De weg naar de wrokkige samenleving

ANTWOORD OP VANDENBROUCKE

Wat gebeurt er wanneer solidariteit alleen nog gerechtvaardigd is voor wie zijn pech kan bewijzen? Een samenleving die rechtvaardigheid steeds meer aan individuele verantwoordelijkheid meet, dreigt langzaam een wrokkige samenleving te worden.

De afgelopen weken ontspon zich op de papieren en virtuele pagina’s van Samenleving & Politiek een boeiend debat rond de ideologische positie van Frank Vandenbroucke. In een reactie op een artikel van Brecht Rogissart en Yannis Skalli-Housseini waarin de auteurs hem zijn ‘verbestuurlijking’ verweten, schetst Frank Vandenbroucke hoe zijn denken in de jaren 1980 geëvolueerd is, en hoe dat zijn politiek handelen tot op vandaag bepaalt. Kort gezegd komt het erop neer dat Vandenbroucke zijn visie niet langer laat steunen op een analyse van de economische en sociale verhoudingen binnen onze kapitalistisch georganiseerde samenleving, maar wel op een normatief concept van sociale rechtvaardigheid dat vervolgens enigszins gemoduleerd moet worden gegeven de weerbarstigheid van de mens zoals hij is.

Of we vandaag inderdaad geen fundamentele analyse van het kapitalisme meer behoeven ter onderbouw van onze politieke praxis, en of zo’n kritische analyse per se betekent dat we het socialisme weer in het vaarwater duwen van de verdediging van de belangen van een bepaalde klasse (en misschien is die klasse vandaag wel verdampt), dat zijn cruciale vragen waarvoor ik hier helaas de ruimte niet heb om erop in te gaan.

De kritiek die ik hier wil formuleren begint in die zin ’te laat’; opdat we niet volledig naast elkaar zouden praten, aanvaard ik even de weg die Vandenbroucke is ingeslagen en die leidt van wat we gemakshalve een ‘maatschappijkritisch geïnspireerd socialisme’ kunnen noemen, naar een ‘ethisch geïnspireerde sociaal-democratie’ (of, volgens Eric Corijn, slechts een ‘sociaal-liberalisme’). Het is het rechtvaardigheidsbegrip dat Vandenbroucke hanteert dat ik hier onder de loep wil nemen.

Allicht is voor hem mijn kritiek oud nieuws: voor mezelf helpt de formulering misschien om mijn eigen denken te verhelderen.

Van structuuranalyse naar rechtvaardigheid

Het ankerpunt van het politiek handelen van Vandenbroucke is dus een bepaald normatief begrip van sociale rechtvaardigheid, dat vertrekt van het onderscheid tussen ‘keuze’ en ‘omstandigheden’, tussen ‘eigen verantwoordelijkheid’ en ‘geluk’. Bovendien legt hij er de nadruk op, mijns inziens terecht, dat we rekening moeten houden “met hoe mensen zich feitelijk gedragen in de concrete samenleving”: dus met de weerbarstigheid van de mens, en de weerbarstigheid van de wereld.

Zijn begrip van sociale rechtvaardigheid is echter minder vanzelfsprekend dan op het eerste gezicht kan lijken, en botst precies op die weerbarstigheid van de mens, met kwalijke gevolgen voor de manier waarop we ons tot elkaar verhouden in onze samenleving.

In zoverre Frank Vandenbroucke gelijkheid als een fundamentele waarde begrijpt, schrijft hij zich in de socialistische traditie in. De vraag is natuurlijk hoe we ‘gelijkheid’ als politieke waarde invullen, wat we verstaan onder gelijkheid als een politiek of moreel na te streven ideaal. Hij verwerpt ‘gelijke uitkomsten’ als een vanzelfsprekend foute invulling van dat begrip; het gemak waarmee hij dat doet, toont alleszins hoezeer hij gelijkheid minstens in deze context louter denkt in termen van middelen waarover we al dan niet beschikken. Zijn bezwaar tegen gelijke uitkomsten als politiek na te streven ideaal is al even vanzelfsprekend: het botst met ons rechtvaardigheidsgevoel dat de uitkomst van ons handelen telkens gelijkgetrokken wordt, ongeacht wat we doen of laten. Bovendien kan men zich de vraag stellen waarom we nog wat zouden ondernemen, als men de vruchten die we van onze nijver en vlijt willen plukken voor onze neus weggraait om te geven aan wie zich overgaf aan een luilekkerleventje.

Goed – maar hoe moeten we gelijkheid dan wél begrijpen?

Hier grijpt Vandenbroucke terug naar de traditie van het liberaal egalitarisme, of ‘luck egalitarianism‘, zoals dat ontwikkeld werd door onder andere Ronald Dworkin en G.A. Cohen, en dat we -zeer vereenvoudigend gesteld- een vertoog kunnen noemen dat ‘gelijke kansen’ naar voor schuift als normatief ideaal.

Fundamenteel voor deze positie is het onderscheid tussen enerzijds omstandigheden die buiten de controle van het individu liggen (‘luck’), en anderzijds de keuzes die het individu zelf maakt (‘choice’); dit onderscheid vormt de normatieve basis voor aanspraken op solidariteit. Iemand heeft slechts recht op de solidariteit van de gemeenschap in zoverre zijn noden en behoeften níet het resultaat zijn van zijn eigen keuzes. Een faire verdeling van de middelen in de samenleving moet een weerspiegeling zijn van de keuzes die mensen maken, en niet van omstandigheden buiten hun controle om. De mens wordt als het ware voor zijn verantwoordelijkheid geplaatst: hij krijgt wat hij verdient. Door de staat afgedwongen herverdeling van middelen is dus slechts gerechtvaardigd in zoverre het brute pech compenseert.

