In het Brussels en vooral het Waals Gewest ligt het aantal mensen dat een leefloon aanvroeg na de uitsluiting van de werkloosheidsuitkering gevoelig hoger dan in Vlaanderen.
Van de ruim 99.000 mensen die dit jaar hun werkloosheidsuitkering geschrapt zagen, heeft 53 procent een leefloon aangevraagd bij het lokale OCMW. De regering-De Wever dacht dat slechts één op de drie dat zou doen.
Meer dan de helft van de mensen die in de eerste helft van dit jaar hun werkloosheidsuitkering opgeschort of stopgezet zagen door de maatregel van de federale regering, stapte naar het Openbaar Centrum voor Maatschappelijk Welzijn (OCMW) om een leefloon aan te vragen. Dat blijkt uit nieuwe, gedetailleerde cijfers over de instroom van langdurig werklozen naar het leefloonstelsel.
De beperking van de werkloosheidsuitkering tot maximaal twee jaar was een voor België historische hervorming. In een eerste fase in januari ging het om mensen die al 20 jaar of meer een werkloosheidsuitkering kregen. Ook een groep jongeren die langer dan een jaar een inschakelingsuitkering had, zag de uitkering stopgezet. Begin maart volgden de mensen die gedurende 8 tot 20 jaar een uitkering kregen. In april kwam daar nog iedereen die tussen 2 en 8 jaar in de werkloosheid zat bovenop.
Alles samen ging het in de eerste zes maanden volgens de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening (RVA) om 99.166 mensen. Over het hele uitstroomtraject tot juli 2027 zullen zo’n 180.000 mensen hun verliezen.
9.000 weigeringen
Van de 99.166 langdurig werklozen die hun uitkering verloren, dienden er 52.593 (53%) een leefloonaanvraag in bij het OCMW, leert de doorrekening van de programmatorische federale overheidsdienst Maatschappelijke Integratie. Aan ruim 43.600 mensen werd het leefloon ook toegekend – goed voor 83 procent van degenen die er een aanvroegen en voor 44 procent van alle werklozen die zonder uitkering vielen.
Het OCMW geeft pas een minimuminkomen wanneer een doorgedreven controle heeft uitgewezen dat de betrokkene geen recht heeft op een andere uitkering, noch dat er zicht is op een andere bron van inkomsten. Het leefloon geldt met andere woorden als het laatste redmiddel en gaat veelal gepaard met een resem voorwaarden op het vlak van begeleiding en het zoeken naar werk.
Bij de resterende 17 procent van de langdurig werklozen die tussen januari en eind juni hun uitkering verloren én een minimuminkomen aanvroegen – goed voor een kleine 9.000 mensen – wees het onderzoek uit dat ze niet aan de voorwaarden voor een leefloon voldeden. Dat kan bijvoorbeeld het geval zijn wanneer het gezinsinkomen via een werkende partner te hoog ligt.
Hoger in Wallonië
Toen de regering-De Wever de hervorming aankondigde, zei minister van Werk David Clarinval (MR) dat hij ervan uitging dat een op de drie een leefloon zou aanvragen. Dat aandeel ligt in realiteit dus veel hoger, zowel in het Vlaams (42%) als in het Brussels (51%) en vooral het Waals Gewest (59%). Wie geen leefloon aanvroeg, is ofwel aan het werk, krijgt een ziekte-uitkering, heeft een andere vorm van inkomen of verdween van de officiële radar.
Niet inperking werkloosheid maar nieuwe leefloonregels zetten druk op OCMW’s
Iets meer dan de helft van de mensen die vandaag na de uitsluiting van de werkloosheidsuitkering een leefloon krijgen, is alleenstaand. Daartegenover staat zo’n 31 procent minstens één kind ten laste heeft. De rest – net geen 17 procent – deelt een huishouden met bijvoorbeeld een partner of ouders.
De specifieke gezinssituatie en mogelijke andere inkomsten of eigen middelen bepalen hoe hoog het leefloonbedrag ligt. Zo kunnen inkomsten van inwonende ouders of meerderjarige kinderen, maar ook spaargeld, recurrente giften van vrienden, erfenissen of alimentatiegelden van ex-partners het bedrag drukken. Samenwonenden hebben recht op maximaal 894 euro per maand, alleenstaanden op 1.340 euro. In een gezin met kinderen ten laste kan het bedrag oplopen tot 1.812 euro.
In de meeste gevallen ligt het leefloon lager dan de werkloosheidsuitkering. Afhankelijk van de gezinssituatie, de werkloosheidsduur, het laatste loon en het beroepsverleden schommelt de uitkering voor voltijdse werknemers tussen 761 en 2.773 euro per maand.
Aan het werk
Hoeveel mensen na het verlies van hun werkloosheidsuitkering alsnog aan het werk gingen dan wel een andere uitkering krijgen, is niet duidelijk. Uit de eerste rapporten van de RVA, waarin enkel de eerste en tweede golf aan stopzettingen in rekening werd gebracht, bleek dat ongeveer 10 procent werk vond en 9 procent terechtkwam bij het ziekenfonds. De verwachting is dat het percentage werkenden bij de latere golven hoger zal liggen, wegens de kortere werkloosheidsduur en het kleinere aandeel alleenstaanden.
