by admin | jul 13, 2025 | Verkiezingen 2024
De pas verkozen algemeen secretaris van het ABVV, Bert Engelaar, wil dat Vooruit uit de regering stapt. Zijn verklaring in een interview met Humo lokte prompt scherpe veroordelingen uit bij de topmannen en -vrouwen van sommige vakcentrales van het ABVV. Het is absoluut geen toeval dat deze discussie aan de top van de socialistische vakbond gevoerd wordt op een moment dat het sociaal protest, na 6 maanden strijd, een tweede adem zoekt.
‘Vooruit kan niet blijven zeggen: zonder ons zou het nog erger zijn geweest’, vindt Engelaar. Maar een aantal grote vakcentrales van het ABVV ziet dat toch anders: ‘Als Vooruit eruit stapt, wordt het pas echt gevaarlijk.’ lezen we in een artikel in de Knack. Er volgen een reeks uitlatingen van Chris Reniers (ACOD), Frank Moreels (BTB) en Alain De Temmerman van Horval, die de regeringsdeelname van Vooruit verdedigen. Ze herhalen alledrie het afgezaagde argument: ‘Zonder hen zou het veel erger zijn’. Dat is het soort syndicalisme waarbij de vakbond herleid wordt tot sociaal assistent of stervensbegeleider. Zo gaan we van nederlaag naar nederlaag.
Toevallig of niet (niet dus) vinden we bij deze pleitbezorgers van Vooruit, de BTB; een centrale die haar economische macht de laatste 6 maanden nauwelijks of niet heeft ingezet tegen de regering. Erger nog, de BTB heeft, de staking van 31 openlijk gesaboteerd door de dokwerkers in de havens niet op te roepen om mee te staken. Indien de havens, die van Antwerpen in het bijzonder, lam lagen, is het vooral te danken aan de acties van de sluiswachters en loodsen die niet zijn aangesloten bij de BTB…
De leiders van de BTB en anderen die de kaart van Vooruit trekken, zijn ook degene die op de rem hebben gestaan tijdens de laatste mobilisaties. Bovendien overdrijven ze bewust de ‘verworvenheden’ van Vooruit in de regeringsvorming, zoals het behoud van de index bijvoorbeeld. De laatste maanden hebben we moeten vaststellen dat de toepassing van de automatische indexering voor de gezondheidswerkers (600,000 mensen) met een paar maanden werd uitgesteld, net zoals bij andere beroepen. Zo kan het zorgpersoneel tot 170 euro per maand mislopen bij elke overschrijding van de spilindex.
Het is zeldzaam dat politieke verschillen in het ABVV zo aan de oppervlakte komen.
Waarschijnlijk leven die spanningen al een hele tijd aan de top van de vakbond, maar werden ze niet naar buiten gebracht. Beter was geweest een openlijke democratische discussie te voeren, samen met alle militanten, delegees en secretarissen, over de band tussen politiek en vakbond en in het bijzonder over de verhouding tussen Vooruit en de vakbond. De discussie over wat men van Vooruit verwacht, legt ook iets anders bloot: de syndicale strategie die erin bestaat, kleine ‘verbeteringen’ te willen bekomen aan fundamenteel asociale maatregelen. Nu en dan probeert Conner Rousseau de aandacht af te leiden met bv. de meerwaardebelasting en andere trucjes. Zo probeert hij de indruk te scheppen dat ze nog nuttig zijn voor de vakbonden. In werkelijkheid is hij het ‘linkse’ vijgenblad van een zeer rechts beleid. Bert Engelaar heeft het begrepen. Veel vakbondsmilitanten ook.
Bron: Vonk
by admin | jul 13, 2025 | Verkiezingen 2024
De Arizona regering is 180 dagen oud. Het sociale verzet ertegen is echter 220 dagen oud. Dit is nogal uniek. De vakbondsacties begonnen twee maanden voor de vorming van de regering De Wever en waren zogezegd ‘preventief’. Met deze acties probeerden de vakbonden de coalitiegesprekken te beïnvloeden met de ijdele hoop de vlijmscherpe kantjes er af te halen. De vrees voor grootschalig sociaal protest was ongetwijfeld een bekommernis in de aanslepende onderhandelingen.