De grenzen van ‘luck egalitarianism’

Er vallen wel wat bezwaren te bedenken tegen ‘luck egalitarianism‘ als theorie van sociale rechtvaardigheid waar ik hier niet verder op inga: wat, bijvoorbeeld, met de miserie waarin iemand belandt door zijn eigen foute keuzes?, vraagt deze visie niet dat we hem aan zijn lot moeten overlaten? Neen, kan men als ‘luck egalitarian’ antwoorden: ‘fairness’ is niet de enige waarde die in een rechtvaardige samenleving vorm moet krijgen; er kan -er moet- ook plaats zijn voor mededogen.

En wat met de radicaal verschillende omstandigheden waarin mensen hun keuzes maken: hoe kunnen we hun verantwoordelijkheid evalueren, hoe kunnen we oordelen of zij recht hebben op onze solidariteit, wanneer hun beginsituatie zo verschillend is? Wel, zal men zeggen, een rechtvaardige samenleving vraagt inderdaad dat we streven naar een gelijk speelveld waarbinnnen mensen vervolgens hun keuzes kunnen maken: alleen dan kunnen verschillende uitkomsten ook effectief de weerspiegeling zijn van hun eigen verantwoordelijkheid, en dus rechtvaardig, en kunnen we bijsturen waar nodig. Maar hier is het probleem dan weer dat de posities die personen innemen op het ene moment het resultaat zijn van uitkomsten op een eerder moment: komt het streven naar het gelijktrekken van het speelveld dan niet neer op het gelijktrekken van uitkomsten op dat eerdere moment – een gelijkheidsstreven dat eerder werd verworpen als vanzelfsprekend onhoudbaar?

En als dat níet zo is, welke inhoud hebben in de politieke praktijk zo vlot gebezigde frasen als ‘het effenen van het speelveld’ of ‘iedereen gelijk aan de start’ dan nog, behalve die van een leeg retorisch gebaar waar men verder geen enkele waarde of betekenis aan hecht? Dat ideologische tegenpolen van Frank Vandenbroucke hier precies dezelfde taal hanteren als hij kan men hem natuurlijk niet verwijten, maar het roept wel de vraag op hoe het komt dat het ‘gelijke kansen’-vertoog zo vlot gehanteerd kan worden binnen een visie die allesbehalve de zijne is.

Hier wil ik echter dieper ingaan op een andere moeilijkheid. Absoluut cruciaal in de visie op sociale rechtvaardigheid zoals die geformuleerd wordt in het ‘luck egalitarianism’ is de lijn die we trekken tussen omstandigheden en keuze: waar eindigt de rol van omstandigheden waarvoor het individu niet verantwoordelijk gehouden kan worden en waar begint zijn eigen verantwoordelijkheid?

Waar ligt de verantwoordelijkheid?

‘Luck egalitarianism’ heeft aanleiding gegeven tot een bloeiende literatuur waarin het wemelt van de hypothetische voorbeelden en abstracte tegenvoorbeelden om dit onderscheid helder te krijgen – helaas zonder al te veel succes.

Het uitgangspunt is nochtans eenvoudig genoeg: als jij een noeste werker bent, en ik liever in mijn zetel lig, dan kan ik niet eisen dat jij je verdiensten afstaat aan mij. Maar wat met verschillen in talent, of karakter? Waar trekken we de lijn en bakenen we de invloed af van genen, van opvoeding, van omgeving? Als jij een aardig potje kunt voetballen, terwijl ik nog geen deuk in een pakje boter trap: geeft dat dan aanleiding tot compensatie? En als jij niets liever doet dan dag in dag uit een bal tegen de muur te trappen tot je wordt opgepikt door een grote club waar je het grote geld kunt verdienen: in welke zin is dat dan jouw verantwoordelijkheid, jouw keuze, jouw verdienste?

Ronald Dworkin geeft hier het voorbeeld van een persoon die een lager-betaalde baan aanneemt: vermits hij voor die baan gekozen heeft wetende dat zij slecht betaalt, geeft het lage loon hem geen aanspraak op compensatie tegenover een grootverdiener. Maar blijven hier geen cruciale dimensies achterwege? Waarom kiest iemand voor die baan, en niet voor een baan die beter betaalt? Heeft hij dat dan zomaar voor het kiezen? En waarom betaalt die baan zo slecht, terwijl in een andere job het veelvoud verdiend kan worden? Zijn marktuitkomsten dan ipso facto rechtvaardige uitkomsten? Ongewild leidt onze analyse van sociale rechtvaardigheid in termen van ‘luck egalitarianism‘ ons zo toch weer tot de noodzaak om de werking van de marktmaatschappij zélf aan een kritische analyse te onderwerpen, en blijkt dat we het ons dus niet kunnen veroorloven om onze politieke praxis níet te steunen op een analyse van de concrete economische en sociale verhoudingen in onze kapitalistisch georganiseerde maatschappij (wat nog niets zegt over de uitkomst van zo’n kritische analyse).

Blijkt het in theorie en met sterk vereenvoudigde hypothetische voorbeelden al moeilijk om het veld van eigen verantwoordelijkheid af te bakenen van het domein van omstandigheden die buiten onze controle vallen, dan hoeft het geen betoog dat het in de praktijk al helemaal ondoenbaar is om de rol van eigen keuze en de bijdrage van externe factoren in een situatie uit elkaar te rafelen, en vast te stellen in hoeverre die situatie iemands eigen verantwoordelijkheid is, in hoeverre het ‘buiten zijn schuld om’ gebeurde. Frank Vandenbroucke erkent wel die complexiteit en praktische moeilijkheid om in concrete situaties de lijn te trekken, maar ziet daarin nog geen reden om het onderscheid tussen verantwoordelijkheid en ‘luck’ als normatieve basis voor het politieke handelen op te geven. Maar wat betekent een normatief houvast voor het politieke handelen, als het ons in de praktijk en in concrete situaties niet toelaat om te bepalen wat rechtvaardigheid van ons vraagt?

