Haal het geld waar het zit, niet in onze portemonnee!

Hieronder enkele cijfers die we haalden vanop een toelichting op een personeelsvergadering aan de UGent. Daarop waren een 400-tal aanwezigen om toelichting te krijgen bij de harde besparingsplannen en de gevolgen ervan voor het UGent-personeel. Op het einde werd geantwoord op de illusie dat er ‘geen alternatief’ zou zijn voor de besparingen of dat dit de enige manier is om onze sociale zekerheid betaalbaar te houden.

De bedrijfswinsten in ons land stegen tussen 1999 en 2024 van gemiddeld 35% naar gemiddeld 45% van de toegevoegde waarde in ons land. In 2024 bedroeg die 507 miljard. Als bedrijven tevreden zouden zijn met de winstmarges die ze 25 jaar geleden maakten, zou er 50,7 miljard extra beschikbaar zijn voor lonen, uitkeringen, sociale zekerheid en openbare diensten. Daar kan je al wat mee, niet?

In diezelfde periode stegen de lastenverlagingen – wat bedrijven uitsparen aan bijdragen tot de sociale zekerheid – van 1,6 miljard per jaar naar 16 miljard euro per jaar: een vertienvoudiging. Dat is 3 keer de totale besparing op pensioenen en werkloosheidsuitkeringen die Arizona plant. Met dat bedrag kan je dus niet alleen die besparingen teniet doen, je heb ook nog 11 miljard over, waarmee je de uitkeringen kan optrekken tot boven de armoedegrens, of de pensioenen in de privé “harmoniseren” naar boven tot het niveau van de ambtenarenpensioenen.

In 2024 ging er 383 miljard euro uit België naar belastingparadijzen. Sinds 2010 zijn bedrijven verplicht die transfers te melden als ze meer dan 100.000€/jaar bedragen. Opvallend: die 383 miljard aan transfers werd door slechts 765 Belgische bedrijven uitgevoerd (0,21% van de bedrijven in ons land). Een kleine toplaag aan superrijken en multinationals wist dus een bedrag dat 84% van ons BBP bedraagt over te maken naar belastingparadijzen. Nog opvallender: het grootste “transferland” is Dubai.

Waarom? Enkele jaren tekende Didier “Lottofraudeur” Reynders een belastingverdrag met dat land dat stipuleert dat Belgisch geld dat langs Dubai passeert, en daar wordt belast (met een minimale belasting) bij terugkeer in ons land vrij is van verdere belastingen. Met andere woorden: er is een massale route voor belastingontwijking gecreëerd die door de grootste bedrijven op grote schaal wordt gebruikt. Dus: sluit deze en andere “sluipwegen” van belastingontduiking: hou het geld in België, en belast het zoals alle andere inkomsten…

Vorig jaar stegen de financiële vermogens van “de Belgen” tot 1.230 miljard euro, opnieuw een record. Afhankelijk van de schatting zou 300 à 400 miljard daarvan in handen zijn van de rijkste 1% in ons land, die dus elk gemiddeld een financieel vermogen hebben van 3 à 4 miljoen. Opgelet: dit gaat enkel over de financiële vermogens: immobiliën etc. zitten hier niet in… Die 1% rijken kunnen perfect meer bijdragen. Een miljonairstaks van 1% op hun vermogens zou meteen 3 à 4 miljard per jaar opleveren.

Arizona wil 96% van de besparingen doorvoeren op lonen, uitkeringen en pensioenen. Slechts 4% komt op de “sterkste schouders”. Hoewel: wie gelooft echt dat het de rijksten zullen zijn die de “meerwaardebelasting” zullen ophoesten: zullen zij niet snel een achterpoortje vinden?

Dit is geen wetmatigheid, geen noodzaak. Het is een politieke keuze om de tendens waarin de rijken rijker worden, en de meerderheid daarvoor de prijs betaalt gewoon verder te zetten. Om dat te keren is strijd nodig, veel strijd, ideologische duidelijkheid en een heldere strategie om te winnen.

Bron: socialisme.be

De ongelijkheidsmachine

De ongelijkheidsmachine

Een verborgen Europese geschiedenis

Paul Goossens

Goossens onderzoekt de permanente botsing en de onmogelijke pacificatie tussen voorstanders van een meer egalitaire samenleving en elites die hun privileges willen behouden.

2024 – paperback / e-book, 580p. – met illustraties van GAL

Hoe kan het dat een handvol mensen meer bezit dan de helft van de wereldbevolking en waarom wordt die obscene concentratie van rijkdom niet weggehoond? Vragen die ertoe doen. Zeker in tijden van grote en kleine cultuuroorlogjes rond de roerselen van de nationale identiteit is kritisch onderzoek naar de pijlers van de ongelijkheid een must. Extreme ongelijkheid gaat immers over meer dan waanzinnige bankrekeningen. Het is een machine die haar territorium voortdurend uitbreidt, samenlevingen omwoelt, de verzorgingsstaat ontrafelt en uiteindelijk ook de democratie uitholt. In De ongelijkheidsmachine onderzoekt Paul Goossens de permanente botsing en de onmogelijke pacificatie tussen voorstanders van een meer egalitaire samenleving en elites die hun privileges willen behouden. Europa stond daarbij steevast aan de zijde van de 1%, zo ook zijn religieuze leiders en vele van zijn gelauwerde denkers. Vandaag komt het erop aan de code van de financiële industrie te kraken, dan pas kan de ongelijkheidsmachine gestopt worden. ‘Het is kiezen’, aldus Goossens, ‘tussen de koopkracht van de bevolking of de privileges van de nieuwe feodale heersers, de geldaristocratie.’ Zoveel is zeker, de bankiers zullen De ongelijkheidsmachine niet op gejuich onthalen.

Paul Goossens, een gediplomeerd econoom, is stichtend hoofdredacteur van De Morgen. In het begin van de jaren 1990, na zijn vertrek, verlegde hij zijn focus naar de Europese Unie. Eerst bij Knack, dan bij het persagentschap Belga. Sinds 2009 is Goossens columnist van De Standaard.

