Dag van de verpleging

Wereldwijde zorg- en sociale reproductiecrisis van het kapitalisme

12 mei is de Internationale Dag van de Verpleging. Naar aanleiding hiervan willen we de aandacht vestigen op de sociale reproductiecrisis die de zorgcrisis versterkt. Wat zijn de oorzaken hiervan en hoe de strijd ertegen voeren?

Artikel door Anne Engelhardt (ROSA International Socialist Feminists Duitsland)

De sociale reproductiecrisis is in veel opzichten zichtbaar, maar niet op een manier als de klimaatcrisis, de inflatie enzovoort, omdat ze veel bedekte aspecten heeft. Degenen binnen de wereldwijde arbeidersklasse die (onbetaalde) reproductieve taken uitoefenen hebben vaak geen tijd om hun geschiedenis en ervaringen op te schrijven.

Sociaal Reproductie Feminisme is een analyse die voortbouwt op Marx’ methode van interne relaties. Dit betekent dat we het kapitalisme begrijpen als het sociale geheel waarin we leven en verschillende sociale processen zoals racisme, strijd, patriarchaat als samenstellende delen. Noch het kapitalisme, noch de andere aspecten ervan bestaan zonder het andere of zijn verklaarbaar zonder het andere.

Het tegenovergestelde van zo’n theorie zou een vorm van atomisme zijn, die we zien bij veel pro-kapitalistische commentatoren, en die ook overheersend is binnen de sociaaldemocratische en stalinistische methoden. Voor hen is het kapitalisme een onderdeel en geen sociaal geheel, en bestaan andere aspecten zoals racisme, klasse, gender als verdere atomen in losse relaties tot elkaar. Naar mijn mening loopt intersectionaliteit ook het gevaar van een atomische methode. Het overlapt atomen van processen van onderdrukking, maar ziet niet hoe die het kapitalisme mee vormen en hoe het kapitalisme hen mee vormt.  In die zin mist intersectionaliteit een denken in processen, contexten en verschillende ruimten en een denken in onderlinge relatie en wederkerigheid met een kapitalistische geschiedenis en totaliteit, die als geheel bestreden moeten worden.

Sociaal Reproductie Feminisme begint bewust bij Marx en zijn analyse van de klassenstrijd. Het verklaart de randvoorwaarden van die strijd als gevolg van de economische processen en verliest het leven van arbeiders en hun dappere verzet nooit uit het oog. Feministen als Maria Mies, Lise Vogel, Silvia Federici of Tithi Bhattacharya hebben dit marxisme waarin de klassenstrijd centraal staat verder ontwikkeld of verbreed door er meer nuances en aspecten in op te nemen, zoals natuur, thuiswerk, het baren van kinderen, pendelen, seksualiteit, geweld, seksisme enz. Marx zelf schreef in het eerste deel van het Kapitaal in het 8e hoofdstuk over de wreedheid van de uitbuiting van arbeidskrachten met 20-uursdiensten in de bakkerijen, de dalende kwaliteit van brood en voedselschandalen [inspecteurs vonden zand en stenen in broden], vanwege die omstandigheden. De afschuwelijke misvormde gezichten en lichamen van arbeiders in de luciferfabrieken die hun lunchpauze midden in het giftige fosfor doorbrachten enz. We hebben op het de ROSA-conferentie van maart dit jaar de stakingen van werkenden uit de lucifersector in de 19de eeuw herdacht, stakingen waarin vrouwen en meisjes een hoofdrol speelden. Marx vergat vrouwen en kinderen niet in zijn analyse van het kapitalisme, maar kaderde dit in de rol van de arbeidersklasse onder het kapitalisme. Zijn werk mist grotendeels de arbeid buiten de fabrieken of buiten het creëren van variabel kapitaal. Sociaal Reproductie Feminisme is het niet oneens met Marx, maar stelt dat hij scherper en duidelijker had kunnen zijn als hij zich had verdiept in hoe de arbeidskracht zelf tot stand komt.

Wat bedoelen we als we het hebben over “sociale reproductie”? Het gaat om de reproductie van arbeidskracht op drie manieren: 1. Het baren van potentiële arbeiders 2. Opvoeden, schoonmaken, onderwijzen, genezen, voeden, zorgen, rusten, slapen, genezen als een proces dat arbeiders die elke dienst naar de fabriek moeten terugkeren ook voor zichzelf moeten doen. 3. De reproductie van de kapitalistische maatschappij.

Sociale Reproductie Feminisme heeft naar mijn mening de zwakte om vooral te kijken naar vrouwelijke arbeidsters en huishoudens, zorg, onderwijs enz. Ook zijn er stromingen die proberen huishoudelijke arbeid direct in de waardetheorie te integreren, wat om verschillende redenen problematisch is en leidt tot ideeën als de “huishoudstakingen” of “voorwaardelijk basisinkomen” modellen, die de strijd voor de samenleving als geheel uit het oog verliezen en de strijd individualiseren.

De sociale reproductie zoals die door sommige marxistische feministen wordt getheoretiseerd, is echter een noodzakelijk proces dat op natuurlijke wijze doordringt in de hele arbeidersklasse.

Metabole kloof en de tol van het kapitalisme op ons lichaam en wezen

We beginnen met Marx en zijn manier van kijken naar natuurvernietiging en kapitalisme. Marx ontwikkelde het idee van een metabolisme tussen kapitaal en natuur. De maatschappij in het algemeen, maar het kapitalisme in het bijzonder, is afhankelijk van de ‘gratis giften’ van de natuur zoals lucht, wind, water, zon, bodem, grondstoffen. Marx constateerde dat de kapitalistische centra, de geïndustrialiseerde steden, het land uitbuitten, zoals het kapitalisme de natuur uitbuit. Door de veranderingen in de manier waarop de arbeidersklasse in de steden moest leven en eten en door het harde werken hadden ze een nieuwe manier van eten nodig (meer koolhydraten en proteïnerijk voedsel), maar waren ze zelf afgesneden van het werk voor hun levensonderhoud. De boerderijen moesten meer tarwe, rogge en dergelijke produceren. De grond werd steeds minder vruchtbaar, door overexploitatie. Marx beschreef deze voortdurende ecologische crisis in het kapitalisme als een metabole breuk: het metabolisme tussen platteland en stad breekt en creëert crises die bijvoorbeeld leidden tot een oorlog over de vogelmest uit Peru, een nieuwe golf van Afrikaans kolonialisme in het midden van de 19e eeuw, hongersnood enzovoort. En het leidde tot een vernietiging van bossen om toegang te krijgen tot meer land en de vruchtbare gronden ervan te exploiteren.

Als we terugkeren naar de arbeidersklasse en het Sociale Reproductie Feminisme moeten we het werkende lichaam centraal stellen in onze analyse. Marx zegt dat het variabele kapitaal dat arbeiders produceren – en dat produceren ze met hun lichaam – dat dit kapitaal de bron van winst is. We zijn een lichaam en we hebben een lichaam. We kunnen er niets buiten doen. Ook fysiek is ons lichaam de natuur. Op een bepaalde leeftijd kunnen we meer werken dan we nodig hebben voor onszelf of onze verwanten. Maar ons lichaam verandert veel. Als baby’s, kinderen en ouderen hebben we fysieke grenzen van wat we kunnen doen en kunnen we zelfs meer arbeid van anderen vragen of nodig hebben, dan we zelf kunnen geven. Onze lichamen zijn ook processen en veranderen in de loop der jaren. Dit lijkt volkomen vanzelfsprekend, maar de burgerij en haar ideologie en atomistische manier om arbeiders te zien als een bron van arbeid en niet als een veranderend mens, doet ons de verschillende natuurlijke kenmerken van ons leven vergeten.