Het klopt natuurlijk dat we onszelf en elkaar in de dagelijkse omgang voortdurend verantwoordelijk houden en ter verantwoording roepen: het is constitutief voor wie we zijn als mens dát we verantwoording kunnen afleggen voor wat we doen en laten. Een ervaring van de wereld als onbeheersbaar, als niet te bemeesteren, impliceert een totale vervreemding ten aanzien van de wereld, en is psychologisch onleefbaar. Het punt is dus niet dat niets onze verantwoordelijkheid zou zijn: het punt is dat principieel onbeslisbaar is waar we de grens trekken.

De reactieve attitudes die ons leiden in de beoordeling van concrete, individuele situaties waarmee we in ons dagelijkse leven geconfronteerd worden, reactieve attitudes waarvan we zelf ook wel weten dat zij feilbaar zijn en die voortdurend bijgesteld worden naarmate we een beter zicht krijgen op de omstandigheden waarin iemand handelt, zijn niet zonder meer overdraagbaar op het abstracte, ‘universele’ niveau waarop de politieke autoriteit de regels moet vastleggen om ‘keuze’ voor eens en voor al te onderscheiden van ‘omstandigheden’, ‘verantwoordelijkheid’ van ‘bruut geluk’. Hoe we in de politieke praxis de grens trekken, en waar we de grens trekken, is daar zélf een ideologisch bepaalde keuze, geen neutrale vaststelling van objectieve feiten; het onderscheid waarop deze normatieve theorie van sociale rechtvaardigheid steunt, is zo zelf al de belichaming van een ideologie die in ‘luck egalitarianism‘ echter volledig buiten beeld blijft.

Van rechtvaardigheid naar controle

De nadruk die ‘luck egalitarianism’ en het ‘gelijke kansen’-vertoog leggen op de rol van ‘eigen verantwoordelijkheid’ als beoordelingscriterium voor aanspraken op de solidariteit van de gemeenschap is zelf zowel symptoom als oorzaak van het in de vergetelheid raken van onze onderlinge afhankelijkheid en lotsverbondenheid, en van de idee dat we als gemeenschap verantwoordelijk kunnen zijn voor het lot dat iemand treft, ten kwade of ten goede, zonder dat dit iemands ‘schuld’ of ‘verdienste’ hoeft te zijn. De blik verschuift naar het allerindividueelste gedrag van de allerindividueelste persoon: alsof we in een poging om zo correct mogelijk te bepalen wat de rol is van keuze en eigen verantwoordelijkheid in iemands lot, en welk recht hij dus heeft op onze solidariteit, vooral ‘beter moeten kijken’, het individu onder de microscoop van de politieke autoriteit moeten leggen. Hoe meer we weten van zijn doen en laten, hoe meer we zijn gedrag kunnen controleren en waar nodig bijsturen, hoe rechtvaardiger ons ingrijpen.

Allicht onbedoeld leidt de rechtvaardigheidstheorie die ontwikkeld wordt in ‘luck egalitarianism’, door de focus die zij legt op de eigen verantwoordelijkheid, in de politieke praxis tot een disciplinerende surveillance-maatschappij, terwijl de sociale structuren die onze maatschappij en ons lot vormgeven volledig uit het blikveld van het politieke handelen en ingrijpen verdwijnen. Paradoxaal genoeg eindigt een normatieve theorie die start met het intuïtief plausibele idee om verantwoordelijkheid centraal te plaatsen zo met het verhullen van de sociale structuren waarbinnen we ons bewegen als iets waarvoor we als gemeenschap verantwoordelijkheid kunnen nemen: onze marktmaatschappij verschijnt als een bruut feit waar we machteloos tegenover staan.

Ook op het niveau van de individuele persoon doet zich een gelijkaardige paradox voor: opdat iemand recht zou hebben op onze solidariteit vereist ‘luck egalitarianism’ dat zijn lot het gevolg is van omstandigheden die niet zijn eigen keuze zijn. Men moet als het ware z’n uiterste best doen om te tonen wat men níet kan, men moet bewijzen hoezeer de maatschappij níet zit te wachten op uw bijdrage – men moet hulpeloos zijn opdat men hulp zou verdienen. Alleen voor zover we geen controle hebben over de eigen situatie, alleen voor zover we machteloos zijn tegenover wat ons overkomt, kunnen we aanspraak maken op de solidariteit van de gemeenschap. Maar het is precies deze ervaring van machteloosheid, hebben we gezien, deze ervaring van een wereld als onbeheersbaar, die ons vervreemdt van onze eigen plaats in de wereld, en die bijzonder zwaar is om dragen. Het is een ironische omkering van wat emancipatorisch bedoeld was …

De verschuiving die deze theorie bewerkstelligt in ons begrip van sociale rechtvaardigheid, van het niveau van een structuuranalyse van de samenleving naar het niveau van het gedrag van de individuele persoon, haakt zo wel degelijk in op een fundamentele basiservaring van de mens: we moeten onszelf kunnen begrijpen als handelend in de wereld.