(Pers)reacties

De ongelijkheidsmachine staat op de Longlist van de Boon voor fictie & non-fictie (6/12/2023)

De Lage Landen – “Paul Goossens over de kloof tussen arm en rijk: het is de ongelijkheid, suffie!” – Jurgen Masure – lezen (30/10/2023)

Jacobin.nl – “Waarom Europa zich over ‘ongelijkheid’ veel drukker moet maken – ‘Het is verbijsterend dat in de politiek, in het centrum én aan de linkerkant, ongelijkheid geen groot thema is. Steeds zijn er crises waardoor het onderwerp van de politieke agenda verdwijnt.’ Een interview met journalist en oude rot in de Belgische socialistische zuil Paul Goossens.” – lees het interview (27/10/2023)

De Morgen – “‘Genoeg over Mark Elchardus, mijn adem is kostbaar’: Paul Goossens, eerste hoofd-redacteur van ‘De Morgen’”- Lees het volledige interview (08/07/2023)

Tom Lanoye – “Paul Goossens is voor onze journalistiek wat Hugo Claus was voor onze literatuur: uniek, gedreven, onvervangbaar. Een wetsteen voor iedereen die na hem komt. Zelfs de tijd krijgt op hem geen vat. Zijn analyses zijn nog altijd even scherp als zijn engagement en zijn franc-parler.”

Algmeen Dagblad – “Nee, in onze tijd is er geen verhaal meer dat ongelijkheid rechtvaardigt, zegt Goossens. Alleen, nu laten we ons dus afleiden door ‘cultuuroorlogjes’ over genderneutrale toiletten – die iedereen thuis toch gewoon heeft. Sommige politici leggen dat onder een vergrootglas. Om het wérkelijke verschil, de kloof tussen arm en rijk, naar de achtergrond te duwen, zegt hij. ,,Trap er niet in.”” – Lees het volledige interview

Ewald Engelen – “Paul Goossens is de Thomas Piketty van de lage landen. Lees zijn boek De Ongelijkheidsmachine om voorbij de cultuuroorlogjes te leren kijken.”

De Morgen – “Een ongegeneerd geëngageerde economische geschiedenis van de ongelijkheid, een repliek op Mark Elchardus en een journalistieke geloofsbelijdenis. De ongelijkheidsmachine van Paul Goossens is het allemaal.” – Lees de bespreking van Bart Eeckhout (27/05/2023)

Humo – “Paul Goossens fileert genadeloos de geschiedenis van de ongelijkheid, waarna je als lezer een stuk kritischer naar je leefomgeving kijkt.” – Lees de 4 sterren-recensie van Jens Meijen (29/05/2023)

De Tijd – “De ongelijkheidsmachine, het boek van Europachroniqueur Paul Goossens, komt gelegen voor 1 mei. Het wijst erop dat sociale ongelijkheid nooit een grote zorg was van de vaders van Europa.” – Lees de bespreking van Rik Van Cauwelaert (28/04/2023)

De Standaard – “Ongelijkheid is meer dan een ondeugd, of het gevolg van de fratsen van de superrijken. Het is een kluwen van wetten en afspraken, dat een zeer solide indruk maakt en daardoor moeilijk te veranderen lijkt. Het is ook de aanvaarding van een orde. Het is een systeem van een minderheid met privileges, die via macht en druk worden­ uitgeoefend.” – Lees het volledige interview (21/04/2023)

Knack – “Met hun enorme vermogens dragen de superrijken eenvoudigweg niet meer bij aan de samenleving. Ze investeren nauwelijks nog in de maakindustrie, maar vooral in financiële hightechbeleggingen en vastgoed. Vervolgens parkeren ze hun geld op belastingparadijzen en proberen ze de politiek in hun voordeel te beïnvloeden. Op die manier ontstaat er een vicieuze cirkel waarin ongelijkheid een plutocratisch regime voortbrengt dat systematisch enkelingen bevoordeelt ten koste van het gros van de bevolking. Tot er opnieuw een crisis uitbreekt en de belastingbetaler het geld mag ophoesten omdat banken en kredietverstrekkers overmoedig en roekeloos werden.” – Lees het volledige interview (26/4/2023)

De Morgen – ‘Het economische beleid door de jaren heen begrijpen is niet eenvoudig. Wouter Beke las deze zomer Paul Goossens’ De ongelijkheidsmachine en breekt nu een lans voor het boek.’ – Lees het opiniestuk van Wouter Beke (28/08/23)

Jacobin.nl – ‘Een zinderend historisch boek van bijna zeshonderd pagina’s, meanderend en associërend als een essay, maar met de feitelijke onderbouwing van historisch onderzoek en onderzoeksjournalistiek.’ – Lees het interview (27/10/23)

Cutting Edge – ‘Met een dikke turf van een boek tekent voormalig Europajournalist Paul Goossens voor een buitengewoon werkstuk.’ – Lees de 5 sterren-recensie (20/10/2023)

Samenleving & Politiek – Links moet deze keer wél klaarstaan bij de volgende crisis van het kapitalisme die onvermijdelijk komt, vindt Paul Goossens. “We hebben een Observatorium van de Ongelijkheid nodig”. – Lees het interview (14/09/23)

Samenleving & Politiek – “Dit boek heeft een duidelijke missie: ongelijkheid opnieuw hoog op de agenda plaatsen en daarmee de buitensporige aandacht voor schijndebatten over woke en identiteit temperen.” – Lees de bespreking van Wouter Ryckbosch (14/09/23)

Sociaal.net – Groeiende ongelijkheid: ‘Veel mensen zijn boos’ – Lees het dubbelinterview met Paul Goossens en opbouwwerkster Ellen Bertels (19/09/23)

DeWereldMorgen – “Wie zijn geschiedenis kent is gewapend om ze niet langer te herhalen. Lezen dus, dit boek van Paul Goossens.” – Lees de bespreking van Lode Vanoost (22/06/2023)

Humanistisch Verbond – “Omdat ook wanneer de oplossingen niet aangewend of uitgevoerd worden, wanneer de woorden enkel op het geduldig papier blijven, je tenminste niet onwetend bent over alle mechanismen.” – Lees de 4 sterren-recensie van Sophia De Wolf (04/06/2023)

PULS Magazine – “De ongelijkheidsmachine vergroot kloof tussen arm en rijk” – Lees hier het volledige interview (13/06/2023)

Visie – “EXTREME RIJKDOM STOPT VOOR NIETS OF NIEMAND” – Lees of bekijk het volledige dubbelinterview met Paul Goossens en Jeanne Devos (14/06/2023)

Apache – “Paul Goossens: ‘Obscene concentratie van rijkdom is luid alarmsignaal’” – Lees het volledige interview (30/06/2023)

