by admin | mei 1, 2026 | Onderwijs
“Het is de verantwoordelijkheid van Welzijn én Onderwijs, en dus moeten die 2 departementen veel sterker samenwerken.” Dat zegt Bruno Vanobbergen, directeur-generaal van Katholiek Onderwijs Vlaanderen, na de reportage van Pano waaruit blijkt dat steeds meer jongeren thuisblijven door mentale problemen. Een mogelijke oplossing volgens hem: multidisciplinaire teams met orthopedagogen, criminologen en sociaal werkers op school.
Als steeds meer kinderen niet naar school kunnen omdat ze kampen met emotionele onrust, angst of psychische problemen, wie is daar dan verantwoordelijk voor?
Scholen en ouders voelen zich machteloos, werd duidelijk in de laatste uitzending van Pano. We contacteren minister van Onderwijs Zuhal Demir (N-VA), maar worden al snel doorverwezen naar collega van Welzijn Caroline Gennez (Vooruit). Zij wijst op haar beurt opnieuw naar minister Demir, enzovoort.
Net daar knelt het schoentje, zegt Bruno Vanobbergen in De Ochtend op Radio 1. Hij is momenteel directeur-generaal van Katholiek Onderwijs Vlaanderen en was in het verleden ook Vlaams kinderrechtencommissaris.
Het gaat hier volgens Vanobbergen over beide beleidsdomeinen. Naar elkaar wijzen heeft dus geen zin, er moet vooral worden samengewerkt over de domeinen heen.
“Ik zeg het al lang: als het gaat over die 2 beleidsdomeinen, Onderwijs en Welzijn, dan moeten we die veel sterker met elkaar laten samenwerken en echt werk maken van een ondersteuning van scholen. Het gaat vooral over: hoe kan je ervoor zorgen dat je de draagkracht van scholen vergroot?”
Ook Lotte Meulewaeter, directeur van de CLB’s van het gemeenschapsonderwijs, pleit voor een betere samenwerking. Ze zou graag willen dat de CLB’s meer op school aanwezig zijn om het recht op onderwijs voor deze leerlingen mogelijk te maken. Maar andere taken staan dat nu in de weg: “We steken veel tijd in de overbruggingshulp van de wachtlijsten in welzijn. Daarnaast spenderen we veel tijd aan verslagen voor leersteun of ondersteuning in het gewoon onderwijs. We zijn vragende partij om die tijd in de toekomst maximaal door te brengen op school.”
Multidisciplinaire teams als oplossing?
In de reportage wordt gepleit voor multidisciplinaire teams op school, een mogelijke oplossing die Vanobbergen vanmorgen ook op tafel legt.
“Dat betekent dat je ruimte creëert zodat scholen mensen kunnen inzetten: orthopedagogen, soms criminologen en sociaal werkers die samen een team vormen”, licht de onderwijstopman verder toe.
Zo’n team zou leerkrachten van dichtbij kunnen ondersteunen. En dat werkt, ziet Vanobbergen vandaag al op het terrein. “Er zijn al een aantal scholen die daar op eigen initiatief werk van maken.”
“We zien dat die scholen echt een wereld van verschil maken, voor leerlingen, hun ouders en de leerkrachten. Het is daarom cruciaal dat scholen de nodige rugdekking en ruimte krijgen om mensen in te zetten die snel en nabij hulp en ondersteuning kunnen bieden.”
Want onder meer met het lerarentekort, kan het niet de bedoeling zijn dat deze problematiek op de schouders van leerkrachten terechtkomt, benadrukt Vanobbergen. “Dit is zeker niet de opdracht van de school alleen, maar het is wel de school als plek waar je die ondersteuning kan geven.”
Rust, leerkansen en inclusie
De centrale vraag daarbij volgens Vanobbergen: hoe zorgen we ervoor dat we scholen tot plaatsen maken waar er rust is, waar kansen zijn tot leren, en waar tegelijkertijd inclusie is? “Op die 3 dingen moeten we volop inzetten.”
