‘Oorlog – Hoe lang nog?’ Gezond tegengif tegen oorlogspropaganda
Antropoloog Rik Pinxten las ‘Oorlog – Hoe lang nog?’ van filosoof Gerard Bodifee. Hij deelt Bodifees geloof niet maar vindt de combinatie van wetenschappelijke duiding over de eigenschappen van hedendaags wapentuig en militaire strategieën en zijn christelijk humanisme bijzonder sterk. Dit boek is gezond tegengif tegen de huidige akelige mainstream propaganda voor oorlog.
Men hoeft geen helderziende of paranoïcus te zien om een vreemd en toch bekend gevoelen wekelijks te zien groeien: de ene na de andere politicus in Europa en ook in België wil in de media wel kwijt dat oorlog in Europa tot de mogelijkheden gaat behoren.
Dat gaat in de eerste plaats over de Oekraïense kwestie, maar toch ook over het bloedbad dat in Palestijns gebied wordt aangericht. Ook aan Amerikaanse universiteiten wordt de Israël-Palestina kwestie nu snel een prominent probleem, dat zelfs in de komende verkiezingen mee een rol zal kunnen spelen.
Op de een of andere manier heb ik het gevoel dat de bevolking in het Westen week na week wordt geïndoctrineerd met het idee dat oorlog misschien wel weer terug is. Een teken aan de wand is niet enkel dat militaire budgetten als vanzelf worden verhoogd, dat nagenoeg alle media ervan uitgaan dat de kwestie van goed (wij) en kwaad (zij: de Russen en de islamieten) geheel duidelijk is nu, en dat het al dan niet participeren aan oorlog nu hét thema moet worden.
Weg met klimaat- of ecologische crises en weg met groeiende ongelijkheid als thema’s, om slechts deze hele dringende en ongelofelijk diepgravende bedreigingen van welvaart, democratie en zelfs eenvoudig overleven op deze planeet te noemen.
Vooral ook weg met elke kritiek op het verwoestende en roekeloze kapitalisme dat de mensheid gestaag begon te bedreigen in haar overleving. Neen, oorlog en de noodzaak daarop voorbereid te zijn, komt alle aandacht opeisen.
Dat opnieuw dezelfde megabedrijven (olie, wapens, IT-firma’s) daar enorme winsten zullen kunnen genereren, is blijkbaar evenmin een punt van aandacht. Dat geen oorlog in het verleden ooit een probleem heeft opgelost, komt evenmin in het nieuws.
Het sfeertje is weer eens van: kom, gedaan met al dat moeilijke gedoe, toon wie de sterkste is.
In die context verscheen het laatste boek van Bodifee. Deze astrofysicus, die tegelijk ook in de geschreven media regelmatig heeft verkondigd dat religie voor hem een belangrijk deel van zijn zingeving is, toont zich in dit boek van meerdere kanten.
Als geen ander kan hij, door zijn wetenschappelijke opleiding, uitleggen hoe atoom-, chemische en biologische wapens werken, in begrijpelijke taal. Tegelijk kan hij meer dan de gemiddelde lezer uitleggen wat de effecten op korte en lange termijn zijn van het gebruik van de gruwelijk moordende wapens waarover deze zogenaamd beschaafde wereld beschikt.
Maar al die duiding, hoe belangrijk en noodzakelijk ook, is onvoldoende wanneer we het over oorlog hebben, weet en schrijft Bodifee.
Het is minstens even belangrijk om te beseffen dat de oorlogen uit het verleden (Bodifee gaat terug tot de Antieke Oudheid) weliswaar een heel arsenaal aan argumentaties opleverden pro en contra deze ‘regeling van conflict’, maar geen enkel sluitende redenering die kon tonen dat oorlog inderdaad conflicten kan oplossen.
Uit de geschiedschrijving, de politieke traktaten uit vervlogen tijden en uit onze huidige NAVO-kringen destilleert de auteur de voorgestelde argumenten om ze tegen het licht te houden van rede en empirie.
De ‘rechtvaardige oorlog’
De argumentatie blijft nagenoeg continu hetzelfde, met een verschuiving (onder andere via kerkelijke en later filosofische discussies) naar de vraag of een goede oorlog van een slechte kon worden onderscheiden, en ook of het idee van een rechtvaardige oorlog (bijvoorbeeld bij Immanuel Kant) overeind kon worden gehouden.
Wat dus niet kan. Bodifee benadrukt dit een aantal keren: stop met de drogreden dat er zoiets zou zijn als een rechtvaardige oorlogen, die dan uiteraard als vanzelf door ‘ons’ gevoerd worden, tegen de baarlijke duivel die de ander dan wordt.
De twee recente oorlogen, die letterlijk aan de Europese grenzen worden gevoerd getuigen hiervan: Gorbatsjov[1] en zijn opvolgers werden met de regelmaat van de klok bedrogen door de ‘goeden’ (wij) in de recente geschiedenis, los van de vraag of de huidige potentaat in een ondertussen nogal wild-kapitalistisch’ Rusland dan maar gelijk moet hebben.
Alle partijen hebben gelogen en bedrogen, en na een heel korte periode van diplomatische dooi is de oorlogsmachine voortdurend en intens teruggegroeid.
Op een andere, maar minstens even dubbelzinnige en dubbelhartige manier kan de geschiedenis van de voorbije eeuw (en van vele eeuwen tevoren, zo men wil) gelezen worden om de gevaarlijke ontsporingen van conflict in het huidige Israël-Palestina verhaal te duiden.
Opnieuw is elke poging om onderweg of vandaag van een ‘rechtvaardige oorlog’ te gewagen hypocriet of zelfs een stap naar de escalatie van de huidige oorlog.
Het is niet verwonderlijk dat de auteur na zijn indringende analyse van geschiedenis en van huidige technologie van oorlogsmiddelen besluit dat we als het ware veroordeeld zijn tot vrede. Oorlog lost niets op (vroeger niet en vandaag zeker niet gezien de immense technologische mogelijkheden), en tegelijk worden de risico’s voor de menselijke overleving steeds groter.
