Hoe maak je het onderwijs beter?

“Weten helpt en de leraar moet de dans leiden”
Na de ronduit dramatische resultaten van het laatste PIRLS-onderzoek over leesvaardigheid, geeft onderwijsspecialist Tim Surma aan wat er volgens hem moet gebeuren om de kwaliteit van onze scholen weer te verbeteren. Hij vindt dat er meer aandacht moet zijn voor kennisverwerving en de leerkracht moet weer meer autonomie krijgen om die kennis bij te brengen. Surma is directeur van het expertisecentrum Effectief Leren aan de Thomas Morehogeschool.

“Lezen komt nu heel sterk in de aandacht, maar we weten dat dit niet het enige probleem is”, zegt Tim Surma in “De afspraak”. Volgens hem zit het probleem veel dieper en kan je twee grote oorzaken aanwijzen: wat onderwijzen we aan leerlingen en hoe.  

“De voorbije decennia is er een soort van devaluatie gekomen van de kenniscomponent. Het is bon ton om te zeggen dat leren minder belangrijk is.” Surma merkt dat in de leerplannen en in de eindtermen. “Kennis moet aan belang terugwinnen.” Daarmee bedoelt hij niet dat leerlingen weer dingen van buiten moeten leren als papegaaien. “Het gaat eigenlijk over brede, wereldse kennis: dingen weten over aardrijkskunde, kunst of cultuur. Dat is eigenlijk een heel grote voorspeller voor leesbegrip.”

En vergis u niet. “Een vaardigheid is eigenlijk toegepaste kennis.” Volgens Tim Surma wordt in de leerplannen wel te veel aandacht besteed aan zogenoemde generieke vaardigheden zoals “kritisch kunnen nadenken over”. Dergelijke vaardigheden zijn moeilijk te meten en bovendien wordt zo gesuggereerd dat je zoiets kunt trainen zonder inhoud. Quod non, dus. “Weten hélpt”, zegt Surma. 

Hij betreurt ook dat de leerkracht aan belang heeft ingeboet. “Er is een subtiele aanval gebeurd op de autonomie van de leerkracht, door bijvoorbeeld te zeggen dat die maar een beperkt aantal minuten per les uitleg mag geven en dat de rest vanuit het kind moet komen.” Dat laatste hoeft niet per se een drama te zijn, maar dat is het wel voor kinderen in een weinig stimulerende thuissituatie. 

“We zien in een aantal onderzoeken dat de inbreng van een kennisrijk curriculum met een effectieve didactiek net het meest voordelig is voor kinderen die er het meest nood aan hebben.” Bij het aanleren van basiskennis moet de leraar de dans leiden, vindt Tim Surma. “Daar moeten niet te veel verstikkende regels rond zijn.”

“Als je het kind als uitgangspunt neemt, start je vanuit een extreem ongelijke situatie”, benadrukt hij. “Als je een leerkracht laat bepalen wat er gebeurt, heeft dat gemiddeld gezien een betere kans tot slagen.”

En hoe zit het nu met de verantwoordelijkheid van de ouders in de hele zaak? Gisteren wees Vlaams minister van Onderwijs Ben Weyts (N-VA) voor een deel ook in hun richting. Hij wil ouders desnoods financieel straffen als hun kind onvoldoende met Nederlands in contact komt na de schooluren. 

“Een onderwijssysteem dat er niet in zou slagen om een kind geletterd te krijgen omdat de ouders er om gelijk welke reden geen tijd voor hebben, is geen goed onderwijssysteem”, vindt Tim Surma. Hij is er trouwens van overtuigd dat de dalende curve in het onderwijs op enkele jaren tijd kan worden omgebogen.

Bron: VRT NWS

Meer dan 4.000 kleuteronderwijzers in de lagere school

Meer dan 4.000 kleuteronderwijzers in de lagere school: is dat een vloek of een zegen?


