minimum werkloosheidsuitkering mee evolueren. Zo niet, dreigt dit laatste inkomen onder de leefloongrens te vallen.

LOONT HET OM TE WERKEN?

Net zoals elders in Europa wordt ook onze welvaartsstaat geconfronteerd met de complexe taak om een evenwicht te vinden tussen het waarborgen van toereikende minimumuitkeringen, het financieren van deze uitkeringen en het behouden van een financiële stimulans om de overgang naar werk aantrekkelijk te maken. Omdat de afstand tussen niet-werken en werken voldoende groot moet zijn volgens het huidige beleidsparadigma, wordt de hoogte van de minimumuitkeringen uit sociale bijstand en sociale zekerheid begrensd door de hoogte van de lage lonen.6

We onderzochten de impact op het netto beschikbaar gezinsinkomen wanneer één volwassene van het gezin overstapt van een leefloon of minimum werkloosheidsuitkering (uit voltijdse tewerkstelling) naar een job met een minimumloon (GGMMI) en naar een job met een laag loon (2/3 van het mediane loon in België).

De financiële prikkel om over te schakelen van een leefloon of minimum werkloosheidsuitkering naar een halftijdse tewerkstelling tegen een laag loon is zeer beperkt.

Wat blijkt? De financiële prikkel om over te schakelen van een leefloon of minimum werkloosheidsuitkering naar een halftijdse tewerkstelling tegen een laag loon is zeer beperkt en resulteert soms zelfs in een lager netto beschikbaar inkomen. Bij de overschakeling naar een voltijds tewerkstelling tegen het GGMMI of een laag loon zijn deze financiële prikkels een stuk hoger (bijvoorbeeld tussen 516 en 916 euro per maand voor een alleenstaande). De financiële stimulans om aan het werk te gaan vermindert wanneer rekening wordt gehouden met mogelijke extra uitgaven die verband houden met tewerkstelling. De kostprijs van kinderopvang vermindert de financiële prikkel om te gaan werken, maar de impact blijft beperkt als ouders gebruik kunnen maken van gesubsidieerde opvanginitiatieven met inkomenstarief. De impact van de kost van een auto is groter. Wanneer gezinnen een eigen wagen nodig hebben om hun job te kunnen uitoefenen, neemt het financieel voordeel van tewerkstelling af met gemiddeld 273 euro per maand overheen de drie regio’s.

Om werken financieel aantrekkelijk te maken, moet niet alleen de afstand tussen een inkomen uit werken en niet-werken voldoende groot zijn. Het arbeidsinkomen moet gezinnen ook in staat stellen om meer dan alleen de basisbehoeften te bekostigen en hen toelaten om een financiële buffer op te bouwen.7 Een halftijds laag loon is onvoldoende om zelfs in de basisbehoeften te voorzien. De stimulerende beleidsmaatregelen, zoals de socio-professionele vrijstelling bij overstap van een leefloon naar deeltijdse tewerkstelling en de inkomensgarantie-uitkering bij overstap van een werkloosheidsuitkering naar deeltijdse tewerkstelling, maken een wezenlijk verschil. Maar voor gezinnen met oudere kinderen blijft het halftijds loon hoe dan ook ontoereikend. Bovendien zijn de voorwaarden streng waardoor de maatregelen in de praktijk slechts voor zeer weinig deeltijdse werknemers van toepassing zijn.8

Ook een voltijds inkomen uit een GGMMI of een laag loon is voor heel wat typegezinnen onvoldoende om menswaardig te kunnen leven, zeker wanneer in het gezin een eigen wagen nodig is. Het tekort neemt toe met de aanwezigheid van oudere kinderen in het gezin. Ondanks inspanningen van de federale (werkbonus) en Vlaamse (jobbonus) overheid om het netto inkomen uit lage lonen op te trekken, blijven bijkomende inspanningen noodzakelijk om arbeid tegen een laag loon toereikend te maken, in het bijzonder voor gezinnen met kinderen.

Als de Vlaamse overheid het groeipakket wil inzetten in de strijd tegen kinderarmoede, is een verhoging van de bedragen voor gezinnen met lage inkomens, vooral die met oudere kinderen, noodzakelijk.