Marx schreef er opmerkelijk materiaal over en dit is mijn favoriete citaat: “Het kapitaal vraagt niet naar de levensduur van de arbeidskracht. Het kapitaal is uitsluitend en alleen geïnteresseerd in het maximum aan arbeidskracht dat in één arbeidsdag vlottend kan worden gemaakt. Dit doel bereikt het kapitaal door verkorting van de duur van de arbeidskracht, zoals een inhalige boer de opbrengst van de grond verhoogt door het plegen van roofbouw op de vruchtbaarheid van de grond.” (Het Kapitaal Deel 1, hoofdstuk 8). Kapitalisten beroven de arbeiders van hun energie en in sommige werkprocessen ook letterlijk van hun vruchtbaarheid zelf. Er zijn talloze voorbeelden van hoe giftige materialen die schoonmakers moeten gebruiken, het werk met zilver, leer, olie enz. kunnen leiden tot onvruchtbaarheid, bovenop de nachtdiensten, te weinig slaap, voedsel enz.

Als we kijken naar de arbeiders en hun lichaam in het sociale geheel van het kapitalisme – daar wordt het gemaakt en herschapen door het metabolisme tussen productie en reproductie. Zonder productie van variabel kapitaal ontvangen arbeiders niet het loon dat ze nodig hebben om zich te reproduceren. En ook dit sociale reproductiemetabolisme bevindt zich in een crisis. Dit kunnen we de sociale reproductiecrisis noemen.

Het verkeert in een crisis omdat de arbeidsomstandigheden onder het neoliberalisme zijn “geflexibiliseerd”, de lonen zijn verlaagd, de gezondheids- en veiligheidsvoorwaarden op het werk jarenlang zijn ontmanteld. De pauzes zijn ingekort. Lean production heeft zich verankerd in alle werkgebieden. Het metabolisme van de sociale reproductie staat dus voortdurend aan de rand van een metabole breuk, net als de natuur en het klimaat zelf.

De vermarkting van de zorg en het leven onder het neoliberalisme

In veel landen heeft elke patiënt en zijn diagnose in het ziekenhuis een bepaalde prijs. Dat is de DRG, Diagnosis Related Group. Dit kan het bed omvatten, de schoonmaak- en verwarmingskosten voor de kamer, het eten, het toiletwater enz. Het type berekening om winst uit zorg te persen, is gebaseerd op een globaal sommodel en het is in feite hetzelfde model dat wordt gebruikt als bij lean-productie voor auto’s, elektronica enz. Maar fabrieken en ziekenhuizen verschillen in hun aard van productie-industrieën. Wanneer de patiënt om verschillende redenen meer tijd nodig heeft om te genezen dan de berekening van het productiebeheer toelaat, maakt het ziekenhuis verlies. De privatisering van ziekenhuizen is echter alleen rendabel als die ‘lean-production’ logica werkt in alle delen van de zorgprocessen. In sommige ziekenhuizen in Duitsland vochten verpleegkundigen voor meer handschoenen, maskers enz. omdat de “berekeningen” daaromtrent veel te laag waren om een gezond werkproces te waarborgen.

De meeste patiënten zijn ook werkenden. Een reden voor een toenemend aantal patiënten de afgelopen periode waren niet alleen de Covid-19 pandemie en de vergrijzing van de bevolking, maar ook de toename van arbeidsongevallen, psychische aandoeningen en burn-outs. In Frankrijk is borstkanker geaccepteerd als een mogelijke beroepsziekte. Het risico om borstkanker te krijgen is 30% hoger voor werknemers in nachtdiensten. Sectoren als zorg, schoonmaak, horeca en detailhandel kennen veel nachtwerk en stellen veel vrouwen en queer personen tewerk.

Aan de ene kant is het gevaar om in het ziekenhuis te belanden door een super-uitbuitend kapitalistisch werksysteem toegenomen. Aan de andere kant zijn ziekenhuizen al jaren voorbereid om een nieuw terrein voor winstbejag te worden. Dit is alleen mogelijk door ze te veranderen in een industrie zoals de autosector en andere. Maar omdat we te maken hebben met de materialiteit van onze wereld, de fysieke grenzen van de natuur – kan de industrialisatie van de zorg alleen maar fout gaan en een ernstige crisis en verzetsbewegingen daartegen veroorzaken. We zien nu al een klassenzorgsysteem waarin arme mensen minder toegang hebben tot zorg en gemiddeld eerder sterven aan geneesbare ziekten dan rijke mensen. Bovendien zijn de ziekten die gepaard gaan met overexploitatie op de arbeidsmarkt niet erg kostenefficiënt. Ze hebben meer artsen, meer zorg, meer medicijnen en meer tijd nodig om te genezen. Ziektes van arbeiders zijn daarom niet rendabel genoeg.

Kapitalistische zorgcrisis

In veel landen lijden kinderen aan post-Covid symptomen. Meestal worden kinderen uit gezinnen van hogere klassen behandeld. Maar in armere gezinnen, waar de ouders veel vaker aan de pandemie zijn blootgesteld, omdat zij in “kritische infrastructuren” werkten, zou het werkelijke aantal post-Covid gevallen nog veel hoger kunnen zijn. De behandeling is echter niet gemakkelijk toegankelijk. We weten dat de oorzaak van Covid-19 zelf ligt in de overexploitatie van de natuur en het overschrijden van verschillende fysieke grenzen, de vernietiging van natuurlijke habitats van dieren, de klimaatverandering enz.

Daarbij komt nog de neoliberale manier waarop steden en wonen zijn veranderd. Huisvesting is de afgelopen jaren een van de handelsgoederen geworden, waardoor het voor veel werknemers onmogelijk is geworden om dicht bij de stadscentra of bij hun werk te wonen. Veel werknemers moeten pendelen en hebben dan geen tijd voor rust. De winkelcentra waar armere werknemers goedkopere aanbiedingen kunnen vinden, liggen vaak ver buiten de gebieden waar zij wonen en het kost meer tijd om ze te bereiken.

In sommige regio’s dwingt de klimaatcrisis de meestal vrouwelijke werknemers zelfs om kilometers te reizen, alleen maar om water, voedsel of brandstof te halen, waardoor hun tijd voor reproductieve werkzaamheden ook dramatisch toeneemt.

De zorgcrisis treft ook alles wat gericht is op ouderenzorg. Wanneer werknemers genoeg zijn uitgebuit – in sommige landen hebben werknemers gevochten voor pensioenrechten – d.w.z. de betaling die we nodig hebben om amper te overleven. Ouderenzorg is in veel landen afhankelijk van het inkomen van werknemers en hun gezinnen. De Covid-19-crisis heeft de dramatische en gruwelijke omstandigheden blootgelegd waaronder arme werknemers en zelfs geschoolde werknemers op het einde leven. Slechte ouderenzorg treft vrouwen vaak meer, omdat hun pensioenen veel lager zijn. Met de lage pensioenen kunnen zij niet voorzien in betere zorg.