In tien jaar tijd is het aantal kleuterleerkrachten in het lager onderwijs verviervoudigd. Dat blijkt uit cijfers die Hannelore Goeman (Vooruit) heeft opgevraagd. “De kwaliteit van ons onderwijs staat onder druk”, zegt ze. Maar is dat ook zo? “Ideaal is het niet, maar er gebeuren op dit moment wel ergere dingen in het onderwijs”, zegt Johan De Wilde, van de lerarenopleiding van de Odisee Hogeschool.

Dat er een lerarentekort is, is bekend. Door het gebrek aan leerkrachten worden kleuterleiders steeds vaker doorgeschoven naar het lager onderwijs. De stijging is zelfs opmerkelijk: er wordt nu bijna vier keer vaker met die mensen geschoven dan tien jaar geleden. Het zijn er nu 4.283, terwijl het er in 2012 nog 1.151 waren.

Vaak uit noodzaak: anders stond er niemand voor de klas in het lager onderwijs, vaak het eerste of tweede leerjaar. Vlaams fractieleider Hannelore Goeman (Vooruit) vindt dat geschuif met types leerkrachten een kwalijke evolutie, zeker nu ook uit een recente studie blijkt dat het niveau van begrijpend lezen zakt.

“Elk type leerkracht”, zegt ze, “heeft zijn of haar eigen expertise. Het is belangrijk dat die kwaliteiten gericht en juist worden ingezet. Zo vraagt de begeleiding van kleuters een andere didactiek en aanpak dan lesgeven aan lagere schoolkinderen die moeten leren lezen en schrijven. Elk kind verdient een leerkracht met het juiste diploma voor de klas”.

Maar volgens Vlaams minister van Onderwijs Ben Weyts (N-VA) hoeft de verschuiving helemaal geen probleem te zijn. “Ik betreur dat Vooruit die mensen afschildert als onbekwame leraren, terwijl het gaat over heel gedreven en gemotiveerde leerkrachten die daarvoor ook een beroeming hebben gekregen van hun directie. Ik denk dat ze wel degelijk de juiste kwaliteiten hebben om les te geven aan kinderen in het lager onderwijs.”

“Veel hangt af van leerkracht zelf”

Ook directrice Kristien Van den Berg van de Tovertuin in Sint-Niklaas nuanceert dat verhaal. Zij heeft vier kleuterleerkrachten bij haar in het lagere onderwijs. “Dat loopt goed, ik ben daar heel tevreden over”, zegt ze in “De ochtend” op Radio 1. Ze geeft wel toe dat die mensen niet zijn opgeleid om bijvoorbeeld te leren lezen, “maar andere dingen kunnen ze dan weer beter”.

“Kleuterleerkrachten krijgen een heel creatieve opleiding en kunnen onderwerpen op verschillende manieren brengen, bijvoorbeeld visueel”, gaat ze voort. “Misschien zijn zij wel beter opgeleid om de overstap van de kleuterklas naar het lagere onderwijs te begeleiden. En ja, die didactische methodes kunnen ze aanleren. Daar ligt een taak voor de directie.”

En uiteindelijk hangt heel veel af van de leerkracht zelf. “Sommigen willen zelf die stap maken. En het is overal hetzelfde, van de kleuterklas tot de universiteit: bij leerkrachten die voor het vak geboren zijn, loopt het vanzelf.”

“Als het brandt, moet men blussen”

“We zien al lang dat er kleuterleiders worden weggeplukt uit het kleuteronderwijs en bijspringen in de lagere school, omdat het tekort daar een stuk groter is”, zegt Johan De Wilde, pedagoog en lerarenopleider aan de Odisee Hogeschool. 

Wettelijk gezien is dat geen probleem: kleuterleiders hebben vanzelfsprekend een pedagogisch diploma en tijdens de opleiding worden ze ook voorbereid op de mogelijkheid om in het eerste of tweede leerjaar les te geven, “al zijn ze daar natuurlijk minder goed voor opgeleid dan de mensen die een opleiding van drie jaar volgen, specifiek voor lager onderwijs”, weet De Wilde.

Volgens De Wilde schuiven scholen op dit moment het probleem gewoon door. “We hebben vandaag zowel een tekort aan leerkrachten in het kleuter-, als in het lager onderwijs. En dan spreken we nog niet over het secundaire luik. Ideaal is dat dus niet, maar er gebeuren op dit moment wel ergere dingen in het onderwijs.”