Hoe rechtvaardigheid wrokkig wordt

Dit idee, dat we verantwoordelijk zijn voor wat wij bereiken in de wereld, is echter niet perfect symmetrisch. Wat ons ten goede gebeurt, zullen wij toeschrijven aan ons eigen handelen, terwijl onze mislukkingen ons overkomen ondanks onze inspanningen. “Nothing dies harder than the desire to think well of oneself,” schrijft T.S. Eliot ergens. Dit verlangen om het goede van zichzelf te denken is geen moreel falen of een psychologische zwaktes, maar sluit precies aan bij de noodzaak om de wereld als beheersbaar te ervaren om onszelf overeind te houden in de chaos van die wereld. Wie wat hem ten goede gebeurt niet beleeft als het resultaat van zijn eigen handelen, maar slechts als bruut geluk, dreigt uiteindelijk net zo goed ten onder te gaan aan zijn ervaring van machteloosheid en vervreemding.

Dat maakt de mens echter behoorlijk weerbaarstig voor een theorie van sociale rechtvaardigheid die aansluiting zoekt bij deze fundamentele basiservaring van de mens. ‘Luck egalitarianism‘ stelt immers dat iemand slechts recht heeft op de solidariteit van de gemeenschap in zoverre zijn noden en behoeften níet het resultaat zijn van zijn eigen keuzes, en dat door de staat afgedwongen herverdeling van middelen slechts gerechtvaardigd is in zoverre het brute pech compenseert. Omgekeerd geldt dan ook dat alleen ‘bruut geluk’ een gerechtvaardigde aanleiding kan geven aan de staat om middelen af te romen: als wat we bereikt hebben in het leven ‘onze eigen verdienste’ is, het resultaat van onze inspanningen en van de juiste keuzes die we gemaakt hebben in het leven, dan horen deze verdiensten ook buiten het bereik van de herverdelende greep van de staat te blijven. Als het echter inderdaad zo is dat wij haast niet anders kunnen dan wat ons ten goede overkomt aan ons eigen toedoen toe te schrijven, terwijl ons falen te wijten is aan omstandigheden buiten onze controle om – dan ziet een herverdelende staat die zichzelf rechtvaardigt door steun te zoeken bij theorieën als ‘luck egalitarianism’ zich voor een enorm probleem geplaatst.

Wat wij verdienen, begrijpen we immers als onze eigen verdienste: het is onze eigen verantwoordelijkheid, het resultaat van onze eigen keuzes – en hoe voordeliger onze positie in de wereld, hoe gretiger we zullen verdedigen dat verschillen in sociale positie verschillen in verdienste weerspiegelen. Een theorie van sociale rechtvaardigheid die steunt op het onderscheid tussen ‘verantwoordelijkheid’ en ‘luck’ haakt hier op zo’n wijze in op diepe structuren van de menselijke ervaring van de wereld en van zichzelf in de wereld, dat zij -onbedoeld- de legitimatie wordt van sociaal verschil. En wanneer onze goede positie in de wereld geen ‘bruut geluk’ is, maar onze eigen verdienste, dan moeten de verdiensten die daarbij horen ook buiten de greep van de herverdelende staat blijven, op straffe van een inbreuk op wat deze theorie zelf rechtvaardig en legitiem noemt. Waar de dwingende macht van de herverdelende staat desondanks ingrijpt in onze verdiensten, zullen wij ons tekortgedaan voelen.

Bovendien projecteren we ook onze eigen positie op de ander, die een beroep wil doen op onze solidariteit: als wij onze positie te danken hebben aan onze eigen keuzes, is het dan niet zo dat ook hij zijn positie te wijten heeft aan zíjn eigen keuzes? En als dat zo is, heeft hij geen recht op onze solidariteit … Deze rechtvaardigheidstheorie bouwt zo een diepe argwaan in tegenover de ander, een wantrouwige interesse in zijn doen en laten, in de keuzes die hij gemaakt of nagelaten heeft. Zijn beroep op onze solidariteit is intrinsiek verdacht, en rechtvaardigt de inzet van de disciplinerende surveillance-staat om hem in al zijn stappen te controleren.

Maar omgekeerd geldt ook dat wie inderdaad getroffen wordt door brute pech, wie machteloos en hulpeloos de slagen van het lot moet ondergaan, deze ervaring zal projecteren op de ander, en diens positie als even onverdiend zal zien als de eigen positie, het resultaat van de willekeur van het rad van fortuin. Het wantrouwen van de fortuinelijke tegenover het beroep van de onfortuinlijke op de solidariteit van de gemeenschap, de argwaan waarmee zijn leven onder de microscoop van de politieke macht wordt gelegd, zal hij ervaren als diep vernederend, een wel erg hoge prijs voor de schamele ondersteuning die hij er maar voor krijgt. Ook hij zal zich tekortgedaan voelen.

In een lezing die Frank Vandenbroucke vorig jaar gaf aan Oxford, verbaast hij er zich over hoe zelfs na de covid-crisis het politieke debat zich al snel weer toespitste op individuele verantwoordelijkheid, het probleem van moral hazard, de potentieel onrechtmatige aanspraken op onze solidariteit. Die verbazing wekt zelf verbazing.

Individuele verantwoordelijkheid en keuze als normatieve richtlijn nemen voor de politieke praxis leidt immers recht naar de wrokkige samenleving. Dat is geenszins de bedoeling van ‘luck egalitarianism‘, hij zal wellicht opmerken dat zulks zelfs gebaseerd is op een flagrante misvatting van wat ‘luck egalitarianism’ eigenlijk inhoudt, maar het is wel wat er gebeurt wanneer we deze rechtvaardigheidstheorie loslaten in onze geïndividualiseerde samenleving, waaruit het idee van lotsverbondenheid verdwenen is – mede doordat deze normatieve theorie het politieke handelen in onze samenleving is gaan bepalen.

Bron: SAMPOL.be

Alarmsignalen komen van alle kanten: wie bewaakt onze begroting?

Alarmsignalen komen van alle kanten: wie bewaakt onze begroting?