In het Franse pensioenprotest staan vrouwen vooraan. Vanwege hun lagere lonen en door het feit dat ze meer deeltijds werken, dreigen ze bij de pensioenhervorming langer te moeten werken dan hun mannelijke collega’s en dit voor een lager pensioen. In Duitsland bedraagt de pensioenkloof tussen mannelijke en vrouwelijke gepensioneerden 46%. In Frankrijk is het nu al 33%.

In een dergelijk systeem worden vrouwelijke en vooral allochtone werknemers nog meer uitgebuit door te werken voor het onderhoud van het gezin en voor het loon. Bovendien doen vrouwelijke werknemers de mentale last van het plannen, beheren, plannen van alle andere behoeften en plannen, waarbij ze hun eigen behoeften en plannen vaak verliezen. Het is dan ook geen verrassing dat meer dan 70% van de mensen met de diagnose burn-out vrouwen zijn.

Uitbuiting van vrouwelijke werknemers in de zorgketen

In vergelijking met de naoorlogse periode werd onder het neoliberalisme de private zorg die vaak door vrouwelijke werknemers wordt gedaan een obstakel voor de uitbuiting, in het bijzonder in de landen van het globale Noorden. In de imperialistische centra van de wereldwijde waardeketens zijn er meer technische en hoogopgeleide werkenden nodig om de goederen- en kapitaalstromen van de waarde-ontginning uit andere delen van de wereld te beheren en te verteren.

Het is een mythe dat vrouwen pas in de jaren zeventig de arbeidswereld zijn binnengekomen. Zoals in vele delen van de wereld zijn vrouwen nooit verdwenen uit de beroepsbevolking. Ze werkten vooral in de landbouw, de verkoop, het naaiwerk enz. en werden uitgebuit in werkplaatsen, ziekenhuizen, schoonmaakbedrijven enz. In de imperialistische centra zien we echter een streven om vrouwelijke werkenden te ‘bevrijden’ van huishoudelijk en onbetaald zorgwerk en te vervangen door andere werkenden, vooral migranten uit armere delen van de wereld. Werkneemsters nemen andere arme werkneemsters in dienst om hun huis schoon te maken, voor hun ouderen en kinderen te zorgen. Ondertussen werken ze zelf vaak in de zorgsector. Tegelijkertijd laten de arbeidsmigranten die dit soort laagbetaald werk doen, hun zorgwerk bij vertrek na aan nog armere arbeidsmigranten of onbetaalde familieleden, zoals jongere broers en zussen of oudere kinderen. Vaak zijn deze arbeidsmigranten vrouwen en queer mensen uit voormalige koloniale staten. De verwevenheid van verschillende zorgactiviteiten staat bekend als de ‘wereldwijde zorgketen’. Het maakt duidelijk dat sociaal reproductief werk niet kan worden uitgebannen of weggedrukt. Het is veeleer een intrinsiek onderdeel van het functioneren van het kapitalisme.

Pogingen om het zorgwerk voor een deel van de samenleving te verminderen, zullen er onmiddellijk toe leiden dat anderen meer zorgwerk moeten doen onder slechtere omstandigheden. Het is een evenwicht dat niet kan worden opgelost. Niet door automatisering, niet door machines, want het is een materialiteit, het is een basisbehoefte om verzorgd te worden, om met andere mensen te praten, om geliefd te worden, om genezen te worden, om aangesproken te worden, om te luisteren, om samen te eten en om uit het isolement te breken.

De atomistische methode die ik in het begin beschreef, is niet zomaar een analytische methode. Het is een echte abstractie, een gewelddadige realiteit die het kapitalisme ons oplegt. Processen van kapitaalaccumulatie hebben een samenleving nodig om een systeem in stand te houden dat overtollige arbeid exploiteert van mensen die van nature sociaal zijn, mensen die de extra hoeveelheid energie gebruiken die ze normaal gesproken nodig zouden hebben om voor elkaar en zichzelf te zorgen. In het kapitalisme wordt de band tussen zorg en arbeid verbroken. Wat we produceren wordt geprivatiseerd in particuliere handen. Het is energie en tijd die ons en onze gemeenschappen wordt ontnomen. Door ons op te splitsen in individuen en ons los te maken van een ander, worden we vervreemd van werk, maar ook van onze eigen sociale reproductie. In het kapitalisme werken we nauwelijks uit vrije keuze, maar omdat het moet. Het patriarchaat is een extra middel om de arbeidsverdeling in stand te houden en ons te dwingen onbetaald zorgwerk te verrichten voor meestal mannelijke werknemers die te veel productief werk doen en nauwelijks energie overhouden om zichzelf of anderen te reproduceren. Het atomisme is een gewelddadige realiteit van pogingen om van arbeiders robots te maken – wat echter van nature onmogelijk is.

De crisis van de sociale reproductie treft alle werkenden

Sociale reproductie gebeurt niet alleen in het huishouden en wordt niet alleen door vrouwen verricht. Het werd niet benadrukt, maar de recente Britse spoorwegstaking ging veel meer over sociale reproductiearbeid dan werd aangenomen. Organisaties van mensen met een beperking spraken zich uit voor de staking, omdat het ook ging om het behoud van personeel op de treinen, in de stations, aan de loketten. Voor mensen met speciale behoeften is het absoluut noodzakelijk dat er personeel in de treinen en op de perrons is om ondersteuning te bieden – ongeacht of ze blind zijn, tijdelijk gewond, niet kunnen lopen, of wat dan ook. Zonder hulp om de juiste trein in de juiste richting te nemen, zonder ondersteuning bij het openen en sluiten van toiletdeuren in de trein of begeleiding op het perron of in de trein, wordt mobiliteit voor veel mensen ontoegankelijk. Voor dit extra zorgwerk willen de treinmaatschappijen echter niet betalen. Door te besparen op het personeel op de treinen en in de stations, vernietigen ze wat we het sociaal weefsel van de samenleving kunnen noemen en de toegang tot mobiliteit.

In de VS probeerde het spoorpersoneel te staken, maar de zogenaamd ‘vakbondsvriendelijke’ regering-Biden verbood dit op schandalige wijze. Het conflict draaide niet om geld, maar om het recht op ziekteverlof. Het is ongelofelijk dat spoorwegarbeiders zoals machinisten, ingenieurs enz. loon- en pensioenpunten verliezen als ze naar de dokter te gaan. Er zijn meldingen van machinisten die tijdens hun dienst overlijden aan een hartaanval.

De discussie over een kortere werkweek, eindeloopbaanregelingen en dergelijke zijn geen uiting van enige vorm van luiheid (als die term al geen uitvinding is van de kapitalistische klasse om de arbeiders te onderwerpen), maar een uiting van hoe het neoliberalisme taken intensiever maakt en de productiviteit opvoert op de kap van het lichaam en de geest van werkenden.

De sociale reproductiecrisis is een symptoom van een grenzeloos winstbejag onder het kapitalistisch systeem in crisis dat elke grens en fysieke natuurlijke structuur vernietigt.

