Pensioenhervormingen  zorgen voor enorme sociale onrust

Pensioenhervormingen  zorgen voor enorme sociale onrust

Er is heel wat sociale onrust over de pensioenhervorming die op stapel staat. Maar er dreigt ook sociale onrust als er geen pensioenhervorming komt. Kunnen we vermijden dat het vertrouwen in de overheid nog meer wegkwijnt?

Naast de hervormingen van de arbeidsmarkt en van onze fiscaliteit is de hervorming van de pensioenen een van de drie grote werven voor een volgende regering. Over de drie thema’s laaien de gemoederen snel en hoog op, en misschien geldt dat nog het meest voor de pensioenen.

Mensen die hun hele leven hard hebben gewerkt, hopen aan het eind van hun loopbaan op een fatsoenlijk wettelijk pensioen, zodat ze hun oude dag aangenaam en zonder grote financiële zorgen kunnen doorbrengen. Daarbij komt dat pakweg een op de vijf inwoners van ons land 65 jaar of ouder is.

En dan zijn er ook nog honderdduizenden zestigplussers die hopen dat ze binnen afzienbare tijd met pensioen kunnen gaan. Samen is dat een héél grote groep in onze samenleving waarvoor het beloofde/verhoopte pensioen een uiterst gevoelig thema is.

Pensioenverplichtingen

Vandaag vormen de pensioenen in ons land een kluwen waar zelfs de grootste specialisten moeilijk hun weg in vinden. De wettelijke pensioenen van ambtenaren, zelfstandigen en werknemers liggen ver uit elkaar en binnen elke categorie zijn er nog heel veel uitzonderingen en bijzondere regimes. Klassieke voorbeelden zijn de militairen die al op 56 jaar met pensioen kunnen en het rijdend personeel van de NMBS dat dat al op 55 jaar kunnen. Maar er zijn honderden andere afwijkingen.

Zonder serieuze pensioenhervorming komt de betaalbaarheid van onze pensioenen in gevaar. En het weegt ook op de overheidsuitgaven voor onze gezondheidszorg, politie, justitie, infrastructuur en noem maar op.

Een pensioenhervorming moet niet alleen een einde maken aan dat onrechtvaardig kluwen, er is meer: zonder serieuze pensioenhervorming komt de betaalbaarheid van onze pensioenen in gevaar. En niet alleen van onze pensioenen, want als de pensioenuitgaven stijgen (en meer stijgen dan ons bbp, wat we met zijn allen aan  goederen en diensten produceren) dan moet er een groter deel van het overheidsinkomen naar de pensioenen gaan. Dat weegt niet alleen zwaar op de begroting, maar zorgt er ook voor dat de overheidsuitgaven voor onze gezondheidszorg, politie, justitie, infrastructuur en noem maar op onder druk komen te staan.

In een van de versies van de supernota die formateur Bart De Wever (N-VA) op tafel legde bij de onderhandelende partijen N-VA, Vooruit, CD&V, MR en Les Engagés, staat het zo: ‘Het risico bestaat dat België in een situatie terechtkomt waarin het niet langer in staat is om aan zijn pensioenverplichtingen te voldoen zonder aanzienlijke belastingverhogingen of drastische bezuinigingen elders in het budget.’

Jongeren

Erger nog: ‘Het huidige (pensioen-)systeem dreigt, indien ongewijzigd, ook een negatief effect te hebben op de intergenerationele solidariteit’, zo staat verder in de supernota. ‘De jongere generaties zouden een disproportioneel zware last moeten dragen om de pensioenen van een vergrijzende bevolking te financieren, wat kan leiden tot spanningen tussen generaties en mogelijk zelfs tot sociale onrust.’ Zonder pensioenhervorming is de kans op sociale onrust bij jongeren reëel.

Ondanks de zinsnede ‘met respect voor de legitieme verwachtingen van mensen die vlak voor hun pensioenleeftijd staan’, stonden de NMBS-begeleiders, de militairen en de vakbonden meteen op hun achterste poten.

Om al die redenen is een pensioenhervorming meer dan gewenst, ze is zelfs noodzakelijk. Maar dan komt de vraag: hoe moet die pensioenhervorming eruit zien? Wat moet die inhouden? Hoe schaffen we alle koterijen en gunstregimes af en maken we het hele systeem transparant? Hoe kunnen we de pensioenen van de ambtenaren, werknemers en zelfstandigen op elkaar afstemmen? Hoe zorgen we ervoor dat de wettelijke pensioenen niet verpieteren tot een aalmoes?

Verworven rechten

Hoe de pensioenhervorming eruit zal zien is nog onduidelijk, al zijn er wel al enkele zaken uitgelekt over wat er op tafel ligt tijdens de regeringsonderhandelingen, onder meer over de klassieke voorbeelden van bijzondere voorwaarden. ‘De pensioenleeftijd van militairen (56 jaar) en NMBS-treinbegeleiders (55 jaar) wordt opgetrokken naar 58 jaar vanaf 1 januari 2025’, zo staat het in een supernota. ‘Vanaf 1 januari 2026 wordt hun pensioenleeftijd geleidelijk verhoogd met zes maanden per jaar – met respect voor de legitieme verwachtingen van mensen die vlak voor hun pensioenleeftijd staan – tot de wettelijke pensioenleeftijd van andere ambtenaren, werknemers en zelfstandigen.’

