Vanaf mei volgend jaar is wegenvignet verplicht om over Belgische snelwegen en gewestwegen te rijden: zoveel zal een vignet kosten

Vanaf mei volgend jaar is wegenvignet verplicht om over Belgische snelwegen en gewestwegen te rijden: zoveel zal een vignet kosten

Vanaf 1 mei volgend jaar zullen zowel buitenlanders als Belgen een digitaal vignet moeten hebben om over Belgische snel- en gewestwegen te rijden. Dat schrijft De Tijd vrijdag. Bij Vlaams minister van Financiën Ben Weyts (N-VA) klinkt het dat de ministerraad nog groen licht moet geven, en dat het vignet gekoppeld is aan de hervorming van de jaarlijkse verkeersbelasting zodat de Vlaamse verkeersbelastingen globaal genomen niet stijgen

Het wegenvignet wordt ingevoerd aan de hand van een samenwerkingsakkoord tussen Vlaanderen, Wallonië en Brussel. Volgens de krant is er alleen nog discussie over de verdeling van de kosten, en zou het systeem eerstdaags worden voorgesteld.

Het tarief zou afhangen van de CO2-uitstoot van de wagen. Voor wagens zonder CO2-uitstoot zou het vignet 90 euro per jaar kosten, voor de meest vervuilende auto’s zou het om 125 euro per jaar gaan. Eigenaars van wagens met minstens Euronorm 4 zouden 100 euro moeten neertellen. Een vignet zou ook per dag, tien dagen, een maand of twee maanden kunnen worden aangekocht. In de Vlaamse begroting staat vanaf 2027 een opbrengst van 130 miljoen euro per jaar ingeschreven.

Het vignet staat vandaag op de agenda van de Vlaamse regering, net als de hervorming van de verkeersbelasting. Die twee zijn gekoppeld, klinkt het bij Weyts, zodat “de Vlaamse verkeersbelastingen globaal op hetzelfde niveau blijven”.

Volgens Vlaams Parlementslid voor oppositiepartij Vlaams Belang Bart Claes zullen sommige automobilisten nauwelijks iets voelen van het wegenvignet, terwijl andere groepen net fors meer dreigen te betalen. “Het uitgangspunt van Vlaams Belang is altijd glashelder geweest: buitenlandse weggebruikers moeten eindelijk meebetalen voor het gebruik van onze wegen, maar de Vlaamse automobilist mag daar geen euro slechter van worden”, zegt hij. “Minister Weyts heeft meermaals verklaard dat het wegenvignet geen verdoken belastingverhoging voor de Vlaming mag worden. Dat moet nu ook zwart op wit blijken.”

Bron: Nieuwsblad.be

Het post-neoliberale tijdperk is begonnen!

Het debat gaat niet langer óf het neoliberalisme voorbij is, maar wat ervoor in de plaats komt.

Zelfs los van de ingrijpende politieke en economische omwentelingen die de wereld momenteel ondergaat en die de institutionele architectuur van na de Tweede Wereldoorlog volledig op hun kop zetten, wordt het meer dan duidelijk dat het neoliberalisme passé is. Het neoliberalisme brak algemeen door als referentiekader voor zowel de economische analyse als het beleid, met de verkiezing van Ronald Reagan in de VS en Margaret Thatcher in het VK.

Neoliberalisme, door de Turkse econoom Dani Rodrik ook aangeduid als hyperglobalisering, staat voor een voorkeur voor de markt(competitie) als economisch en sociaal reguleringsmechanisme boven overheidstussenkomst of -regulering. Het staat ook voor de voorrang aan economische waarden boven sociale, politieke of culturele waarden als motiveringsmechanisme, en voor privaat ondernemerschap boven collectief of gemeenschapsinitiatief. Het betekent een organisatie van het sociaal leven zoveel als mogelijk als een economische vrije markt volgens de adagia ‘liberalisering, privatisering en deregulering’.