De federale regering verwacht vandaag het rapport van het Monitoringcomité over de staat van de begroting. Die cijfers zullen de basis vormen van de begrotingsonderhandelingen de komende weken en wellicht maanden. Eén ding is al duidelijk: ons land krijgt voortdurend alarmsignalen over de begroting en ook hier zal dat niet anders zijn. Maar wie zendt die signalen uit? En hoe ziet een begrotingsjaar eruit?

We moeten het rapport van het Monitoringcomité niet afwachten om het te weten. De federale regering moet nog eens op zoek naar miljarden euro’s in een poging om onze begroting op orde te krijgen. Alle alarmpeilen staan al een hele tijd op rood.

Maar van wie komen die alarmsignalen? Wie zijn dus die bewakers van de begroting? En hoe ziet een typisch begrotingsjaar er precies uit voor de federale regering? VRT NWS zet voor jou even alles op een rij. Omwille van de duidelijkheid focussen we hier dus enkel op het traject van de federale regering. 

Klik hieronder de tijdslijn open van een typisch begrotingsjaar voor de federale regering. We starten in juni, omdat er vanaf dan rapporten komen die de basis vormen voor de begroting van het volgende jaar:

Van megabruggen in Italië tot gloednieuwe onderzeeërs: dit kopen NAVO-landen met hun recordbudgetten

Van megabruggen in Italië tot gloednieuwe onderzeeërs: dit kopen NAVO-landen met hun recordbudgetten

Europese NAVO-landen hebben hun defensie-uitgaven gemiddeld met 20 procent opgetrokken in vergelijking met het jaar ervoor. Dat blijkt uit de meest recente cijfers. Op de NAVO-top in Den Haag vorig jaar beloofden de lidstaten een hogere (financiële) inspanning te leveren voor defensie en veiligheid, tot 5 procent van het bbp. Sommige landen investeren in gloednieuwe wapensystemen, andere in megaprojecten, maar lang niet iedereen doet dezelfde duit in het zakje.

De jaarlijkse NAVO-top – dit keer in Ankara, Turkije – nadert en veel lidstaten maken daarom de balans op. Een jaar geleden beloofden ze in Den Haag, onder druk van de Amerikaanse president Donald Trump, om hun defensie-investeringen op te krikken. Al jaren klinkt vanuit de Verenigde Staten de kritiek dat te veel Europese landen de Amerikaanse veiligheidsparaplu als vanzelfsprekend beschouwen en zelf te weinig bijdragen aan hun eigen verdediging.

De meest recente cijfers tonen een duidelijke breuk met dat verleden. De defensie-uitgaven van Europese NAVO-landen stegen in 1 jaar tijd met maar liefst 20 procent tot ongeveer 514 miljard euro. Dat staat in rapporten van de NAVO het Zweedse vredesinstituut SIPRI  en de Amerikaanse denktank Atlantic Council . Men spreekt van de sterkste stijging sinds de jaren 50.

Tegelijk daalden de totale Amerikaanse defensie-uitgaven met ongeveer 7,5 procent tot zo’n 800 miljard euro. Dat betekent niet dat de VS plots fors bespaart op het leger. De daling komt vooral doordat het Congres geen nieuwe grote steunpakketten voor Oekraïne heeft goedgekeurd. 

Toch is het symbolische effect enorm: voor het eerst nemen Europese landen zelf massaal meer verantwoordelijkheid op.

Oost-Europa domineert

Vooral aan de oostflank van de NAVO is sprake van een ware mobilisatie. Polen loopt voorop en besteedt inmiddels ongeveer 4,5 procent van zijn bbp aan defensie. Ook Letland en Estland investeren uitzonderlijk zwaar. Die landen voelen de dreiging vanuit Rusland veel directer en reageren daar ook op.

Opvallend is ook Noorwegen: voor het eerst in de NAVO-geschiedenis geeft een Europees land per inwoner meer uit aan defensie dan de Verenigde Staten. In Noorwegen draagt elke inwoner ongeveer 3.000 euro af aan het Noorse defensieapparaat, terwijl dat in de VS ongeveer 2.500 euro is. 

Ter vergelijking: bij ons draagt elke (belastingbetalende) Belg zo’n 1.000 tot 1.200 euro per jaar bij (bij een gemiddeld Belgisch inkomen).

De grootste verschuiving komt echter uit Duitsland. Dat land verhoogde zijn defensiebudget met 24 procent tot ongeveer 97 miljard euro en werd zo de grootste defensie-investeerder van Europa.

Bron: VRT.nws

Zestien maanden strijd tegen Arizona: de kracht van het aantal

Zestien maanden strijd tegen Arizona: de kracht van het aantal

Op 12 maart kwamen meer dan honderdduizend mensen in Brussel op straat. Ze beantwoordden de oproep van vakbonden en verenigingen voor de veertiende nationale mobilisatie in slechts zestien maanden tegen de sociale dumping van de regering De Wever-Rousseau. De uitzonderlijke sociale beweging lijkt niet van ophouden te willen weten.

Het aantal deelnemers aan de betoging op 12 maart mag niet worden onderschat. In totaal hebben de laatste maanden honderdduizenden werknemers uit de publieke en private sector, uit het noorden en het zuiden van het land, uit de commerciële en niet-commerciële sector deelgenomen aan algemene stakingen, betogingen en acties.