Slechts twee andere regeringen kenden een langere onderhandelingsperiode in de politieke geschiedenis van het land. Niet alleen de ‘linkse’ coalitiepartner Vooruit, maar ook CD&V en Les Engagés keken ongerust over hun schouder naar de vakbonden bij elke asociale maatregel die werd uitgetekend. “Zal ons regeerakkoord protest uitlokken, en hoe sterk zal het zijn?” was de knagende vraag in de Wetstraat. “Hoe gaan we dat allemaal kunnen verkopen” bij een ongeruste werkende klasse?
Regering op ramkoers
Maar deze regering is duidelijk voorbereid op een stevige confrontatie met de vakbonden en de arbeidersklasse. Ze heeft de veiligheidsgordels aangesnoerd en de schokdempers versterkt. Ze hoopt vooral dat de meest rechtse en conservatieve delen van de vakbonden het protest in de hand kunnen houden en desnoods saboteren Voor het patronaat, dat jubelt als nooit tevoren, zijn de geplande maatregelen een godsgeschenk. Een drie jaar lange recessie in de industrie, de neergang van de bouwsector en de detailhandel, een slabakkende productiviteit en competitiviteit, noopten de kapitalisten tot een harde aanpak. Er is geen ruimte voor loonsverhogingen, noch een echte index. De concurrentie van iedereen tegen iedereen (langdurige werklozen, zieken, studenten, gepensioneerden) op de arbeidsmarkt moet worden aangezwengeld. Zo stijgt de druk op de loon- en werkvoorwaarden in de bedrijven. Het doel is: de hongerige winstmachine blijven voeden. Want ondanks zwakke prestaties – de groei van het bbp in 2025 is quasi onbestaande – van de Belgische economie blijven de aandeelhouders en andere profiteurs feest vieren. De vier grootbanken boekten vorig jaar een nettowinst van meer dan 8 miljard euro. De winstmarges van bedrijven tot 42% van de toegevoegde waarde in 2024. De economische en geostrategische neergang van Europa, in de verf gezet door de nieuwe handelsoorlog en het verdwijnen van de militaire ruggensteun van de VS, zorgt voor een militaristische draai van alle regeringen op het continent. De sterke stijging van de militaire uitgaven moet grotendeels betaald worden door te snoeien in de sociale uitgaven. ‘Wapens in plaats van boter’ is het nieuwe beleid.
Lobbying versus klassenstrijd
In de vakbondshoofdkwartieren heerste er begin dit jaar fatalisme. “Ze lopen daar allemaal nogal depressief rond” werd er ons verteld. Dat verwondert ons niet. Bij gebrek aan vertrouwen in de kracht van de arbeidersklasse en bij gebrek aan een antikapitalistisch alternatief, denken veel vakbondsleiders dat er enkel te prutsen valt aan de plannen van de regering. Zo klagen ze vooral over het ‘onevenwicht’ in de maatregelen en smeken ze om met hen te praten, om aan sociaal overleg te doen. Sociaal overleg is blijkbaar de enige levenslijn van het vakbondsapparaat. Thierry Bodson van het ABVV, weigert zelfs de strijd voor de val van de regering in te zetten. Ze willen de regeringsmaatregelen ‘bijsturen’ en ‘eerlijker’ maken. Nochtans, voorziet het regeerakkoord, de meest verregaande sociale afbraak in een halve eeuw. En die valt niet bij te sturen, maar moet in de prullenmand worden gegooid. De acties en stakingen die sinds de vorming van de nieuwe regering over het land rollen, zetten veel kwaad bloed bij het patronaat. En terecht. De algemene 24 urenstaking van 31 maart was de grootste in 10 jaar. De nationale betoging die er aan voorafging, was een ‘onstuimige stroom’. Daarna volgden nog vele acties, interprofessioneel en nationaal of in sommige sectoren zoals de openbare diensten en in het bijzonder bij het spoor. Deze acties kunnen rekenen op grote steun van de bevolking leerde ons een bevraging van de VRT. Zowel in Wallonië, Brussel als Vlaanderen. Het was echter zoeken naar een coherent vakbondsplan om de regering en het patronaat KO te slaan. De regering, ondanks veel interne spanningen, blijft haar traject van sociale afbraak en verarming volgen. Dat weegt op de motivatie van zowel delegees en militanten, maar vooral ook op de achterban. En nee, er is geen sprake van gelatenheid en berusting. Hoe concreter de gevolgen van al de maatregelen duidelijk worden, hoe kwader de mensen zijn. Maar er is een actieperspectief nodig en een antikapitalistisch alternatief dat verder gaat dan ‘een rijkentaks’ en andere luttele hervormingen.