Dat besluit volgt na lange analyses: kan er een doel of zin voor oorlog gevonden worden? Kunnen we, met de huidige kennis, sluitende argumenten vinden voor de bewering dat ‘de mens van nature oorlogszuchtig’ zou zijn? Bestaat er dan niet zoiets als oorlog is het minste kwaad, ‘als we het maar onder controle houden’?
Met historische argumenten, analyses van de manier waarop wapens vandaag in een netwerk van connecties tegenover elkaar staan, en door het blootleggen van politieke mechanismen vroeger en nu, veegt Bodifee alle hoop op rechtvaardiging van oorlog van tafel.
De vraag die dan overblijft, is: hoelang nog? Hoelang gaat het spel met vuur nog door, met alle menselijke kosten (vaak generaties lang voortgezet) die oorlog manifest voortbrengt? En als we tot vrede veroordeeld zijn, hoe kunnen we dan die breuk met de menselijke geschiedenis bewerkstelligen?
Bodifee doet in het laatste deel van het boek enkele suggesties. Om te beginnen zet hij volop in op de individuele keuze: het individu moet weigeren om te doden, druk uitoefenen op de regeerders, zelfanalyses maken (en de vijand in elk van ons erkennen) en het verschil dat tussen mensen bestaat omarmen.
Het is duidelijk dat hier de christelijke overtuiging van de auteur meespeelt. Maar gelukkig blijft het daar niet bij. Met voorstellen voor actieve ontwapening gaat de auteur een stap verder: in het besef dat de nucleaire, chemische en biologische oorlogsmiddelen, samen met de cyberontwikkelingen van vandaag, zodanig zijn dat de actieve en bewuste keuze en sturing van oorlog meer en meer aan de mens ontsnapt, is het voor het zelfbehoud nagenoeg vanzelfsprekend en zeker dwingend dat actief naar vrede via ontwapening wordt gestreefd.
De wetenschapper-filantroop Bodifee heeft zijn taak volbracht: hij informeert de lezer over de geschiedenis, de wankelende argumentaties rondom de rechtvaardigheid van oorlog, maar ook over de onthutsende aard van het huidige wapentuig, dat steeds meer aan de controle van de mens ontsnapt.
En hij toont hoe individuele inzet door weigering om te doden, door ontwapening en door zelfkennis (de vijand ook in onszelf) een verschil kunnen maken. Zo werd de strenge analyse afgerond met een voluntaristische oproep, waardig aan een humanist. Zo heeft de intellectueel geluisterd naar en gesproken met de medemens.
Laat de media, maar ook de politiek, nu ook dat greintje moed vertonen dat nodig is om de horizon eerlijk en serieus open te trekken: bespreek dat hele panorama in plaats van enkel de oorlogstrom te roeren en daarmee het buikgevoel, of wie weet het angstgevoel, van mensen te bespelen. Dit boek verdient het om breed gelezen te worden.
Gerard Bodifee. Oorlog – Hoe lang nog? Ertsberg, Deurne, 2024, 176 pp. ISBN 978 4647 7507 20
In zijn boekenblog bespreekt Paul Verhaeghe enkel boeken die hij de moeite waard vindt. Zelfs met deze selectie zijn er altijd wel een paar die er met kop en schouders uitsteken en die hij op het einde van het jaar tot zijn persoonlijke top vijf rekent. ‘Armoede uitgelegd aan mensen met geld’ is er een van.
Ik weet nu al dat het boek van ’S Jongers tot het groepje van mijn top vijf zal behoren. Zelden heb ik zo’n doorvlochten verhaal gelezen: de geschiedenis van de auteur wordt naadloos afgewisseld met een duidelijke en o zo bruikbare maatschappijkritiek.
Het boek opent met een ontwapenende directheid: “Hoi, ik ben Tim. Regelmatig krijg ik de vraag of ik niet woedend ben.” Honderdveertig pagina’s verder begrijp je waarom, samen met de titel van het slothoofdstuk: “Waar blijft de tegenmacht?”
Het onderwerp is actueel: de toename van armoede en de vraag waarom veel overheidsmaatregelen naast de kwestie zijn. Het boek handelt over Nederland, maar geldt evenzeer voor België.
Starten met een 10-0 achterstand
Als kind start ’S Jongers met een “10-0 achterstand” in een megamarginaal gezin. Wanneer hij elf is gaat hij hondenhokken kuisen aan 2,5 euro per avond, niet voor zakgeld, wel om het gezinsbudget aan te vullen.
Als jongvolwassene voldoet hij aan alle bij zijn afkomst horende verwachtingen: ziek, verslaafd, rotbaantjes in de horeca, suïcidaal, psychiatrische opname op zijn 23e. En ja, er is een vrouw die hem overeind houdt.
Op zijn 26e krijgt hij te horen dat hij een opleiding moet volgen, binnen de typische trajecten-voor-mislukten. Als tegenreactie en omdat iemand hem ooit gezegd had dat hij intelligent is, schrijft hij zich in aan de Universiteit van Antwerpen, richting politieke wetenschappen (in België zijn de inschrijvingsgelden veel democratischer dan in Nederland).
Vanaf dat ogenblik start een traject dat hij beeldrijk omschrijft als kruipen en klimmen: overdag colleges volgen en studeren, ’s avonds werken – twee verschillende werelden, op een boogscheut van elkaar.
Hij slaagt, en in 2013 ruilt hij Antwerpen voor Den Haag waar hij nog een masteropleiding volgt, in bestuurkunde. Ondertussen werkt hij als afwasser, nog later versiert hij een baantje bij maatschappelijk opvang.
Vier jaar later wordt hij als Master aangenomen bij de Raad voor Volksgezondheid & Samenleving (een onafhankelijk adviesorgaan voor regering in parlement, nvdr). Hij is de vreemde eend in de bijt: met de beste bedoelingen overleggen zijn collega’s over armoede en ongelijkheid terwijl ze geen flauw benul hebben over wat er op de vloer gebeurt.
Hij stelt voor mensen in armoede een gezicht te geven door hun verhalen op te tekenen en deze te gebruiken als uitgangspunt voor beleidsplanning. Tijdens dat proces botst hij onvermijdelijk op zijn eigen verhaal.