Ondanks de woorden ‘geleidelijk’ en de zinsnede ‘met respect voor de legitieme verwachtingen van mensen die vlak voor hun pensioenleeftijd staan’, stonden de NMBS-begeleiders, de militairen en de vakbonden meteen op hun achterste poten. Zij beschouwen de uitzonderingen als verworven rechten waar niet aan gemorreld kan worden, zeker niet zonder compensatie.

Uitgesteld loon

Een ander fragment in de supernota zegt: ‘Het pensioen van een werknemer en zelfstandige wordt berekend op basis van het loon of inkomen over de volledige loopbaan. Bij de berekening van het ambtenarenpensioen wordt vandaag enkel het loon van de laatste 10 jaar van de loopbaan in rekening genomen. Deze ongelijke berekening van het ambtenarenpensioen laten we geleidelijk uitdoven door de berekening vanaf 1 januari 2025 te baseren op het loon van de laatste 20 jaar. Vanaf 2026 wordt deze referteperiode elk jaar met een jaar verhoogd tot 40 jaar vanaf 2045.’

Kiest iemand van 22 er bewust voor om leraar te worden, omdat dat meer dan 40 jaar later een beter pensioen zal opleveren? Dat is zeer de vraag.

Ambtenaren reageerden meteen. Zij vinden dat het ambtenarenpensioen hoger mag liggen dan dat van een werknemer omdat hun pensioen een vorm is van ‘uitgesteld loon’: ambtenaren verdienen tijdens hun loopbaan minder, zeggen zij, maar aan hen is beloofd dat dat met het pensioen wordt gecompenseerd.

Bovendien mogen ambtenaren hun wettelijk pensioen niet laten groeien via de tweede pensioenpijler, het aanvullend pensioen, zo benadrukken ze. Werknemers en zelfstandigen kunnen dat wel doen. Dat niet alle werknemers een aanvullend pensioen opbouwen wordt daarbij weleens vergeten.

De pineut

Gevolg is dat ‘ambtenaren die van een gunstregime genieten, de pineut zijn’, zoals pensioenexperte Ria Janvier (UAntwerpen) dit weekend in De Morgen zei. ‘In die groep van ambtenaren vormen de leerkrachten de grootste groep. Het is volkomen begrijpelijk dat ambtenaren zich bekocht voelen, aangezien ze ooit bewust hebben gekozen om voor de overheid te werken’, aldus nog Janvier. Maar kiest iemand van pakweg 22 jaar er bewust voor om leraar te worden, omdat dat meer dan 40 jaar later een beter pensioen zal opleveren? Dat is zeer de vraag.

Hoe dan ook, als de regeringsonderhandelingen zouden slagen en de pensioenhervormingen zoals ze tot nu toe bekend zijn worden doorgevoerd, dan zal dit leiden tot sociale onrust, deze keer aangevuurd door de zestigplussers. Velen zullen het niet pikken dat ze niet het pensioen krijgen wat hen jarenlang werd voorgespiegeld, ook al was het gebaseerd op een of andere lucratief uitzonderingsregime.

Sociale onrust

Als er geen serieuze pensioenhervorming komt, dan dreigt er sociale onrust. Als er wel een serieuze pensioenhervorming komt, dan dreigt er ook sociale onrust. Dat is het gevolg van het jarenlang, nee excuseer, decennialang uitstellen van een grondige pensioenhervorming.

Want de huidige situatie werd al heel lang geleden aangekondigd. Weinig zaken kun je zo makkelijk voorspellen als het aantal mensen dat binnen 30, 40, 50 jaar met pensioen zal gaan. En dat is ook berekend: om de budgettaire en sociale gevolgen van de vergrijzing na te gaan werd in 2001 de Studiecommissie voor de vergrijzing opgericht. Die leverde elk jaar een rapport af dat wees op de stijgende uitgaven voor gezondheidszorg en pensioenen. In 2013 kwam de Commissie Pensioenhervorming tot stand die scenario’s aanreikte voor een pensioenhervorming. Tien jaar later staan we nog altijd nergens.

Contractbreuk

Je kunt de pensioenhervorming niet met terugwerkende kracht invoeren, je kunt geen pensioen afpakken van de mensen die vandaag al van hun oude dag genieten. Het zal ook zeer moeilijk zijn om de pensioenhervorming op korte termijn te laten ingaan, er is dan al snel sprake van ‘contractbreuk’.

De pensioenhervorming zal dus stapsgewijze moeten worden ingevoerd, ook al betekent dit dat de pensioenen nog jarenlang zeer zwaar zullen wegen op onze begroting, dat sommige uitzonderingsregimes maar langzaam zullen uitdoven, dat het kluwen nog enige tijd zal bestaan, enzoverder.

Zo staat het ook in een van de supernota’s: ‘Geleidelijkheid en het respect voor verworven rechten zijn de hoekstenen van de hervormingen (van de pensioenen) die we doorvoeren. Dit betekent dat veranderingen stap voor stap worden geïmplementeerd om de impact op individuen te minimaliseren en dat bestaande rechten van pensioengerechtigden worden gerespecteerd. Deze aanpak zorgt ervoor dat de hervormingen duurzaam en sociaal rechtvaardig zijn, en dat ze bijdragen aan de langetermijnstabiliteit van ons pensioenstelsel.’