Maar alleen met multidisciplinaire teams ga je er niet komen, gaat hij verder. Daarom lopen er momenteel gesprekken tussen Katholiek Onderwijs, minister Demir én minister Gennez.
“Je merkt steeds meer dat het besef groeit dat we het samen zullen moeten doen. We mogen niet toelaten dat kinderen en jongeren tussen de mazen van het net vallen, tussen onderwijs en welzijn. We moeten hen samen opvangen.”
Bron: VRT.nws
by admin | mei 1, 2026 | Onderwijs
Wat als het leerlingen niet meer lukt om naar school te gaan door emotionele onrust of angsten? Cijfers ontbreken en dus probeert Pano met een eigen bevraging deze complexe en groeiende problematiek in kaart te brengen. Daaruit blijkt dat scholen zich vaak machteloos voelen bij een gebrek aan alternatieve onderwijsvormen en wachtlijsten in de zorg.
Joppe (10), Elle (13) en Nikolas (14) zijn verstandige kinderen. Ze getuigen in Pano dat ze niet naar school gaan. Niet omdat ze dat niet willen, maar omdat het niet meer lukt. Door emotionele onrust, door angst of door psychische problemen. En ze zijn niet alleen.
Het Kinderrechtencommissariaat signaleerde afgelopen najaar dat steeds meer leerlingen die met een ziekteattest wegblijven van school, kampen met psychische problemen zoals schoolangst, faalangst, depressie en burn-out.
Om hoeveel leerlingen het exact gaat, weten we niet. We weten wel dat er sinds de coronacrisis een duidelijke stijging is van leerlingen die meer dan 30 halve dagen per schooljaar ziek thuiszitten.
Bednet ziet al 2 jaar op rij dat mentale klachten de belangrijkste reden zijn voor leerlingen in het secundair onderwijs om hen te ondersteunen met afstandsonderwijs.
Vele honderden thuiszitters door emotionele onrust of angst
Om beter zicht te krijgen op de problematiek, stuurde Pano in januari daarom naar zowat alle basis- en secundaire scholen in het regulier onderwijs een bevraging uit. 509 scholen hebben die ingevuld. Dat is geen representatief onderzoek, maar de bevraging geeft wel aan dat het fenomeen breed bekend is.
329 van deze scholen hebben dit schooljaar te maken met leerlingen die een aangepast traject volgen of – al dan niet voltijds – uitvallen door emotionele onrust of angst. In deze bevraagde scholen gaat het in totaal om 1.066 leerlingen in het secundair onderwijs en 389 in het basisonderwijs. Zowat de helft van de scholen zag de problematiek de afgelopen 5 jaar stijgen.
In het buitengewoon onderwijs is het probleem nog veel groter. Een school voor buitengewoon secundair onderwijs licht in een aparte bevraging toe.
“Een kleine 60 procent van onze 90 leerlingen zit momenteel voltijds op school. Vier leerlingen zitten thuis zonder alternatief programma. Acht leerlingen volgen geen enkel uur les op school, maar krijgen wel een apart traject. En dan hebben we nog heel wat deeltijdse leerlingen die vaak veel nood hebben aan rust.”
De meeste scholen wijzen psychische problemen aan als oorzaak. Ook een vermoeden van autisme, ADHD of hoogbegaafdheid komt naar voren. Daarnaast geven scholen vaak een moeilijke thuissituatie als oorzaak aan voor de uitval.
Scholen voelen zich vaak machteloos
Een woord dat vaak bij scholen terugkomt, is ‘machteloosheid’. Ze willen wel aanpassingen doen om leerlingen tegemoet te komen, maar daarmee overschrijden ze vaak de draagkracht van de school en betrokken leerkrachten. Het gaat namelijk niet enkel om de ernst van die ene problematiek, maar om de veelheid aan problematieken binnen een klas.
Er is dan ook een grens aan de flexibiliteit van een schoolorganisatie: “Er heerst frustratie bij de leraren dat de ‘gewone’ leerlingen ook stress hebben en ook baat hebben bij een dag thuis te mogen studeren. De veelheid van maatwerk is voor sommige leraren niet meer te overzien”, verzucht een school in de bevraging.