Hij schrijft het uit, stuurt het aan zijn bestuurder, die hem gelukkig ernstig neemt en vervolgens actief betrekt bij het beleid voor daklozen en later bij de aanpak van sociaaleconomische gezondheidsverschillen. Het nieuwe uitgangspunt wordt luisteren naar de betrokkenen zélf, en het beleid daar laten op aansluiten.
Als lezer leer je de geschiedenis van de auteur met mondjesmaat kennen, tussen de verschillende hoofdstukken van het boek door, vol grappige en pijnlijke anekdotes. ’S Jongers heeft een goede pen en slaagt wonderwel in het verweven van zijn achtergrond met een onderbouwd pleidooi voor een andere, correctere blik op ongelijkheid.
Zijn stelling is duidelijk: willen we armoede uit de wereld helpen, dan moeten we eerst en vooral de blik van ‘mensen-met-geld’ op ‘mensen-zonder-geld’ veranderen. De blik van die eersten zit grondig fout en is nagenoeg altijd moraliserend-beschuldigend. Vandaar dat hun oplossingen niet werken, zelfs bijdragen tot het in stand houden van de problemen.
Vijf soorten kapitaal
Natuurlijk heeft armoede te maken met te weinig geld, maar armoede daartoe reduceren is inderdaad een reductie van formaat. Geïnspireerd op de Franse socioloog Pierre Bourdieu heeft ’S Jongers het over nog twee andere vormen van ontbrekend kapitaal: het culturele en sociale.
Cultureel kapitaal: welke woordenschat gebruik je, welke kledij draag je, welke eetgewoontes heb je? Zonder dat wij het beseffen, gaan we mensen op grond van dergelijke criteria beoordelen en vervolgens in- of uitsluiten. Dit gebeurt bij sollicitatiegesprekken, maar hou er rekening mee dat het leven bij wijze van spreken één groot sollicitatiegesprek is.
Armoede als wielklem en de noodzaak van een eerlijk verhaal (Buitenhof, 17:09):
Vervolgens speelt het sociale kapitaal een rol: op wie kan je beroep doen als je specifieke hulp nodig hebt? Zonder dat ze het beseffen gebruiken mensen uit de middenklasse voortdurend hun netwerk. Iedereen doet dat toch? Nee hoor, niet iedereen heeft een oom die jurist is of een neef die in het ziekenhuis werkt.
Op grond van zijn ervaringen voegt ’S Jongers er nog twee andere vormen van kapitaal aan toe. Zeer herkenbaar is het ‘instantiekapitaal’: weten hoe overheidsinstanties werken, zeker in deze tijden van digitalisering.
Zelfs als lid van de middenklasse is het allesbehalve eenvoudig om je digitale subsidieaanvraag voor het isoleren van je woning correct in te vullen. Een ouder uit een marginaal gezin die een ondersteuning moet aanvragen voor een van de kinderen, raakt niet eens tot bij het digitaal loket.
Tot slot is er het persoonlijke kapitaal, je fysieke en mentale uiterlijk. Aantrekkelijke, zelfzekere mensen hebben altijd en overal een streepje voor, iemand met een slecht gebit en een ongezonde huidskleur die dan nog eens onzekerheid uitademt ook, die mag achteraan in de rij gaan aanschuiven.
’S Jongers geeft het voorbeeld van een buurvrouw die na jarenlange arbeid in de glastuinbouw chronisch ziek is en van een uitkering leeft. Om de zoveel tijd komt er een hippe zesentwintigjarige ‘social casemanager’ langs voor wat officieel een ‘keukentafelgesprek’ heet.
In de praktijk komt het gesprek neer op het aftoetsen van een standaard checklist, opgesteld in een taal die de ongeschoolde vrouw met moeite begrijpt. In feite zijn dergelijke gesprekken vooral een uiting van chronische overheidsargwaan.
Is zij geen fraudeur, is haar toelage wel terecht? Ja hoor, meer nog, bepaalde toelages waar ze recht op heeft, krijgt ze niet omdat ze nauwelijks weet dat ze bestaan, laat staan hoe ze die zou kunnen aanvragen. ’S Jongers, die wel over het nodige instantiekapitaal beschikt, maakt haar wegwijs in de overheidsdoolhof.
Tim S’Jongers legt armoede uit aan mensen met geld (Omroeplekstroom, 03:40):
Doolhof staat voor een verzameling van een groot aantal kleinere doolhoven. Elke problematiek heeft een afzonderlijk digitaal loket, eentje voor voedselarmoede, daarnaast kinderarmoede, ook nog beweegarmoede, digitale armoede, mobiliteitsarmoede enzovoorts. Elke hulp staat op zich, telkens met een eigen regelgeving, voorwaarden en controles.
De ironie wil dat een terugkerende oplossing het aanbieden van een ‘coach’ is (een voedselcoach, een budgetcoach, een bewegingscoach, een digicoach), wat vooral betekent dat armoede de zoveelste melkkoe wordt voor consultants allerhande.
Pleidooi voor een Bijzondere Overheid
De voorbije jaren zijn armoede en ongelijkheid overal gestegen. In 2022 bleken in Nederland de helft van de huishoudens financieel kwetsbaar te zijn – daar zat corona voor iets tussen, maar toch.
De helft?! Om te achterhalen wat mensen minimaal nodig hebben, richtte het kabinet Rutte IV een Commissie Sociaal Minimum op. De voornaamste vaststelling van die Commissie luidt dat het systeem te ingewikkeld is, te versnipperd, te administratief.
Goed bedoeld, dat wel, maar de hulp komt niet terecht bij mensen die haar nodig hebben. Deze groep behoort nagenoeg altijd tot de 2,5 miljoen Nederlanders die laaggeletterd zijn, vaak tot de 15 procent van de bevolking met een licht verstandelijke beperking. Voor hen voldoet het huidige overheidssysteem, met accent op zelfredzaamheid en digitale loketten, simpelweg niet.