Hoe reageren ouders daarop?

Veel ouders zijn bezorgd over het grote aantal kleuterleiders in het lager onderwijs. “Ergens ook wel een te verwachten gevolg, omdat het lerarentekort al lang aansleept”, zegt Caroline Bouchez van de VCOV, de Vlaamse koepel van ouders en ouderverenigingen. “Het is een zorgwekkende evolutie waar wij ons als ouders toch wel vragen bij stellen.”

“Uiteraard willen ouders graag dat een leerkracht met de juiste achtergrond en de juiste opleiding voor de klas van hun kind staat. Maar ze willen nòg liever dat er gewoon een leerkracht is, in plaats van geen leerkracht of dat er klassen moeten worden samengezet.” 

Wat is dan de oplossing? Volgens Bouchez moet het beroep van leerkracht lager onderwijs aantrekkelijker worden. “Jonge mensen met veel motivatie moeten makkelijker het beroep kunnen instappen: de lerarenopleiding moet dus voldoende geschikt zijn voor iedereen die geïnteresseerd is. Dat geldt ook voor zij-instromers, dat zijn werknemers die hun baan in de privésector inruilen voor een job in het onderwijs.”

Bron: VRT NWS

4 wiskundeleraars komen met eigen leerplan

“We hopen dat andere scholen mee op de kar springen”

Vier prominente leerkrachten wiskunde hebben een eigen leerplan voorgesteld voor de tweede en derde graad. Dat schrijft de krant De Standaard. Ze willen meer ambitie voor de sterke wiskunderichtingen en meer aandacht voor basisvaardigheden. Ze hopen dat scholen hier zelf mee aan de slag zullen gaan.

“Wij vinden dat het tijd is dat leerkrachten hun stem laten horen.” Vier wiskundeleerkrachten hebben naar aanleiding van de nieuwe eindtermen zelf een wiskundeleerplan geschreven. Het richt zich specifiek op de tweede graad voor richtingen met 5 uur wiskunde en de derde graad voor richtingen met 6 tot 8 uur wiskunde. Het moet een alternatief zijn voor de leerplannen van het katholiek onderwijs en het Gemeenschapsonderwijs.

Met hun eigen versie willen de leerkrachten aanklagen dat er voor de tweede graad geen leerplannen en eindtermen voorzien zijn. “We missen ambitie voor leerlingen die wat meer wiskunde willen en kunnen”, zegt Els Vanlommel, een van de vier leerkrachten. Als jurylid van de Vlaamse Wiskundeolympiade en bestuurslid van Platform Wiskunde Vlaanderen is ze geen onbekende. 

“De onderwijsverstrekkers voorzien enkel niet afdwingbare keuzedoelen. Bovendien bouwen ze het aantal lesuren wiskunde voor deze groep af”, zegt Vanlommel in “De ochtend.”

Dat heeft gevolgen voor het niveau in de derde graad. “We kunnen het niveau in de derde graad niet verhogen, als in de tweede graad een gat wordt geslagen”, zegt Vanlommel nog. Dat komt bovenop een tekort aan richtingen met 8 uur wiskunde. “Het resultaat is dat universiteiten zich niet meer op het niveau van die richtingen kunnen richten.”

Meer basiskennis

Ook inhoudelijk zijn de leerkrachten het niet eens met het leerplan dat nu op tafel ligt. “Wij willen meer aandacht voor basisrekenvaardigheden en een brede kennisopbouw”, zegt Vanlommel. “Onvoldoende beheersing van de nodige routines hindert de leerlingen bij het creatief oplossen van problemen.” 

Al die elementen klagen de leraren naar eigen zeggen al langer aan. Vanlommel zat zelf in de commissie voor de eindtermen van de derde graad wiskunde, maar werd er naar eigen zeggen niet gehoord. “Van bij de eerste vergadering heb ik gezegd dat dit fout zal gaan en dat dit tot minder ambitie zal leiden.”