Benjamin Pestieau, adjunct-algemeen secretaris van de PVDA: “Een beweging op deze schaal, die zo lang duurt, is ongekend. De jongeren namen de kop van de grote betoging op 14 oktober 2025, waaraan 140.000 mensen deelnamen. Op 12 maart liepen de vrouwen voorop. De bevolkingsgroepen die het meest aangevallen worden door De Wever en Rousseau lopen vooraan in de strijd. Deze honderdduizenden mensen vertolken de verzuchtingen van de meerderheid van de bevolking. Die verwerpt de verhoging van de pensioenleeftijd tot 67 jaar, de bezuinigingen op de sociale zekerheid, de aanvallen op de loonindexering en de verhoging van de btw. Tegelijk eist ze een miljonairstaks.”

Sociale geschiedenis wordt geschreven in de tegenwoordige tijd

“Deze feiten en cijfers zijn niet onbelangrijk”, zegt Pestieau. “Als we midden in de actie zitten, is het soms moeilijk te zien, maar we schrijven vandaag de sociale geschiedenis van ons land. Zelden is een sociale beweging erin geslaagd zich zo lang uit te breiden, de verzuchtingen van zoveel mensen te vertegenwoordigen en zoveel op een regering te wegen.”

Karl Marx zei in 1852 niets anders: “De mensen maken hun eigen geschiedenis, maar ze maken die niet uit vrije wil, niet onder zelfgekozen, maar onder rechtstreeks aangetroffen, gegeven en overgeleverde omstandigheden. De traditie van alle dode geslachten drukt als een zware last op de hersenen van de levenden.” (Karl Marx, De 18e Brumaire van Louis Bonaparte, 1852)

“Met andere woorden, de mensen maken de geschiedenis, maar altijd op basis van omstandigheden die ze niet zelf hebben gekozen”, zegt de adjunct- algemeen secretaris van de PVDA. Deze omstandigheden omzetten, is niet vanzelfsprekend of verloopt niet automatisch. Precies daarom is optimisme een gevecht. De meest gevestigde systemen vallen uiteindelijk onder het gewicht van hun tegenstellingen en de klassenstrijd.”

In de kapitalistische maatschappij is macht gestructureerd rond twee polen: die van het kapitaal – dat de media en de instellingen bezit, de economie runt, … – en die van de massa van de werkende klasse – zelfstandigen, jongeren, landbouwers, … Die massa vormt niet spontaan een homogene groep, maar moet nauwgezet werken om zich kwantitatief en kwalitatief op te bouwen, om zo de meest talrijke en best georganiseerde groep te worden.

“De tegenstanders zijn zich hier terdege van bewust”, zegt Pestieau. “Ze proberen ons op duizend en een manieren te verdelen en te isoleren, te zorgen dat we elkaar beconcurreren. Het doel is altijd hetzelfde: een potentieel machtige en bewuste sociale meerderheid te veranderen in een aaneenschakeling van zwakke, geïsoleerde, verdeelde en soms tegen elkaar opgezette individuen. Heersen over een optelsom van individuen, dat is de ultieme droom van het kapitalisme. In de begindagen werden fabrieksarbeiders aangenomen aan zeer verschillende lonen en arbeidsomstandigheden, met systematische concurrentie tussen categorieën.”

Of, zoals Marx het zegt: “Het kapitaal is een geconcentreerde maatschappelijke kracht, terwijl de arbeider slechts beschikt over zijn eigen werkkracht. De sociale kracht van de arbeiders berust alleen in hun aantal. Maar de kracht van hun aantal wordt teniet gedaan door hun versnippering.” (Karl Marx, Instructies voor de afgevaardigden van de Voorlopige Centrale Raad van de IAA, augustus 1866). Het huidige verzet bewijst dat we deze verdeeldheid door collectieve actie overwinnen.

De plannen voor onze pensioenen ontmaskerd

De kern van de huidige confrontatie? De pensioenhervorming. Minister Jan Jambon (N-VA) doet een reeks provocerende uitspraken en zegt dat vrouwen zich “zullen moeten aanpassen” en langer zullen moeten werken, waarbij hij minachtend vergeet dat ze nu al het grootste deel van het huishoudelijk werk en de zorg op zich nemen.

De cijfers zijn onmiskenbaar, merkt Benjamin Pestieau op: “De malus alleen al kost gepensioneerden, vooral vrouwen, tussen nu en 2030 1,5 miljard euro. Dit bestraffende systeem kan ertoe leiden dat veel vrouwen 25% van hun pensioen verliezen, waardoor loopbaankeuzes die ze twee decennia geleden hebben gemaakt (deeltijds werk, zorgonderbreking) met terugwerkende kracht worden bestraft. Dat verklaart waarom de regering koortsachtig een snelle stemming wil. Hoe meer hierover wordt gediscussieerd, hoe meer de woede toeneemt en hoe groter de kans is dat ze moet terugkrabbelen.”

Wat de strijd al heeft opgeleverd

In tegenstelling tot de fatalistische retoriek spelen de krachtsverhoudingen wel degelijk een rol. Het sociale verzet heeft de regering al tot een aantal toegevingen gedwongen:

• Uitstel van de pensioenmalus. Onder druk van onder meer de 140.000 betogers op 14 oktober 2025 werd de hervorming uitgesteld van 2026 naar 1 januari 2027. Door dit eenvoudige uitstel kunnen 20.000 werknemers dit jaar ontsnappen aan de pensioenmalus.

• Gelijkstelling van niet-gewerkte periodes. Aanvankelijk wilde Arizona voor de berekening van de malus vrijwel geen gelijkgestelde perioden erkennen. Dankzij de mobilisaties in maart, april en juni 2025 werd de regering gedwongen terug te krabbelen. De volgende periodes zijn nu gelijkgesteld: tijdelijke werkloosheid, legerdienst, korte periodes van ziekte en langdurige ziekte. Zonder deze strijd zou 30% van de vervroegd gepensioneerden de malus hebben gekregen. Dankzij deze toegevingen is dat cijfer gedaald tot 23%.