’S Jongers stelt het oprichten voor van een Bijzondere Overheid, naar analogie met Bijzonder Onderwijs, gericht op deze groep die zo’n twintig procent van de bevolking uitmaakt. Het doel van deze Bijzondere Overheid moet in eerste instantie het voorkomen van problemen zijn, door het stopzetten van de negatieve spiraal waarin mensen vanaf hun kindertijd terechtkomen.
Hoogopgeleide zitten vol vooroordelen over armoede (RTL Z, 11:40):
Concreet houdt dit drie zaken in. Eerst en vooral: het systeem moet eenvoudiger en voorspelbaarder, zodat de hulp niet langer versnipperd is en terechtkomt bij wie het nodig heeft. Dit zal sterk bijdragen tot het tweede doel: het herwinnen van het vertrouwen in een overheid die daadwerkelijk helpt, in plaats van het huidige accent op controle en bestraffing. Het derde doel vind ik voor de volledige samenleving ontzettend belangrijk: het bevorderen van de onderlinge contacten tussen lotgenoten en het opzetten van buurtnetwerken.
Spreidstandburgers
In Nederland, net zoals in België, wordt er door overheidsinstanties in samenwerking met universiteiten veel onderzoek gedaan naar de oorzaken van sociale problemen. Een aantal jaar terug werd het belang van ‘ervaringsdeskundigen’ ontdekt, mensen die de problemen aan den lijve ondervonden hebben en daarom concrete kennis en betere oplossingen kunnen aanreiken.
Dit is zonder twijfel een goed idee, maar er is er nog een beter: ‘spreidstandburgers’, een term geïntroduceerd door ’S Jongers. In het geval van armoede zijn dit mensen die in marginale gezinnen opgroeiden, maar toch de kans hebben gezien en gekregen om te studeren.
Met een voet staan ze nog in hun oorspronkelijk milieu, met de andere in het nieuwe – een spreidstand die voor de betrokkenen zeer pijnlijk is (lees Terugkeer naar Reims van Didier Eribon), maar o zo bruikbare resultaten oplevert voor het beleid.
De ironie is natuurlijk dan hun ‘succes’ gebruikt kan worden als bevestiging van een klassiek vooroordeel bij ‘mensen-met-geld’ over ‘mensen-zonder-geld’: als je maar wíl en je voldoende inzet, dan raak je toch uit de armoede?
Dat mensen uit armoede kunnen geraken, is een feit. Dat het aartsmoeilijk is, nog een belangrijker feit. Armoede is veel breder dan tekort aan geld. Epigenetische studies hebben aangetoond hoe armoede letterlijk effecten heeft op het DNA.
Ondervoeding en stress tijdens de zwangerschap verlagen de groei en verhogen de kans op verslaving, hart- en vaatziektes, diabetes en kanker. Vanaf de geboorte ontstaat er een ‘lagere functionele gezondheid’, de kinderen lopen en spreken later, de taalontwikkeling blijft achter, met als gevolg onderwijsachterstand. Gecombineerd met een slechte emotieregulering (een eufemisme voor lastige kinderen) leidt dit tot sociale uitsluiting.
De belangrijkste conclusie is dat de eerste duizend dagen van een kind cruciaal zijn, de belangrijkste aanbeveling dat een degelijke kinderopvang en een volgehouden opvoedkundige ondersteuning door voldoende en goed gekwalificeerd personeel veel meer helpen dan uitkeringen.
De kering
Het boek bespreekt meerdere hoopvolle ontwikkelingen in Den Haag, Groningen, Utrecht, Zoetermeer, en dan vergeet ik er nog een aantal. Een operationeel voorbeeld is de Piëzomethodiek die sedert 2006 meer dan 40.000 deelnemers een volwaardige plek in de samenleving bezorgd heeft. Het gaat traag en het vraagt tijd, maar het werkt. Het lijkt er op dat alvast in Nederland het tij aan het keren is.
Dit boek draagt daaraan bij, deels omwille van de kennis die de spreidstandauteur aanlevert, maar ook omwille van de stijl. Nergens slaat ’S Jongers een betweterige toon aan, hij is geen zendeling die volgelingen maakt door hen een individueel schuldgevoel te schoppen (een techniek die al tweeduizend jaar misbruikt wordt).
Integendeel, op de achtergrond voel je een pleidooi voor principiële bescheidenheid: onze ervaringen bepalen onze bril op andermans ervaringen, andere mensen met andere ervaringen hebben … een heel andere ervaring.
Zijn doel is bijdragen tot een ruimere bewustwording dat armoede een structureel probleem is dat om structurele oplossingen vraagt.
Toch krijg je als lezer een opdracht mee, voor elk van ons, als individu: ‘Wees af en toe een Punker’ – wie en wat ’S Jongers daarmee bedoelt, ontdek je alweer tussen de regels door in het boek.
Tim ‘S Jongers. Armoede uitgelegd aan mensen met geld. De Correspondent uitgevers, 2024, 135 pp. ISBN 97 8949 3254 466
Kantelen! Belgische recepten voor de donuteconomie: business as usual is geen optie meer
Eva Smets is directeur van Oxfam-België. Zij schreef ‘Kantelen! – Belgische recepten voor de donuteconomie’. Jan Servaes, vrijwilliger in de Oxfam-Wereldwinkel van Diest: “Als introductie voor de geïnteresseerde leek kan ik dit boek van harte aanbevelen.”
Ik hou niet van donuts1. Ik vind ze ongezond en te zoet. Wellicht daarom heb ik Doughnut Economics: Seven Ways to Think Like a 21st-Century Economist van Kate Raworth niet gelezen.
Maar nu de donut ook opduikt in het boek Kantelen! Belgische recepten voor de donuteconomie van Eva Smets, Executive Director van Oxfam België, voel ik me, als vrijwilliger bij de Oxfam Wereldwinkel in Diest, moreel verplicht om er toch even van te proeven.
Vervang TINA door TAMARA
Eva Smets start met een open deur: “Ons huidige productie- en consumptiesysteem kraakt in al z’n voegen. Velen onder ons voelen dat er iets niet klopt. Maar we voelen ons ook machteloos …”
“Elk alternatief wordt meteen genadeloos afgeknald. Het is altijd opnieuw onhaalbaar of onbetaalbaar. Of allebei. Wie meent dat het anders kan, die is minstens naïef. Meestal nog erger zelfs: wereldvreemd” (p. 11).