Hoe terugvechten?

De economische crisis van 2007/2008 heeft de tegenstellingen in de wereldwijde sociale reproductie vergroot. Ziekenhuizen en andere infrastructuren zijn geprivatiseerd, gesloten of sterk ingekrompen om geld te “sparen” voor het redden van banken en het financiële systeem. De vermarkting van de gezondheidszorg heeft geleid tot een dramatische afname van personeel, omdat zorg alleen winstgevend is als het gebeurt door een klein aantal personeelsleden.

Enkele voorbeelden uit Duitsland: vrouwelijke en allochtone werknemers werden binnen het conservatieve vakbondsapparaat lange tijd beschouwd als ‘niet organiseerbaar’. De crisis heeft dat beeld drastisch veranderd. In Berlijn organiseerde de IG BAU – de vakbond van bouwvakkers – in 2009 de “opstand van de onzichtbaren”: een staking van overwegend vrouwelijke schoonmaaksters die vaak ongezien waren, omdat ze ’s nachts of ’s ochtends vroeg schoonmaken. In datzelfde jaar vond de eerste staking van personeel uit de kleuterscholen plaats, een erg militante staking die in 2015 een vervolg kreeg met een vier weken durende nationale staking van personeel uit de kleuterscholen en van sociaal werkers. In 2011 werd in het Berlijnse Charité de eerste ziekenhuisstaking van vier dagen uitgeroepen, waarbij veel geleerd kon worden over het verschil tussen staken in een autofabriek en in een ziekenhuis, wat betreft het soort meedogenloze en hypocriete druk dat door het kapitalistische establishment kan worden uitgeoefend. Plotseling gingen de traditionele media en politici over tot een vloedgolf van schijnheilige bezorgdheid om het leven van patiënten. Als er gestaakt wordt, zijn ze bezorgd. Tijdens de dagelijkse zorgcrisis wordt er niet naar hen omgekeken. De stakers eisen vaak niet eens veel meer loon, maar vooral meer collega’s en een vermindering van de werkdruk. Personeel uit het kleuteronderwijs eiste dat ze niet meer dan 15 kleuters moeten opvangen. Er waren situaties dat kleuterleidsters alleen stonden voor 30 kinderen, wat onhoudbaar is en tot burn-outs leidt.

In België en Oostenrijk steunden Campagne ROSA en ISA actiegroepen als ‘La Santé en Lutte’ (De zorg in actie’) en ‘Sozial aber nicht blöd’, in België gesteund door delen van de vakbond, in Oostenrijk meer als een netwerk van collega’s. In veel ziekenhuizen in de VS, en nu ook in Duitsland, concentreren de meer linkse vakbonden zich op sterkere organisatie en betrokkenheid. Zo wordt vaak gestart met een petitie onder de collega’s om een netwerk te vormen met de voortrekkers die als afgevaardigden optreden en in hun teams verslag uitbrengen over elke onderhandeling. In de strijd tegen racisme en discriminatie in de wereldwijde zorgketen, werken Ruth Coppinger en ROSA in Ierland samen met groepen verpleegkundigen met een migratie-achtergrond. Dit gebeurt zowel in de vakbond als binnen een eigen organisatie van verpleegkundigen. Ze strijden  voor gelijkheid en erkenning van hun opleiding, omdat volledig gekwalificeerde verpleegkundigen door het gebrek aan erkenning van die opleiding minder betaald krijgen dan hun reeds onderbetaalde collega’s, en minder rechten hebben op het gebied van visa voor henzelf en hun gezinsleden, naast andere kwesties.

In maart 2023 was er een staking van tien dagen in ziekenhuizen in Zuid-Afrika en een artsenstaking in Zimbabwe. In China waren er ziekenhuisstakingen rond het gebrek aan personeel en beschermingsmiddelen voor studenten. In 2022 was er een terugkeer van de zogenaamde witte golf van ziekenhuis- en zorgstakingen in Spanje, die in december 2022 leidde tot de bezetting van het ministerie van Volksgezondheid in Madrid. In Rusland was er in verschillende steden een staking van artsen tegen besparen en lage lonen.

Momenteel zijn er lokale ziekenhuisstakingen in Duitsland. Een arts schreef op Twitter: “Een staking is de grootste liefdesverklaring aan ons gezondheidssysteem en de enige manier waarop het beter kan worden.”

Socialisten stellen de zorg, niet de winst, centraal

ROSA International Socialist Feminists steunt overal ter wereld de strijd van zorgpersoneel voor betere arbeidsvoorwaarden, meer personeel, onmiddellijke loonsverhogingen boven de inflatie … We roepen op tot de onmiddellijke stopzetting van de privatisering in de zorgsector. Zorg moet volledig in publieke handen worden genomen. Multinationals als Fresenius, Helios, Orpea enzovoort moeten verdwijnen. We willen volledig publieke kwalitatieve gratis zorg.  Dit moet worden betaald door gebruik te maken van de rijkdom die in private handen is en die moet worden overgenomen in het belang van de zorg voor de mensheid…. Voor publieke, seculiere en progressieve gezondheidszorg en sociale zorg moet deze volledig uit handen van religieuze instellingen worden genomen. Naast openbare diensten zoals universele gratis kinderopvang, lokaal en kwalitatief onderwijs, ouderenzorg enzovoort, zijn ongehinderde en vrije toegang tot abortus, anticonceptie en trans zorg op verzoek, zonder schaamte, wettelijke belemmeringen of poortwachters, essentiële rechten. Dit geldt ook voor zowel degenen die zorg verlenen als degenen die belast zijn met onbetaalde zorg. Zorgverleners, met name verpleegkundigen, zijn vaak het slachtoffer van aanranding, seksuele intimidatie en racisme op het werk. Verder zijn vrouwenhaat, raciale ongelijkheden in de zorg, brutale behandeling van trans personen en een onderlinge samenhang enkele van de problemen waarmee patiënten worden geconfronteerd. De strijd voor goede zorg moet dus van nature een anti-seksistische, anti-transfobe en anti-racistische strijd zijn.

De zorg moet in democratische handen komen, bijvoorbeeld met gekozen comités van vertegenwoordigers van zorgpersoneel, patiënten/gebruikers en de bredere vakbeweging.  Het kapitalisme en zijn winstbejag zijn een gevaar voor de menselijke gezondheid en de planeet. Dit winstbejag staat vandaag centraal en staat lijnrecht tegenover de zorg. Winst en zorg zullen altijd botsen. Dat is de kern van de hardnekkige zorgcrisis vandaag.

De strijd van zorgpersoneel, protest voor meer rechten en toegang tot zorg, sociale ondersteuning en diensten is onderdeel van deze botsing tussen winst en zorg. Het is een strijd die onlosmakelijk verbonden is met de behoeften en belangen van de hele werkende klasse. De zorgstrijd moet samengaan met andere strijd van werkenden en onderdrukten voor een socialistisch antwoord op de heerschappij van de winst, dat is een strijd om de rijkdom en middelen uit private handen te nemen. De belangrijkste hefbomen van de economen moeten in publieke handen komen. Dat vergt een actieve, bewuste, georganiseerde beweging van de werkende klasse en armen die ingaat tegen de private eigendom van rijkdom en de staat die deze verdedigt. Het vergt een democratische planning van de economie die zorg voor mensen en de planeet centraal plaatst. Dit is onlosmakelijk verbonden met de strijd voor socialistische verandering.