Bovendien overstijgen de problematieken van deze leerlingen de expertise van een school. Zowat de helft van de bevraagde scholen geeft ook aan weinig ondersteuning te vinden bij het CLB wegens ‘onderbemand en overbevraagd’.
Flexibeler onderwijs nodig?
Scholen zoeken soms zelf naar oplossingen door leerlingen deeltijds onderwijs te laten volgen. Of ze laten de leerling online lessen meevolgen via Bednet.
Voor wie les volgen niet meer lukt, zijn er ook enkele time-outprojecten, of kan een TOAH-leerkracht (Tijdelijk Onderwijs Aan Huis) een tijdelijke oplossing zijn: die leerkracht komt 4 uur per week bij leerlingen met een medisch attest thuis lesgeven.
Het aantal leerlingen dat zo’n leerkracht aan huis krijgt, is sinds de coronacrisis vooral in het buitengewoon onderwijs sterk gestegen.
Een structurele oplossing is dat niet, vindt Beno Schraepen, expert inclusief onderwijs aan de AP Hogeschool: “De huidige structuur en regels van scholen laten weinig flexibiliteit toe, daar is ook het personeel niet voor. Oplossingen als Bednet of TOAH kunnen dan ondersteunend zijn, maar er wordt daarbij te weinig gezocht naar wat deze leerlingen nu echt nodig hebben om tot leren te komen.”
“Bovendien is het aantal TOAH-uren zeer beperkt. Zo creëer je vanzelf een leerachterstand en dus een ontwikkelingsachterstand op lange termijn.”
Ook professor Orthopedagogiek Ilse Noens (KU Leuven) pleit ervoor om andere – meer flexibele – vormen van lesgeven uit te proberen: “Als die schoolse start van de dag zo moeilijk is, kan je leerlingen wat later naar school laten komen zodat ze al wat rustiger kunnen binnenkomen. Of je kan meer rustpauzes inbouwen. Leerlingen gaan beter deeltijds naar school dan helemaal niet naar school.”
Wachtlijsten in de zorg en moeizame samenwerking met zorgpartners
Als een leerling al voorbij de wachtlijsten in de zorg raakt, blijkt uit de bevraging dat het soms moeilijk is om samen te werken tussen de verschillende betrokken partners, zoals het CLB en het leersteuncentrum of een externe psycholoog.
“Er is vaak geen rechtstreeks contact tussen arts en school. Maar die artsen stellen wel vaak progressieve lesroosters voor zonder rekening te houden met de context van de school”, geeft een school als voorbeeld.
Verschillende scholen zien een mogelijke oplossing in een multidisciplinair team op school, waarbij je verschillende zorgprofielen permanent op je school hebt. Dat kan gaan van een logopedist, kinesist of ergotherapeut tot een psycholoog of sociaal werker.
Ook Beno Schraepen is voorstander: “Zo’n multidisciplinair team voorkomt dat scholen altijd een beroep moeten doen op partners buiten de school. Dan zijn er altijd obstakels en barrières om samen te werken.”
Ook ouders worstelen met de problematiek
En hoe kijken scholen naar de samenwerking met de ouders? De bevraging geeft een gemengd beeld. Soms is er thuis te weinig structuur en veiligheid en hebben kinderen nooit geleerd hoe ze emoties kunnen uiten of dat naar school gaan belangrijk is. Aan het andere uiterste zijn er ouders die hun kind met extra zorgnoden net te veel willen beschermen.
“Dat maakt dat leerlingen in een moeilijke situatie makkelijker gaan vluchten en dan thuis willen blijven. We zien het aantal ouders groeien dat hierin meegaat. Ze doen dat vaak uit angst om hun kind onrecht aan te doen of te veel druk te leggen, terwijl wij leerlingen net willen leren omgaan met moeilijke situaties zoals toetsen, leerstof en vrienden maken”, geeft een school aan. “En eens een kind langdurig thuis is geweest, is de stap om terug te komen veel groter én blijven ze makkelijker opnieuw langdurig thuis.”