• Bescherming van vrouwen en zware beroepen. Na de protesten in september werd moederschapsverlof opnieuw opgenomen in het systeem van vervroegd pensioen. Bovendien blijven landingsbanen (tijdskrediet) vanaf 55 jaar beschikbaar voor zware jobs of bedrijven in herstructurering, terwijl de regering ze wilde afschaffen voor wie jonger is dan 60 jaar.

• Een stap terug op nachtwerk en vrijheden. Het plan om nachtpremies te beperken van middernacht tot 5 uur is opgegeven. Nachtwerk geldt nu van 23 tot 6 uur

• Tot slot werd de “wet Quintin”, die tot doel had organisaties die als “radicaal” werden beschouwd via een eenvoudig ministerieel besluit te verbieden, gewijzigd. De regering moest afzien van de bevoegdheid tot definitieve ontbinding zonder dat er een rechter aan te pas komt, hoewel de tekst problematisch blijft met betrekking tot tijdelijke opschortingen.

Het effect van de belangrijkste maatregelen (de pensioenmalus en de strengere loopbaanvoorwaarde voor vervroegd pensioen) is dankzij de druk van onderuit met ongeveer een kwart ingeperkt.

Wij betalen niet de prijs voor hun oorlogen

De strijd gaat ook over koopkracht en vrede. Nu de energieprijzen de pan uit rijzen, is de Arizona-regering van plan om de accijnzen op gas en brandstof te verhogen. Tegelijkertijd pleiten minister Theo Francken en Georges-Louis Bouchez voor steun aan de oorlogspolitiek van Trump tegen Iran, die de economie verder zal destabiliseren en de militaire uitgaven verhogen (34 miljard euro voor bewapening).

“Het sociaal verzet verwerpt deze logica”, zegt Benjamin Pestieau. “De meerderheid van de Belgen wil deze oorlog niet. De werkende mensen willen geen bloedbaden of torenhoge prijzen aan de pomp. Het is niet onvermijdelijk dat onze regering zich aansluit bij de oorlogen van de VS. Spanje kiest om daarmee te breken, veroordeelt de illegale oorlogen en staat niet toe dat zijn infrastructuur wordt gebruikt voor militaire transporten van de VS. Laten we de belasting op energie verlagen in plaats van imperialistische conflicten te financieren.”

Optimisme is een strijd

Tegen deze achtergrond van grote spanningen is het moreel van de troepen belangrijk, aldus de adjunct-algemeen secretaris van de PVDA. “Sommige mensen zeggen: ik ben geen optimist, ik ben een realist. Maar wat betekent dat woord precies? En waar leidt het eigenlijk toe, met betrekking tot actie en ambitie?

Heel vaak is dit zogenaamde realisme geen kille beschrijving van de wereld maar een vluchtplaats. Het is een uitleg voor passiviteit, een rechtvaardiging voor fatalisme en machteloosheid – het idee dat wat we ook doen, er niets wezenlijks zal veranderen, het gevoel veroordeeld te zijn tot het verdragen van een systeem dat zowel mensen als natuur uitbuit, onderdrukt en vernietigt.

Dit fatalisme komt niet zomaar uit de lucht vallen: het wordt binnengebracht in de maatschappij en in de hoofden van de mensen omdat het belangen dient. Het doet mensen terugplooien, zich afzonderen en terugtrekken. Het vernauwt de blik en maakt hen ongevaarlijk: ‘Ik ga proberen te veranderen wat mij omringt.’ De grote vraagstukken veranderen in dingen die onmogelijk zijn: ‘De hele maatschappij veranderen? Onmogelijk’, zeggen de ‘realisten’. En wat zij realisme noemen, wordt vooral pessimisme, een manier om vrede te sluiten met de bestaande orde door haar onaantastbaar te verklaren. Optimisme en pessimisme zijn dus geen neutrale gevoelens. Het ene voedt de bevrijdende beweging, het andere dient objectief de belangen van wie overheerst, omdat het leidt tot passiviteit.”

We kunnen winnen

De krachtsverhouding is een concrete realiteit. Bart De Wever heeft zelf toegegeven dat dit een moeilijk jaar wordt voor zijn hervormingen. “Laten we hem helpen”, lacht Pestieau. “Laten we het hem dit jaar zo moeilijk mogelijk maken. De kracht van de beweging ligt in haar vermogen om duurzaam te zijn en het bewustzijn te verhogen.” In deze strijd is organisatie de sleutel. Bovenal vreest de regering een groeiend bewustzijn en collectieve organisatie.

Conclusie? “Een actor zijn, vrij en machtig zijn, deel uitmaken van een gemeenschap en op de gebeurtenissen wegen: dat is het mooiste wat je in je leven kunt doen. Lid worden van een vakbond en je politiek organiseren, vooral in de PVDA, zijn de noodzakelijke stappen om verzet om te zetten in overwinning. We kunnen winnen.”

Bron: solidair.org

Wat verandert er in juni 2026?

Wat verandert er in juni 2026?

Een nieuwe maand, nieuwe maatregelen, wijzigingen van de wetgeving, enz.
Hierbij een kort overzicht.