Graaiflatie: geen ‘uitspatting’ maar het kapitalisme ten voeten uit

“Never waste a good crisis,” verspil nooit een goede crisis. Het behoort wellicht tot de ‘goede’ raad die kapitalisten elkaar geven op hun onderonsjes. Ja, het is crisis, maar dat creëert ook opportuniteiten, knipoog. Maandenlang werd het nieuws gedomineerd door inflatie en energieprijzen die door het dak gingen. Kapitalisten in verschillende sectoren zagen hun kans schoon om ook een extra graantje mee te pikken. 

door Bart Vandersteene

Dit is geen kwestie van gebrekkige moraal maar van kapitalistische concurrentielogica. Zo stelde ook econoom Paul De Grauwe het in een interview met Radio 1 op 13 mei: “Dat zit in het kapitalistisch systeem ingebakken. Als je de kans hebt om zoveel mogelijk winst te maken, dan ga je dat doen.” 

Graaiflatie, kandidaat voor woord van het jaar 

De Europees Centrale Bank stelde recent in een rapport dat 60% van de inflatie te wijten is aan graaiflatie. Inflatie is dus een instrument voor een transfer van rijkdom van de werkenden en hun gezinnen naar de kapitalisten. 

Alle redenen die de voorbije jaren werden opgevoerd als oorzaak voor de hoge inflatie hebben ergens wel een rol gespeeld: een vastgelopen tanker in het Suez-kanaal, de oorlog in Oekraïne, de ongelijke heropleving na de pandemie, de oplopende geopolitieke spanningen en handelsoorlogen en natuurlijk de impact van 15 jaar lang goedkoop geld met historisch lage intrestvoeten. Maar zelfs de ECB kan niet anders dan erkennen dat, naast deze reële factoren, de onverzadigbare honger naar winsten een essentieel onderdeel van inflatie is. 

Vorig jaar heette het nog overwinsten, meer dan ‘gewone’ winstcijfers door uitzonderlijke omstandigheden, bijvoorbeeld in de energiecrisis. Nu heet het graaiflatie, het verder verhogen van de consumptieprijzen enkel en alleen om de winsten te verhogen. 

Prijscontrole nu! Of moeten we verder denken? 

Uit verschillende hoeken groeit de roep naar prijscontrole. In uitzonderlijke tijden moet je de markt corrigeren, heet het. Vooruit en PS willen “tijdelijk maximumprijzen invoeren, maximale winstmarges of prijsblokkeringen bij ernstige verstoringen van de markt.” Ook PVDA en Test-Aankoop pleiten voor prijscontroles. 

Paul De Grauwe ziet dat niet zitten: “Bedrijven gaan minder produceren of zelfs andere goederen en diensten duurder maken.” Hij heeft een punt. Prijscontrole klinkt goed en zal op heel korte termijn werken. Maar telkens als je probeert het kapitalistische beest te temmen, zal het zich verzetten en de macht terug naar zich toe proberen te trekken. 

Er zijn veel voorbeelden uit de geschiedenis waarbij de kapitalisten in reactie op prijscontroles schaarste creëren. Ze weigeren te produceren, creëren bewust tekorten en dus een crisissfeer in de samenleving. Ze houden dit vol tot de overheid overstag gaat en de prijscontroles laat varen. Prijscontroles kunnen daarom enkel efficiënt zijn wanneer ze een eerste stap betekenen in de richting van een meer fundamentele controle over de economie. Je kan nooit echt controleren wat je niet bezit en dus moet het bezit van de sleutelsectoren van de economie in publieke handen komen. 

Automatische loonindexering: de beste bescherming tegen graaiflatie

De beste bescherming tegen inflatie, graaiflatie, kapitalistische waanzininflatie is een automatische loonindexering. Op die manier weten kapitalisten dat elke prijsverhoging van hun producten zich automatisch vertaalt in hogere lonen. Zo is er dus geen verlies aan koopkracht. 

België is een van de enige landen ter wereld waar er nog een indexering van de lonen bestaat. De indexering staat echter permanent onder druk en is al danig afgezwakt. Hierdoor zijn er belangrijke hiaten. De index moet volledig hersteld worden! 

In het jaar 2022 verloor een werknemer in de eurozone gemiddeld 5% welvaart. Dit op één jaar tijd. Geen loonindexering in tijden van hoge inflatie betekent een snelle verarming van de werkende klasse ten voordele van de kapitalistische klasse en het zijn de zwakste delen van de werkende klasse die de zwaarste prijs betalen. 

Daarom laten kapitalisten, hun politieke vertegenwoordigers en opiniemakers in kranten en op TV, geen kans onbenut om onze index in vraag te stellen, ze te ondermijnen om ze ooit te kunnen afschaffen! Daar mag geen millimeter aan worden toegegeven. 

Integendeel, de index moet worden hersteld. De korf van producten van de index moet een exacte uitdrukking zijn van het uitgavenpatroon van een gemiddeld gezin van de werkende klasse. Er mag geen vertraging zitten op het doorvoeren van de loonsverhoging. Meer dan 1,3 miljoen Belgische werkenden kregen in januari een indexaanpassing van meer dan 11%. Dit klinkt indrukwekkend, maar in de feiten ging het om een inhaaloperatie. Gedurende een volledig jaar werd het loon maand per maand minder waard. Het ACV berekende dat iemand met een mediaanloon dat slechts in januari werd geïndexeerd de afgelopen twee jaar ongeveer 3400 euro aan koopkracht verloor.

De vakbonden mogen zich niet in het defensief laten duwen en moeten resoluut strijden voor een volwaardige, directe en automatische loonindexering voor alle werknemers en uitkeringsgerechtigden.

Bron: LSP

Stop de criminalisering van syndicale acties!

Het antwoord op repressie: actieve solidariteit

In het sociaal conflict bij Delhaize zet de directie deurwaarders en politie in om piketten te breken. Deurwaarders trekken naar vakbondsmilitanten thuis om hen een straatverbod op te leggen. Aan een bemiddelingsvergadering wordt een waterkanon geplaatst. Vakbondsleden worden geboeid afgevoerd. Een rechter overschrijdt zijn territoriale bevoegdheid om een actieverbod in heel het land op te leggen. Een andere rechter zegt dat het recht om handel te voeren belangrijker is dan het stakingsrecht. De politie houdt auto’s van vakbondsleden ‘preventief’ tegen en verbiedt om actie te voeren. En wat doet de regering? Aan de vooravond van de betoging op 22 mei voor het Delhaize-personeel en het recht op syndicale acties, bespreekt ze een wetsvoorstel waarmee het mogelijk wordt om demonstraties op de openbare weg strafrechtelijk te verbieden.

door een delegee 

Het jaar 2022 stond bol van de intersectorale en vakbondsmobilisaties, met een reeks acties en betogingen (sommige spontaan, waarbij de achterban het vakbondsapparaat inhaalde) voor hogere lonen en de verdediging van de index. Het eindigde met de algemene staking in gemeenschappelijk vakbondsfront op 9 november en de tienduizenden betogers op 16 december in Brussel, eveneens in een gemeenschappelijk front. 