“Er zullen zeker ouders zijn die hun kind te snel zeggen om thuis te blijven, maar ik zou dat niet willen veralgemenen”, nuanceert Beno Schraepen. “Ik denk dat er heel veel meer ouders zijn die niet liever willen dan dat hun kinderen naar school gaan maar die op een heleboel obstakels botsen.”
Dat het soms moeilijk kan zijn om deze leerlingen aan boord te houden, merken ook andere scholen. Van de bevraagde scholen geeft net iets meer dan de helft aan dat ze daarin slagen. Als het niet lukt, volgt vaak een doorverwijzing naar het buitengewoon onderwijs of naar een andere school. Al blijkt dat ook niet altijd een goede oplossing.
Ook zien scholen geregeld thuisblijvers die geen onderwijs meer volgen of leerlingen die proberen om hun diploma via de examencommissie te behalen.
Vooral scholen in het basisonderwijs zien dat alternatieve oplossingen ontbreken, terwijl leerlingen die uitvallen steeds jonger worden. En zonder onderwijs én zonder opvang staat het leerrecht van die groeiende groep leerlingen onder druk.
Bron: VRT.nws
by admin | mei 1, 2026 | Economie
“Ruim vijf jaar geleden werd ik aangeworven bij een multinational, om er voor de Belgische markt de marketingafdeling te professionaliseren”, vertelt Bram*. “Ik zette campagnes op, verzamelde een team, werkte processen uit … Maar eenmaal alles op punt stond, veranderde de job. Minder hands-on, minder contacten, meer meetings. Mijn persoonlijke groei, waar ik veel belang aan hecht, werd vlakker. Ik vreesde in een gouden kooi te belanden.”
Ondertussen heeft Bram een andere job, maar aan die stap gingen maanden van zoeken en solliciteren vooraf. “Mijn collega’s en leidinggevende wisten van niets. Dat was ook geen probleem. Sommige gesprekken of opdrachten kon ik ’s avonds organiseren; voor andere nam ik een halve dag verlof. Pas toen ik mijn nieuwe overeenkomst getekend had, heb ik mijn werkgever ingelicht.”
“Bram deed niets verkeerd.” Eline D’Hooge, legal consultant bij SD Worx, is stellig. “Je cv online plaatsen, aangeven dat je ‘open to work’ bent op sociale media en solliciteren: dat valt allemaal onder het recht van privacy van de werknemer. Er is geen wettelijke meldingsplicht. Werkgevers mogen ook niet screenen naar berichten over sollicitaties op private kanalen. Als ze er toevallig op uitkomen, is het geen grond voor ontslag.”
Belangrijke nuance: de jobzoektocht moet volledig buiten je job gebeuren. “Word je betrapt op het zoeken naar een job of solliciteren tijdens de werkuren, dan schend je de algemene regels rond het te goeder trouw uitvoeren van de arbeidsovereenkomst.” Ook mag je in het sollicitatieproces je huidige werkgever niet schaden. Zo mag je uiteraard geen klantenlijsten of bedrijfsgeheimen op straat gooien, maar ook voor een sollicitatie een e-mailadres gebruiken dat verbonden is aan je werkgever kan tot een sanctie leiden.
Burn-out
De regels zijn helder, maar wat als je op zoek wil naar een andere job tijdens een periode van betaald verlof? “Toen ik zwanger was van mijn tweede kindje, voelde ik dat het woon-werkverkeer naar mijn toenmalige job niet langer haalbaar zou zijn met mijn gezin”, vertelt Romy*. Ze werkte toen ruim tien jaar voor een groot consultancybedrijf. “Tijdens mijn zwangerschapsverlof heb ik de knoop doorgehakt en ben ik – met succes – op zoek gegaan naar een job dichter bij huis.
