Almaar meer kinderen halen hun getuigschrift van het lager onderwijs niet. In 6 jaar tijd is hun aantal bijna verdubbeld, zo blijkt uit cijfers die Het Nieuwsblad heeft verzameld. Onderwijsonderzoekster Katrijn Denies zoekt naar verklaringen en oplossingen. “Hier is veel meer aan de hand dan het riedeltje dat de onderwijskwaliteit niet deugt.”
De cijfers in Het Nieuwsblad spreken boekdelen: in het schooljaar 2017-2018 behaalden 2.620 kinderen het getuigschrift lager onderwijs niet. Afgelopen schooljaar 2022-2023 waren dat er al 4.843. Wie geen getuigschrift van het lager onderwijs behaalt, moet naar het eerste middelbaar B, beter bekend als de “B-stroom”. Die leerlingen kunnen dan later naar beroepsonderwijs doorstromen. Ook naar het aso trouwens, als ze alsnog hun getuigschrift halen, maar dat gebeurt minder vaak.
En er is meer: almaar meer kinderen verlaten het lager onderwijs al in het vierde of vijfde leerjaar om naar die B-stroom te trekken. Ze halen dus het zesde leerjaar zelfs niet. Dat kan, omdat de enige voorwaarde voor het eerste middelbaar B is dat kinderen 12 jaar oud moeten zijn. Iemand die 2 keer blijft zitten of om een of andere reden later instapt in het lager onderwijs, kan dus in theorie al vanuit het vierde leerjaar naar de B-stroom.
Boeken thuis
Vanwaar die trend? In elk geval is er veel meer aan de hand “dan het riedeltje dat de onderwijskwaliteit niet deugt”, stelt Katrijn Denies, onderzoekscoördinator aan het Centrum voor Onderwijseffectiviteit en -evaluatie aan de KU Leuven. “Er is bijvoorbeeld thuis minder stimulatie. Kinderen hebben steeds minder boeken thuis, ouders gaan ook steeds minder met hun kinderen aan de slag rond leesbegrip of cijfers leren kennen. Ook gaan er steeds meer kinderen met honger naar school.”
Bovendien zijn de uitdagingen in het onderwijs veel groter dan vroeger. “Zo zijn er grotere groepen leerlingen met een andere thuistaal, die dus ook nog Nederlands moeten leren op de schoolbanken. Dat vraagt tijd.”
“Je kunt je ook de vraag stellen: zit er niet meer in?”, werpt Denies nog op. “Er is geen enkele reden om te denken dat onze capaciteiten achteruit zijn gegaan. Je zou dus kunnen stellen dat er in sommige scholen nog iets anders meespeelt. Dat zij bijvoorbeeld kijken naar hun eigen draagkracht: wat kunnen wij nog, gezien de grote groepen leerlingen die extra aandacht nodig hebben? Misschien liggen hier en daar de verwachtingen wat te laag op basis van de foute argumenten? Zoals een taalachterstand die mogelijk wel nog kan worden ingelopen, maar waarvan de school denkt dat het te laat is.”
Aan boord houden
Of die groeiende B-stroom een probleem is, hangt natuurlijk af van het perspectief, zegt Denies. “Voor het kind zelf is dat allicht een voordeel. Zij hebben niet meer het gevoel dat zij achterophinken en komen als oudere leerlingen vaak terecht in een meer homogene groep van leeftijdsgenoten.”
Scholen geven kinderen in elk geval niet op door hen naar de B-stroom te begeleiden, benadrukt ze. “Voor kinderen met een grote achterstand wordt soms beslist om bepaalde delen van de leerstof te schrappen, om te vermijden dat ze zwaar faalangstig of schoolmoe worden. Die kinderen zijn er soms mee gebaat om gewoon te kunnen gaan voor wat wel haalbaar is. Scholen laten die leerlingen dus niet los, maar proberen hen net mentaal aan boord te houden.”
De scholen zelf worstelen natuurlijk wel met die grote toestroom in 1B. “Zij stellen vast dat er kinderen instromen in 1B die niet alleen niet het getuigschrift lager onderwijs hebben gehaald, maar bovendien nog wel wat bagage missen omdat ze bijvoorbeeld het vijfde en zesde leerjaar hebben overgeslagen. Dat vormt wel een fikse uitdaging.”
Enorme inspanningen
Blijft de vraag of en hoe we die trend kunnen keren. Denies erkent dat dat niet eenvoudig is. “Je moet heel doorgedreven kunnen gaan differentiëren om kinderen die een achterstand hebben op tijd te laten bijbenen. Maar daarnaast zijn er ook kinderen die veel meer uitdaging vragen. Die heterogeniteit in klassen wordt steeds groter en voor leerkrachten is het moeilijk om aan alle noden te voldoen.”
“Het is mogelijk om kinderen die grote sprong te laten maken van een grote achterstand naar toch dat getuigschrift behalen. Dat kan als er voldoende mensen aanwezig zijn in de klas en in de school en als er binnen teams echt een idee bestaat hoe zij kinderen samen kunnen meenemen tot aan de meet. Dat vraagt enorme inspanningen en we merken in de praktijk dat veel scholen het gevoel hebben dat zij daar de middelen op dit moment niet voor hebben.”
Scholen ondersteunen
In haar ogen is er een grote rol weggelegd voor meer “omkaderende zorg”, zoals zij dat noemt. “Scholen kunnen dit niet alleen oplossen. Onze maatschappij moet scholen meer ondersteunen in hun taak. Hebben kinderen minder toegang tot boeken? Dan moeten de bibliotheken met de boeken tot de kinderen komen. Soms is er bijvoorbeeld ook ondersteuning nodig op het vlak van logopedie. Dat kunnen scholen niet alleen dragen.”
Dat alles gezegd zijnde, benadrukt Denies dat we niet de indruk mogen wekken dat B-stroom op het einde van de rit minder waard is. “We hebben veel meer appreciatie nodig voor onze beroepsopleidingen. Die kinderen kunnen met de nodige kwalificaties een heel belangrijke rol opnemen in onze samenleving.”
Bron: vrt.nws