Bron: De Tijd
Steeds meer wordt duidelijk dat de beperking van de werkloosheidsuitkeringen in de tijd een noodzakelijke, maar onvoldoende stap was om onze arbeidsmarkt te hervormen. De echte uitdaging om meer mensen aan het werk te helpen, is de activering van de honderdduizenden langdurig zieken in ons land.
Sinds begin dit jaar verliezen in ons land mensen die meer dan twee jaar werkloos zijn hun uitkering. De bedoeling van die historische hervorming is die groep via een financiële sanctie te stimuleren om werk te zoeken.
Uit nieuwe cijfers die De Tijd kon verzamelen, blijkt dat meer dan de helft van de ruim 99.000 mensen die in de eerste helft van dit jaar hun werkloosheidsuitkering verloren, naar het OCMW is gestapt om een leefloon aan te vragen. Dat is meer dan de regering-De Wever had gedacht. Ze hield er rekening mee dat slechts een derde zou overstappen op een leefloon.
Hoe symbolisch belangrijk de beperking van de werkloosheidsuitkering in de tijd ook is, een grote besparing zal ze niet zijn. Want aan bijna de helft van de mensen aan wie vroeger een werkloosheidsuitkering betaald werd, wordt nu een leefloon betaald. Uit voorlopige eerste ramingen blijkt dat slechts 10 procent weer aan de slag is gegaan.
De beperking van de werkloosheidsuitkeringen in de tijd was een noodzakelijke stap, maar is geen schot in de roos. Nochtans is meer mensen aan het werk krijgen het medicijn bij uitstek om de rampzalige Belgische overheidsfinanciën op orde te zetten.
En dan kom je al snel weer uit bij de andere grote groep mensen die in ons land niet aan het werk zijn: de bijna 600.000 langdurig zieke werknemers. Dat cijfer ligt niet alleen historisch hoog, maar is ook vergeleken met andere Europese landen extreem uitzonderlijk. Een groep van die mensen is uiteraard dermate ziek dat ze niet weer aan het werk kan, maar in principe moet een deel ervan op zijn minst deeltijds opnieuw aan de slag kunnen.
Net als het jarenlang een taboe was om te raken aan de uitkering van langdurig werklozen, was het voor de regeringen van de afgelopen twee decennia een even groot taboe om langdurig zieken te viseren. Er werd dan ook veel te lang niets aan gedaan. Met een spectaculaire groei tot gevolg. In 2005 ging het nog om 230.000 zieken, in 2015 om 370.000 en eind vorig jaar om 576.000. En dat is nog zonder de langdurig zieke ambtenaren geteld.
Stappenplan
Minister van Volksgezondheid Frank Vandenbroucke (Vooruit) heeft een stappenplan uitgewerkt om langdurig zieken weer aan het werk te helpen. Een deel ervan moet nog in uitvoering worden gebracht, maar voorlopig heeft het nog maar weinig zoden aan de dijk gebracht.
Nochtans ligt daar de echte uitdaging voor de regering-De Wever. Als ze in september zoals afgesproken 10 miljard euro wil besparen, moet naar de langdurig zieken worden gekeken. Bron: De Tijd.
Volgens Neutr-On schort er iets aan de werking van het systeem, er zijn zoveel werklozen en leefloners maar probeer maar eens iemand te vinden bij de wijkwerkers om wat klusjes te komen opknappen, dat lukt gewoon niet.
Ook de afbouw van de fiscale voordelen voor dienstencheques heeft een nadelig effect op de werkgelegenheid. De belangrijkste resultaten tot nu toe zijn:
• Een daling van het gebruik in Vlaanderen. In 2025 werden ongeveer 2 miljoen minder dienstencheques gebruikt dan in 2024. Ook het aantal gebruikers daalde voor het eerst in jaren.
• De kost voor gezinnen is gestegen. Naast het verdwijnen van het fiscale voordeel steeg de prijs van de dienstencheque en rekenen sommige bedrijven bijkomende administratieve kosten aan. Daardoor is huishoudhulp voor veel gezinnen merkbaar duurder geworden.
• Discussie over de doelmatigheid van het systeem. Verschillende economen wijzen erop dat het oorspronkelijke doel – zwartwerk bestrijden en laaggeschoolde werkgelegenheid creëren – grotendeels wordt tenietgedaan door de afschaffing van het fiscaal voordeel.
Omdat de maatregel nog maar kort van kracht is, verwachten onderzoekers en beleidsmakers dat een betrouwbaarder beeld pas zal ontstaan na enkele jaren, wanneer duidelijk wordt of de daling in gebruik doorzet en of er effecten zijn op zwartwerk, werkgelegenheid en de betaalbaarheid van huishoudhulp.
Volgens Neutr-On is het vooral de afschaffing van een goed draaiend systeem dat de grootste ergernis veroorzaakt. De klusjes blijven liggen en de leefloners hebben geen werk en zitten met hun vingers te draaien.
Daarnaast kunnen alleen de bedrijven gebruik maken van flexijobbers, waarom kunnen gezinnen geen beroep doen op flexijobber om klusjes op te komen knappen?
De maatregelen die de regering neemt hebben weinig sociale en maatschappelijke meerwaarde.