DeMens.nu – “Het is meer dan een bijdrage tot de discussie: het is een diepgravende historische analyse en een duidelijke oproep om tegen deze achtergrond grondig van beleid te veranderen.” – Lees de bespreking van Rik Pinxten (05/06/2023)

Boekenbijlage.nl – “Met dit boek levert Paul Goossens een knap en goed onderbouwd werkstuk af waarin hij op een laagdrempelige manier inzicht biedt in de economische, financiële en kapitalistische mechanismen die onze maatschappij en democratieën beheersen.” – Lees de bespreking (16/10/2023)

Stretto – “Een monument!” – lezen (28/08/2023)

“Dit boek neemt je op erudiete en meeslepende wijze mee naar drieduizend jaar geschiedenis van de ongelijkheid. Het laat op overtuigende wijze zien dat alleen het aan banden leggen van de financiële markten, radicale fiscale hervormingen en een eerlijker verdeling van welvaart en de toenemende sociale en economische ongelijkheid kan stoppen.” – Joke Hermsen

“Deze indrukwekkende studie toont met een massa cijfermateriaal aan hoe de armoede in de westerse wereld telkens weer werd georganiseerd, in stand gehouden, versterkt en politiek schaamteloos werd ingezet om systemische ongelijkheid op te voeren tot het nu duizelingwekkende verschil waarbij een tiental mensen meer bezitten dan de halve wereld – zonder dat ze zich moeten verantwoorden voor de catastrofale gevolgen daarvan voor democratie en mensenrechten. Je leest dit boek eerst met verbazing, daarna met verontwaardiging en tenslotte met machteloze woede. Paul Goossens heeft hiermee een boek geschreven van internationale betekenis.” – Stefan Hertmans

“Klimaatverstoring en maatschappelijke onrust delen dezelfde oorzaak: een ideologie die ongelijkheid doet toenemen en dat bovendien verbergt. Goossens legt de geschiedenis ervan bloot, waardoor toekomstige oplossingen ook duidelijk worden. Zonder twijfel een magnum opus.” – Paul Verhaeghe

“Een gedreven boek, zoals we dit van Paul Goossens mogen verwachten, en een belangrijk boek over de ongelijkheid in de geschiedenis, tot en met vandaag. Als we de trend naar steeds meer ongelijkheid niet stoppen, stopt de democratie, zo betoogt Paul Goossens in zijn Magnum Opus. Om dat te vermijden moeten we vandaag de financiële markten aan banden leggen. Die financiële markten zijn het moderne equivalent van de aristocratie van het Ancien Régime. Ze zijn hinderpalen voor meer gelijkheid en rechtvaardigheid. Dat zijn slechts enkele van de uitdagende ideeën in dit boek. Ze dagen niet alleen uit maar kunnen de lezer ook stimuleren in een zoektocht naar een rechtvaardiger maatschappij.” – Paul De Grauwe

“Er is al veel geschreven over ongelijkheid, vooral door internationale topeconomen als Tony Atkinson en Thomas Piketty. Paul Goosens schreef nu zijn ‘kleine’ geschiedenis van de ongelijkheid, met een sterke focus op Europa. Europa worstelt ook vandaag nog met een te grote marktmacht, waarbij het sociale teveel de gevangene blijft van economische, financiële en budgettaire dogma’s. Dit politiek pamflet komt op het juiste moment, namelijk net wanneer de pensioenen onder druk staan, echte fiscale hervormingen achterwege blijven, het loonaandeel binnen de geproduceerde waarde afneemt en de onderkant van de samenleving een negatieve stempel krijgt. Een must read dus voor alle voorvechters en believers van de noodzaak van maatschappelijke gelijkheid.” – Miranda Ulens

De ongelijkheidsmachine is de Lectio Magistralis van Paul Goossens. Hij vertelt het verhaal van de ongelijkheid en de hefbomen die het verloop ervan bepalen. Confronterend accuraat toont hij aan hoe de syndicalisatiegraad impact heeft op de mate van ongelijkheid. Hoe rechtse krachten vakbondswars zijn uit elitair eigenbelang. Hoe economische machtsconcentratie daarbij een instrument is. Hoe parlementaire democratie daartoe ingepalmd wordt. Hoe politiek verwordt tot polis-ziek. Hoe samenleven transformeert in tegen(overmekaar)staan. Achter de ongelijkheid draait een performante en globale mechaniek. Paul Goossens neemt je mee in de enorme verborgen machinekamer en staat stil bij het complexe raderwerk, de vele pompen en zuigers, de staccato cadans, de katalysatoren, … en wat die machine teweegbracht en nog steeds aanricht in onze samenleving. Een magistrale beschouwing!” – Marc Leemans

“Een doortimmerde analyse van ongelijkheid, die veel verder gaat dan het inventariseren van bankrekeningen en vermogens. Niet alleen de rijkdom is ongelijk verdeeld, maar ook de macht en de toegang daartoe. Paul Goossens legt de mechaniekjes bloot die maken dat ongelijkheid schandelijk kan blijven toenemen, maar hij wijst ook op de krachten die er doorheen de geschiedenis in slaagden om meer sociale gerechtigheid af te dwingen. Een ontnuchterende analyse, helder geschreven, historisch onderbouwd en bovenal messcherp. Wat een belangrijk boek!” – Hendrik Vos

“Een ware tour de force. In zijn Magnus opus pent Goossens niet minder dan een geschiedenis van de ongelijkheid neer. Dit boek negeren is kamp kiezen. Een must-read wat mij betreft.” – Ico Maly

“Een overtuigend en hoopvol pleidooi voor een meer gelijke samenleving en een sterkere democratie.” – Jos Geysels

“Als een Vlaamse Chomsky zoekt Paul Goossens hand in hand met Picketty naar het menselijk gelijkheidsstreven doorheen de eeuwen en continenten. Wat hij vindt is bedroevend maar tegelijkertijd mobiliserend.” – Bruno Verlaeckt, voorzitter ABVV-Antwerpen en van Algemene Centrale Antwerpen-Waasland

“Beste Nederlandstalige werk van het afgelopen decennium. Ik plaats het naast werken van collega’s in het internationale academische circuit waar ik steeds onbegrensde bewondering voor heb. Indien je jezelf beschouwt als een links persoon met een mening, dan ben je aan jezelf verplicht om dit boek aan te schaffen. Het is een diepgravende leidraad om de structurele krachten in het Westen op een afdoende manier te analyseren.” – Jelle Versieren, historicus

Maarten Luther 500 jaar – “In dit lijvige boek klaagt Paul Goossens Europa aan.”- lezen (29/09/2023)

Bron: EPO.be

Alles anders en beter?