Tweede adem nodig Het is duidelijk dat al deze acties vooral het resultaat waren van druk van onderuit. De vakbondstop ziet in dit veelvoud aan acties slechts een ‘drukkingsmiddel’ om te lobbyen bij deze of andere minister of bij Vooruit. Het komt er voor hen op aan om hier een uitstel daar een bijsturing van een asociale maatregel binnen te halen. Tot dat willen ze de sociale strijd vandaag herleiden. Volgens ACV topvrouw, Ann Vermorgen, wordt het ‘een langdurig proces, dat geduld en vastberadenheid vraagt’. Thierry Bodson, ziet heil in een ‘sociale marathon’, t.t.z. een strijd die jaren kan duren… Wie uitgeput is op het einde van deze marathon is niet duidelijk, maar het sociale verzet is wel op zoek naar een tweede adem, zo niet geraakt het in ademnood. De nieuwe nationale betoging, aangekondigd in het vroege najaar, kan hiervoor een aanzet zijn. Maar slechts op één voorwaarde: er moet een nieuwe dynamiek op gang komen van onderuit. We kunnen er niet omheen: een machtige stakingsbeweging van onbeperkte duur in beslissende sectoren van de economie is nodig. Zo een beweging kan andere sectoren aanmoedigen om dezelfde weg in te slaan. Secretarissen, delegees en militanten moeten met de ‘werkvloer’ praten. Individueel en op algemene vergaderingen. En vooral moet er goed geluisterd worden… De bedrijfsgebonden en sectorale eisenbundels moeten samengebracht worden met een nationaal en interprofessioneel programma. Vooraan dat programma moet er staan: geen gepruts, geen nepoverleg, weg met Arizona.
Bron: Vonk
by admin | jul 13, 2025 | Sectoren
‘Wij vroedvrouwen staken vandaag niet, maar de redenen om het wél te doen stapelen zich op’
De Belgische beroepsorganisaties van Vroedvrouwen (VBOV, UPSFB, AFSF) staken maandag niet mee. Toch zijn er grote zorgen over de hervormingsplannen van Frank Vandenbroucke (Vooruit).
Vandaag, 7 juli, leggen heel wat artsen het werk neer. Niet om op vakantie te vertrekken, maar uit protest tegen de voorstellen vervat in de hervormingswet van minister van Volksgezondheid Frank Vandenbroucke (Vooruit). De Belgische vroedvrouw heeft redenen genoeg om te staken. Maar dat doet ze niet. En daar zijn twee duidelijke redenen voor.
Een kans, geen bedreiging
De geplande hervormingen willen we niet als een bedreiging zien, maar als een kans om de gezondheidszorg – en de perinatale zorg in het bijzonder – te laten evolueren naar een coherenter, duurzamer en toegankelijker model. De uitdagingen zijn dan ook groot: de zorgvraag stijgt, de kosten blijven toenemen, kwetsbare groepen vinden steeds moeilijker gepaste hulp, en het personeelstekort drukt zwaar op het hele systeem.