Op een vlot leesbare en goed beargumenteerde wijze wil Smets voor de geïnteresseerde leek TINA (There Is No Alternative), de slogan van de Britse ‘iron lady’ Margaret Thatcher, vervangen door TAMARA (There Are Many Alternatives Ready and Available).
Kate Raworth’s donut-economie
Smets gebruikt de zeven kernprincipes van Kate Raworth’s donut-model (zie diagram) in een pleidooi om onze samenleving te doen ‘kantelen’ in de richting van economische rechtvaardigheid, klimaatrechtvaardigheid en gender- en sociale rechtvaardigheid.
We hebben een nieuw paradigma nodig, “dat anders kijkt naar groei”, en opereert “tussen een social ondergrens en een ecologische bovengrens” (p. 13).
De naam van haar donutmodel is ontleend aan de vorm van het diagram: een cirkel met een gat in het midden. Het gat van het model geeft aan hoeveel mensen geen toegang hebben tot basisbehoeften als gezondheidszorg, onderwijs, werken en wonen.
De cirkels in het deeg geven weer in hoeverre de ecologische plafonds, waarvan leven afhankelijk is, worden overschreden.
Volgens dit model is een economie welvarend als alle twaalf elementen van het sociale fundament worden gehaald zonder een ecologisch plafond te overschrijden. Deze situatie wordt in het model beschreven als ‘de veilige en rechtvaardige ruimte voor de mensheid’.
Donuteconomie, kompas voor sociale en duurzame toekomst
Na een kort overzicht van haar levensverhaal – ze studeerde in Leuven, Brussel en Venetië en werkte onder andere in Brazilië, Congo, New York en nu weer in België – worden in het boek de reeds genoemde drie vormen van rechtvaardigheid in aparte hoofdstukken verder uitgewerkt.
Een beknopte theoretische duiding van de problematiek wordt gecomplementeerd met concrete voorbeelden uit de praktijk.
Het hoofdstuk over een rechtvaardige economie start met een analyse van de fiscale onrechtvaardigheid, zowel lokaal als op wereldvlak. Smets argumenteert dat fiscale onrechtvaardigheid “de ongelijkheid niet alleen in stand (houdt), maar ze verder vergroot”.
“De 1 procent rijkste bewoners van onze aardbol bezitten samen 45,6 procent van alle rijkdom … De 81 rijkste mensen hebben een vermogen dat even groot is als de bijna 4 miljard armste mensen”. En, “de ongelijkheid is niet alleen torenhoog, ze stijgt ook steeds sneller” (p. 52).
Bijna 1 op vijf Belgen loopt risico op armoede of sociale uitsluiting en ruim 13 procent van alle gezinnen leeft onder de armoedegrens. Bovendien treft de ongelijkheid vrouwen nog een stuk harder dan mannen. 70 procent van de mensen die in België in armoederisico leven zijn vrouwen.
Ook de Belgische schatkist weerspiegelt die ongelijkheid. “Belastingverlagingen voor de mensen die het al best hebben, worden steevast gecompenseerd door de belastingen voor werknemers en consumenten”.
Met andere woorden: “België legt zijn meest vermogende inwoners fiscaal goed in de watten. Het is geen toeval dat Franse miljardairs zoals de rijkste aller miljardairs Bernard Arnault van het LVMH-imperium met modemerken als Louis Vuitton zo graag de grens oversteken en in België komen wonen. Dat doen ze echt niet voor ons bier of onze frieten” (p. 61).
Het ‘fabeltje van het trickle down-effect’ wordt nog regelmatig gebruikt in de media: “Het trickle down-effect bestaat simpelweg niet. Nobelprijswinnaar Joseph Stiglitz wijst er zelfs op dat er meer wetenschappelijke evidentie is voor een trickle-up effect dan voor een trickle down-effect” (p. 63).
Een rechtvaardige belasting voor de superrijken zou in België elk jaar 20 miljard opleveren. En toch kijkt de politiek de andere kant op met “een tweede dooddoener die ze graag uit de kast halen: de kapitaalvlucht naar belastingparadijzen”,
Ook de klimaatcrisis ziet Eva Smets als een ongelijkheidscrisis. De klimaatopwarming en de ongelijkheid werken op twee manieren op elkaar in: “(1) De rijkste groep in de samenleving draagt veel sterker bij tot de klimaatverandering van de armste groep en (2) de armste groepen voelen de gevolgen van de klimaatopwarming veel sterker en kunnen er zich veel moeilijker tegen beschermen, en hun stem wordt amper gehoord in het beleidsproces” (p.106).
“Terwijl de rijksten de gele en de groene hesjes tegen elkaar opzetten, lachen ze in hun vuistje en vervuilen ze er verder op los. Ze voelen de gevolgen zelf toch niet” (p. 107).
Veel van de renovatiepremies en andere subsidies zijn misschien goedbedoeld, maar schieten vaak hun doel voorbij. “Technologie is te vaak een excuus om een meer fundamenteel debat uit de weg te gaan. Als technologie ons toch zal redden, waarom zouden we het onszelf dan moeilijk maken en onze manier van leven aanpassen?” (p. 110).
Dit kan alleen gecorrigeerd worden met “geen premie voor een elektrische wagen, maar een wijdvertakt en betaalbaar openbaar vervoer waarbij de overheid de vervoersarmoede aanpakt” (p. 109). Zoals de titel van een hoofdstuk stelt “In een welvarend land nemen ook de rijken de tram” (p. 133).
Daarom is “de focus verschuiven van autobezit naar autogebruik essentieel voor een rechtvaardige mobiliteit. Hoe je het ook draait of keert, openbaar vervoer zal de ruggengraat zijn van elk toekomstgerichte mobiliteitsvisie” (p. 143).