Zachte heelmeesters

De verantwoordelijke politici hadden de pensioenhervorming dus al 20 jaar geleden stapsgewijs moeten invoeren. Ze hebben de zaak laten etteren en hoe langer dit nu duurt, hoe moeilijker het wordt. Zachte heelmeesters, maken stinkende wonden en dat geldt ook in de pensioenhervorming.

Het debacle dat de PS en de Open VLD in de pensioenen mee hebben veroorzaakt, laten ze liever door anderen opruimen.

Wie zijn de directe verantwoordelijken? Onze ministers van Pensioenen. Sinds begin deze eeuw hebben we er negen gehad: Frank Vandenbroucke (Vooruit), Bruno Tobback (Vooruit), Christian Dupont (PS), Marie Arena (PS), Michel Daerden (PS), Vincent Van Quickenborne (Open VLD), Alexander De Croo (Open VLD), Daniel Bacquelaine (MR) en Karine Lalieux (PS).

Wie het lijstje ministers overloopt ziet dat de socialisten en liberalen de voorbije twintig jaar de ministers van Pensioenen hebben geleverd en dus een grote verantwoordelijkheid dragen. Vooruit en MR onderhandelen nu mee over een nieuwe regering, de PS en de Open VLD niet. Meer zelfs, de PS en de Open VLD hebben laten weten dat ze niet mee willen regeren. Het debacle dat ze in de pensioenen mee hebben veroorzaakt, laten ze liever door anderen opruimen.

Vertrouwen

In een van de supernota’s staat waarom er nu absoluut een grondige pensioenhervorming moet komen: ‘Tot slot moet worden opgemerkt dat de uitblijvende hervormingen niet alleen financiële implicaties hebben, maar ook het vertrouwen in de overheid kunnen schaden. Als de bevolking het gevoel krijgt dat het pensioenstelsel onhoudbaar is en dat hun toekomstige welvaart in gevaar komt, kan dit leiden tot een afnemend vertrouwen in het sociaal contract en de overheid als geheel. Dit zou de politieke stabiliteit kunnen ondermijnen en sociale cohesie kunnen aantasten. Daarom is het van vitaal belang dat België nu de juiste stappen onderneemt om het pensioenstelsel te hervormen en te zorgen voor een duurzaam en rechtvaardig systeem voor de komende generaties.’

We zullen zien. Ondertussen deemstert het vertrouwen bij jong en oud in de overheid weg. En we zullen de zin uit de supernota nog eens citeren: ‘Dit zou de politieke stabiliteit kunnen ondermijnen en sociale cohesie kunnen aantasten.’ De kostprijs daarvan ligt onberekenbaar hoog.  

Bron: Knack

Het zevende jaar secundair onderwijs kan je vanaf volgend schooljaar in één semester afronden

15 richtingen in het zevende middelbaar zullen vanaf volgend schooljaar nog maar één semester duren, in plaats van een volledig schooljaar. Dat heeft de Vlaamse regering beslist. Het gaat om richtingen die je voorbereiden op een job zoals barman, vloerder of bediener van industriële machines.

Het zevende schooljaar in het secundair onderwijs wordt momenteel ingericht als een specialisatiejaar, enerzijds om zich te specialiseren in een bepaald vakgebied, anderzijds om zich voor te bereiden om in te stromen in hoger onderwijs. Maar de manier waarop dat zevende jaar ingericht wordt, verandert vanaf volgend schooljaar.

Dan kan je laatste schooldag al halfweg het schooljaar vallen. Toch als je eraan denkt om je in een zevende jaar te specialiseren als bijvoorbeeld klantcontactmedewerker of torenkraanbestuurder. In totaal 15 richtingen in dat zevende jaar zullen op één semester georganiseerd worden.

  • Welke opleidingen worden korter?
    • Binnen het domein STEM: bestuurder mobiele kraan, monteur steigerbouw, operator stansmachine in de papier- en kartonbewerkende industrie, operator vouw-plakmachine in de papier- en kartonbewerkende industrie, plaatser houten vloerbedekking en torenkraanbestuurder
    • Binnen het domein economie en organisatie: klantcontactmedewerker.
    • Binnen het domein maatschappij en welzijn: procesoperator textielverzorging.
    • Binnen het domein voeding en horeca: barman, chef de partie desserten, gebak en brood; chef de partie groenten, fruit en kruiden; chef de partie vis, schaal- en schelpdieren; chef de partie vlees, wild en gevogelte; ijsbereider en suiker- en marsepeinbewerker. 

“In het nieuwe systeem worden de leerlingen enkel voorbereid in een specifiek vakgebied. Iemand die als houtbewerker afstudeert in het zesde middelbaar, kan zich in dat zevende jaar dan specialiseren in het leggen van parket. Maar de voorbereiding op het hoger onderwijs zit er niet meer bij”, zegt Dirk Lenaerts, coördinerend directeur van de scholengroep Oscar Romero in Antwerpen.

“Voor sommige studierichtingen in het zevende jaar komt het nieuwe systeem dus neer op een verkorting van de studieduur. Wat niet zo onlogisch is”, vindt Lenaerts. Hij vindt de veranderingen een goede zaak, omdat leerlingen sneller kunnen doorstromen naar de arbeidsmarkt.

“Voor de leerlingen die na een specialisatiejaar willen doorstromen naar het hoger onderwijs, verandert er niks”, zegt Lenaerts. “Zij volgen wel nog een volledig jaar les.”