D’Hooge: “Juridisch gezien mag je zeker solliciteren tijdens zwangerschapsverlof of tijdens ziekte en burn-out. Die tijd geldt als private tijd. Maar er zijn wel aandachtspunten. Bij ziekte moet je de voorwaarden van de arbeidsongeschiktheid respecteren en vermijden dat je je herstel ondergraaft. Blijkt een sollicitatie in strijd met jouw ziektebeeld en komt je werkgever erop uit? Dan kan het in uitzonderlijke gevallen zelfs leiden tot een ontslag om dwingende reden.”
Haar advies: overleg je sollicitatieplannen met de adviserende arts van het ziekenfonds. “Het Riziv staat niet alleen in voor de uitkeringen, maar ook voor de regels rond toegelaten activiteiten. Uitkijken naar een andere werkgever kan deel uitmaken van het re-integratietraject, maar dat is voor iedereen anders.”
Schuldgevoelens
Los van wat juridisch moet, kun je natuurlijk ook gewoon open kaart spelen met je werkgever. Jobcoach Charlotte De Mey ziet het bij een minderheid gebeuren, maar moedigt het aan. “Als de reden voor een jobwissel buiten de relatie werkgever-werknemer valt, zoals een kans om voor je droom te gaan of dichter bij huis te werken, reageren de meeste werkgevers begripvol. Voor veel mensen valt na zo’n gesprek een gewicht van hun schouders: ze hebben niet langer een verborgen agenda, de stress dat een collega of leidinggevende op hun jobzoektocht zou uitkomen, valt weg.”
Ook D’Hooge nuanceert het taboe op eerlijkheid hierover. “Veel werknemers voelen een zekere angst om het te bespreken. Ze vrezen negatieve reacties, wantrouwen of verslechtering van de werkrelaties. In de meeste gevallen blijkt die angst ongegrond; het kan net een constructieve dialoog op gang brengen. En intussen verwachten de meeste organisaties niet langer dat je jouw hele carrière bij één bedrijf doorbrengt. Die flexibiliteit wordt steeds beter begrepen.”
De Mey ziet wel een voorwaarde. “Ga alleen de dialoog aan als je een psychologisch veilige relatie hebt met je werkgever.” Concreet: heb je het soort relatie met je leidinggevende waarin je kunt aangeven dat je niet akkoord bent, dat je een fout hebt gemaakt of de werklast te hoog ligt? Dan kun je ook eerlijk communiceren over je wens naar een andere jobinvulling.
Zo’n gesprek bereid je best wat voor, meent De Mey. “Zeker wanneer er een gelaagdheid van gevoelens speelt, zoals schuldgevoelens bij een uitval of frustraties over de bedrijfscultuur.” Haar tip? “Zorg dat je voor jezelf goed weet waarom je precies op zoek wil naar iets anders. Maak het vervolgens zo concreet mogelijk. Stel bijvoorbeeld dat je botst met een leidinggevende. Wanneer je zegt: ‘Ze geeft me geen kansen’, dan is je werkgever daar weinig mee. Geef concrete situaties, hou het feitelijk. Dan kan een werkgever daarmee aan de slag.”
Sollicitatieverlof
Tijdig het gesprek met je werkgever aangaan, kan meer voordelen opleveren dan het gevoel dat je niets stiekem hoeft te doen. De Mey: “Eerlijk zijn over ambities of worstelingen opent soms deuren. Misschien stelt je werkgever opportuniteiten voor waarvan je zelf niet wist dat ze er waren: een nieuwe functie, meer flexibiliteit. Wanneer je zo’n gesprek begint met een getekend contract, zet je de ander eigenlijk al voor het blok, terwijl je bij een vroeg gesprek de werkgever de kans geeft om samen de mogelijkheden te verkennen. Het is zoals met een liefdesrelatie. Wanneer je al een ander hebt, verloopt het uitmaken doorgaans wat stroever.”