Het laatste hoofdstuk behandelt de zorg: “de verborgen motor van de wereldeconomie”. De zorgeconomie versterkt niet alleen de ongelijkheid tussen mannen en vrouwen, maar ook tussen vrouwen onderling.
“Liefst 60 procent van alle arbeid die we verrichten in België, is onbetaald. Daarmee is het eigenlijk een van de grootste en belangrijkste sectoren in onze economie. Toch is er de perceptie dat werk dat geen inkomen oplevert geen echt werk is. Je ontleent er geen status of macht aan. Meer zelfs, wie alleen zorg- en andere taken opneemt, belandt in de arbeidsmarktstatistieken in de categorie van de ‘inactieven’” (p. 153).
Dat is in landen als Denemarken, Finland, IJsland of Zweden wel anders. Maar dat impliceert dat de sociale economie het rolmodel voor de rest van de economie wordt, en “daar is een cultuurverandering voor nodig” (p. 158).
Goed bestuur, gedurfd beleid!
Eva Smets blijft in de epiloog met een grote vraag zitten: “de donuteconomie werkt overduidelijk beter dan het economische systeem dat teert op extreme ongelijkheid en de vernietiging van de planeet” (p. 189).
Waar zit dan de weerstand? Haar antwoord: “Elke keer gooien ingewikkelde structuren, vastgeroeste patronen of behoudsgezinde beleidsmakers roet in het eten. De status quo is hardnekkig, omdat sommige groepen in de samenleving er baat bij hebben om hem in stand te houden”.
“Een kritische massa van ongeveer 20 procent is nodig om de status quo te doorbreken en een systeem onomkeerbaar te veranderen. Dat zijn dus in België dik twee miljoen mensen, die we moeten overtuigen dat business as usual geen optie meer is” (p.190).
Verder kantelen
Eva Smets sluit elk hoofdstuk af met een korte bio- en bibliografie van de door haar geconsulteerde bronnen. Zelfs economie-professor en gewezen liberaal senator Paul De Grauwe, die de laatste jaren zijn neoliberale visies lijkt af te zweren, komt uitvoerig aan bod.
Twee personen en boeken die hier ook best een plaats verdienden zijn Michel Bauwens en Jean Lievens met De wereld redden – Met peer-to-peer naar een postkapitalistische samenleving en Dirk Barrez met onder andere Transitie – Onze welvaart van morgen. Zij bekijken onze ‘globaliserende wereld’ vanuit een meer structureel en dus minder instrumentalistisch perspectief.
Om die reden krijgen ook de Duurzame Ontwikkelingsdoelstellingen weinig aandacht in dit boek, maar als introductie voor de geïnteresseerde leek wordt ‘Kantelen!’ van harte aanbevolen.
Eva Smets. Kantelen! Belgische recepten voor de donuteconomie, Lannoo Campus, Tielt-Leuven, 2024, 190 pp. ISBN 978 9401 4132 99
In deze reeks vergelijken we de partijprogramma’s van verschillende politieke partijen met de standpunten van sociale bewegingen. Van armoedebestrijding tot klimaatactie, ontdek hoe partijprogramma’s zich verhouden tot de eisen van vakbonden, de vredesbewegingen en het brede middenveld.
Verkiezingen moeten gaan over de inhoud, maar laten we eerlijk zijn: wie heeft er tijd om de vele honderden bladzijden aan partijprogramma’s volledig door te nemen en te vergelijken? Met deze reeks willen wij je op weg helpen. We loodsen je doorheen de verschillende programma’s van de progressieve partijen wat betreft: koopkracht, klimaat en milieu, zorg, belastingen, vrede, onderwijs en pensioenen.
In deze verkiezingscheck richten we ons op migratie. Kan een vluchteling nog op respect voor zijn of haar mensenrechten rekenen? Hoe lossen de Vlaamse partijen de opvangcrisis op? En wat hebben ze ervoor over om nieuwkomers een succesvolle start te laten maken. Wij keken naar de programma’s van partijen van links tot het centrum.
Aan de grens van Europa
Het hoog aantal vluchtelingen merk je op piekmomenten in het straatbeeld van Brussel, maar nog veel meer aan de buitengrenzen van Europa. In de Middellandse Zee dringt het Europees Agentschap Frontex vluchtelingen die Europa in willen met geweld terug. Zulke zogenaamde pushbacks zijn illegaal volgens het internationaal recht. 11.11.11 rapporteert dat er in 2023 minstens 346.004 pushbacks plaatsvonden. Dat komt neer op 947 pushbacks per dag. Daarbij vallen jaarlijks honderden doden.
De linkse politieke partijen in Vlaanderen willen allemaal een einde aan de pushbacks. Zo zegt Vooruit dat het respecteren van mensenrechten, inclusief het recht om asiel aan te vragen, van het grootste belang is. De partij wil respect voor de VN-vluchtelingenverdragen en de mensenrechtenverdragen in Europa.
De PVDA wil ook een einde aan de pushbacks, en stelt dat de Europese verdragen die de pushbacks in de hand werken, moeten heronderhandeld worden. CD&V is ook tegen pushbacks, evenals Groen die vindt dat de organisatie die ze uitvoert, Frontex, hervormd moet worden.
Het Vlaams Belang wil “fysieke bescherming van de Europese grenzen”. Dat komt neer op pushbacks zoals we die vandaag kennen.
Spreidingsplannen
De partijen zijn het eens over de nood aan een betere spreiding van vluchtelingen over de landen van Europa. De verschillen lijken te liggen in de visie op terugkeer van afgewezen asielzoekers naar hun land van herkomst.
Vooruit en Groen willen een Europees spreidingsplan. Vooruit wil daarbij ook terugkeerakkoorden op Europees niveau. Bij Groen is er eveneens sprake van terugkeerakkoorden, maar die zijn dan gekoppeld aan afspraken over studentenvisa en arbeidsmigratie. De groenen stellen daarbij expliciet dat er geen ontwikkelingssamenwerking mag stopgezet worden om terugkeerakkoorden af te dwingen.
De CD&V wil ook een spreidingsplan, en ziet een betere Europese samenwerking op het vlak van terugkeer als deel van dat plan.