Hoewel de aanpak van de minister soms tegen de borst stuit, ook bij ons, is het achterliggende doel cruciaal: het stroomlijnen van de interne, vaak ondoorzichtige processen binnen het RIZIV. Zorgberoepen, ziekenfondsen en beleidsmakers bewaken vandaag samen de terugbetalingsmodaliteiten, maar de hervormingswet maakt dat proces transparanter. En ja, het is logisch dat zorgverleners die frauderen of misbruik maken van het systeem hun RIZIV-nummer kunnen verliezen.
Tegelijk moet er een evenwicht zijn tussen toegankelijke zorg voor de patiënt en een eerlijke vergoeding voor de zorgverlener. Volgens onderzoek stelt 30 procent van de Belgen zorg uit om financiële redenen. Dat cijfer is hallucinant – en het raakt ons des te meer omdat de kans groot is dat vroedvrouwen zélf tot die groep behoren.
Precariteit als dagelijkse realiteit
Minister Vandenbroucke erkende het onlangs nog in de commissie Volksgezondheid: het inkomen van een zelfstandige vroedvrouw is precair. Volgens een RIZIV-studie uit 2021 verdient een zelfstandige vroedvrouw die zich aan de conventie houdt gemiddeld 27.000 euro bruto per jaar. Netto komt dat neer op zo’n 1.500 euro per maand – minder dan het minimumloon. Ter vergelijking: een zelfstandige thuisverpleegkundige verdient gemiddeld 88.000 euro bruto. Meer dan het driedubbele.
Het is dan ook niet meer dan logisch dat vroedvrouwen zich deconventioneren. Niet uit winstbejag, maar om te kunnen overleven. Ze werken vaak zes dagen per week, staan 24/7 paraat en dragen een medische verantwoordelijkheid. Ze zijn geen paramedici onder toezicht van een arts, maar autonome medische beroepsbeoefenaars die persoonlijk aansprakelijk zijn voor het hele perinatale traject – zelfs als een arts instructies geeft.
Toch worden vroedvrouwen vandaag vergoed als figuranten in een verhaal waar politiek nauwelijks belangstelling voor toont. Het voorgestelde supplementenplafond van 25 procent voor gedeconventioneerde eerstelijnszorgverleners zou neerkomen op een maximaal bruto jaarinkomen van 34.000 euro. Nog steeds minder dan de helft van een thuisverpleegkundige. Daarbovenop mag een vroedvrouw enkel zorg aanrekenen voor de moeder, niet voor de baby als tweede rechthebbende. Dat zou in geen enkel ander zorgberoep aanvaard worden.
Het structureel onderwaarderen van een overwegend vrouwelijk beroep ruikt naar genderdiscriminatie. Daarom moet deze hervormingswet samengaan met een fundamentele herziening van de nomenclatuur. We moeten evolueren naar waardengedreven financiering, met oog voor gezondheidsuitkomsten, samenwerking en continuïteit van zorg.
Geen muren, maar bruggen
Dat brengt ons bij de tweede reden waarom wij niet staken. Onze gezondheidszorg staat op een kantelmoment. Wij geloven in een perinatale zorg waarin elke vrouw en elk gezin de juiste zorg krijgen, op het juiste moment, van de juiste zorgverlener. Hoop is de kern van ons werk. Wij geloven in een systeem waarin vertrouwen, tijd en verbondenheid net zo belangrijk zijn als medische expertise.
We hebben nood aan structuren die menselijke waarden verzoenen met financiële en organisatorische realiteit. Aan een zorgsysteem waarin professionals doelgericht en geïntegreerd samenwerken om de beste zorg te bieden. Deze hervorming mag dus geen louter technische bijsturing zijn, maar moet een culturele omslag bewerkstelligen. Alleen zo verbeteren we ervaringen, uitkomsten en de duurzaamheid van onze zorg.