Nog andere vernieuwingen

Toch ziet het zevende jaar er zonder de kortere studieduur van sommige richtingen vanaf volgend schooljaar wel anders uit. Een gevolg van de onderwijshervorming.

Leerlingen in het zesde jaar gericht op de arbeidsmarkt – het vroegere bso- krijgen vanaf dit jaar al een diploma secundair onderwijs na het zesde middelbaar. Het kwalificatieniveau van dat diploma ligt wel lager dan dat van een diploma na het zesde jaar in een doorstroomrichting of dubbele finaliteit, vroeger aso en tso. Je kan ermee een graduaatsopleiding aan de hogeschool starten, maar geen bacheloropleiding.

Tot nu kon je na je zevende jaar bso wel nog aan een bacheloropleiding starten. Maar ook dat zal dus veranderen. Je hebt twee opties als je wil verder studeren:

Als je een zevende jaar volgt om je voor te bereiden op een job, krijg je de bijhorende beroepskwalificaties maar geen extra diploma meer. Je kan na je zevende jaar wel nog een graduaatsopleiding aan de hogeschool volgen maar geen bacheloropleiding.

Een andere optie is om een vernieuwde richting in het zevende jaar te volgen die je specifiek voorbereidt op het hoger onderwijs. “Momenteel is dat nog naamloos, maar het wordt hervormd en krijgt een nieuwe naam. Het zal ook 2 semesters duren. Dan krijg je wel een secundair diploma waarmee je aan een bachelor kan beginnen”, zegt directeur Lenaerts.

Nog anders wordt het voor wie apothekersassistent wil worden. Die opleiding wordt vanaf september 2027 omgevormd tot een hogeschoolopleiding van 3 semesters.

“Kijken hoe we leerkrachten in tweede semester aan het werk zetten”

Waarom wordt voor bepaalde zevende jaren de studieduur verkort? “Het bedrijfsleven vroeg om het zevende jaar flexibeler te maken. Daarnaast kan zo’n flexibeler systeem ervoor zorgen dat jongeren school minder snel vroegtijdig verlaten”, verklaart Vlaams minister van Onderwijs Zuhal Demir (N-VA).

Jongeren kunnen er ook voor kiezen om twee opleidingen op één schooljaar te combineren, zegt Demir: “In theorie kunnen de verschillende richtingen twee keer per jaar opgestart worden. Daardoor kunnen leerlingen ook twee richtingen combineren in één jaar en dus twee certificaten op zak steken. Dat is zeker een pluspunt in de huidige arbeidsmarkt.”

Directeur Lenaerts ziet vanuit het standpunt van de leerlingen niet meteen nadelen, maar misschien wel voor de organisaties in de scholen. “Het is niet zo evident om iets in te richten dat van september tot januari loopt. De leerlingen studeren in principe af eind januari, maar er is wel een leraar die aangenomen is van september tot juni.”

“Voor scholen is het nadenken hoe dat tweede semester te organiseren. Het is nog een beetje puzzelen wat die leerkrachten zullen gaan doen, want ze zijn er wel. Maar voor alles is een oplossing.”

Bron: vrt.nws

Ontslag: juist of fout?

Stelling 1: als je ontslagen wordt, moet je onmiddellijk stoppen met werken

❌ Fout

Bij ontslag heb je recht op een opzegtermijn. Dat betekent dat je nog enkele weken of maanden in dienst blijft, zodat je tijd hebt om nieuw werk te zoeken. Hoe lang die opzegtermijn duurt, hangt af van je anciënniteit.

Uitzondering: bij ontslag om dringende reden heb je geen recht op een opzegtermijn en moet je wel onmiddellijk stoppen met werken. 

Stelling 2: tijdens je opzegtermijn mag je vrij nemen om te solliciteren

✅ Juist

Je hebt recht op sollicitatieverlof tijdens je opzegtermijn. Je mag 1 dag per week vrij nemen om te solliciteren. Je werkgever kan dat niet weigeren en je hoeft niet te bewijzen dat je solliciteert.

Stelling 3: tijdens je opzegtermijn krijg je een ontslagvergoeding in plaats van je loon

❌ Fout

Tijdens je opzegtermijn ontvang je gewoon je loon. Als je werkgever echter beslist dat je je opzegtermijn niet moet doen en dus niet meer moet werken, ontvang je een ontslagvergoeding. Dat is het loon dat je zou krijgen als je je opzegtermijn wel doet.

Uitzondering: bij ontslag om dringende reden heb je geen recht op een ontslagvergoeding. 

Stelling 4: je hebt documenten van je werkgever nodig om een werkloosheidsuitkering aan te vragen

✅ Juist

Je hebt bepaalde documenten nodig, zoals je C4 (werkloosheidsattest), om een werkloosheidsuitkering aan te vragen. Let erop dat je die documenten krijgt als je contract eindigt.

Stelling 5: je moet ingeschreven zijn bij VDAB om recht te hebben op een werkloosheidsuitkering

✅ Juist

Om een werkloosheidsuitkering te krijgen, moet je je binnen 8 dagen na het einde van je opzegtermijn inschrijven bij VDAB en langsgaan bij je uitbetalingsinstelling.

Let wel: bij ontslag om dringende reden heb je niet onmiddellijk recht op een werkloosheidsuitkering.