Een mogelijke optie is het verhogen van de kinderbijslag voor lage-inkomensgezinnen. Hoewel het groeipakket een niet te onderschatten inkomenssteun is voor gezinnen (FIGUUR 2), slaagt die er niet in om de minimale kosten van kinderen te dekken, zelfs niet met sociale toeslagen. Als de Vlaamse overheid het groeipakket wil inzetten in de strijd tegen kinderarmoede, is een verhoging van de bedragen voor gezinnen met lage inkomens, vooral die met oudere kinderen, noodzakelijk.9

DE IMPACT VAN SOCIALE CORRECTIES

Niet enkel de hoogte van de inkomens, maar ook de hoogte van de noodzakelijke uitgaven beïnvloedt de toereikendheid van minimuminkomens. Voor Vlaanderen bestudeerden we de impact van een tiental veelvoorkomende sociale correcties, zoals de verhoogde tegemoetkoming en het sociaal tarief energie en water, op de noodzakelijke uitgaven van gezinnen.

Wat blijkt? Zelfs als we ervan uitgaan dat al deze sociale correcties worden opgenomen door zij die hier recht op hebben, blijft het effect beperkt. Hoewel deze het maandelijks netto beschikbaar inkomen van typegezinnen verhogen met 94 euro (alleenstaande) à 193 euro (koppel met een kind in lager en secundair onderwijs), zorgen ze er bijna nooit voor dat het inkomen toereikend wordt voor gezinnen die een private woning huren.10 Bovendien zijn er vaak grote drempels om het recht op deze sociale correcties daadwerkelijk te kunnen opnemen11 en worden ze versnipperd toegekend. Volgens de recente aanbeveling van de Raad van de Europese Unie moet dit worden voorkomen om solide sociale vangnetten doeltreffend op te zetten en te doen functioneren (Art. 14 in de aanbeveling van de Raad van de Europese Unie, 30/1/2023).

Het is pas wanneer beleidsmakers inzetten op de betaalbaarheid van huisvesting dat de minimuminkomens daadwerkelijk meer toereikend worden. Wanneer gezinnen een beroep kunnen doen op een sociale woning, wordt het inkomen uit sociale uitkeringen, een GGMMI of laag loon voor bepaalde typegezinnen (net) voldoende om volwaardig te kunnen deelnemen aan de samenleving. FIGUUR 2 toont dit voor vier verschillende typegezinnen met een inkomen uit het leefloon, een minimum werkloosheidsuitkering en een minimumloon. Echter, het tekort aan sociale huurwoningen in Vlaanderen is groot: eind 2022 stonden meer dan 175.000 rechthebbenden op de wachtlijst.12

Wanneer er onvoldoende sociale huurwoningen beschikbaar zijn, kan een huurpremie een belangrijk verschil maken.

Wanneer er onvoldoende sociale huurwoningen beschikbaar zijn, kan een huurpremie een belangrijk verschil maken (FIGUUR 2). Een snellere toekenning van de huurpremie (in Wallonië hebben kandidaat-huurders na 18 maanden op de wachtlijst al recht op een huurpremie), een meer realistische inschatting en een frequentere indexatie van de maximale huurprijs, gekoppeld aan een proactieve opsporing van rechthebbenden en een automatische toekenning om non-take-up te voorkomen13, zou een positief effect kunnen hebben op de toereikendheid van de minimuminkomens voor kandidaat-huurders. De maandelijkse huurpremie is voor de meeste typegezinnen hoger dan de som van de tien veelvoorkomende sociale correcties die we onderzochten.

ARMOEDEBESTRIJDINGSMAATREGELEN

Het gebruik van referentiebudgetten als indicator om de toereikendheid van de minimuminkomens te beoordelen, heeft als voordeel dat zowel het netto beschikbaar gezinsinkomen als de noodzakelijke uitgaven van gezinnen tegelijkertijd in rekening kunnen worden gebracht. Referentiebudgetten kunnen op die manier beleidsvoerders op meerdere bestuurlijke niveaus inspireren tot het nemen van succesvolle gecombineerde armoedebestrijdingsmaatregelen, namelijk (1) het verhogen van de minimuminkomens uit sociale bijstand, sociale zekerheid en arbeid; (2) het verbeteren van de betaalbaarheid van noodzakelijke goederen en (3) het versterken van individuele competenties en het bevorderen van arbeidsmarktmarktparticipatie.