Corporatistische reflexen brengen ons niet verder. Dialoog en samenwerking wel. Maar dan moet er geluisterd worden. Onlangs overhandigde een delegatie vroedvrouwen een pinard aan minister Vandenbroucke. Een eenvoudig houten instrument waarmee vroedvrouwen al eeuwenlang luisteren naar de hartslag van een ongeboren kind. De boodschap was helder: gebruik dit instrument om te luisteren naar de stem van de vroedvrouw. Want als er niet geluisterd wordt, dreigt het oorverdovend stil te worden.
Bron: Knack
by admin | jul 13, 2025 | Sectoren
De hervormingsplannen van minister Frank Vandenbroucke zetten kwaad bloed bij de specialistenvakbonden. De minister wil onder meer de ereloonsupplementen plafonneren en de mogelijkheden beperken voor artsen om af te wijken van de conventietarieven.
De specialisten voelen zich bedreigd in hun verdienmodel en hun vrijheid om te ondernemen. Maar hoe vrij mag dat ondernemen zijn, als het vergoed wordt met overheidsgeld? Voor het overgrote deel van de artsen en specialisten is dat het geval. Het gros van hun inkomsten komt uit openbare middelen, geld dat ze via de ziekenfondsen, het Riziv of andere overheidswegen ontvangen.
Dit is geen pleidooi of vergoelijking voor staatsgeneeskunde, het schrikbeeld waarmee ze nu schermen. Artsen blijven een cruciale pijler van de gezondheidszorg en verdienen daarom ruime inspraak in hoe die wordt vormgegeven.
Specialisten voelen zich bedreigd in hun verdienmodel.
Het is wel een pleidooi voor meer transparantie rond de financiering van de gezondheidszorg. De nomenclatuur is hopeloos ingewikkeld, vaak verouderd, werkt ongelijkheid tussen specialisten in de hand en stimuleert overconsumptie van vooral technische prestaties. De ziekenhuizen zitten in een gewrongen relatie met de specialisten, omdat ze deels financieel afhankelijk zijn van hoeveel die bereid zijn af te dragen van hun erelonen. De pijnpunten van ons gezondheidszorgsysteem zijn bekend, net als de mogelijke oplossingen. De gevestigde belangen wisten tot nu grote hervormingen af te houden en gebruikten de complexiteit van het systeem als excuus. Nu dat niet meer lijkt te lukken, dreigen de artsensyndicaten met staken. Dat lijkt dan weer op een late stuiptrekking van een generatie specialisten die zeer goed heeft geboerd bij die complexiteit en er nog de laatste rek uit wil krijgen.
Bron: Trends
by admin | jul 9, 2025 | Sectoren
Vijf procent van onze welvaart spenderen aan defensie? Kinderspel, aldus Joren Vermeersch in deze krant (DS 16 juni). Een simpele vergelijking met Nederland leert hem dat we ruim voldoende marge hebben om middelen te verschuiven. Want terwijl Nederland amper 16 procent van het bbp besteedt aan sociale uitgaven, loopt dat in België op tot 22 procent. Wij zouden dus maar liefst een derde méér besteden aan zaken als pensioenen en gezondheidszorg dan onze noorderburen.
Dat is een opmerkelijk verschil, toegegeven. Zo opmerkelijk dat het onwaarschijnlijk lijkt, en dat de eerste reflex moet zijn je af te vragen: klopt dat wel? Want ofwel moeten we dan ontzettend grote kwaliteitsverschillen vaststellen tussen het Nederlandse gezondheidszorgsysteem en het Belgische, ofwel – en dat lijkt de suggestie van Joren Vermeersch – is België wel heel spilziek, en kan het geen enkel probleem zijn duchtig te snoeien zonder dat we er veel van hoeven te merken.
Helaas: de werkelijkheid is weerbarstiger.