Stelling 6: outplacement is alleen voor werknemers die ouder zijn dan 45 jaar

❌ Fout

Outplacement is begeleiding bij het vinden van een nieuwe job. Je hebt er recht op als je opzegtermijn minstens 30 weken is, ongeacht je leeftijd. Het is verplicht als je 45 jaar of ouder bent of bij een herstructurering met een tewerkstellingscel.

Stelling 7: via VDAB heb je recht op begeleiding en gratis opleidingen

✅ Juist

Als je je inschrijft bij VDAB, kan je gebruikmaken van begeleiding en gratis opleidingen om je kansen op de arbeidsmarkt te vergroten.

Stelling 8: je werkgever hoeft de reden van je ontslag niet te vertellen

❌ Fout

Je hebt het recht om de reden van je ontslag op te vragen als je die niet spontaan hebt gekregen. Dat is belangrijk als je denkt dat je ontslag onterecht is.

En… hoeveel stellingen had je juist ingeschat?

Niet tevreden over je resultaat? Op deze pagina lees je alles over je rechten bij ontslag. Zo kan je je kennis opfrissen.

Tot slot

Word je ooit ontslagen, laat je er dan niet door ontmoedigen. Zie het als een kans om jezelf te ontplooien en een job te vinden die nog beter bij je past. Met de juiste informatie en ondersteuning sta je sterker dan voorheen.

Bron: vdab.be

“Verbale agressie is wekelijkse kost”: Vlaamse regering wil nultolerantie voor geweld tegen leerkrachten

De Vlaamse regering wil een nultolerantie hanteren voor geweld en bedreigingen tegen leerkrachten. Dat heeft Vlaams minister van Onderwijs Zuhal Demir (N-VA) gezegd in de commissie Onderwijs van het Vlaams Parlement. Concreet zal de overheid zich altijd burgerlijke partij stellen. Het geweld tegen leerkrachten neemt toe en dat is alarmerend, vindt Demir. “Verbale agressie is wekelijkse kost geworden”, zo getuigt leerkracht Jo.

Een recente video op sociale media liegt er niet om. Een Hasseltse leerling slaat een leerkracht vol in het gezicht. Helaas is het geen alleenstaand geval. Jongeren gebruiken in het algemeen steeds meer geweld, ook op school.

“We zien bij jeugddelinquentie dat de feiten die in het algemeen gepleegd worden, los van wat er op school gebeurt, ernstiger zijn dan vroeger. Dat is alarmerend. Er zijn heel wat signalen, ook maatschappelijk, dat daar iets gaande is”, zegt Demir. Ze laat het geweld in Vlaanderen daarom in kaart brengen.

“Wekelijkse kost”

Agressie op school is meer dan fysiek geweld, het kan ook verbaal zijn. En ook dat kan aankomen. Daar kan Jo Morato over meespreken. Hij is al 20 jaar klastitularis en leerkracht mechanica en duaal lassen in de 2e graad van het secundair onderwijs. “Ik heb dat fenomeen toch zien toenemen in de laatste 20 jaar. Leerkracht zijn is tegenwoordig meer dan alleen een vak geven.”

“Zelf heb ik nog geen fysieke agressie meegemaakt, maar verbale agressie is wekelijkse kost. Het gaat soms zelfs zo ver dat we de directie moeten bellen om een leerling weg te halen. Dat doet wel iets met een mens, maar je wil dat niet laten merken. Je wil dat de rest van de klasgroep verder kan.”

Jo vindt het belangrijk om verder te kijken dan een verbale uithaal. “De leerlingen nemen vaak frustraties mee naar school. Het is een uiting van woede en ik sta daar toevallig tussen. Ik probeer het wel zo veel mogelijk te relativeren en het niet persoonlijk te nemen.”

“Moedeloos”

“De ene dag ga je al beter om met die agressie dan de andere”, zo getuigt ook Karel*. Hij geeft al 25 jaar les in het buitengewoon onderwijs aan jongeren met een gedrags- en emotionele stoornis. Dagelijks krijgt hij te maken met verbale agressie.

“Fysiek geweld is veel verminderd. Nu gaat het over bedreigingen en je uitschelden. Je stelt je weerbaar op als leerkracht, maar soms komt dat hard binnen. Je blijft een mens van vlees en bloed met gevoelens.”

“Er zijn dagen dat ik thuis kom en al huilend in de zetel zit, bij manier van spreken. Je voelt je moedeloos omdat je weer gefaald hebt. Je probeert die jongeren iets bij te brengen en de dank daarvoor is een scheldpartij. Dat weegt ook op je gezinsleven.”

“Ik voel me gelukkig wel nog veilig op school, maar ik sta hier ook al erg lang voor de klas. Misschien is het voor jongere leerkrachten wel een brug te ver.”

Luisterend oor

Zowel Jo als Karel kunnen gelukkig rekenen op steun van hun collega’s. “Af en toe eens ventileren bij hen is belangrijk”, zegt Karel. “Als je ziet aan de collega’s dat ze het moeilijk hebben, dan ga je er naartoe. Een babbel doet enorm veel. Daardoor heb je het gevoel dat je er niet alleen voorstaat. Dat het probleem niet alleen bij jou ligt.”