Wat deze laatste twee strategieën betreft, maken onze analyses duidelijk dat naast het optrekken van de lage lonen, een toegankelijk en betaalbaar aanbod van kinderopvang en openbaar vervoer essentieel is om werken financieel aantrekkelijk te maken.

Het volledig rapport vindt u terug op thomasmore.be/nl/menswaardig-leven-met-een-minimuminkomen.

Bron: Sampol.be

De Grote Politieke Peiling en De Stemming zijn kaduke telescopen

De Grote Politieke Peiling en De Stemming zijn kaduke telescopen

De stemintenties die uit de internetenquêtes De Grote Politieke Peiling en De Stemming komen, zijn weinig betrouwbaar: we weten niet wat de medewerkingsgraad is, er is geen probabiliteitssteekproef en er bestaat risico op surveyfraude.

Wat zijn de gelijkenissen en de verschillen tussen De Grote Politieke Peiling van Knack en De Stemming van VRT–De Standaard? Het commercieel enquêtebedrijf Kantar voerde beide peilingen uit. Telkens betrof het een internetenquête, waarbij voor Knack een 1.000-tal en voor VRT-De Standaard zowat het dubbel aantal potentiële kiezers werden bevraagd. Voor VRT-De Standaard peilde Kantar tussen 8 januari en 22 januari en voor Knack tussen 22 januari en 8 februari 2024. De deelnemers van beide onderzoeken werden gerekruteerd uit bestaande internetpanels. Deze panels bestaan uit personen die zichzelf kandidaat hebben gesteld om voor Kantar op geregelde tijdstippen enquêtes in te vullen, zogenaamde opt-in panels.

Het gaat dus eigenlijk om één groter onderzoek dat opgesplitst is tussen twee opdrachtgevers. Trends in stemintenties kunnen daaruit niet afgeleid worden, zelfs al zouden aan alle deelnemers net dezelfde vragen zijn gesteld.

ACADEMISCH SÉRIEUX INKOPEN

Een belangrijk verschil is dat Knack het bescheiden bij de internetenquête houdt, terwijl VRT-De Standaard via het opvoeren van de professoren Stefaan Walgrave (UA) en Jonas Lefevere (UA) academisch sérieux inkoopt. Beiden schrijven in de methodologische nota dat ze niet weten wat de medewerkingsgraad is – Kantar wil die uit commerciële overwegingen niet bekendmaken – en merken op dat de verzamelde data geen probabiliteitssteekproef (elke potentiële kiezer heeft dezelfde kans om opgenomen te worden in de studie) uitmaken.

Kort gesteld belet deze aanpak de berekening van onzekerheidsmarges, omdat dat slechts haalbaar is bij een probabiliteitssteekproeftrekking. De onderzoekers weten, met andere woorden, dat De Stemming geen statistische veralgemening toelaat, maar framen het onderzoek wel als zodanig.

Tussen haakjes: het is bekend dat de medewerkingsgraad aan internetenquêtes gemiddeld 5 à 20% bedraagt, en dat politiek en stemgedrag voor respondenten onpopulaire thema’s zijn. De vermoedelijk zeer lage medewerkingsgraad heeft hier als gevolg dat men een zeer specifieke zelfselectie uit alle kiezers krijgt, die niet zonder meer door een weging kan worden weggewerkt. De zelfselectiemechanismen zijn hier immers onbekend, en zijn zeker niet at random.

PROBILITEITSSTEEKPROEVEN ALS TOETSSTEEN

Eenzelfde marktonderzoeksbedrijf, een selectie van kiezers uit eenzelfde populatie, eenzelfde weging (om de steekproef in overeenstemming te brengen met de gekende demografische kenmerken van de gehele Vlaamse bevolking – leeftijd, geslacht, provincie) en een gelijkaardige smooting (om retrospectief het gerapporteerde stemgedrag in overeenstemming te brengen met het gekende stemgedrag in 2019) en men zou verwachten dat de uitkomsten van het opgesplitste onderzoek in beide deelsteekproeven (De Grote Politieke Peiling en De Stemming), behoudens toevalsfluctuaties, gelijk zijn.