Alles anders en beter?

In tijden van Trump en Arizona kan goed nieuws niet overboord worden gegooid. Integendeel, we hebben er dringend behoefte aan, om depressies tegen te gaan en om een hoopvol perspectief uit te stippelen.

Dat is precies wat Koen Schoors in zijn ‘Alles wordt anders … en beter’  heeft gedaan. Hij bekijkt de wereld en kijkt in zijn glazen bol, zo stelt hij het zelf, om een positief beeld te schetsen van de komende 70 jaar. Dat is immers de tijdspanne waarop hij de wereld telkens opnieuw ziet veranderen. Van het eind van de negentiende eeuw tot de tweede Wereldoorlog, van toen naar nu. En de volgende 70 jaar dus.

Dit boek, zo stelt hij, is niet gebaseerd op feiten en cijfers, maar op zijn vast geloof in hoe de wereld positief kan veranderen. We moeten de wereld zien zoals ze (sic) is en beseffen dat de markt een menselijke constructie is. Het zijn mensen die hun geschiedenis maken door te kiezen wat ze willen. Een duidelijk determinisme dus – 70 jaar – gekoppeld aan een open toekomst waarover we als samenleving beslissen.

Koen Schoors is econoom, dus hij begint met het prijssysteem. Veel kan veranderen indien we de ‘juiste’ prijzen gebruiken en rekening houden met de externaliteiten. Dat geldt voor landbouwprodukten, voor energie, voor grondstoffen, voor woningen en voor geld.

We moeten naar een circulaire economie en dus veel meer inzetten op recyclage.

De demografische transitie leidt ertoe dat we van een demografische pyramide naar een ‘zuil’ gaan en het heeft bijzonder veel voordelen als de wereldbevolking stabiliseert.

De laatste hoofdstukken tenslotte gaan over Artificiële Intelligentie. Hier wordt wel gewezen op de mogelijke negatieve toepassingen ervan, maar het komt erop aan de positieve er door te drukken.

Kortom, niets waarmee een zinnig mens het oneens kan zijn. Dit is – trumpsgewijs – allemaal een kwestie van gezond verstand.

Alleen zitten er in de diverse hoofdstukken ook wel addertjes onder het gras.

Neem het economische systeem dat met ‘juiste prijzen’ moet werken. Uiteraard, maar kan het wel? Wie beslist? Is de Washington Consensus echt ‘op sterven na dood’? Dat riedeltje gaat al minstens twintig jaar mee, maar het IMF blijft alle essentiële kenmerken ervan toepassen in het Zuiden. Het ‘dweilt de ellende’ helemaal niet weg. En is de ‘economisch onzinnige begrotingsdiscipline’ van de EU er trouwens niet ook een gevolg van?

Of neem de landbouwprijzen en de ‘plukboerderijen’. Dat is voor mensen met een auto op het platteland, zo denk ik altijd. Hoe kom je aan groenten als je 75 bent? En waarom zouden boeren dan spontaan biologisch gaan telen?

De juiste energieprijs en de circulaire economie? Nog nooit kreeg ik echter een antwoord op mijn vraag hoe de gigantische grote grondstofhoeveelheden die nodig zijn voor de energietransitie kunnen verzoend worden met het afwijzen van extractie. Deze week nog las ik in de Monde Diplomatique een verhaal over de mogelijke recyclage van batterijen van elektrische auto’s. Ook daarvoor zijn grotere hoeveelheden grondstoffen nodig dan er in zitten. En wat met de afbraak van versleten windmolens?

Het zijn slechts een paar voorbeelden van punten die ogenschijnlijk bijzonder positief overkomen, maar misschien niet helemaal doordacht zijn. Vraag het aan de bezitters van zonnepanelen die hun energie niet kwijt kunnen omdat ons netwerk te beperkt is. Of aan de reizigers die om de zoveel dagen stil staan in een defecte trein en geen gebruik kunnen maken van de ‘cloudmobiliteit’.

Theoretisch kan het allemaal, daar heeft de auteur volkomen gelijk in en het siert hem dat hij achter alles de positieve kant ziet. Weg met het doemdenken.

Alleen, zo vraag ik met een bang hartje af, wie zal zorgen voor die positieve evolutie? Daar gaat het boek niet over. ‘De mensen’, ‘de maatschappij’. In een machtsvrije riuimte?

Nogmaals, in tijden van Trump en Arizona is positief denken meer dan welkom, daarom moet dit boek gelezen worden. Maar ik vrees dat we ons tegelijk ook moeten bezig houden met een mogelijkheid dat het allemaal de verkeerde kant op gaat en dat organisaties die het verzet organiseren meer dan welkom zijn.

‘Alles moet op de schop’, aldus Koen Schoors. We moeten niet naar een ‘nihilistische hedonie’ maar naar een systeem waarin ‘mensen meer doen voor elkaar’. Een beetje bang maakt het me wel.

Bron: Uitpers.be

Sanctiebeleid: “Met straffen alleen red je het niet”

Vechtende leerlingen, conflicten tussen leerlingen en leraren … Wat doe je wanneer het op school ontploft? kOsh Herentals zet zowel straf als herstel centraal.

Romy Lievens, gedragscoach bij kOsh, Herentals: “Veel dingen die leerlingen vroeger aannamen, aanvaarden ze vandaag niet meer. Voor een grote groep leerlingen werkt een sanctiebeleid met negatieve nota’s, 3 streepjes of strafstudie nog altijd. Dat is duidelijk en voorspelbaar. Na een eerste of tweede streepje, zie je als leraar een gedragsverandering. Maar ruwweg 20% van onze leerlingen buit zo’n systeem uit. Ze lokken een derde streepje uit om te weten wat de volgende stap is.”

“Sommigen hadden een abonnement op de strafstudie. Ze waren halverwege het schooljaar al volgeboekt tot eind augustus. Dat verloor zijn effect helemaal, die leerlingen kregen zelfs een stoere status. Op die groep beten we onze tanden stuk. Leraren werden handelingsverlegen, vroegen zich af waarvoor ze leerlingen nog mochten en konden straffen. Binnen welk kader konden ze nog reageren op moeilijk gedrag? We voelden dat we ons sanctiebeleid moesten omgooien.” 