De cijfers waarnaar Vermeersch verwijst, geven een zeer onvolkomen beeld van de werkelijke hoogte van de sociale uitgaven. Ze brengen alleen de publieke sociale uitgaven in kaart. Dat klinkt logisch, maar is het niet echt, als je wilt dat de vergelijking zinvol is. Want het betekent dat de kosten voor pensioenen of gezondheidszorg die via private weg worden georganiseerd, buiten beeld blijven. En het is precies daar dat België en Nederland de financiering van hun sociale bescherming heel anders geregeld hebben.
Waar het gros van de sociale uitgaven in België door publieke middelen wordt gedekt, bekostigd via socialezekerheidsbijdragen, zijn Nederlanders verplicht zich aan te sluiten bij (gereguleerde) private zorgverzekeraars. En de verplichte bijdragen die Nederlanders betalen aan die zorgverzekeraars, verschijnen niet in de overheidsrekeningen, net zomin als de gezondheidszorguitgaven die de private zorgverzekeraars op zich nemen in de statistieken geboekt staan als overheidsuitgaven. Voor de doorsnee-Belg zal het financiële plaatje er niet radicaal anders uitzien dan voor de doorsnee-Nederlander: waar wij een deeltje van ons loon afstaan aan de (publieke) sociale zekerheid, zien zij een deeltje van hun loon verschuiven naar de (verplichte, private) zorgverzekeraar; beiden krijgen we een deel van onze gezondheidskosten terugbetaald.
Het gaat niet om details, om cijfers na de komma. Volgens de Oeso lopen de gezondheidszorguitgaven die in Nederland bekostigd worden via die verplichte private zorgverzekeraars op tot bijna 6 procent van het bbp. En wat voor de gezondheidszorg geldt, gaat ook op voor pensioenen, of invaliditeit: als uit de overheidsstatistieken lijkt dat Nederland het met zoveel minder, toch zo goed doet, is dat haast altijd omdat de verplichte, private bijdragen en uitgaven buiten beeld blijven, en de vergelijking hoogst onvolledig en dus hoogst misleidend is. Als we alle sociale uitgaven in kaart brengen, zowel de publieke als de private, dan verdwijnt het wel heel opmerkelijke verschil dat Vermeersch meende vast te stellen als sneeuw voor de zon.
Dat mag niet verbazen. Pensioenen en gezondheidszorg zijn met straatlengten voorsprong de belangrijkste ‘sociale kosten’, en hoe de financiering daarvan georganiseerd wordt, verandert daar niet zoveel aan. In twee samenlevingen die demografisch en sociaal-economisch zo gelijkaardig zijn als Nederland en België, zullen ook de ‘kosten’ van ouderdom en ziekte gelijkaardig zijn. Het fundamentele sociale vraagstuk is hoe we die kosten verdelen.
De wel erg simplistische verwijzing van Vermeersch naar het verschil in sociale uitgaven tussen België en Nederland als oplossing voor een begrotingsprobleem wijst op een ernstig tekort in het publieke en politieke debat. Het is gemakzuchtig, en het is die gemakzucht die er mee de oorzaak van is dat we steeds dieper wegzakken in het begrotingsmoeras. Wie ervan overtuigd is dat de te hoge sociale uitgaven ons probleem zijn (“kijk maar naar Nederland!”), hoeft verder niet meer na te denken: de oplossing is vanzelfsprekend, al te vanzelfsprekend. En wie niet verder nadenkt, zal altijd hetzelfde blijven proberen: we zetten wie ziek is of geen werk vindt, weg als profiteur, en we geven nog eens een extra loonkostenverlaging aan bedrijven, no questions asked – dat zal de boel wel op orde zetten. En ondertussen wordt de put weer een beetje dieper.
— Deze bijdrage verscheen eerder in De Standaard. Voor meer informatie over de verschillen in sociale uitgaven tussen België en andere landen, zie onze eerdere studie hier.
Bron: denktankminerva.be