Dat klopt voor alle partijen, maar voor N-VA (18,9% in De Stemming) is het kantje boordje. Het tweezijdig betrouwbaarheidsinterval situeert zich aan de bovenste zijde op de puntschatting van De Stemming, dus pal op 20,6%. Net dat resultaat behaalt de partij in het onderzoek voor Knack. Berekenend op de puntschattingen van De Grote Politieke Peiling en De Stemming verliest N-VA op een maand tijd dus 9% van haar electoraat zonder aanwijsbare reden. Dit plaatst een vraagteken bij de robuustheid en betrouwbaarheid van de bekomen stemintenties.

Berekenend op de puntschattingen van De Grote Politieke Peiling en De Stemming verliest N-VA op een maand tijd 9% van haar electoraat zonder aanwijsbare reden.

Er zijn in België twee academische verkiezingsonderzoeken die wél op een probabiliteitssteekproef (uit het Rijksregister) zijn gebaseerd : het Belgische Nationaal Verkiezingsonderzoek 2019 (BNES 2019), waaraan ondergetekende meewerkte, en de eerste bevraging van de panelstudie RepResent 2019 (RP19), die mede werd uitgetekend door Stefaan Walgrave en Jonas Lefevere (UA). Voor deze surveys werden kiezers door de onderzoekers toevallig uit alle kiezers geselecteerd en vervolgens door interviewers bij hen thuis bevraagd. Hoewel beide onderzoeken hun veldwerk deden in de periode 2019-2020, in volle coronapandemie voor BNES19, weten we dat de gedragingen en attitudes van kiezers slechts geleidelijk aan wijzigen. Deze probabiliteitsteekproeven kunnen bijgevolg dienen als toetssteen om de betrouwbaarheid van beide internetenquêtes – De Grote Politieke Peiling en De Stemming – na te gaan.

Weinig verrassend legt zo’n vergelijking enkele opvallende verschillen bloot.

Eerste vaststelling. Hoewel beide internetbevragingen aangeven dat 10% van de bevraagde kiezers niet weet voor wie ze gaat stemmen, tonen de gegevens in BNES19 dat 46% van de respondenten pas tijdens de campagne hun stemkeuze bepaalt. Ook in RP19 geeft 61,2% (en dus geen 90%) van de Vlaamse kiezers aan al bij de start van de campagne besloten te hebben voor wie ze zouden stemmen. Allicht hebben we in deze internetenquêtes dus te maken met een bijzonder standvastig segment van het electoraat. In dat geval hebben we een vertekende steekproef van sterk gemotiveerde kiezers, wat de meerderheid van de kiezers niet is.

Bij De Grote Politieke Peiling en De Stemming hebben we een vertekende steekproef van sterk gemotiveerde kiezers, wat de meerderheid van de kiezers niet is.

Een tweede verwonderlijke vaststelling is dat de internetenquêtes het absenteïsme (zeker weten dat men nooit zal gaan stemmen) bij een afschaffing van de opkomstplicht bijzonder laag inschatten. Voor CD&V, dat traditioneel een ouder electoraat heeft, zou deze groep volgens De Stemming slechts 1% bedragen. Met een gelijkaardige vraagstelling schat de BNES19 het absenteïsme bij CD&V echter op 15,9%, terwijl RP19 het op 8% houdt. Ook voor N-VA (9% versus 17% en 14%) en Vlaams Belang (20% versus 35% en 24%) wordt het verlies aan kiezers schromelijk onderschat.

In het rapport van De Stemming wordt het lage absenteïsme bij het CD&V-electoraat verklaard door de hoge leeftijd van de gemiddelde christendemocratische kiezer. Paradoxaal genoeg stellen RepResent-onderzoekers in hun boek over de verkiezingen van 2019, waarvan Jonas Lefevere mederedacteur is, net dat oudere kiezers minder zouden gaan stemmen (bij de Europese verkiezingen; de federale verkiezingen worden niet besproken in dit boek), wat in overeenstemming is met de bevindingen uit de BNES19 (voor de federale verkiezingen) en heel wat internationaal onderzoek. Ouderen zijn gemiddeld genomen nu eenmaal minder goed ter been. Het is opnieuw een sterke aanwijzing dat de zelfselectie van respondenten (potentiële kiezers) voor deze internetenquête(s) zeer gemotiveerde kiezers heeft opgeleverd, niet vergelijkbaar met de modale Vlaamse kiezer.