Het debat rond straffen maakt vaak emoties los. Hoe ontwikkel je een sanctiebeleid waar het hele team achter staat?  

Romy Lievens: “Ik nodigde een spreker uit over nieuwe autoriteit, maar een aantal leraren reageerden allergisch op zinnen als: ‘je moet het ijzer smeden als het koud is.’ Dan klonk het dat het vroeger beter was, dat er meer discipline was. Om niet in ideologische discussies te verzanden, riepen we de hulp in van de pedagogische begeleidingsdienst.”  

“Door stapsgewijs met een externe partner aan de slag te gaan, haal je de lont uit het kruitvat. Je ontwikkelt samen een beleidsplan met doelen, middelen en een tijdslijn. Zo overstijg je persoonlijke initiatieven, die vaak vertrekken van heel geëngageerde leraren maar niet door het hele team worden gesteund.”

“Nu wijzen we terug naar ons kader rond straf en herstel als we een spreker uitnodigen. De pedagogische begeleiders verzorgden samen met ons studiedagen of legden dat kader nog eens uit op personeelsvergaderingen. Gaandeweg aanvaardde de grootste groep leraren het nieuwe beleid.”

“We verwachten ook dat ons onderwijspersoneel handelt binnen dit kader, dat ze het als hun professionele identiteit beschouwen. Als kers op de taart ontwierpen de leerlingen van de kunstrichtingen een logo met de 4 kenmerken van ons beleid: veilig, duidelijk, samen en herstel.” 

Wat vormt het vertrekpunt van jullie nieuwe beleid? 

Romy Lievens: “Veiligheid is de basis: iedereen die ingeschreven is op school moet zich veilig voelen, ook buiten de schoolmuren. In de eerste graad hebben we bijvoorbeeld een cybercoach, die met de leerlingen in gesprek gaat over pesterijen of bedreigingen op sociale media. Geen overbodige luxe, want die conflicten hebben een effect op de leerlingen. Dat voelen we als ze op school zijn.” 

“Tijdens proactieve cirkels in de klas praten leerlingen over frustraties of pestgedrag. Dat preventieve luik is essentieel voor een veilig klasklimaat. Maar als leerlingen uitbarsten of plannen smeden om elkaar een lesje te leren aan het station, is interventie onvermijdelijk. Soms vragen we de politie om na schooltijd een oogje in het zeil te houden.” 

“Als we zaken afspreken, moeten die duidelijk zijn voor alle betrokken partijen: iedereen weet wat de verwachtingen zijn. We maken een onderscheid tussen regels en afspraken. Bovenop de algemene regels voeren we tijdens een begeleidende klassenraad soms extra afspraken in voor een uitdagende klasgroep. Alle teamleden moeten die afspraken kennen en naleven, het mag niet van 1 leraar afhangen. Begeleidende klassenraden plannen we strategisch: meteen na een vakantieperiode, bijvoorbeeld. Dan hebben de collega’s nieuwe energie om afspraken te maken.” 

Een sterk sanctiebeleid draag je samen? 

Romy Lievens: “Inderdaad. Het is een gedeelde verantwoordelijkheid. We hebben iedereen nodig: de ouders, de peergroup, de voetbaltrainer. Alle ouders naar het oudercontact, dat is ons doel. Zeker tijdens het eerste oudercontact willen we verbinden en terugkoppelen met ouders. Schrijven ze niet in voor het oudercontact, dan bellen we hen op. De digitale drempel is voor sommige ouders te hoog.”

“Krijgen we ouders echt niet te pakken via mail en telefoon, dan sturen we een aangetekende brief. Daarin leggen we uit dat we hun afwezigheid als nalatigheid zien. We benadrukken dat we meer betrokkenheid verwachten. In uitzonderlijke gevallen organiseren we een huisbezoek om te polsen waarom die ouders niet op school raken. Wat houdt hen tegen?”  

“Gaan spijbelende leerlingen wel trouw naar de voetbalclub, dan proberen we via de ouders die link te leggen. Kan je aan de trainer laten weten dat het op school spaak loopt? Zo voelen jongeren dat ze een netwerk rond zich hebben, dat het schoolse niet binnen de schoolmuren blijft. Hetzelfde geldt voor meisjes en jongens die lid zijn van een boksclub. Vechten buiten de ring kan voor die trainers absoluut niet. Dan kunnen die leerlingen geschorst worden in de club.” 

“Ook de peergroup heeft veel invloed. Als leerlingen het gedrag van een klasgenoot corrigeren, bekrachtigen we dat: tof dat je je medeleerling daarop aansprak. Soms aanvaarden ze sneller een standje van elkaar dan van een volwassene. Zeker op de speelplaats werkt dat goed. En op herstelnamiddagen gaan we wel eens het groepsgesprek aan met alle gestrafte leerlingen.” 

Is er in jullie aanpak nog plaats voor straf? 

Romy Lievens: “Straf naast herstel is zeker geen taboe, maar ons relatiebeleid gaat verder dan dat. Ons uitgangspunt is: “Jouw gedrag heeft ons als school geraakt, het heeft op ons allemaal een effect. Dat moet hersteld worden.” Een straf kaderen we: we straffen omdat we met jou in herstel willen gaan, omdat we dit duidelijk en goed willen aanpakken. Die vierde pijler van ons beleid is even belangrijk als de andere.”

“De termen ‘strafuur’ en ‘strafstudie’ hebben we omgezet in ‘hersteluur’ en ‘herstelnamiddag’. De leerling moet nog altijd nablijven en zich nuttig maken ten dienste van de school. Het blijft tijdsberoving, maar er is een stukje herstel bijgekomen. ‘Ik geef jou een hersteluur’ is een signaal van de leraar naar die leerling: we raken er niet uit, je hebt extra tijd nodig om te bezinnen.” 

“Dat is zeker niet soft. Leerlingen vragen ons soms: ‘Mogen we niet gewoon straf schrijven, meneer?’ Dat vinden ze net makkelijker. Een herstelnamiddag start met een reflectiegesprek dat de leerlingen met de neus op de feiten drukt. Daarna klussen de leerlingen 3 uur met een leraar, 1 op 1. Samen de fietsenstalling onkruidvrij maken, vuilnisbakken legen of lokalen klaarzetten voor de opendeurdag. Herstel is persoonlijker én confronterender dan straf schrijven in een grote zaal.” 