Leerkrachten kunnen zich ook wapenen tegen agressie door extra opleidingen te volgen. Jo is al 20 jaar leerkracht en heeft intussen veel ervaring, maar vindt dat er in zijn opleiding niet genoeg aandacht was voor agressie. “De opleiding ging ervan uit dat zoiets in het reguliere onderwijs niet gebeurt.”

Er moet meer ingezet worden op opleidingen, vindt ook Iris Steenhout, criminologe aan de VUB. “Leerkrachten zien in hun studies wel een deeltje rond agressie. Maar we hebben nu ook heel wat zij-instromers in het onderwijs die dat gemist hebben. Zij weten niet altijd hoe ze zulke situaties moeten aanpakken. Vooral opleidingen rond de-escalatie en weerbaarheid kunnen nuttig zijn.”

Aftasten van grenzen

Steenhout voerde recent onderzoek naar agressie tegen leerkrachten in het secundair onderwijs. “Het gaat vooral om leerkrachten bespuwen, imitatiegedrag, verbale agressie en seksuele intimidatie. Ook fysieke agressie komt voor, maar hoe zwaarder de agressie, hoe zeldzamer.”

“Heel veel van de pesterijen hebben te maken met het aftasten van grenzen en het gezag van de leerkracht in vraag stellen”, zegt Steenhout. “Het middelbaar onderwijs bevat nu eenmaal een groep jongeren die proberen een plaats te vinden in de samenleving. Dat maakt deel uit van hun groei.”

“En daarbij krijgen ze ook nog eens te maken met hormonale schommelingen die hun gedrag beïnvloeden. Al wil dat natuurlijk niet zeggen dat je daardoor agressie moet gebruiken.”

Meldpunt

Het onderwijs moet beter gewapend worden tegen geweld. “Herhaald agressie ondergaan leidt tot ontevredenheid, angstgevoelens, vermoeidheid en zelfs agressie of burn-out. In een tijd met een lerarentekort is dat toch iets om aandacht aan te besteden”, aldus Steenhout.

Daarin speelt ook het beleid van de school een belangrijke rol. “Het is vooral belangrijk om een luisterpunt te voorzien als school. Zo weet een leerkracht dat die ergens terechtkan.”

Jo kan op zijn school bijvoorbeeld aankloppen bij de leerlingenzorg en de pedagogisch directeur. En er is ook een meldpunt.

“Helaas zien we wel dat meldingen bij de school soms zonder gevolg blijven”, zegt Steenhout. “Scholen weten soms niet goed hoe ze agressie moeten aanpakken. Dan moeten ze extra ondersteuning durven te vragen.”

“Maar het gebeurt ook dat scholen agressie niet bespreekbaar durven maken, omdat ze vrezen om de school in een slecht daglicht te zetten. Daar speelt dus onwil en dat is echt onaanvaardbaar.”

“Het leidt tot een slecht schoolklimaat waarbij je nog meer escalaties en uitval van leerkrachten gaat krijgen. Bovendien heb je als werkgever een plicht om te zorgen voor de veiligheid van je werknemers en je scholieren.”

Bron: vrt.nws

Fatima: ‘Ik wil zorgkundige worden, maar werd richting poetsen gestuurd’

Fatima: ‘Ik wil zorgkundige worden, maar werd richting poetsen gestuurd’

Michelle Ginée werkte enkele jaren als OCMW-maatschappelijk werker. Ze ontmoette er heel wat mensen die niet vooruit geraakten, ook al deden ze keihard hun best. Om te tonen hoe dat komt, schreef Michelle het boek ‘Arm in rijk Vlaanderen. Getuigenissen over armoede’. Dit artikel draait rond het verhaal van Fatima.

Werken of studeren

Fatima (43): “Ik zit in de wachtzaal van het OCMW en blader door wat boekjes en brochures. In mijn handtas zit mijn getuigschrift van de lessen Nederlands, dat kan ik trots aan mijn maatschappelijk werker Celine tonen. Mijn Nederlands is best goed, al struikel ik nog wel eens over lidwoorden en vervoegingen van werkwoorden.”

“Ik zit nu op het niveau om een job te zoeken, maar mijn leerkracht moedigt me aan om nog verder te studeren zodat mijn Nederlands goed genoeg is om hier een opleiding tot zorgkundige aan te vatten. Ik ben benieuwd wat Celine ervan vindt.”

Beginnen nadenken over werken

“Ik zit nog volop in gedachten verzonken als Celine mijn naam roept. We gaan samen naar haar kantoor. Celine reageert erg enthousiast als ik haar het getuigschrift toon. ‘Knap gewerkt, Fatima,’ zegt ze. ‘Nu kunnen we beginnen nadenken over werken. Heb je al eens nagedacht over wat je graag zou willen doen?’”

“Ik vertel haar dat ik blij ben dat ze erover begint, want inderdaad, ik heb er al erg lang over nagedacht. ‘In mijn land van herkomst werkte ik als hulp van de verpleegkundigen in een ziekenhuis,’ vertel ik haar. ‘Ik deed dat graag, haalde er veel voldoening uit en had het gevoel dat ik echt iets terug kon doen voor de mensen. Daarom zou ik graag dezelfde job doen hier in België,’ vertel ik haar enthousiast.”