Hoewel het neoliberalisme een rechts-conservatieve aanval was op het sociaaldemocratisch geïnspireerde keynesiaanse ideeëngoed, schikte ook links zich met gemengd enthousiasme (Blair, Schröder) of met gelatenheid (Mitterrand, Jospin) naar de politieke richtlijn: ‘de markt als het kan, overheid als het moet’. Met andere woorden: overheidsbeleid opgevat als marktcorrigerend en dit zo marktconform mogelijk. In deze zin was er sprake van een consensus rond het neoliberalisme, namelijk zijn relevantie als referentiekader voor het politieke, sociale en economische beleid. Vanzelfsprekend betekent dit niet dat er geen ideologische strijd was tussen links en rechts over de prioriteiten van het maatschappelijk beleid. ‘Markt als het kan, overheid als het moet’ liet héél veel tinten grijs toe.

Van consensus naar consensus

Zo’n ordenend sociaal theoretisch kader dat als referentiekader de consensus wegdraagt, is niet eigen aan het neoliberale tijdperk.

Vóór het Ancien Régime kan het mercantilisme als dusdanig worden beschouwd. Onder impuls van Adam Smith werd het mercantilisme vervangen door de klassieke liberale consensus, die stelde dat de rijkdom van een natie door haar productievermogen werd bepaald in plaats van het saldo van haar handelsbalans en waarvoor vrij ondernemerschap de belangrijkste hefboom was. Het consensuskarakter van deze doctrine blijkt nog het best uit Karl Marx zijn overtuiging van de noodzaak van het kapitalisme als fase in de menselijke geschiedenis, die moest zorgen voor de creatie van een wereld van welvaart waarin het proletariaat enkel nog haar ketenen te verliezen had en die de vrijhandelsvoorvechter David Ricardo verdedigde tegen de utopische socialisten.

Onder impuls van de depressie van de jaren 1930 en de vernietigende Tweede Wereldoorlog die daarop volgde, werd de liberale consensus op haar beurt vervangen door de keynesiaanse theorie van the visible hand in plaats van the invisible hand, actief overheidsoptreden in functie van economische stabiliteit en groei, met het Bretton-Woodsregime van vrije handel in goederen maar gereguleerd internationaal kapitaalverkeer als internationaal sluitstuk. Representatief voor het consensuskarakter van het keynesianisme in de eerste decennia na de Tweede Wereldoorlog is de uitspraak van Milton Friedman (!) in 1965 dat “we’re all Keynesians” die in 1971 door Richard Nixon werd overgenomen.

Kritieken op het neoliberalisme

Onder impuls van de stagflatie van de jaren 1970 verdween de keynesiaanse consensus ten voordele van de neoliberale doctrine, die de herwaardering van vrij ondernemerschap en vrije markten bepleitte om opnieuw voor economische groei en lage inflatie te zorgen. Maar vandaag, vijftig jaar later, stuit het neoliberalisme op een aantal cruciale uitdagingen waarvoor de vrije markt meer deel van het probleem dan het antwoord is.

Marktliberalisering heeft geleid tot het ontstaan van gigabedrijven met marktmacht die hen reuzenhoge monopoliewinsten oplevert (Apple, Amazon, Microsoft, Alphabet en Meta om enkele van de meest bekende te noemen). Monopoliemacht van bedrijven en verzwakkende tegenmacht van vakbonden en consumenten in plaats van trickle down, leidt met vrije kapitaalmobiliteit en de (legale) fiscale optimalisatie vandien, tot een concentratie van inkomens in het hoogste deciel die de inkomensongelijkheid terug naar de 19de eeuw katapulteert. Liberalisering, privatisering en deregulering heeft de duurzaamheid van de vrije markteconomie niet onmiddellijk bevorderd en de wereldeconomie als één grote handelsmarkt bleek niet de beste manier om duurzame geopolitieke verhoudingen met China te bereiken.

Wat nu?

Deze kritieken hebben weliswaar een linkse oorsprong, maar worden ook ter rechterzijde gedeeld. Maar net zoals in het verleden, worden hieruit diametrale tegengestelde conclusies getrokken met betrekking tot de beleidsprioriteiten. Daar waar (radicaal-) rechts uit het marktfalen de conclusie trekt dat (internationaal) beleid enkel draait om de macht van de sterkste, bijgevolg politieke betrekkingen herleidt tot de brute machtspolitiek en markten worden gestuurd in functie van oligarchische rentextractie, is een meer links geïnspireerd antwoord op het falen van het neoliberalisme build and balance, om de termen van de Amerikaanse econome Jennifer M. Harris te gebruiken.