HET RISICO OP SURVEYFRAUDE

Naast de vragen over de lage participatiegraad, de robuustheid van de bekomen stemintenties en de vertekende samenstelling van de steekproef, stelt zich nog het mogelijke probleem van surveyfraude bij opt-in internetenquêtes.

In tijden waarin internetfraude bewezen bijgedragen heeft aan de Brexit en de verkiezing van Donald Trump, zou het naïef zijn manipulatie van internetenquêtes uit te sluiten. Hoewel Kantar poogt om frauduleuze invulling van vragenlijsten zo laag mogelijk te houden (met als doel om de kosten te beperken van de uitbetaling aan valse respondenten) en wij over geen enkele aanwijzing in dit verband beschikken, zou het volledig uitsluiten ervan onvoorzichtig zijn. De Poetins, Xi’s en andere niet-democratische regimes en organisaties van deze wereld zullen niet nalaten om de verkiezingen in democratische landen proberen te beïnvloeden. Eén manier om dit te doen, is enquêtes proberen te manipuleren via bots (die ondertussen hun e-mailadres kunnen bevestigen), via buitenlandse deelnemers die zich voordoen als Belgen (al dan niet via VPN-verbindingen), of door het aanzetten van personen met bepaalde politieke profielen om deel te nemen aan internetenquêtes.

Politieke partijen kunnen hun leden aanzetten om deel te nemen aan deze opt-in panels en om politieke enquêtes zeker en vast in te vullen.

Maar we moeten het niet altijd zo ver gaan zoeken. Ook politieke partijen kunnen hun leden aanzetten om deel te nemen aan deze opt-in panels en om politieke enquêtes zeker en vast in te vullen. Met activiteiten van partijmilitanten op Facebook, X en andere sociale media in gedachte valt dit zeker niet uit te sluiten. Opt-in panels zoals gebruikt bij De Stemming en De Grote Politieke Peiling, maar ook de bij peilingen van VTM, De Morgen en Gazet van Antwerpen, zijn hier uiterst gevoelig voor. Bij internetenquêtes gebaseerd op opt-in panels kan iedereen die dit wil, deelnemen. Terwijl de academische standaard voor probabiliteitssteekproeven dit niet toelaat en men daar moet uitgenodigd worden om deel te nemen. En die deelnemerslijst wordt door strenge criteria bepaald zodat surveymanipulatie haast uitgesloten is.

DE BURGER VERDIENT BETER

De Stemming geeft de indruk alsof sommige politicologen en sociologen als wetenschappers tevreden zouden zijn met een kaduke telescoop, waarmee ze een voor hen onbekende selectie uit meerdere melkwegstelsels kunnen bestuderen. Deze gegevens vervolgens wegen opdat ze in de juiste proportie zouden staan van wat gekend is over het gehele heelal, zou hun moeten toelaten om te beweren dat ze geldige en betrouwbare uitspraken kunnen doen over dat heelal.

De politieke wetenschap, de geïnteresseerde burger die hoogkwalitatieve informatie mag verwachten en de verkiezingen als scharniermoment van de democratie verdienen beter.

Bron: Sampol.be

Het begin van het einde van het cordon sanitaire

Met de nieuwe regels voor de lokale verkiezingen is de kans groter dan ooit dat het cordon sanitaire dit najaar lokaal sneuvelt. Dit kan verregaande politieke gevolgen hebben op hogere niveaus.

Mogelijke regeringsdeelname van Vlaams Belang wordt zowat de inzet van de verkiezingen. Bijna alle Vlaamse partijen presenteren zichzelf als alternatief voor radicaal-rechts, wat gepaard gaat met flink wat spierballengerol over het migratiebeleid.

Vandaag wordt de eeuwige vraag of het cordon sanitaire standhoudt bijna exclusief uitgesproken in de context van de Vlaamse verkiezingen en coalitievorming. Peilingen die een meerderheid op Vlaams niveau tussen N-VA en Vlaams Belang voorspellen, verwijzingen naar de Nederlandse avonturen, en herinneringen aan de onderhandelingen uit 2019, wakkeren dit debat verder aan. Vooralsnog is het koffiedik kijken. N-VA blaast bewust warm en koud over de kwestie, al blijft het onduidelijk of N-VA zich aan dergelijk, ook voor hen, riskant avontuur zou wagen.