Eerst een opleiding

“Celine vertelt me dat ik in mijn land van herkomst zorgkundige kon zijn zonder certificaat, maar dat kan niet in Vlaanderen. Hier moet je eerst een opleiding volgen voor je aan de slag kan. ‘En die opleiding duurt twee jaar,’ zegt Celine met een wat bezorgde blik. ‘Er zijn ook andere pistes, je zou kunnen gaan poetsen bij mensen thuis, met dienstencheques.’”

“Daar had ik inderdaad al van gehoord. De buurvrouw poetste zo en had blijkbaar een niet al te groot loon. ‘Neen, ik wil echt zorgkundige worden,’ vertel ik Celine. ‘Het voelt als een roeping en ik lees in de krant dat er een groot tekort aan mensen in de zorg is.’”

Onbegonnen werk

“Celine knikt en zegt de situatie te bespreken met haar leidinggevende. De visie van het OCMW is namelijk dat mensen zo snel als mogelijk aan het werk moeten en daarom zijn ze niet happig om leefloon toe te kennen tijdens een opleiding tot zorgkundige. ‘Die opleiding is niet gemakkelijk voor anderstaligen,’ zegt Celine er nog bij. Ze vraagt me ten slotte om nog eens goed na te denken over die poetsjob.”

“Met loden schoenen verlaat ik het kantoor. Het lijkt alsof mijn lot in handen ligt van Celine.”

Uit armoede geraken

Je diploma laten erkennen is een mogelijkheid om uit de armoede te raken. Doorgroeien vanuit je ervaringen en competenties is een andere manier. Het verhaal van Fatima – een erkend vluchteling uit Syrië – toont aan dat daar heel wat drempels liggen.

Ik leg de ervaring van Fatima voor aan twee professoren met veel expertise op het vlak van arbeid en nieuwkomers.

Moeilijk hogerop raken

Volgens Ive Marx (hoogleraar aan de Universiteit Antwerpen en tevens directeur van het Centrum voor Sociaal Beleid Herman Deleeck) raken laagopgeleide nieuwkomers maar heel moeilijk hogerop als zij onderaan de ladder van de arbeidsmarkt starten. Zeker in jobs als poetshulp met dienstencheques zijn er geen doorgroeimogelijkheden naar jobs met meer verantwoordelijkheden en meer loon.

Daarom is het voor Marx belangrijk dat we ook bij nieuwkomers eerst onderzoeken wat hun potentieel is, voor ze naar een baan te leiden.

Aan het werk

Stijn Baert, professor arbeidseconomie aan de Universiteit Gent, treedt Marx hierin bij. Onderzoek wijst uit dat 40 procent van de mensen met een migratieachtergrond een job uitoefenen onder hun niveau. Vanuit het perspectief van armoedebestrijding is dat toch een factor om rekening mee te houden.

Al is het volgens deze professor wel belangrijk om meer erkende vluchtelingen en nieuwkomers aan het werk te krijgen. Slechts 63 procent van de burgers afkomstig van buiten de Europese Unie is in 2022 aan het werk, lees ik op de website van Steunpunt Werk, een onderzoekscentrum van de KU Leuven dat het Vlaamse arbeidsmarktbeleid onderzoekt en de Vlaamse overheid op dit vlak adviseert.

Specifiek bij erkende vluchtelingen ligt dit percentage nog lager, op 55 procent. Vanuit dat oogpunt is het begrijpelijk dat de overheid Fatima snel aan de slag wil. Maar vanuit de arbeidskrapte binnen de zorgsector, valt het moeilijk uit te leggen dat ze in een andere richting gestuurd wordt.

Activering vanuit asielcentrum

Ik traceer Fatima’s parcours in Vlaanderen vanaf het moment dat ze met haar gezin in België arriveerde en haar intrek nam in een opvangcentrum van Fedasil. Ik neem contact op met deze federale dienst en kom zo te weten dat zij een specifieke beleidscel hebben rond deelname aan de samenleving.

Ik praat met Geert Daems, die binnen deze beleidscel expert is in het luik activering. Ik vraag hem hoe binnen een asielcentrum wordt omgegaan met toekomstdromen zoals die van Fatima. In mijn enthousiasme hoop ik hiermee de sleutel tot succes te hebben gevonden, maar Geert tempert meteen de verwachtingen.

Wie in ons land asiel aanvraagt, krijgt opvang (‘bed, bad, brood’) in afwachting van een beslissing of hun aanvraag aanvaard wordt. Eens ze in een opvangcentrum verblijven, kunnen asielzoekers een traject aangaan dat bestaat uit zoeken naar een job of uit het volgen van een opleiding. Die tweede optie kent weinig succes, aldus Geert. Dat komt omdat een asielzoeker niet zeker is van zijn of haar erkenning als vluchteling. Het volgen van een opleiding is voor zo iemand een erg groot engagement zonder zekerheden.

Wie deelneemt aan activering, kiest dus sneller voor een job en de mogelijkheid om zo wat geld opzij te zetten. Dat maakt dat er in het asielcentrum weinig mogelijkheden zijn voor iemand als Fatima om al meteen aan een zorgberoep te denken.

Ondersteuning op de werkvloer

Het is volgens Geert veel zinvoller om haar – na haar erkenning als vluchteling – op de werkvloer te ondersteunen om zo het getuigschrift tot zorgkundige te behalen. Maar laat het nu net daar zijn dat het schoentje wringt. Zeker bij mensen zonder diploma is het heel erg moeilijk om zich via de werkgever te ontplooien. Er zijn weinig initiatieven rond het behalen van het certificaat op de werkvloer.