De PVDA stelt dat ze een solidaire verdeling van de vluchtelingen wil, en wil daarbij dat het recente Europese Migratiepact vervangen wordt door een werkbaar kader dat het internationaal recht respecteert.
Ter vergelijking: het Vlaams Belang lijkt niet in een Europese aanpak of spreidingsplannen te geloven. Die partij wil dat iedere Europese lidstaat autonoom beslist over het migratiebeleid. N-VA gelooft wel in een Europese aanpak, maar wenst de Europese vluchtelingenconventie te “moderniseren”.
Opvang in België
UNHCR, de vluchtelingenorganisatie van de Verenigde Naties, noemde de vluchtelingencrisis in België van de afgelopen jaren zorgwekkend. Een veroordeling door de organisatie die heel de wereld vluchtelingen in de meest erbarmelijke omstandigheden helpt, is geen kleinigheid.
Duizenden asielzoekers worden gedwongen op straat te slapen, zonder toegang tot sanitaire voorzieningen, medische screening, vaccins en informatie. Bovendien, benadrukt de organisatie, blijven asielzoekers wiens aanvraag is goedgekeurd vaak noodgedwongen in de opvangcentra omdat ze geen woning vinden door het tekort aan sociale huisvesting.
In oktober 2023 maakte staatssecretaris van Asiel en Migratie Nicole De Moor (CD&V) bekend dat voortaan geen opvang meer verleend wordt aan alleenstaande mannelijke asielzoekers. Die beslissing wordt betreurd door de UNHCR, die benadrukt dat België wel snel en kwalitatief 70.000 Oekraïense vluchtelingen wist op te vangen.
Opvangen of opsporen?
De Vlaamse partijen zien de oplossing voor het opvangprobleem in de eerste plaats in de versnelling van de asielaanvraagprocedure. Vooruit kiest daarbij voor een aanpak die collectief aanvoelt. De partij wil een snelle afhandeling, dat wil zeggen terugkeer, voor kandidaat-vluchtelingen die uit een land komen dat als veilig wordt beschouwd. Vooruit wil woonstbetredingen (huiszoekingen) en detentie (gevangenzetting) als hefbomen voor gedwongen terugkeer van wie illegaal in ons land verblijft.
De PVDA daarentegen stelt dat elke asielzoeker recht heeft op een ernstig onderzoek van zijn aanvraag, met respect voor de Conventies van Genève. De PVDA wil ook dat het aantal reserve-opvangplaatsen verhoogd wordt, zodat bij een piek in de instroom geen vluchtelingen op straat hoeven te slapen. De partij wil ook dat gezinnen het recht hebben om elkaar terug te vinden.
CD&V wil ook een snellere doorstroom, en stelt meermaals dat het terugkeerbeleid het sluitstuk van het asielbeleid moet zijn. De partij wil een wettelijk kader voor woonstbetredingen om mensen zonder papieren op te sporen. CD&V wil daarbij dat België meer gebruik maakt van de Dublinconventie, die stelt dat vluchtelingen over het algemeen enkel asiel kunnen aanvragen in het land in de Schengenzone waar ze als eerste aankomen. CD&V wil dat iedereen kan samenleven met zijn kerngezin, maar dat er wel strenger moet toegezien worden op de voorwaarden voor gezinshereniging.
Groen wil snelle en transparante asielprocedures, en zegt dat terugkeer zo veel mogelijk vrijwillig moet gebeuren. De partij wil een hervorming van de Dublinconventie. Groen wil ook voldoende noodopvang om vluchtelingen tijdens piekmomenten te kunnen blijven opvangen.
Geen snellere doorstroom bij Vlaams Belang. Extreemrechts wil de maximumtermijn afschaffen waarin asielzoekers vastgehouden worden.
Perspectief voor nieuwkomers
CD&V zet in op een snelle en goede verwerving van het Nederlands door wie in België komt wonen. Nieuwkomers moeten de Nederlandse taal voortaan op niveau B1 leren spreken, gevorderde kennis is dat. Vandaag is enkel een beginniveau vereist.
Ook Vooruit wil het niveau van het Nederlands bij nieuwkomers opkrikken naar niveau B1. Daartoe voorziet de partij gratis lessen Nederlands. Vooruit wil dat nieuwkomers voortaan in de eerste drie jaar na aankomst geen leefloon meer krijgen, maar zogenaamde integratiesteun.
Het zou om een voorwaardelijke steun gaan, wie geen integratietraject zou het leefloon kunnen verliezen. Dat Vooruit erkende vluchtelingen aan aparte maatregelen onderwerpt, is tot nader gewoon onwettig en een schending van de Conventie van Genève”, aldus Pascal Debruyne, onderzoeker aan Odisee Hogeschool en voorzitter van Uit De Marge VZW en Samenlevingopbouw Gent.
De PVDA wil ook een gratis integratietraject voor vluchtelingen, met taallessen, maar de PVDA stelt geen verhoging van het minimumniveau van het Nederlands voorop.
Asielzoekers in afwachting van erkenning als vluchteling moeten vier maanden wachten voor ze in België mogen werken. Daarvoor bestaat een uitzondering voor vluchtelingen uit Oekraïne. PVDA wil dat al de vier maanden wachttijd voor elke vluchteling worden afgeschaft. De partij koppelt daar maatregelen tegen sociale dumping aan. Bedrijven die vluchtelingen illegaal tewerkstellen mogen op een sanctie rekenen.
Groen wil ook een gratis integratietraject met taallessen. De partij stelt daarbij geen minimum voorop. Ook Groen wil maatregelen om sociale dumping tegen te gaan.
Het Vlaams Belang wil dan weer een verplichte gemeenschapsdienst invoeren voor asielzoekers. De partij wil dat asielzoekers “maximaal bijdragen in de kost voor hun opvang”, en wil de kosteloze rechtsbijstand voor asielzoekers inperken. Vlaams Belang wil de toegang tot onze sociale zekerheid, of tot sociale woningen, beperken tot wie Nederlands spreekt, maar biedt in haar programma geen gratis taallessen aan nieuwkomers aan.