• Vanaf 1 juni worden die dienstencheques automatisch terugbetaald.
Gebruikers van dienstencheques hoeven niet langer zelf in de gaten te houden of hun ongebruikte cheques dreigen te vervallen. Dienstencheques zijn twaalf maanden geldig. Voor cheques die vóór 1 juni vervallen, geldt nog de oude regeling: gebruikers moeten voor de vervaldatum zelf de terug-betaling aanvragen. Gebeurt dat niet, dan zijn de cheques definitief verloren. Voor de automatische terugbetaling is het wel belangrijk dat persoonlijke gegevens, zoals het rekeningnummer, correct zijn ingevoerd in ‘Mijn Burgerprofiel’.
• Meer producten met ecocheques
Behalve voor dienstencheques wordt per 1 juni ook de regeling voor ecocheques op enkele punten aangepast. Het gaat vooral om een uitbreiding van de lijst met producten die consumenten met de cheques kunnen aankopen. Daarop prijken voortaan ook voedings- en textielproducten met een fair-tradelabel, net als producten uit de zee met een ASC-label – dat wijst op duurzame kweek.
Daarnaast worden de voorwaarden voor elektroproducten aangepast. Onder de ‘energievriendelijke elektro’ die met ecocheques betaald kan worden, vallen vanaf juni huishoudelijke koelapparaten met energielabel A, B of C, vaatwassers van klasse A en was-droogcombinaties met label A, B of C
• Geen nieuwe instroom ziektepensioen meer
Vanaf 1 juni 2026 vallen ambtenaren niet langer onder het systeem van het ziektepensioen, maar onder de ziekte- en invaliditeitsverzekering. De stopzetting van de nieuwe instroom komt er in navolging van een beslissing van de vorige federale regering. Die zorgde ervoor dat vast benoemde ambtenaren die langdurig ziek uitvielen niet langer definitief – alleen nog tijdelijk – op medisch pensioen gestuurd konden worden.
Het ging jaarlijks om twee- à vierduizend mensen, van wie ongeveer duizend jonger dan vijftig jaar. Zij vielen terug op een beperkt ziektepensioen en wilden in veel gevallen het werk wel nog deels hervatten, maar mochten dat niet. Door de nieuwe instroom stop te zetten, wil de regering het stelsel op termijn volledig laten uitdoven.
Voor federale ambtenaren komt er nu een regeling vergelijkbaar met die in de privésector, via een verzekering tegen arbeidsongeschiktheid en invaliditeit. Volgens cijfers van cd&v-parlementslid Nahima Lanjri zitten momenteel 86.911 ambtenaren in definitief ziektepensioen. Vorig jaar ging het om 87.806 ambtenaren, met een kostprijs van 2,5 miljard euro per jaar. In 2024 stroomden nog 2.881 mensen in het systeem, onder wie ook jonge ambtenaren.
• HPV-vaccin langer terugbetaald
Ook de terugbetaling van het HPV-vaccin Gardasil9, dat kan beschermen tegen onder meer baarmoederhalskanker, wordt uitgebreid. Vanaf juni geldt de terugbetaling tot dertig jaar.
Het besmettelijke humaan papillomavirus (HPV), overgedragen via seksueel contact, wordt door bijna iedereen opgelopen. Hoewel het lichaam het virus meestal zelf opruimt, kan een langdurige infectie leiden tot zes soorten kanker, waaronder baarmoederhals- en keelkanker. Naar schatting is HPV verantwoordelijk voor ongeveer vijf procent van alle kankers.
Het vaccin Gardasil9 wordt vandaag al terugbetaald voor jongeren van 12 tot 18 jaar. Vanaf juni komen daar jongvolwassenen tussen 19 en 30 jaar bij die nog niet eerder werden gevaccineerd. Voor hoogrisicogroepen geldt de terugbetaling tot 45 jaar. Het vaccin kost ruim 120 euro en er zijn drie dosissen van nodig. Dankzij de terugbetaling betaalt de patiënt slechts 12,80 euro per prik.
Vandenbroucke verwacht dat door de uitbreiding er elk jaar zowat 60.000 bijkomende vaccins gezet zullen worden. Hij voorziet daarvoor ongeveer 6 miljoen euro.
• ‘Recht op vergeten’ verder uitgebreid
Vanaf 1 juni wordt het zogeheten recht om vergeten te worden verder uitgebreid. Ex-kanker-patiënten hoeven bij bepaalde verzekeringen niet langer spontaan te melden dat ze ooit kanker hadden, en ook reisannulatieverzekeringen zullen voortaan onder de regeling vallen.
Het systeem bestaat al sinds 2019 voor het afsluiten van schuldsaldoverzekeringen: mensen met een chronische aandoening of ex-kankerpatiënten ondervonden grote moeite om zo’n verzekering af te sluiten of moesten hoge premies betalen, maar inmiddels mag de verzekeraar geen rekening meer houden met succesvol behandelde aandoeningen. Afhankelijk van de ziekte gaat het recht in vanaf tien, vijf of één jaar na de behandeling.
Maar ex-patiënten moesten in de verzekeringsaanvraag wel nog altijd vermelden dat ze in het verleden aan kanker hebben geleden. Die meldingsplicht wordt nu geschrapt. Daarnaast wordt de regeling uitgebreid naar de reisannulatieverzekering. Sinds 2022 is het recht om vergeten te worden ook al van toepassing bij het afsluiten van een verzekering gewaarborgd inkomen.
• Alle tabakswaren voortaan neutraal verpakt
Tenslotte moeten vanaf maandag 1 juni alle tabakswaren en kruidenrookproducten in een neutrale verpakking worden verkocht. Dat maatregel moet roken minder aantrekkelijk maken, vooral voor kinderen en jongeren.
De regels golden al voor sigaretten, roltabak en waterpijptabak: de verpakking moet een neutrale achtergrondkleur hebben en er mogen geen logo’s, opvallende kleuren of merksymbolen op staan.
Vanaf juni gelden die strenge regels ook voor onder meer sigaren, cigarillo’s, pijptabak, vloeitjes, filters en hulzen, en rooktoestellen. Handelaars krijgen wel nog een beperkte overgangsperiode om oude verpakkingen uit te verkopen.