Zowel bij Bram als Romy verliep het uiteindelijke afscheidsgesprek positief. Bram: “Ik had al laten vallen dat ik openstond voor een horizontale of verticale kans, maar dat was niet evident. Toen ik uiteindelijk vertrok, was dat met veel wederzijdse erkenning. Ik had een opzegtermijn van 13 weken, maar daar hebben we in onderling overleg een paar weken van afgedaan. Ik heb ook elke week een dag sollicitatieverlof genomen (daar heeft elke werknemer recht op na een ontslag, ook als je al een andere job vond, red.)
Romy wachtte niet tot het laatste moment van haar zwangerschapsverlof om haar werkgever in te lichten. “Dat deed ik bewust, omdat ik hun extra tijd wou geven om iemand nieuw te zoeken.” Die beslissing werd erg geapprecieerd. “Mijn opzegperiode van 13 weken heb ik niet meer moeten doen. Ik kreeg betaald verlof, met alle bijkomende voordelen, tot mijn startdatum. We zijn in schoonheid uit elkaar gegaan.”
*Bram en Romy zijn schuilnamen. Volledige namen zijn bekend bij de redactie.
In ‘Op de werkvloer’ houdt De Standaard prangende vragen tegen het licht die leven bij werknemers.
Bron: DS.be
by admin | mei 1, 2026 | Varia
De demarche van minister van Volksgezondheid Frank Vandenbroucke (Vooruit) komt er na de zware kritiek van de N-VA en de MR op de groei van het aantal mensen dat geniet van een verhoogde tegemoetkoming voor hun gezondheidskosten en dus korting krijgt bij een doktersbezoek. Dat zijn er nu al 2,4 miljoen, een groei met ongeveer 400.000 mensen sinds 2020.
“Terwijl het armoederisico op 10,5 procent ligt, heeft 21 procent van de bevolking recht op een verhoogde tegemoetkoming”, rekende N-VA-voorzitster Valerie Van Peel afgelopen weekend voor. Om haar punt kracht bij te zetten, zei ze ook nog dat “sommige mensen op de Cogels-Osylei” (een van de rijkste buurten van Antwerpen) voor 1 euro naar de dokter kunnen”. Als die groep in lijn wordt gebracht met het aandeel inwoners dat onder de armoedegrens leeft, zou grofweg 1,5 miljard euro bespaard kunnen worden, meent de N-VA. Ook MR-Kamerlid Daniel Bacquelaine zei onlangs dat het “niet normaal” is “om hetzelfde voordeel te geven aan een huishouden dat beschikt over een vermogen of inkomen waardoor het eigenlijk goed voor zichzelf kan zorgen”.
Van Peel wil dat eventuele begunstigden vooral zelf bewijzen dat ze recht hebben op een verhoogde tegemoetkoming en wil het huidige grensbedrag (een bruto gezinsinkomen van 28.054 euro bruto) naar beneden. De socialisten van Vooruit grepen die uitlatingen meteen aan om te pleiten voor een betere screening van het vermogen van de begunstigden, in de Cogels-Osylei en daarbuiten.
Bij de toekenning van de verhoogde tegemoetkoming wordt nu al een onderzoek gedaan naar het gezinsinkomen. Maar er kan amper of geen rekening worden gehouden met het vermogen of met bepaalde (on)roerende inkomens, erkent het kabinet- Vandenbroucke. “Vooral roerende inkomens zijn een blinde vlek. Iemand kan in theorie 100.000 euro aan dividenden ontvangen of 100.000 euro als meerwaarde op cryptomunten realiseren en toch recht hebben op een verhoogde tegemoetkoming. Dat kan niet de bedoeling zijn en dat moeten we aanpakken”, zegt Vandenbroucke.
Laag pensioen, toch tweede verblijf in Knokke
Het heropent het debat over de nood aan een vermogenskadaster. Aan de vooravond van 1 mei legt Vandenbroucke verschillende pistes voor om alle roerende, onroerende inkomsten en vermogens beter in rekening te brengen. “De privacy van de betrokkenen wordt hierbij maximaal gegarandeerd”, klinkt het.