DE NIEUWE REGELS VOOR DE LOKALE VERKIEZINGEN

Hoewel het begrijpelijk is dat het vizier nu in eerste plaats op 9 juni is gericht, staren we onszelf blind: de kans dat het cordon sanitaire in het najaar sneuvelt, is immers een pak realistischer. Ik zou zelfs durven stellen: eerder waarschijnlijk. In die zin luidt de vraag niet óf het cordon sanitaire sneuvelt, maar wel wáár en wannéér.

Daar zitten de nieuwe regels van de Vlaamse regering, op voorzet van ex-minister van Binnenlands Bestuur Bart Somers (Open Vld), voor een groot stuk tussen. In de grabbelton met nieuwe spelregels voor onze lokale democratie, vinden we – naast de afschaffing van de opkomstplicht – ook nieuwe regels voor de coalitievorming voor een gemeente- of stadsbestuur. Die geven het doembeeld van een doorbroken cordon sanitaire op lokaal vlak een flink duwtje in de rug. Naar analogie met Wallonië waar een soortgelijk systeem al in voege was, wordt de burgemeester voortaan meer rechtstreeks verkozen. De kandidaat met de meeste voorkeursstemmen in de grootste fractie van de coalitie krijgt automatisch de burgemeesterssjerp om zich heen gedrapeerd. Bovendien krijgt de lijsttrekker van de grootste lijst twee weken een exclusief initiatiefrecht om een ploeg rond zich op de been te brengen.

Het is ironisch dat als onbedoeld neveneffect deze hervorming het laatste zetje kan zijn om Vlaams Belang als bestuurspartij in het zadel te hijsen.

Deze regels worden officieel verkocht onder het mom van ingrepen om de particratie te verminderen, en burgers meer directe inspraak te geven in de democratie onder de kerktoren. Het is echter ironisch dat als onbedoeld neveneffect deze hervorming het laatste zetje kan zijn om Vlaams Belang als bestuurspartij in het zadel te hijsen. Mét mogelijke verregaande gevolgen op hogere politieke niveaus.

MONSTERCOALITIES VERSUS MACHT?

Ook in het verleden was het al spannend. Sommigen stellen zelfs dat het cordon sanitaire al gebroken werd in Grimbergen, waar de partij ‘Vernieuwing’ met ex-Vlaams Belanger Bart Laeremans toetrad tot een coalitie met N-VA en CD&V. In de Denderstreek was er een monstercoalitie nodig om Forza Ninove van Guy D’Haeseleer die 40% haalde buitenspel te zetten. Ook in Denderleeuw – waar in 2018 Vlaams Belang triomfeerde – zal het erom spannen. Daar leverde Vlaams Belang in 2013 al gedoogsteun. In 2019 was Vlaams Belang al de grootste partij in diverse plaatsen in West-Vlaanderen (Izegem), Oost-Vlaanderen (Assenede, Eeklo), de Denderstreek (Aalst, Zele, Geraardsbergen, Herzele, Ninove) en Limburg (Peer, Maaseik, Maasmechelen, Tongeren). In 2024 zal de kaart van Vlaanderen nog meer geelzwart kleuren. Het is geen hogere wiskunde: in deze postcodes komt Vlaams Belang – tenzij nog gemeenschappelijke lijsten worden gesmeed – als eerste aan zet.

Voor een heleboel lokale N-VA-afdelingen zal het lastig worden om de boot af te houden.

De nieuwe regels indachtig, rijst de vraag in hoeverre de hoofdkwartieren van nationale partijen – in de eerste plaats N-VA, maar mogelijk ook CD&V en Open Vld – hun lokale mandatarissen in het gareel kunnen houden. Voor een heleboel N-VA-afdelingen zal het lastig worden om de boot af te houden. Lokaal leeft bij sommige N-VA’ers zeker een verlangen om met Vlaams Belang in zee te gaan. Geruchten dat N-VA-mandatarissen hun handtekening dienen te zetten onder een document met de belofte geen gesprekken, voorakkoorden of coalities te initiëren met Vlaams Belang, duiken regelmatig op. Als Vlaams Belang goed scoort, centrumpartijen klappen incasseren, en vooral – als na 13 oktober er geen verkiezingen meer als donderwolk boven de coalitiegesprekken hangen – kunnen excuses snel worden gezocht én gevonden. Een gemeente- of stadsbestuur met Vlaams Belang dreigt zo de pasmunt te worden voor (lokale) partijen om hun macht en lokale verankering veilig te stellen. Bovendien kan, eens deze horde genomen is, dit fungeren als wegbereider voor een Vlaams regeren met radicaal-rechts.