De dag na die betoging verklaarde het ABVV in een persbericht: “Als er geen consensus kan worden bereikt met de vertegenwoordigers van de werkgevers, zal het ABVV midden februari zijn federaal comité opnieuw samenroepen om te beslissen over nieuwe acties, die een staking van 24 uur zouden kunnen omvatten.” In plaats van een staking of een andere grootschalige actie werden op 14 februari 2023 acties georganiseerd om de beweging te begraven. In de beweging dook de eis van nationalisatie van de energiesector op. Op 14 februari werd enkel nog gesproken over ‘fiscale rechtvaardigheid’. Veteranen van syndicaal protest weten dat deze bijzonder vage en algemene eis doorgaans gebruikt wordt om bewegingen te laten verdrinken. 

Er was een eigen dynamiek in verschillende sectoren: het Franstalig onderwijs, de gezondheidszorg en de non-profit, de brandweer, het spoor, de kinderopvang … Er was zelfs een algemene staking in de openbare diensten op 10 maart. Het ging om een veelheid aan krachtmetingen in verspreide slagorde en telkens zonder strategie op middellange termijn. Het zijn uitdrukkingen van de woede. Dat volstaat echter niet. 

Zwakte leidt tot agressie

Het is ondertussen bijna 10 jaar geleden, maar het actieplan van het najaar van 2014 blijft een belangrijk voorbeeld van hoe we ons syndicaal protest kunnen opbouwen. Er werd toen meteen een reeks mobilisaties aangekondigd die opbouwden naar de historische nationale algemene staking van 15 december. Het jaar 2014 was een recordjaar qua stakingen (sinds 1993): 760.297 stakingsdagen tegen 206.974 in 2013. De rechtse regering wankelde. Verdeeldheid (en angst) bij de vakbondsleiding tegenover de ontketende massabeweging bracht de strijd echter tot een patstelling. Dit gebeurde onder meer met de valse belofte van een ‘tax shift’, die er uiteindelijk één van arm naar rijk werd. 

Zodra de druk van de straat was afgenomen, kwam het debat over het stakingsrecht plotseling weer op gang. Na een staking in oktober 2015 in Luik en een andere in juni 2016 in Antwerpen werden vakbondsleden veroordeeld wegens “kwaadwillige belemmering van het verkeer.” De tegenpartij was bang en probeerde elke gelegenheid aan te grijpen om toekomstige sociale bewegingen te verzwakken. Nu wordt een volgende stap in die richting gezet. 

Delhaize, een precedent voor de hele arbeidersbeweging

Delhaize is een testcase voor de werkgevers en de overheid. Vakbondsvrijheden die helemaal gekortwiekt worden aan de winkeldeuren of de depots in Zellik, zullen dat ook blijven. 

Midden vorig jaar hield het ABVV een federaal congres waar het aankondigde dat elke veroordeling van een syndicalist voor het uitoefenen van het stakingsrecht zou beantwoord worden met een 24-urenstaking. Voorzitter Thierry Bodson zei toen in de media: “Dit is al drie jaar bezig. Het getuigt van een gebrek aan respect voor onze leden en afgevaardigden.” En nog: “Ja, er zullen nog gevallen zijn. Daarom moeten we beslissen om de volgende keer nog sterker te reageren. Geen enkele grote overwinning voor de vakbonden is er gekomen met alleen overleg. We moeten kunnen blijven staken.” Er zijn nog geen veroordelingen geweest in de strijd bij Delhaize, maar we moeten daar niet op wachten. Wat er daar nu gebeurt, gaat immers nog verder dan eerdere aanvallen op het recht op collectieve actie.  

Om onze rechten te verdedigen, hebben we het volle gewicht van de arbeidersbeweging nodig. We kunnen daarbij iedereen betrekken voor wie collectieve actie essentieel is: feministen, LGBTQIA+ activisten, klimaatjongeren, studenten … Solidariteit is ons beste wapen!

Begin mei dienden het ACV en het ABVV klacht in tegen een deurwaarder die een piket bij Delhaize aan de Watersportbaan verbood. Kort nadien waren er honderd betogers voor de rechtbank van eerste aanleg in Bergen om verschillende delegees en personeelsleden te steunen. De juridische strijd moet gevoerd worden, maar we mogen ons daar niet toe beperken. Deze strijd kan nooit in de plaats van mobilisatie treden. 

Sommigen denken de repressie te omzeilen met ‘verrassingsacties’. In de praktijk is de politie doorgaans snel op de hoogte. Tegenover een handvol activisten is repressie bovendien gemakkelijker. De beste manier om repressie te stoppen, is door ons net sterker en beter te organiseren. Zo had het voor kledingketen Zara geen zin om deurwaarders in te zetten toen het voltallige personeel van de vestiging aan de Elsensesteenweg in Brussel het werk neerlegde op 6 mei. De grotere acties aan Delhaize-vestigingen op 13 mei gaan in deze richting.

Eind april was er in Limburg een illegale rave met 5.000 aanwezigen. De politie verkoos om niet tussen te komen omdat er te veel mensen aanwezig waren. Ook daar kunnen we een les uit trekken…

In Brussel is er een solidariteitscomité met de stakers van Delhaize opgezet. Dit comité mobiliseerde naar een actie aan Delhaize Chazal in Schaarbeek, de grootste winkel van de groep in Brussel. Ongeveer 250 mensen stonden voor de deur en protesteerden ook binnen in de winkel. Er waren deurwaarders aanwezig, maar er werd geen enkele boete uitgedeeld. Dit voorbeeld kunnen we overal bespreken op personeelsvergaderingen op de werkplaatsen en op acties aan Delhaize-winkels. Dit kan samengaan met een algemeen debat over een actieplan en de te volgen strategie om de patronale agressie een halt toe te roepen.

Bron: LSP

‘Stop de arbeidsmarktverslaving’

‘Geef mensen hun vrijheid en creativiteit terug door een deel van hun inkomen los te koppelen van arbeid op de arbeidsmarkt’, schrijft Mieke Vogels.

Wie werkt moet beter beloond worden, alle partijen zijn het hierover eens. De aangekondigde fiscale hervorming zal ervoor zorgen dat wie werkt meer overhoudt.

In afwachting van de hervorming wordt wie niet actief is op de arbeidsmarkt verder gestigmatiseerd, ‘wie niet werkt zit op zijn luie krent en wacht op het manna van de sociale uitkering’.

Wie niet werkt draagt niet bij aan de welvaartsmaatschappij, zei Vooruit-voorzitter Conner Rousseau op 1 mei. Hij wil net als de Open VLD, werklozen een basisbaan’ opleggen. N-VA-minister van Wonen Matthias Diependaele verplicht wie in een sociale woning woont, om zich in te schrijven bij de VDAB. Voor wat hoort wat. Een gezin in een sociale woning heeft niet de keuze om van één inkomen te leven en zelf de kinderen op te vangen? Wie eigenaar is van zijn woning heeft die keuze wel ook al kreeg die ook heel wat belastingmiddelen. De CD&V geeft ondertussen haar verzet op en vindt het bespreekbaar om de werkloosheid in tijd te beperken

De Belgische politici lijden aan een arbeidsmarktverslaving, het maakt blind en miskent wat arbeid in essentie is: creatief zijn. De mens kan mooie, lekkere, slimme dingen creëren. Hij voegt groenten en kruiden bij elkaar om er soep van te maken, soms als kok in het restaurant, soms als vrijwilligers in het buurthuis, soms gewoon thuis.