Balance, onder de vorm van het tegengaan van de monopoliemacht van de gigabedrijven door de markten open te houden, tegenmacht van werknemers en consumenten te ondersteunen of te bevorderen, internationale handel meer te sturen (bijvoorbeeld in de relatie met China, maar tevens de due diligence reguleringen van de EU), of tot een juistere belasting van het internationaal mobiel kapitaal te komen (bijvoorbeeld het instellen van een internationale minimumbelasting voor multinationale ondernemingen).

Build, omdat de overheid voor een aantal cruciale publieke goederen moet zorgen, zoals kwalitatief hoogstaand onderwijs, degelijke en betaalbare gezondheidszorg, bescherming tegen pandemieën, infrastructuur (fysiek en digitaal) en veiligheid. Daarnaast zal de vrije markt nooit de transitie naar een duurzame economie voltrekken, hoewel deze voor het voortbestaan zelf van de vrijemarkteconomie onontbeerlijk is.

Dani Rodrik bedoelt iets analoogs wanneer hij het over productivism als beleidsvisie heeft. Ongelijkheid en armoede tegengaan en duurzaamheid bevorderen, vergt het ontwikkelen van nieuwe productieve opportuniteiten (die hij vooral in de dienstensector ziet in plaats van de be- en verwerkende nijverheid) en waarvoor de overheid een cruciale verantwoordelijkheid heeft.

Het is eveneens verwant met de ideeën van de Italiaans-Amerikaanse econome Mariana Mazzucato die onder meer in haar boek Mission Economy (2021) wijst op de rol die de (Amerikaanse) overheid heeft gespeeld (meer bepaald het Apolloproject) voor een aantal innovaties die aan de basis lagen van de digitale revolutie en die ook een inspiratiebron vormden voor de Green New Deal van de EU.

Het neoliberale tijdperk is aan zijn einde. De maatschappelijke discussie gaat bijgevolg vandaag over de vraag hoe de post-neoliberale orde zal worden ingevuld. Aan de ene kant staat een autoritair model waarin economische en geopolitieke macht worden geconcentreerd. Aan de andere kant een economie waarin markten worden gecorrigeerd én publieke capaciteit opnieuw wordt opgebouwd. Aan ons de keuze.

Bron: SAMPOL.be

De loonkloof leeft van geheimhouding

België vraagt zes maanden extra uitstel voor de omzetting van de Europese richtlijn inzake loontransparantie. Nochtans is dit niet zomaar een verplichting vanuit de EU, maar de sleutel om de loonkloof eindelijk zichtbaar te maken én aan te pakken.

Nog geen maand geleden liet een jonge vrouw, de CEO van Payflip, haar eigen brutoloon van 10.000 euro op een gigantisch reclamebord in Antwerpen plaatsen. Niet uit provocatie, maar om een debat open te breken dat veel te lang taboe is gebleven: loontransparantie. Haar uitspraak was raak. Vandaag praten we nog vaak over loon zoals vorige generaties over seks praatten: ongemakkelijk, fluisterend en liefst achter gesloten deuren.

Nochtans zijn de cijfers over de loonkloof tussen vrouwen en mannen al jaren overduidelijk. Die loonkloof is in België nog steeds een realiteit. Ze bedraagt vandaag volgens het Instituut voor de Gelijkheid van Mannen en Vrouwen 7%. Voor arbeidsters lopen de verschillen nog verder op, tot wel 20%. Daar komt nog eens bij dat vrouwen in bepaalde sectoren gemiddeld minder verdienen dan mannen.

Eén van de redenen waarom die ongelijkheid zo hardnekkig blijft bestaan, is dat ze zich vaak verschuilt achter gesloten deuren. Wat niemand ziet, wordt zelden gecorrigeerd. Zonder transparantie weten werknemers niet of ze correct worden verloond. Zonder transparantie kunnen werkgevers zichzelf wijsmaken dat er geen probleem is. En zonder transparantie blijft discriminatie vaak onzichtbaar.