Wat roerend vermogen betreft, wil Vandenbroucke iedereen die meer dan 57.325,38 euro bezit aan beleggingen of spaartegoeden uitsluiten dat is tweemaal de huidige inkomensgrens. Voor samenwonenden komt daar 5.306,25 euro bij. De ziekenfondsen zouden een signaal krijgen van de CAP-databank (met daarop de saldi van de bankrekeningen, red.) als deze grens overschreden is, zonder zicht te krijgen op de totale omvang van het vermogen.
Gezinnen die volledig eigenaar zijn van een andere woning of bouwgrond dan de eigen woning, worden ook uitgesloten. Het kabinet-Vandenbroucke geeft als voorbeeld een gepensioneerde met een laag pensioen, die wel een woning in Brasschaat heeft, en een tweede verblijf in Knokke.
Wat vermogensinkomsten betreft, stelt Vandenbroucke voor om alle (on)roerende inkomsten mee te nemen – zoals dividenden. Bij de toekenning zou ook rekening worden gehouden met het vermogen van een vennootschap waarin de aanvrager een belang van minstens 25 procent heeft. Tenslotte worden ook inkomsten die niet systematisch aangegeven moeten worden of vrijgesteld zijn van personenbelasting meegerekend, zoals inkomens uit flexi-jobs of een doctoraatsbeurs.
Wat doet Jambon?
Het kabinet-Vandenbroucke wil daarover snel praten in een interkabinettenwerkgroep. Die versnelling heeft ook te maken met frustratie omdat eerdere vragen tot samenwerking met minister van Financiën Jan Jambon (N-VA) volgens Vooruit onbeantwoord bleven. En dat terwijl Jambons partijvoorzitter van deze kwestie net een speerpunt maakt en er zelfs 1,5 miljard euro hoopt te besparen, iets waarvan men bij Vooruit niet meteen overtuigd is.
Bron: DS.be
by admin | mei 1, 2026 | Economie
De Belgische Consumptieprijsindex (CPI) van april 2026 en het bijhorende maandelijkse Belgische inflatiecijfer worden voorlopig niet gepubliceerd. Tijdens de vergadering van de Indexcommissie van deze maand kon geen consensus worden bereikt. De leden die de sociale partners (werkgevers en vakbonden) vertegenwoordigen, wilden een nieuwe meetmethode toepassen. Het gaat om een manier om de pieken in de energiekosten af te vlakken. Deze indexaanpassing werd eerder gepresenteerd als een alternatief voor de centenindex. De sociale partners gingen niet akkoord met het cijfer dat Statbel nog volgens de oude methode had berekend. De indexcommissie bestaat uit vertegenwoordigers van de sociale partners, maar ook uit experts en vertegenwoordigers van het Federaal Planbureau en Statbel. Werkgevers, werknemers en experts vullen telkens een derde van de zetels.
Enkele leden van de commissie vonden dat de aanpassing van de meetmethode er niet kan komen zonder dat de regering daarbij betrokken wordt. “Een consensus is belangrijk, omdat de index wordt gebruikt voor allerlei contracten, zoals de lonen en de huren. We vinden dat alle leden daarover akkoord moeten zijn”, zegt voorzitter Luc Denayer.
Statbel heeft wel een cijfer berekend, maar dat wordt dus niet gepubliceerd. De bal ligt nu in het kamp van minister van Economie David Clarinval (MR). Hij moet het cijfer goedkeuren. Dat moet vandaag of morgen gebeuren, om de loonaanpassingen op tijd te kunnen doorvoeren. Het is niet de eerste keer dat de indexcommissie niet tot een consensus komt. Sinds de eeuwwisseling is het al twee keer eerder voorgevallen.
Statbel maakte wel de inflatie bekend zoals die volgens de Europese meetmethode wordt berekend. Dat cijfer bedraagt volgens een voorlopige raming 4,3 procent voor april. In maart bedroeg dit cijfer 2,2 procent. Het is dus duidelijk dat de inflatie in april min of meer verdubbeld is. Ook het Planbureau ging daarvan uit in zijn inflatieverwachtingen. Voor april verwachtte het Planbureau een inflatie volgens de klassieke definitie van 3,16 procent.
Bron: DS.be