Een kind wordt met veel liefde 3 dagen per week opgevangen in crèche. De overige dagen zorgt oma voor de zorg en de tederheid. Alleen de arbeid van de kok in het restaurant en de opvang van het kind in de crèche zijn ‘echt’ werk en geven recht op loon.

Soep maken in het buurthuis, zorgbehoevende ouders helpen, het cafetaria in de sportclub openhouden, kinderen helpen om na schooltijd veilig over te steken, leesmoeder zijn, met kinderen op kamp gaan… Al dat soort zaken krijgen alleen waardering op de Dag van de Vrijwilliger.

Nochtans zorgt deze arbeid voor het welbevinden, het stimuleert de creativiteit en verzekert het Bruto Nationaal Geluk.

Het verhogen van de werkzaamheidsgraad  op de ‘echte’ arbeidsmarkt blijft de heilige graal van het beleid. Het is de remedie om de pensioenen te garanderen, voorkomt armoede,… Maar het is die arbeidsmarktverslaving die blind maakt voor het toenemend onwelzijn.

Steeds meer mensen haken af. Ze geloven niet meer in een welvaartmaatschappij waar steeds meer moet, steeds minder mededogen geldt ,en geen ruimte voor eigen creativiteit is.

Een groeiende groep mensen moet langer werken maar houdt het niet. Het aantal langdurig zieken steeg de voorbije jaren sterk. Ondertussen zijn er mensen met een ‘echte’ job’ die in armoede leven. Wat voor situatie creëren we wanneer mensen een voltijdse job hebben, maar onvoldoende verdienen om een woning te huren, de schoolfacturen te betalen…

Ondertussen zien we hoe het aantal burn-outs toeneemt. Heel wat mensen vinden maar weinig zingeving in hun dagtaak. Daartegenover staat dat wie met mensen wil werken, en kiest voor het onderwijs, of de zorgsector vermalen wordt door procedures en rapporten. Hier is steeds minder ruimte voor creativiteit bij de invulling van hun job.

Wordt het niet stilaan tijd om toe te geven dat die arbeidsmarktverslaving een doodlopend straatje is? Het ondermijnt steeds meer menselijke waarden en produceert vooral onwelzijn.

Al in de jaren 30 van de vorige eeuw voorspelde econoom John Maynard Keynes dat dankzij de automatisering, in de 21ste eeuw een werkweek van vijftien uur zou volstaan om een hoger  welvaartsniveau te bereiken. Maar wat zien we? De meerwaarde van die automatisering ging niet naar de loontrekkenden, zij werken steeds meer voor dezelfde welvaart.

De Nationale Bank waarschuwde recent nog voor de sociale gevolgen van de toenemende ongelijkheid.  In ons land bezitten de 10 procent rijksten 58 procent van het vermogen. De effectentaks bracht in 2021 400 miljoen euro op maar 37 Belgische euromiljardairs vonden achterpoortjes en betaalden nul euro. Dit is op termijn onhoudbaar. Zo kunnen we de welvaartsstaat niet blijven dragen. Berekeningen bevestigen dat de strijd tegen fiscale fraude 8 tot 12 miljard euro extra per jaar opleveren.

Geef mensen hun vrijheid en creativiteit terug door een deel van hun inkomen los te koppelen van arbeid op de arbeidsmarkt. Dank zij het toenemende vermogen komt er ruimte voor een basisinkomen, voor vrijheid, creativiteit, engagement en zorg, voor welzijn in plaats van welhebben.

Mieke Vogels is voorzitter van GroenPlus.

Bron: Knack

Vandaag Delhaize, wie volgt morgen?

Heel de samenleving mobiliseren om het franchiseplan te stoppen

De handelssector ligt al enkele jaren onder vuur met steeds nieuwe aanvallen op arbeidsvoorwaarden en lonen, franchisering, flexibele uren en contracten, automatisering, e-commerce … Dit komt niet uit de lucht gevallen: het is een bewuste strategie van de werkgevers.

door een vakbondsverantwoordelijke in de sector

Franchisering bij Delhaize

Franchisering is een zakenmodel waarmee een bedrijf zijn netwerk uitbreidt door licenties te verkopen aan franchisezaken. De zelfstandige beheerders van die winkels zijn verplicht om vergoedingen te betalen aan het moederbedrijf, waardoor hun aandeel in de winst kleiner wordt. Ze profiteren dus niet ten volle van hun investering, terwijl het moederbedrijf gemakkelijke winsten boekt. Het moederbedrijf neemt alle belangrijke beslissingen over het merk (prijzen, marketingbeleid …). Er is onvermijdelijk een onevenwichtige machtsverhouding. De franchisenemers hebben in de praktijk geen controle over hun eigen zaak. Het zijn eigenlijk schijnzelfstandigen. 

Vandaag zitten 40% van de franchisenemers in België in de problemen. Onder de franchisenemers bevinden zich niet enkel kleine zelfstandigen die één winkel beheren. Er zijn ook bedrijven die meerdere winkels bezitten, zoals Peeters-Govers dat 15 winkels van Albert Heijn uitbaat. 

Voor de grote ketens is franchisering een manier van sociale afbraak waarbij ze de omzet verhogen zonder het nodige personeel in te zetten en dus tegen veel lagere kosten. De vakbonden klagen aan dat 6.200 van de 9.000 personeelsleden van Delhaize die door de franchisering geraakt worden, niet dezelfde arbeidsvoorwaarden zullen hebben. Een manager van een Delhaize-franchise in Brussel verklaarde in de media: “Als zelfstandigen kunnen wij niet de lonen betalen die Delhaize geeft aan het personeel van de supermarkten in eigen beheer. Als we de rode lijn van 10% loonkosten (inclusief onze eigen vergoeding) overschrijden, stevenen we regelrecht op een faillissement af. Dat zou niet voorkomen worden met krediet van de franchisegever. Wat ik hier vertel, kan je in onze boekhouding nakijken.” (Le Soir, 17 mei). Ahold Delhaize behaalde in het eerste kwartaal van dit jaar een omzet van 21,6 miljard euro, een forse stijging tegenover vorig jaar. Maar voor de aandeelhouders is dat niet genoeg. 

Het franchisestelsel is een perfect voorbeeld van de concentratie van macht, ongelijkheid en werkonzekerheid die inherent zijn aan het kapitalisme. Het is een logisch gevolg van de concurrentie en het privaat bezit van de productie- en ruilmiddelen. 

De uitdagingen van de sector en van de vakbondsstrijd

In 2021 telden de grote ketens uit de voedingssector 3.814 winkels in ons land. Dat is 8% meer dan 2015 en goed voor één winkel voor ongeveer 3.000 consumenten. Delhaize telt 800 winkels waarvan 128 in eigen beheer. De rest zijn in handen van zelfstandige franchisenemers. 