“Ook op klasniveau denken leraren nu meer in herstel. Ze laten leerlingen bijvoorbeeld de klas opruimen om het goed te maken. Het overstijgt onze school zelfs: toen leerlingen van een andere school hier vandalisme gepleegd hadden, vulden we een scholenprotocol in. Ze kregen de rekening via juridische weg gepresenteerd. Daarnaast hebben ze opgediend tijdens een quiz en een personeelsactiviteit van onze school. Op die manier hebben ze ook figuurlijk hersteld wat ze hier hadden kapotgemaakt.” 

Hoe vermijd je dat leraren toch teruggrijpen naar de oude recepten?

Romy Lievens: “Na een crisissituatie roepen leraren soms: ‘We hebben nood aan een tuchtprefect.’ Daar zit een behoefte onder: meer rust in de klas, meer eenvoud, minder planlast. Onze nieuwe aanpak is zeker intensiever en tijdrovender voor leraren, maar we geloven dat het meer winst oplevert op de lange termijn. Dat zeg ik ook tegen leerlingen: ‘We hadden je gewoon een mailtje kunnen sturen. Dit is je overtreding, dit is je sanctie. Dat zou veel minder werk zijn, maar we lopen dit traject met jou omdat we daarin geloven.” 

“Een begeleidende klassenraad starten we soms met een schaalvraag: kleef een getal op de energie die je nog hebt om deze klas of deze leerlingen te bespreken. Zegt een leraar 2 op 10, dan is het duidelijk: die persoon heeft nog weinig energie. Het klinkt misschien vreemd, maar dat voorkomt dat de klassenraad een klaagbarak wordt. Door even te polsen, weten we wie het erg lastig heeft. En die leraren weten dat wij daar oog voor hebben.”

“Aan nieuwe leraren stellen we in het eerste trimester een paar cases voor van leerlingen die na de herstelnamiddagen fel vooruitgegaan zijn. Als je het concreet maakt, hebben mensen oor naar je beleid. Na 3 jaar krijgt dat wel draagvlak. We proberen ook zo veel mogelijk leraren sterker te maken om met moeilijk gedrag om te gaan. We stellen begeleidende leraren aan tijdens klassenraden en werken een traject op maat uit.”

Zijn uitsluitingen verleden tijd dankzij jullie nieuwe aanpak? 

Romy Lievens: “Zelfs na een intensief gedragstraject samen met het CLB komt ongeveer 5% van onze leerlingen nog in aanmerking voor uitsluiting. Dan verwijzen we naar de pijlers in ons relatiebeleid: de veiligheid kan niet gegarandeerd worden in de klasgroep, we slagen er niet in om tot herstel te komen, de leerling is niet bereid is om samen te werken met professionele hulpverlening.”

“De CLB-medewerkers zoeken mee naar een andere school, onderwijsvorm of lopen met de leerling een traject richting tewerkstelling. Een uitsluiting hoeft niet rampzalig te zijn. Een leerling bedankte ons zelfs: de uitsluiting had hem wakker geschud. Op de andere school had hij zijn kans wel gegrepen.”  

Heeft jullie nieuwe sanctiebeleid de school sterk veranderd? 

Romy Lievens: “We zijn geen perfecte praktijk. Hier zijn nog elke dag conflicten tussen leerlingen of met leraren. Het verschil met vroeger: leerlingen hebben al verbinding met iemand op school. Dat maakt het makkelijker om een fout recht te zetten en aan herstel te werken.” 

“Tijdens de begeleidende klassenraden volgen we uitdagende klassen maandelijks op. Zo houden we zicht op hun evolutie. En uit data blijkt dat er minder strafstudies en herstelnamiddagen zijn op onze school dan pakweg 5 jaar geleden. Toch een aanwijzing dat onze aanpak werkt.” 

“Even waardevol: de voldoening die begeleidende leraren over het algemeen halen uit de herstelnamiddagen. Soms blokken leerlingen het reflectiegesprek eerst af, maar komen ze los tijdens de praktische klussen. Dan zeggen ze plots: ‘Met die leraar loopt het echt heel moeilijk’ of ‘dat conflict met die leerling was al veel langer aan de gang.’”  

“Een leerling veranderde van studierichting na een reflectiegesprek en deed het daarna veel beter. Leerlingen begroeten de leraar die hen 1 keer begeleidde jaren later nog in de gang. Of ze vragen spontaan een gesprek aan, voor het misloopt. Die stapel positieve verhalen geeft ons moed om deze aanpak verder te zetten.” 

Bron: Klasse.be

Kennisrijk curriculum: reddingslijn voor ons onderwijs?   

Meer kennis: dat moet ons onderwijs vooruithelpen. Maar over welke kennis gaat het dan? En gaan we alleen nog drillen? Tim Surma en Daniel Muijs lichten toe waarom een kennisrijk curriculum vaardigheden niet aan de deur zet. En welke beloftes het maakt aan leraren, leerlingen en ouders.    

Curriculum is bijna een buzzwoord. Waarom verdient het meer aandacht?  

Daniel Muijs: “Zonder curriculum is een school een gebouw met kinderen. Wat voegt het curriculum toe? Alles. Het vertelt wat we leerlingen willen meegeven aan kennis en vaardigheden. Daar moeten we over nadenken. Ten eerste omdat die keuze niet vrijblijvend is. Ten tweede omdat zelfs de beste didactiek niets uithaalt zonder inhoud en vakkennis. Als een leraar zelf in de knoop geraakt met statistiek, dan draait het bij zijn leerlingen natuurlijk ook vierkant.”    

Tim Surma: “Een curriculum speelt op verschillende niveaus in onderwijs. Het gaat verder dan de eindtermen die een overheid oplegt. De leerplannen van onderwijsverstrekkers dragen bij aan het curriculum, net als methodemakers en leraren die alles verder vertalen naar de klas. Naast een opsomming van wat we willen meegeven, kan het ook een plan bevatten om leerstof goed aan te brengen. Dat alles maakt het zo complex.”