Die ongelijkheid is een structureel probleem. Wie minder verdient, bouwt minder sociale rechten op, spaart minder pensioen op en heeft minder financiële onafhankelijkheid. Ongelijke lonen vandaag, betekenen ongelijke kansen morgen. Dus ja, loontransparantie verdient een serieus en open debat.

Het antwoord op de loonkloof: loontransparantie

Sinds deze maand geldt de Europese richtlijn inzake loontransparantie. Toch vraagt ook ons land zes maanden extra uitstel voor de omzetting van deze wetgeving. Voor Vooruit is het duidelijk: uitstel mag geen afstel zijn. De omzetting van de richtlijn inzake loontransparantie is erg belangrijk. Ze zorgt ervoor dat loonverschillen zichtbaar worden, dat werkgevers hun beleid objectief moeten kunnen verantwoorden en dat werknemers eindelijk over de nodige informatie beschikken om hun rechten af te dwingen. Dat is geen revolutie opgelegd vanuit de EU. Dat is de ondergrens van een eerlijke arbeidsmarkt.

Loontransparantie is geen technische oefening voor juristen en evenmin een administratieve last die ondernemingen zomaar wordt opgelegd. Ze raakt de kern van wat een rechtvaardige arbeidsmarkt hoort te zijn: gelijk loon voor gelijk werk, zoals al die moedige vrouwen voor de fabriek van FN Herstal al vroegen in 1966. Gelijk loon voor gelijk werk: een principe waar iedereen het in theorie over eens is, maar dat in de praktijk nog altijd te vaak wordt geschonden. Net daarom is de Europese richtlijn zo belangrijk.

En uiteraard begrijp ik dat er vragen rijzen over de uitvoering. Die zijn logisch. Elke hervorming roept praktische en juridische uitdagingen op. Maar wat ik niet begrijp, zijn de drogredenen die N-VA nu aanhaalt om de omzetting van deze richtlijn te dwarsbomen. Alsof iedereen straks exact weet wat elke collega verdient. Alsof privacy verdwijnt. Alsof ondernemingen geen ruimte meer hebben om prestaties, ervaring of anciënniteit mee te wegen. Dat is simpelweg onjuist.

De richtlijn vraagt niet om iedereen identiek te verlonen. Loonverschillen blijven mogelijk. De richtlijn vraagt enkel dat loonverschillen objectief kunnen worden uitgelegd. Als een werkgever objectief kan aantonen dat die verschillen gerechtvaardigd zijn, is er helemaal geen probleem. Dus ja, een vrouw met bakken ervaring die goed presteert, kan en mag dan meer verdienen. Maar dit voorbeeld uitlichten, doet deze discussie onrecht aan. Nog veel meer vrouwen en ook andere collega’s zullen via de omzetting van deze richtlijn eindelijk net een eerlijk zicht krijgen op wat collega’s van hen in eenzelfde functie verdienen. Want ja, die verschillen zijn er nog steeds. Soms gerechtvaardigd, vaak ook niet. Dat tonen praktijktesten aan: ook op leeftijd en migratieachtergrond wordt er nog steeds gediscrimineerd op de arbeidsmarkt. Door loontransparantie worden die verschillen net zichtbaar.

60 jaar later dezelfde strijd: gelijk loon voor gelijk werk

Meten is weten. En kennis is macht. Taboes beschermen zelden de mensen met de minste macht. Ze beschermen meestal degenen die voordeel halen uit de onduidelijkheid.

En dat is de kern van de discussie rond loontransparantie: de vraag wie informatie heeft en wie niet. De vraag of werknemers het recht hebben om te weten hoe hun loon tot stand komt. De vraag of werkgevers bereid zijn hun beleid te verantwoorden wanneer verschillen niet objectief verklaarbaar zijn.

Opvallend genoeg tonen steeds meer ondernemingen zelf aan dat transparantie geen bedreiging hoeft te zijn. Kijk maar naar de jonge CEO die haar loon te kijk hing.

Dat is niet gek, want ook economisch is meer openheid gewoon verstandig beleid. Werknemers verwachten vandaag eerlijkheid, duidelijkheid en respect. Bedrijven die transparant zijn over hun loonbeleid winnen vertrouwen, trekken makkelijker talent aan en bouwen sterkere organisaties uit. In een arbeidsmarkt waar werkgevers vechten voor gekwalificeerde medewerkers is dat net een troef.