IN EEN HOUDGREEP OF LOSLATEN?

De nakende verkiezingen in oktober zullen ertoe leiden dat alle partijen hun uiterste best zullen doen om onduidelijk te blijven over de coalitievorming op federaal en Vlaams niveau. Ze zijn als de dood dat een voorbarige coalitiekeuze Vlaams of federaal hun lokale kansen zal hypothekeren. Zo zei De Wever al dat hij eerst federaal een coalitie op de been wil brengen – het fameuze ‘zakenkabinet’ — en pas nadien een Vlaamse regering. Concullega Van Grieken bepleit net het omgekeerde. Die stoelendans zal maanden duren. De Wever zal trachten kost wat kost de interne verdeeldheid binnen zijn partij over regeren met Vlaams Belang over de lokale verkiezingen te tillen. Pas na 13 oktober zal er daarom iets beginnen bewegen, al zal het ook dan nog lang aanslepen. Als dan immers blijkt dat het cordon lokaal doorbroken wordt, zal dit een stempel drukken op de gesprekken op federaal en regionaal niveau. Paul Magnette (PS) waarschuwde N-VA al dat bij samenwerking met Vlaams Belang ze zal worden geweerd uit de federale regering. Zal hij dit dreigement herhalen (én woord houden) voor lokale coalities?

Magnette waarschuwde N-VA al dat bij samenwerking met Vlaams Belang ze zal worden geweerd uit de federale regering. Zal hij dit dreigement herhalen voor lokale coalities?

Of dit argument op De Wever indruk maakt, valt te betwijfelen. Hij kaatste de bal al terug naar de socialisten. Hoewel de vergelijking strikt gezien niet opgaat omdat het cordon sanitaire als ‘schutskring’ historisch nooit PVDA-PTB viseerde, strooit hij gretig met een gelijkaardig verwijt naar de socialisten. Zo kan ook mogelijke lokale samenwerking met PVDA-PTB een eigen leven gaan leiden.

PVDA zit weliswaar vandaag al op twee plekken in Vlaanderen aan de knoppen: in Zelzate en in het Antwerpse district Borgerhout. Verschillende rechtse kopstukken – zowel Vlaams als Franstalig – hebben zich al laten ontvallen dat wat hen betreft ook een coalitie met radicaal-links uit den boze is. De wisselmeerderheid met PTB bij de Franstalige gemeenschapsregering was hierbij nog koren op de molen. George-Louis Bouchez (MR) ijvert al langer voor uitbreiding van het cordon sanitaire naar PTB. Ook De Wever liet zich al betrappen op uitspraken dat hij het hypocriet vindt dat links minder scrupules vertoont richting samenwerking met PVDA. Hij beschuldigde links al van het doorbreken van een (dus formeel niet bestaand) cordon met PVDA. Die analyse houdt een zeker dreigement in: als links geen graten ziet in besturen met PVDA, waarom zou rechts dan niet hetzelfde mogen met Vlaams Belang? Zo dreigen de partijen elkaar in een wurggreep te houden, waarbij de ontknoping wel eens kan zijn dat, in ruil voor politiek zelfbehoud, morele principes worden opgeofferd. Die kiem kan dan wel eens lokaal zijn gelegd.

Zo is de cirkel rond. Het electorale succes van Vlaams Belang, het cordon sanitaire, de regeringsvorming regionaal en federaal, én de lokale verkiezingen, ze zijn allemaal met elkaar vervlochten. All politics is local: de Dorpstraat is de Wetstraat.

Bron: Sampol.be

Kijk eens verder dan kopstukken en lijsttrekkers

Kijk eens verder dan kopstukken en lijsttrekkers

Wil je als kiezer op 9 juni echt impact hebben, breng dan een voorkeurstem uit voor één of meerdere kandidaten lager op de lijst.