“Hoe cruciaal het curriculum is, dat hadden we in ons centrum ook niet meteen door. We verdiepten ons eerst in de wetenschappelijke consensus rond didactiek. Daarna vroegen scholen hoe ze hun lestijd beter benutten. Schoolteams verdiepen zich nu in klas- en gedragsmanagement. We zien leraren knappe lessen geven in warme, gestructureerde klassen. Maar soms missen die nog wat diepgang en ambitie. Lessen over de meest basale werking van longen in het vijfde leerjaar? Waarom lukt dat in sommige buurlanden 3 jaar vroeger?”  

Jullie pleiten voor een kennisrijk curriculum. Dat impliceert dat er andere, minder rijke curricula zijn? 

Daniel Muijs: “Klopt. Een duik in het verleden leert dat curricula evolueren. Onderwijssocioloog Young onderscheidt eerst het traditionele curriculum (Future 1). Een kurkdroge set van feiten zonder veel context. Leerlingen blokten jaartallen van oorlogen, slagen en verdragen, maar wisten niet waarom ze belangrijk zijn of hoe ze op elkaar inwerken. En leraren vervielen in een cultuur van drillen en afvinken.” 

“Dat er een tegenbeweging kwam, mag niet verbazen. Natuurlijk moeten we jongeren leren om kritisch te denken en samen te werken. Maar Future 2-curricula gaan ervanuit dat je generieke vaardigheden kan opbouwen zonder kennis, en dat je die skills kan transfereren over de vakken. Dat lukt niet. Die vaardigheidscurricula drukken nu nog altijd hun stempel. Maar door die dubbele misvatting schaden ze de onderwijskwaliteit.”     

“Young pleit daarom voor een kennisrijk Future 3-curriculum. Dat ziet voorkennis als brandstof van ons denken, de basisvoorwaarde om te leren en over de wereld te praten.” 

Tim Surma:
“Youngs voorstel verzoent kennis en complexe vaardigheden. Maar het vertrekt wel van (voor)kennis. Ondertussen zijn we het erover eens dat ‘dingen weten’ – je voorkennis dus – bepaalt hoe snel en diepgaand je nieuwe leerstof de baas kan. Meer zelfs: die kennis staat ook complexe vaardigheden toe. Met een ruime woordenschat en achtergrondkennis snap je makkelijker een breed scala aan teksten. En als je thuis bent in een bepaald onderwerp, kan je er ook kritischer en creatiever over reflecteren.”

“De kracht van een kennisrijk curriculum zagen we in een Nederlandse scholengroep. Tienjarigen lezen er teksten waarvoor zelfs volwassenen beide ellebogen op tafel moeten leggen. Daarna gaat de klas in discussie over de opwarming van de aarde. Kennis opdoen en die in de praktijk brengen. Want een vaardigheid is eigenlijk toegepaste kennis. We mogen in curricula gulzig zijn: we moeten alles willen.” 

“Het hele lerarenteam in die scholengroep kent de leerlijn die leidt naar dat sterke klasdebat. Die start al in de kleuterklas. Daar ontdekken kleuters – spelenderwijs uiteraard – de wereldbol. Niet om namen van landen en hoofdsteden te drillen. Maar dat ze Italië al kennen, helpt ze om in het tweede leerjaar de Romeinen sneller te plaatsen. Gemeenschappelijk voorkennis doet lessen kleven. Het is daar een vliegwiel van motivatie en exponentiële groei.” 

Wat zijn de kenmerken van een kennisrijk curriculum?  

Tim Surma: “Het is inhoudelijk helder, ambitieus, samenhangend en opbouwend. Het vertrekt meestal binnen vakdisciplines, en kan ook over muren kijken. Want wil je lesgeven over de gevaren van microplastic, dan kan vooraf beter de spijsvertering aangebracht zijn in biologie en zeestromen in aardrijkskunde.” 

Daniel Muijs: “Ze moeten ook voldoende specifiek zijn. Want met te vage eindtermen of minimumdoelen kan je te veel kanten uit. Wanneer kunnen leerlingen kritisch denken of wat maakt hun oplossingen creatief? Dat beoordeelt elke leraar anders.”

Bijkomende vaststelling: handboekenmakers springen in dat gat?   

Tim Surma: “Klopt. Vage leerplannen willen de inhoudelijke keuzes aan scholen geven. Heel legitiem in theorie. Maar een vaag curriculum kan je op 100 manieren interpreteren. Handenvol denkwerk. Methodemakers vullen vandaag die ruimte in. Alleen maken ze arbitraire keuzes en leermiddelen van wisselende kwaliteit. Als een leerplan specifieker en kennisrijker is, worden keuzes van methodemakers minder bepalend. En worden schoolboeken beter.” 

Daniel Muijs: “Ook centrale toetsen kunnen de regie nemen als eindtermen en leerplannen te vaag blijven. Dan worden zij het curriculum. Maar daarmee vereng je onderwijs en stijgen de kansen op teaching to the test. In Noord-Ierland palmt de voorbereiding op de eindtoetsen in de laatste 2 jaar van het basis- en secundair onderwijs te veel lestijd in.” 

Hoe bepalen we welke kennis in het curriculum moet? En wie beslist?  

Daniel Muijs: “Pertinente vragen. Wat we kinderen willen leren, is voer voor een democratisch debat. De keuze is nooit vrijblijvend. Soms kan je je baseren op wetenschap, zoals basisconcepten waarop een vak verder bouwt. Zonder de stelling van Pythagoras geraak je nergens in wiskunde. Andere keuzes zijn deels sociaal-politiek. Geschiedenis staat altijd garant voor pittige discussies omdat je raakt aan identiteit. Literatuur ook. Is de canon te blank of te mannelijk? Een debat daarover is gezond.” 

Tim Surma: “Waarover bestaat consensus binnen een discipline? Dat is altijd een sterk vertrekpunt. Elke geograaf onderschrijft de ijstijden. Dan verdienen die wellicht een plek in het curriculum. Maar nabijheid is ook een criterium. Nogal wiedes dat onze tieners de rivieren van Mozambique of de Britse graafschappen niet moeten kennen. Dat zijn doodlopende straatjes. In latere schooljaren bouwen ze daarop geen diepere kennis of vaardigheden.” 

Loert daar een gevaar? Kan een gevuld en specifiek curriculum leraren overladen of verstikken? 

Tim Surma: “We pleiten zeker niet voor een 100% dichtgetimmerd curriculum, waarbij iedereen zijn eisenpakket op de kar gooit en leraren geen eigen accenten kunnen leggen. Kennisrijk betekent vooral uitdagende doelen selecteren waarop je collega’s later kunnen voortbouwen.” 