Daar komt nog bij dat artificiële intelligentie steeds vaker wordt ingezet bij aanwerving, promotie en evaluatie. Wanneer beslissingen meer en meer door algoritmes worden ondersteund, wordt controle net belangrijker.

Dus laat het duidelijk zijn: transparantie is geen rem op innovatie. Het is een noodzakelijke bescherming tegen verborgen vooroordelen, taboes en historische ongelijkheden.

De omzetting van deze richtlijn is daarom geen verplicht huiswerk uit Europa. Het is een kans om eindelijk werk te maken van een arbeidsmarkt die haar eigen principes serieus neemt.

Loontransparantie gaat niet over formulieren, rapportering of juridische definities. Loontransparantie gaat over rechtvaardigheid, over respect. En over de eenvoudige vraag waarom twee mensen die hetzelfde werk doen soms nog altijd niet hetzelfde worden beloond.

Dus 60 jaar later voeren we dezelfde strijd als de vrouwen aan FN Herstal in 1966: gelijk loon voor gelijk werk, met loontransparantie.

Want alleen wat zichtbaar wordt, kan ook eerlijk worden gemaakt.

Bron: SAMPOL.be

Sectorale praktijktesten tegen discriminatie: too little, too late

De Vlaamse regering blaast de sectorale praktijktesten nieuw leven in, maar kiest opnieuw voor een aanpak die weinig druk zet op werkgevers die discrimineren.

Het is een beproefde politieke techniek: gun een andere partij een politiek symbool, maar hol het zo uit dat er nauwelijks iets van overblijft. Nadien kan je de maatregel wegzetten als inefficiënt en zinloos. Dat is ongeveer wat vandaag gebeurt met praktijktesten als instrument tegen discriminatie.

Praktijktesten zijn een wetenschappelijke methode om het voorkomen van discriminatie objectief in kaart te brengen. Ze worden decennialang door academici gebruikt voor onderzoek naar discriminatie. Praktijktesten kunnen echter ook worden ingezet om bedrijven of makelaars te sensibiliseren rond de problematiek. Indien nodig kunnen ze ook dienen als bewijsmiddel in een juridische procedure wegens discriminatie.

Uiteindelijk blijkt waarvoor praktijktesten worden ingezet vooral een politieke keuze te zijn. Voor links mag er gerust een stok achter de deur zijn, terwijl rechts al huivert bij het gericht aanspreken van bedrijven over hun testresultaten. Het is de zogenaamde ‘Gentse aanpak’ versus het ‘Antwerpse model’.

En in die spagaat zit de Vlaamse regering met haar recente beslissing om opnieuw een sectorale meting met praktijktesten te laten uitvoeren naar discriminatie op de arbeidsmarkt. Het doel is sectoren te vergelijken en daaraan sensibiliserende acties te koppelen via zelfregulering.

Het plan lijkt op het eerste gezicht goed. Wie kan er nu tegen een onderzoek zijn? En is voorkomen via sensibilisering niet beter dan bestraffen? Alleen bestaan er reeds tal van studies die discriminatie zwart op wit aantonen. We weten vrij goed welk type bedrijven of welke sectoren het meest geneigd zijn om te discrimineren op basis van welke discriminatiegronden. Kort gezegd: kleinere bedrijven discrimineren vaker, vooral tegenover oudere kandidaten en etnische minderheden. En de groot- en detailhandel, vervoer, logistiek en gezondheidszorg zijn de slechte leerlingen van de klas.

Wat de sensibilisering betreft, mogen de sectoren zelf kiezen hoe ze de subsidies van de zogenaamde sectorconvenanten gaan inzetten. Dat kan gaan van trainingen voor HR-consultenten tot ‘lerende werkvloeren’. Er zijn geen sancties of individuele opvolging van bedrijven die blijven discrimineren. Alles blijft op het geaggregeerde sectorniveau. Individuele bedrijven blijven buiten schot. Lekker anoniem. Sensibilisering heeft uiteraard haar plaats, maar de effectiviteit ervan hangt af van een geloofwaardige mogelijkheid tot controle en opvolging. Zonder die stok achter de deur dreigt ze te vervallen in vrijblijvende intentieverklaringen.