N-VA wil dat iedere nieuwkomer een bindende verklaring tekent om de “westerse normen en waarden te respecteren”. Wie dat niet doet, krijgt geen toegang tot ons land. De partij wil de kennis van het Nederlands verbeteren, naar niveau B2 zelfs, maar lijkt geen gratis taallessen aan te bieden. Wel wordt er ingezet op taalverwerving op de werkvloer.
Volgens Walter De Smedt gaan de verkiezingen van 9 juni maar over één vraag: “Wie gaat de 27 miljard euro die Europa ons oplegt betalen?” “Misschien zijn wij nu uiteindelijk verlost van het hernieuwd incivisme, waarvoor er geen grondwettelijke oplossing is, die de EU toch niet zal toelaten en waarvoor er evenmin centen zijn.”
Vergeet het separatisme, het confederalisme, het egoïsme, het incivisme, en de particratie. De verkiezingen van 9 juni gaan maar over één vraag: “Wie gaat de 27 miljard euro die Europa ons oplegt betalen?”
Wordt dit een herhaling van de besparingen onder de regeringen Martens-Dehaene (CD&V, 1979-1999), indexsprongen, een loonnorm, een loonstop, een solidariteitspremie, aftopping van de pensioenen, inkrimping van de uitgaven in de sociale zekerheid, crisisbelasting?
Dat er betaald moet worden is volgens de EU onbetwistbaar. Dat maakt dat het Belgische beleid beperkt is tot de vraag wie moet betalen en op welke post dat moet gebeuren. De gemakkelijkste oefeningen zijn afhoudingen aan de bron, aan het loon en aan het pensioen, crisisbelasting.
Heel wat moeilijker is de andere verworvenheid van de welvaartsstaat, de gezondheidszorg. Wat zijn daarover de voorstellen? Er zijn er die op de gezondheidszorg niet willen besparen: Groen, Vooruit, CD&V, en PVDA. Groen en PVDA stellen een miljonairstaks voor, CD&V, Vooruit en PVDA willen de zorg verbeteren.
NV-A wil tegen 2025, 675 miljoen besparen wat tegen 2029 moet oplopen tot 4,537 miljard. Open VLD wil verlaging compenseren door beperking van de werkloosheid in de tijd. Vlaams Belang wil een aparte sociale zekerheid voor migranten.
Wie beweert dat er geen verschil meer is tussen links, rechts en het midden heeft dus ongelijk. Groen, Vooruit en PVDA zijn links, NV-A en Open VLD rechts. CD&V wil het alweer niet “specifiek” aangegeven, Vlaams Belang wél: op de migranten. Daarmee heeft de kiezer, wat de gezondheidszorg betreft, toch een criterium om zijn stem te bepalen.
Voorgaande vergelijking geeft ook aan waarover het debat over het beleid in feite en echt gaat. Dat gaat niet meer over wat ons jarenlang heeft beziggehouden, niet meer over splitsen of niet.
Dat zelfs De Wever nu premier wil worden zonder staatshervorming bevestigt de onzin waardoor wij veel tijd hebben verloren om het echte probleem te kunnen ontzien.
Het toont ook wat de werkelijke betekenis is wat De Wever bedoelt met het behoud van de Vlaamse welvaartsstaat: tegen 2029 4,537 miljard besparingen op de sociale zekerheid!
Daarmee zitten wij in de meest klassieke en universele vraag over wat een politiek beleid kan zijn, wat de werkelijke inhoud is van wat wij de welvaartsstaat noemen. Daarin neemt de verzorgingsstaat een voorname plaats in.
Ondanks wij er een kwarteeuw aan verloren hebben, gaat het opnieuw over wat de welvaartsstaat voorheen was, een aanvaardbare verdeling van de winsten en de lasten en de toepassing van het solidariteitsprincipe.
Maar ook daarover beslissen niet onze 795 vertegenwoordigers. Zoals het schouwspel tijdens de pandemie aantoonde zitten de gewestelijke ministers er als toeschouwers bij en moeten de federale ministers enkel zorgen voor de verdeling van wat in Europa werd toegekend.
Federaal premier De Croo heeft dus geen ongelijk wanneer hij over de landsgrens kijkt om te zien wat daar te versieren valt. Dat het verhaal over het soevereine Vlaanderen nu als opgeklopt deeg in elkaar zakt en aangebakken uit de oven dreigt te komen, heeft toch een positief neveneffect.
Misschien zijn wij uiteindelijk verlost van wat ons al die tijd heeft beziggehouden, het separatisme waarvoor geen grondwettelijke oplossing is, dat Europa niet zal toelaten, en waarvoor er evenmin centen zijn.
Zo kunnen we nu aandacht hebben voor wat er echt toe doet: het behoud van de welvaartsstaat waarvoor onze ouders en grootouders hebben gezorgd. Dat is niet de ‘Canon van Vlaanderen’ maar de ‘Canon van België’.
Wij gebruiken cookies om de werking van onze website te verbeteren
Functional Altijd actief
De technische opslag of toegang is strikt noodzakelijk voor het legitieme doel het gebruik mogelijk te maken van een specifieke dienst waarom de abonnee of gebruiker uitdrukkelijk heeft gevraagd, of met als enig doel de uitvoering van de transmissie van een communicatie over een elektronisch communicatienetwerk.
Voorkeuren
De technische opslag of toegang is noodzakelijk voor het legitieme doel voorkeuren op te slaan die niet door de abonnee of gebruiker zijn aangevraagd.
Statistics
De technische opslag of toegang die uitsluitend voor statistische doeleinden wordt gebruikt.De technische opslag of toegang die uitsluitend wordt gebruikt voor anonieme statistische doeleinden. Zonder dagvaarding, vrijwillige naleving door uw Internet Service Provider, of aanvullende gegevens van een derde partij, kan informatie die alleen voor dit doel wordt opgeslagen of opgehaald gewoonlijk niet worden gebruikt om je te identificeren.
Marketing
De technische opslag of toegang is nodig om gebruikersprofielen op te stellen voor het verzenden van reclame, of om de gebruiker op een website of over verschillende websites te volgen voor soortgelijke marketingdoeleinden.