“Een sterk curriculum versterkt elke leraar, maar maakt vooral het hele lerarencollectief vele malen beter. Zo’n curriculum kost leraren trouwens mínder werk. Vage leerdoelen interpreteren is dan verleden tijd. Leraren kunnen focussen op hoe ze leerstof overbrengen en makkelijker eigen lesmateriaal ontwikkelen. Bovendien: wie wordt warm van vage doelen? Die motiveren niet, dat merkt elke leraar ook bij zijn leerlingen.”  

Het Engelse onderwijs vernieuwde zijn curriculum. Zit het daarom in de lift? 

Daniel Muijs: “Het Engelse onderwijs zat 10 jaar geleden in de hoek waar de klappen vielen. Zoals Vlaanderen vandaag. Het sein voor een reeks hervormingen: een kennisrijk curriculum, ingrepen in het examensysteem, de inspectie, de lerarenopleidingen en de professionalisering van leraren. Door dat samenspel recht het onderwijs weer de rug op internationale toetsen.”

“Wat de overzeese keuzes extra interessant maakt? De vergelijking met de andere naties van het Verenigd Koninkrijk. Verschillen kan je niet afschuiven op cultuur, wel op onderwijsbeleid. Schotland kiest resoluut voor een competentiegericht curriculum. Dat levert het land een zwakke PISA-score op. Hetzelfde verhaal voor Wales. Nu: het Engelse onderwijs is er nog niet. Er is bijvoorbeeld kans op willekeur. In het taalcurriculum legde de onderwijsminister hoogstpersoonlijk zijn favoriete boeken op.”    

Tim Surma: “Op bezoek in Engelse scholen stellen we vast dat het kennisrijke curriculum de motor is. Als je veel verwacht op het einde van het basisonderwijs kan de lerarenopleiding niet achterblijven. En natuurlijk moet je dan ook sleutelen aan je toetsing, moet de inspectie en professionalisering mee zijn. Tweede observatie: samen met het curriculum moet de didactiek ook sterker. Want hogere standaarden zonder effectieve lesaanpak? Dan eindigen gewoon meer leerlingen onder de lat. Voor je het weet, creëer je een versterkte waterval.” 

Draagt een kennisrijk curriculum bij tot gelijke kansen?  

Tim Surma: “Een kennisrijk curriculum heeft de grootste impact op kinderen uit kwetsbare gezinnen, toont Amerikaans onderzoek. Die jongeren zijn heel afhankelijk van school om kennis en academische woordenschat op te pikken. Anders dan bij kinderen in meer geprivilegieerde gezinnen geven hun ouders geen onbewuste bijlessen aan de keukentafel of tijdens uitstapjes.” 

“’Onderwijs moet kansarme kinderen in staat stellen het spel volgens de regels te spelen. Zodat ze het ooit winnen’, stelt onderwijsexpert E.D. Hirsch. Die rol van gelijkmaker speelt het Engelse onderwijs steeds beter, dankzij het kennisrijke curriculum. Vlaamse directeurs en leraren die met ons mee klassen met kansarme kinderen of kleuters bezoeken, zijn onder de indruk en zelfs ontroerd over de kracht die onderwijs kan hebben.” 

Kunnen leraren zelf het curriculum kennisrijker maken? 

Tim Surma: “Vakgroepen kunnen samen bekijken welke minimale basiskennis ze elk jaar willen meegeven. En goed in kaart brengen: wat moet ik leerlingen aanreiken zodat ze later goed kunnen volgen? Want de inhoud die jij meegeeft, is de voorkennis van morgen. Dat maakt van een kennisrijk curriculum een set van beloftes aan de volgende leraar. Jij legt een stabiele laag waarop je collega’s kunnen verder bouwen.” 

“Maar mijn belangrijkste advies is: begin morgen niet op eigen houtje aan een curriculumherwerking. Voor leraren of vakgroepen is het schier onmogelijk boven op hun stevige dagtaak. In uitzonderlijke gevallen lukt het wel. Dat bewijzen de wiskundeleraren die een eigen, ambitieus leerplan opstelden. Maar die ervaren klasbakken vertrokken niet van 0. Ze bliezen eerst het stof weg van een oud leerplan.” 

“Goed nieuws: het leeuwendeel van de leraren is overtuigd van kennisrijke curricula. ‘Dat wisten we al langer’, klinkt het soms een beetje boos. En ook de koepels stropen nu de mouwen op. Ze werken aan nieuwe leerplannen.”  

Is een kennisrijk curriculum ook een belofte aan leerlingen, ouders en samenleving dat de kwaliteit in ons onderwijs stijgt?  

Daniel Muijs: “Zeker. Het belooft niet alleen betere leerresultaten, maar ook lessen die je leven verrijken. Ook kinderen uit middenklasse-gezinnen krijgen niet automatisch een brede culturele of wetenschappelijke vorming mee.” 

Tim Surma: “Daarnaast is een kennisrijk curriculum de grootste garantie op maatschappelijke betrokkenheid en levenslang leren. Een brede kennisbasis stelt mensen immers in staat om domeinkennis toe te passen op nieuwe ervaringen, gesprekken en problemen. En door kinderen na een goed, breed debat gemeenschappelijke referentiekaders mee te geven, draagt een kennisrijk curriculum ook bij tot meer onderling begrip.”  

Daniel Muijs: “Essentieel. Want algoritmes en aparte communicatieplatformen duwen mensen in bubbels. We verliezen gemeenschappelijke grond én de kans om nieuwe werelden te ontdekken. Spotify – een onschuldig voorbeeld – is een heerlijke streamingsdienst. Maar voor je het weet, hoor je alleen nog muziek die sterk lijkt op wat je kent. Als onze maatschappij ons steeds vaker personaliseert en feiten minder checkt, moet het onderwijs tegengas geven. Ook dat maakt kennisrijke curricula vandaag meer dan ooit nodig.”

aniel Muijs leidt het Departement Sociale Wetenschappen, Onderwijs en Zorg van Queen’s University Belfast. Tim Surma is directeur van Expertisecentrum Onderwijs en Leren, Thomas More. Samen schreven ze mee aan het boek Developing Curriculum for Deep Thinking: The Knowledge Revival.

Bron: klasse.be