Nochtans gebeurde precies hetzelfde al in 2021. Toen liet de vorige Vlaamse regering ook reeds sectorale praktijktesten uitvoeren met exact dezelfde doelstellingen. Het zou een soort benchmarking worden gericht op sensibilisering.

De olifant baarde evenwel een muis. Slechts 20 sectoren werden uiteindelijk met praktijktesten getest, 14 sectoren pasten alternatieve methoden toe en 6 sectoren weigerden categoriek om iets te doen. De sectorspecifieke resultaten werden bovendien niet openbaar gemaakt wegens ‘onvergelijkbaar tussen sectoren’ en ’te gevoelig’. Het zou immers het ‘precaire draagvlak bij werkgevers ondergraven’ voor de strijd tegen discriminatie. Het is hemeltergend hoe erg de fluwelen handschoenen worden aangetrokken wanneer het gaat over de structurele uitsluiting van grote groepen burgers in onze samenleving.

De sectorale aanpak van discriminatie met zelfregulering rammelt langs alle kanten. En toch zal de Vlaamse regering vanaf december 2026 opnieuw sectorale praktijktesten laten uitvoeren. Er is echter een belangrijk verschil. De sectoren mogen nu niet meer zelf kiezen of ze al dan niet de testen gaan uitvoeren en de methodologie wordt tussen de sectoren vergelijkbaar gemaakt.

Dat zijn twee stappen in de goede richting, maar het is uiteindelijk toch maar een pyrrusoverwinning. Zo’n uniforme sectorale benchmarking had er al tien jaar geleden moeten zijn. Bovendien krijgen de sectoren opnieuw alle vrijheid om zelf sensibiliseringsmaatregelen uit te dokteren.

Maar een sectorale meting creëert nauwelijks een prikkel voor individuele werkgevers om hun gedrag aan te passen. Een bedrijf dat discrimineert, ondervindt immers geen enkel rechtstreeks gevolg wanneer alleen het sectorgemiddelde wordt besproken. Zonder individuele feedback of een geloofwaardige kans op sancties blijft de stimulans om het eigen aanwervingsbeleid te veranderen bijzonder beperkt. Het is dus too little, too late. Een mooi politiek symbool, maar het is weinig waarschijnlijk dat deze sectorale praktijktesten met zelfregulering veel zoden aan de dijk zullen zetten.

Er bestaat nochtans een beter alternatief: laat een centraal orgaan praktijktesten uitvoeren in alle sectoren binnen een wettelijk afgelijnd kader. Dat moet zowel gewestelijk als federaal worden geregeld naargelang de bevoegdheid. De opdracht kan worden toevertrouwd aan de arbeidsinspectie, Unia of het Vlaamse Mensenrechteninstituut, afhankelijk van de bevoegde overheid. De individuele bedrijven worden nadien geïnformeerd over hun specifieke testresultaten. Wanneer een praktijktest een vermoeden van discriminatie oplevert, kan een verbetertraject of sensibilisering worden opgelegd. Weigeren ze die uit te voeren of scoren ze opnieuw slecht bij een hertesting dan volgt een sanctie.

Die individuele benadering is cruciaal. Discriminatie wordt niet gepleegd door sectoren, maar door werkgevers. Wie discriminatie echt wil terugdringen, moet niet alleen sectoren sensibiliseren, maar ook individuele bedrijven responsabiliseren.

Bron: SAMPOL.be

In India dragen fabrieksarbeiders camera’s op hun hoofd die AI-robots traint om hun job over te nemen

In India dragen fabrieksarbeiders camera’s op hun hoofd die AI-robots traint om hun job over te nemen

Het is een opvallend zicht in tal van fabrieken in India: duizenden arbeiders die T-shirts stikken of spullen maken met een GoPro op hun hoofd gemonteerd. Het doel achter de dystopische taferelen is even fascinerend als bevreemdend. De arbeiders voeden eigenhandig de technologie die hen op termijn werkloos zal maken.

“We vonden het eerst grappig hoe we er allemaal uitzagen met dat ding op ons hoofd”, getuigt kledingarbeidster Lalita* (niet haar echte naam) aan de Britse krant ‘The Guardian’. Maar het lachen verging haar en haar collega’s in de fabriek aan de rand van Delhi al snel.