De volledige kandidatenlijsten voor de verkiezingen van 9 juni zijn nu officieel bekend. Lang ervoor was er in de media al veel aandacht voor de lijsttrekkers van de verschillende partijen. Er werd in de pers al likkenbaardend uitgekeken naar een strijd tussen Jan Jambon (N-VA), Tom Van Grieken (VB), Tom Ongena (Open VLD), Caroline Gennez (Vooruit) en Jos D’haese (PVDA) voor het Vlaams Parlement in de kieskring Antwerpen, of tussen Alexander De Croo (Open VLD), Petra De Sutter (Groen) en Vincent Van Peteghem (CD&V) voor de Kamer in de kieskring Oost-Vlaanderen. Ook nu gaan die lijsttrekkers en kopstukken met de meeste aandacht lopen.

Maar eigenlijk is dat naast de kwestie. We hebben immers geen presidentieel systeem waar de regeringsleider in een rechtstreeks duel wordt verkozen, maar een parlementair systeem waarbij de kiezers parlementsleden aanduiden, die naderhand op hun beurt het vertrouwen aan een regering en een regeringsleider kunnen geven. Door het systeem van evenredige vertegenwoordiging dat in België gehanteerd wordt, is de kans zeer groot dat al deze lijsttrekkers verkozen zullen raken in het parlement. Het aantal voorkeurstemmen dat ze daarbij halen is mooi voor de ranglijstjes waar de media graag mee uitpakken, maar is vaak gewoon afhankelijk van de grootte van hun partij en heeft weinig impact op wie er wel of niet verkozen raakt (aangezien – bijna – alle lijstttrekkers van grote, middelgrote en zelfs kleine partijen verkozen raken).

De kiezer brengt massaal een voorkeurstem uit voor de lijsttrekkers, terwijl toch al quasi zeker is dat die verkozen zullen geraken.

En toch gaat de aandacht van de media en van de kiezers vooral naar die lijsttrekkers, en dan nog vooral naar de meest prominente daarvan zoals partijvoorzitters en regeringsleden. De kiezer volgt. Zo brengt die massaal een voorkeurstem uit voor die lijsttrekkers, terwijl toch al quasi zeker is dat die verkozen zullen geraken. Bij gemeenteraadsverkiezingen brengt ongeveer 45% van de kiezers een voorkeurstem uit voor de lijsttrekker, bij parlementsverkiezingen (waar meer lijststemmen uitgebracht worden) is dit nog altijd bijna 30%.

Het is zelfs zo dat die prominente politici hun partijgenoten ook overvleugelen als ze niet op de kandidatenlijst staan. Zowel in 2014 als in 2019 brachten N-VA-kiezers massaal een voorkeurstem uit als Bart De Wever lijsttrekker was (in de kieskring Antwerpen), maar in de andere kieskringen bracht de helft of (vaak) meer dan de helft van de N-VA-kiezers een lijststem uit, als een soort surrogaat-stem voor de afwezige Bart De Wever daar. Dit fenomeen dat we in iets mindere mate ook terugvinden in andere partijen heeft ervoor gezorgd dat in 2019 maar iets meer dan de helft van de kiezers een voorkeurstem uitbracht, terwijl dit twintig jaar geleden nog ongeveer twee op drie was.

Door te stemmen voor lijsttrekkers en kopstukken die toch al (bijna) zeker verkozen zijn, en door een lijststem uit te brengen bij gebrek aan kopstukken op de kandidatenlijst in een bepaalde kieskring, maken kiezers niet ten volle gebruik van de inspraak die hen geboden wordt.

Wik en weeg de tweede, derde, vierde, … zeventiende kandidaat op lijst. Door daar een bewuste keuze te maken, kan je als kiezer echt een impact hebben op de samenstelling van het parlement.

Immers, waar de kiezer echt een verschil kan maken, is bij de vraag wie van de lager gerangschikte kandidaten in het parlement geraakt. Daarom mijn stemadvies: kijk verder dan de kopstukken en lijsttrekkers. Wik en weeg de tweede, derde, vierde, … zeventiende kandidaat op lijst. Door daar een bewuste keuze te maken, kan je als kiezer echt een impact hebben op de samenstelling van het parlement, wat uiteindelijk de essentie is van parlementsverkiezingen. En zelfs als de kandidaat niet verkozen raakt, heb je nog impact. Onderzoek heeft immers aangetoond dat kandidaten die niet verkozen raken, maar wel veel voorkeurstemmen halen een grotere kans maken om bij de volgende verkiezingen door de partij beloond te worden met een mooie plaats op de lijst.

Bron: Sampol.be