Een van de voordelen van deze opdeling in kleine entiteiten is dat het aantal werknemers dat nodig is om een vakbondsafvaardiging en echt sociaal overleg op te richten, niet wordt bereikt. In bedrijven waar de werknemers geen enkele rol spelen in de besluitvorming, dicteert het kapitaal op nog brutalere manier. 

Comeos, de werkgeversorganisatie voor de handel, sprong meteen op de kar en verklaarde dat andere ketens klaar zijn om het franchisestelsel te veralgemenen. Mestdagh-Intermarché wil de komende weken nogmaals 50 winkels aan franchisenemers overlaten. 

De Colruyt-groep is tegen dit franchisesysteem, omdat het tot oneerlijke concurrentie tussen ketens leidt. De groep pleit daarom voor een hervorming van de vijf paritaire comités van de levensmiddelenhandel (202, 201, 311, 202.01 en 212.01). Colruyt wil die comités harmoniseren… maar dan wel naar beneden. Geoffroy Gersdorff, CEO van Carrefour, stelde in De Tijd: “Vandaag heb ik geen plannen om winkels over te hevelen naar zelfstandigen.” Hij voegde er echter meteen aan toe: “De situatie is moeilijk in onze geïntegreerde winkels. Het moet absoluut beter. Het is problematisch dat onze hypermarkten in paritair comité 312 zitten. Er moet een oplossing komen, want het status quo is geen optie.” Over het basisprincipe zijn alle werkgevers uit de sector het eens: de lonen moeten omlaag. Als we hen laten doen, zelfs zo laag dat geen enkele supermarktmedewerker het zich nog kan permitteren om in de eigen winkel inkopen te doen. Aldi en Lidl zullen daarbij uiteraard evenmin werkloos toekijken. 

Voor een antwoord op deze crisis is er volgens de vakbondsleiders nood aan een hernieuwd gemeenschappelijk vakbondsfront waarmee de werkgeversorganisaties aan de onderhandelingstafel gedwongen worden om een hervorming van de paritaire comités te bespreken.

De directie van Delhaize geeft echter niets om het sociaal overleg. Voor de directie is het de franchisering en niets anders. Ze weigert zelfs het minimum, zoals de toepassing van de wet-Renault (die voorziet in een periode van sociaal overleg bij collectief ontslag) of een soepele eindeloopbaanregeling voor ouder personeel. Elke dialoog zit muurvast en wordt verder vergiftigd door dwangsommen, arrestaties en andere patronale provocaties die enkel mogelijk zijn door de actieve medeplichtigheid van de overheden en het gerecht. Er is voor het personeel geen andere weg dan die van een strijd van de hele sector. 

De nationale betoging van 22 mei was een goed initiatief, maar kwam wel erg laat. De staking en strijd van het Delhaize-personeel is al sinds 7 maart bezig en is historisch. Er is een brede steun onder de bevolking. Dit bleek ook met de twee regionale betogingen in Luik (7 april) en Brussel (17 april), de personeelsvergaderingen, de stakersposten, de solidariteitsacties, de blokkades aan de depots in Zellik, de opiniestukken en de duizenden handtekeningen voor een online petitie. 

De oproep voor de betoging van 22 mei werd drie weken op voorhand gelanceerd om de hele handelssector en het personeel van andere sectoren te bereiken. Het doel was een brede mobilisatie in solidariteit met het personeel van Delhaize, maar ook tegen de repressie en de aanvallen op de syndicale rechten. 

Perspectieven voor de beweging

Binnen het gemeenschappelijk vakbondsfront is er een intens debat over de te volgen strategie. BBTK, de bediendenbond van het ABVV, benadrukt de noodzaak van een visie op de duurzaamheid van de sector. Het betekent dat de franchisering wordt aanvaard, mits garanties voor de huidige werknemers. De CNE, de Franstalige bediendenbond van het ACV, wil het behoud van alle jobs en de bestaande arbeidsvoorwaarden. 

De directie van Delhaize verstopt zich achter de toepassing van de cao 32bis, die een overnemer verplicht om het bestaande personeel aan de huidige arbeidsvoorwaarden over te nemen. Dit is een valstrik, want de cao voorziet in een reeks uitzonderingen die jobs in gevaar brengen in het geval van franchisering. 

De CNE is tegen het franchiseplan en wil de onderhandelingen verplaatsen naar het niveau van de sector. Zo hoopt de CNE de verdeeldheid in het kamp van de werkgevers te gebruiken voor een opwaartse harmonisatie van de paritaire comités. 

Het cruciale punt is echter om vanuit de betoging van 22 mei een krachtsverhouding op te bouwen om de sector en de hele samenleving te mobiliseren om de franchiseplannen van tafel te krijgen. 

LSP koppelt dit aan de noodzaak van een bredere discussie over de organisatie van de productie, de wijze waarop prijzen worden bepaald, de verdediging van het stakingsrecht en de syndicale aanwezigheid in de bedrijven, ook in de kleine. Dit zou de weg vrijmaken voor een grotere eenheid van consumenten en werkenden in deze en andere sectoren, en dus voor de eenheid van heel de werkende klasse. Om aan de reële noden van de bevolking te voldoen, is er nood aan een ander productiemodel. Een eerste stap daartoe is het stoppen van de neerwaartse spiraal voor de lonen en arbeidsvoorwaarden. 

De solidariteit met het personeel van Delhaize is indrukwekkend. Het ontbreekt echter aan een strategie om te winnen. In Brussel is er een solidariteitscomité met de stakers van Delhaize opgezet, een initiatief waaraan LSP deelneemt. Dit helpt om van passieve steun naar actieve betrokkenheid te gaan. Het is een goede stap om de strijd te verbreden.  

Voor volgende stappen is de solidariteit in de hele sector en daarbuiten fundamenteel. Dit kan versterkt worden door syndicalisten van Delhaize of van de sector uit te nodigen op personeelsvergaderingen, zoals dit gebeurde op initiatief van ACOD LRB in het Brugmann ziekenhuis in Brussel. Dergelijke vergaderingen zijn ideaal om de solidariteit te organiseren, maar ook om samen te discussiëren over volgende stappen en de strategie voor de strijd.  

Hoe winnen? De mobilisatie is sterker als er een duidelijk perspectief is. Een escalerend actieplan om de intrekking van het hele franchiseringplan af te dwingen, is absoluut noodzakelijk om deze strijd te winnen. Lokale initiatieven en de betoging van 22 mei kunnen de basis leggen voor een grote staking in de hele handelssector, met de mogelijkheid voor werkenden uit andere sectoren om zich daarbij aan te sluiten. 

De malaise in de supermarktsector vestigt opnieuw de aandacht op wie de samenleving doet draaien. Het zijn de werkenden die de rijkdom produceren, terwijl de eigenaars van de productiemiddelen profiteren en leven van het zweet van anderen. Als Delhaize volhardt in zijn franchiseproject, moeten we strijden voor de onteigening en nationalisering van het bedrijf, zonder compensatie voor de aandeelhouders en onder publieke controle en beheer, als eerste stap naar een volledig publieke detailhandel en een rationele en democratische planning van de economie.

Bron: LSP