Zwarte hoofdspionnen

Terwijl Lalita T-shirts en broeken zit te naaien, legt de camera op haar hoofd alles vast: het ritme van haar handen die de stof door de naaimachine begeleiden, de snelheid waarmee ze met haar vingers plooien wegwerkt, en zelfs de interacties met haar collega’s.

De kleine zwarte hoofdspionnen deden de sfeer op de werkvloer danig omslaan. Het gevoel dat hun productiviteit live wordt gemonitord, maakte de arbeiders heel bewust van hun bewegingen. Soms werkten ze sneller, soms met meer concentratie, bang om een fout te maken. Anderen maakten juist meer fouten, net omdat er op hun vingers wordt gekeken. En het gekeuvel op de werkvloer? Dat verstomde volledig met al die camera’s.

Ook in tal van andere fabrieken in India krijgen arbeiders tijdens hun shiften camera’s op het hoofd gemonteerd. Alles draait om data: hun dagelijkse routines worden zorgvuldig vastgelegd in de race om industrieel werk nog verder te automatiseren.

“Egocentrische data”

Lees: de camera’s op het hoofd van de fabrieksarbeiders moeten de AI-robots trainen die in de toekomst de job van deze mensen zullen overnemen. Door handelingen en alledaagse taken vanuit dit perspectief op te nemen, leren de robots menselijke bewegingen en fijne motoriek nadoen.

Ontwikkelaars denken dat de input van beelden vanuit een eerstepersoonsperspectief, ook wel “egocentrische data” genoemd, in gespecialiseerde AI-modellen robots zal helpen om mensen te kopiëren.

“Opnames vanuit het perspectief van de mens, van bewegingen en interacties, zijn essentieel voor het trainen van robots die op een dag mensen aan de productielijn zouden kunnen vervangen”, legt ‘The Guardian’ uit. Daarnaast is al die data ook van onschatbare waarde om de robots te trainen die in de toekomst huishoudelijke taken bij particulieren thuis zullen uitvoeren.

Bekende AI-taalmodellen zoals ChatGPT of Gemini worden getraind op enorme hoeveelheden tekst. Eventueel humanoïde AI-robots voor in de industrie hebben nood aan opnames vanuit het perspectief van de arbeiders. In plaats van massaal teksten te scannen, moeten voor die AI dus miljoenen uren aan menselijke activiteit gescand — gefilmd — worden.

Optimus-robot van Tesla

EgoLab, een Indiaas databedrijf dat alle informatie uit de fabriek van Lalita verzamelt, heeft bijvoorbeeld het Amerikaanse Tesla als een van zijn belangrijkste klanten. CEO Elon Musk zet met Tesla vol in op humanoïde robots via zijn Optimus-project.

“Werkplaats van de wereld”

India, dat sowieso een centrale rol speelt in de wereldwijde AI-race, is nu in sneltempo ook een cruciale hub aan het worden in de race om egocentrische data te verzamelen voor AI.

“Zuid-Azië blijft de werkplaats van de wereld voor veel arbeidsintensieve industrieën”, zegt Puneet Jindal, oprichter van Labellerr AI, een technologiebedrijf dat egocentrische data verzamelt in India. “Als je een robot wilt leren hoe mensen werken, zijn er maar weinig plekken die dezelfde combinatie van schaal, diversiteit en dichtheid van menselijke arbeid bieden als India. Elke dag opnieuw naaien miljoenen arbeiders kleding, assembleren ze producten, sorteren ze goederen en voeren ze taken uit die robotica-bedrijven machines willen leren.”

Fabrieksarbeiders zouden door techbedrijven betaald worden voor de trainingsdata die ze aanleveren. Maar dat gebeurt lang niet overal. “Soms geven ze ons frisdrank”, zegt Lalita aan ‘The Guardian’, die ongeveer 200 dollar (174 euro) per maand in de fabriek verdient. Ze weet niet of dat iets te maken heeft met die camera op haar hoofd of met de vaak ondraaglijke hitte waarin ze werkt in Delhi.

Bron: HLN.be