Welke begeleiding is er dan wel? Kan de VDAB Fatima helpen bij haar droom om zorgkundige te worden? Ik neem contact op met Joke Van Bommel, woordvoerder van de VDAB. Ze vertelt me dat de VDAB een aanbod heeft voor mensen met een andere moedertaal. Die ondersteuning uit zich in allerlei vormen: er bestaat bijvoorbeeld taalcoaching op de werkvloer. Daarbij komt een externe coach de werknemer én werkgever coachen om beter samen te werken en gerichter Nederlands te leren. Er bestaan ook mogelijkheden waarbij de anderstalige stage doet op een werkvloer en zo zeer jobgericht de taal leert.

Fijne initiatieven, maar voor Fatima nemen stages alleen maar tijd in beslag. Bovendien is het aanbod niet afgestemd op mensen die zorgkundige willen worden.

Vooropleiding

Daarom vertelt Joke me ook over de vooropleiding voor social profit anderstaligen (VOSPA). In deze vooropleiding worden anderstaligen klaargestoomd om een opleiding te volgen in een zorgberoep. Deze vooropleiding verhoogt aanzienlijk de kans om een certificaat of diploma in de zorg te behalen.

Wijzen OCMW’s de weg naar dit aanbod van de VDAB? Op een studiedag sprak ik ik met OCMW-maatschappelijk werkers. Daar ontdekte ik dat er in OCMW’s van kleinere gemeenten soms weinig tot geen overleg is tussen hen en de plaatselijke VDAB. Dat is toch bijzonder, aangezien de VDAB leefloongerechtigden ondersteunt bij een van de belangrijkste voorwaarden om leefloon te ontvangen, namelijk de bereidheid om een job te zoeken. Zo komen we verschillende drempels tegen die de kansen voor iemand als Fatima beïnvloeden.

Doorgroeien in Gent

Er zijn heel wat jobs voor vrouwen zonder diploma of certificaat, maar ze bieden heel weinig doorgroeimogelijkheden. Ik begin bijna te geloven dat echt niemand bezig is met sociale mobiliteit.

Maar dan hoor ik dat de stad Gent gestart is met een interessant project in de kinderopvang. Daar wil ik uiteraard het fijne van weten, dus spreek ik af met Wendy Neirinkx, Nele Impens en Christel Verstringe in een Gentse koffiebar. Zij werken alle drie voor de stad. Nele en Christel begeleiden mensen die via individueel maatwerk aan de slag kunnen gaan in de zorg of andere sectoren van de stad. Deze jobs zijn tijdelijk, maar medewerkers krijgen wel de kans certificaten te halen en door te stromen naar een reguliere job.

Ondersteuner binnen de kinderopvang

Wendy zette haar schouders onder de functie ‘ondersteuner binnen de kinderopvang’, een vaste job waar mensen de kans krijgen om door te groeien als er potentieel is. Zo’n ondersteuner kan bijvoorbeeld alles klaarzetten, eten maken of zorgen dat de ruimtes goed onderhouden blijven. Op die manier nemen ze heel wat werk uit handen van de verzorgers.

Het mooie aan het project is dat ondersteuners de kans krijgen om door te groeien naar een job als kinderverzorger. Wie potentieel heeft, kan op elk moment een opleiding volgen. Door supervisie op de werkvloer is het voor de stad ook makkelijker om iedereen op dat vlak de beste kansen te geven. Wie niet doorgroeit, is verzekerd van een mooie job in een beschermd statuut. De insteek van ondersteunende jobs test de stad nu ook uit in woonzorgcentra en binnen andere stedelijke sectoren met een grote arbeidskrapte.

Individueel maatwerk

Werkzoekenden die in aanmerking komen voor zo’n job als ondersteuner, zijn mensen die zich in kwetsbare situaties bevinden. Het project wordt gefinancierd met middelen voor individueel maatwerk. Om hiervoor in aanmerking te komen, moet je als werknemer aan verschillende voorwaarden voldoen die betrekking hebben op lichamelijke en mentale beperkingen.

Ik leg de dames de Fatima’s situatie voor. Op het eerste zicht heeft ze een te sterk profiel, vertellen de dames me, al zouden ze Fatima natuurlijk eerst moeten zien en spreken om daar echt uitsluitsel over te geven. Het is uiteindelijk de VDAB die bepaalt of iemand past binnen dit aanbod.

Fatima bleef niet bij de pakken zitten

Al branden er kleine lichtjes, voor Fatima zal het niet makkelijk worden om haar droom te realiseren: een job als zorgkundige. Toch bleef ze niet bij de pakken zitten.

“Ik kwam uiteindelijk met mijn zoon (21) overeen dat ik parttime zou werken en hij thuis bleef wonen, zodat ik de opleiding voor zorgkundige kon aanvatten. Mijn eerste module is alvast gelukt, ik heb er nu nog een aantal te gaan. Geen makkelijke klus en ik moet er echt mijn hoofd bij houden, maar ik geraak er wel en gelukkig is mijn zoon heel steunend in deze periode.”

Chapeau voor Fatima. Maar de overheid zou heel wat tandjes kunnen bijsteken zodat deze mensen met hun talenten en dromen niet langer blijven struikelen over de vele hindernissen.

Bron: sociaal.net