Volgens haar zijn het de scholenkoepels die geen gehoor geven aan de voorstellen van de leerkrachten. “Ze willen autonomie geven aan de scholen en ze willen dat het schoolbestuur zelf beslist over extra’s bovenop het basispakket. De koepels willen geen extra leerplan schrijven, dus hebben we dat zelf gedaan.”

Hun leerplan moet nog goedgekeurd worden door de Onderwijsinspectie, maar de leerkrachten willen vooral dat de politiek meer urgentie voelt. “We willen een signaal geven dat de huidige plannen een fout zijn”, zegt Vanlommel. “We hopen dat er nog verandering in kan komen. Daarnaast is het ook een warme oproep naar de schoolbesturen toe om mee op de kar te springen.”

Bron: VRT NWS

“De patiënt staat centraal? Dat is onzin. Wij werken elke dag met een minimale dienstverlening”

Interview met Karim Brikci

Van applaus naar een mes in de rug… Het lijkt een constante voor essentieel personeel zoals dat van de supermarkten, het onderwijs of de gezondheidszorg. Gisteren werden ze bejubeld als de helden van de gezondheidscrisis. Ze werden op televisie geprezen door ministers en commentatoren, die hen ook – en vooral – vroegen om kalm te blijven en blijk te geven van ‘verantwoordelijkheid’. Er werden betere tijden beloofd na de pandemie. De zorgbetoging van 13 juni in Brussel zal de realiteit van de sector opnieuw op straat brengen. We spraken met Karim Brikci, afgevaardigde van ACOD in het Brugmann-ziekenhuis en actief bij het actienetwerk ‘De Zorg in Actie’. We zagen hem vlak na een algemene personeelsvergadering in zijn ziekenhuis.

Wat is er in de sector veranderd door de pandemie?

“Het is duidelijk en onbetwistbaar dat de situatie in de hele gezondheidszorg (ook al ben ik minder op de hoogte van wat er in de ouderenzorg gebeurt) duizend keer dramatischer is geworden dan voorheen. De sector kreeg net als andere eerstelijnssectoren een pak slaag. Het personeel in de sector is moreel, psychologisch en fysiek uitgeput.”

“Er moet iets veranderen. Er zijn serieuze verbeteringen van de arbeidsomstandigheden nodig en concrete oplossingen voor het gebrek aan personeel aan de bedden, het gebrek aan materiële middelen … Voor dit alles komt de mobilisatie vandaag naar mijn mening eigenlijk laat. De mobilisatie is niet vanzelfsprekend. Veel collega’s hebben de sector verlaten of doen dat nu. Anderen zijn uitgeput.”

“Het enthousiasme en de woede aan het einde van de pandemie hadden we moeten gebruiken om te mobiliseren. De energie is echter verkocht voor de schijn van een loonsverhoging, die zeker nodig was, maar die de echte problemen uit de weg ging en de laagste lonen in de sector niet daadwerkelijk deed stijgen. De belangrijkste eis van het personeel op de werkvloer is dat er voldoende collega’s zijn om patiënten kwaliteitsvolle zorg te verlenen. België is op dat vlak een van de slechtste landen van Europa. De management-retoriek over ‘care together’ of ‘de patiënt die centraal staat’ is onzin. Iedereen moet weten dat we elke dag werken met een minimale dienstverlening.”

Hoe groot is de uitstroom uit de sector? 

“Het is vrij moeilijk om daarop te antwoorden omdat we geen exacte cijfers hebben. Maar het fenomeen is heel duidelijk bij het verplegend personeel. Er is een context van tekorten. Dat tekort is natuurlijk relatief: er zijn voldoende opgeleide verpleegkundigen. Maar er zijn niet genoeg verpleegkundigen bereid om met deze werkomstandigheden in de zorginstellingen door te gaan. De manier waarop ze moesten werken was in strijd met de waarden van het verplegend personeel: patiënten op een menselijke manier verzorgen.”

“In mijn ziekenhuis is het verloop enorm. Veel collega’s vertrekken. Ze worden vervangen door jongere collega’s. Dat maakt het voor de vakbond ook moeilijker om terug te vechten, we moeten telkens opnieuw opbouwen.”

“De mobilisatie van het gemeenschappelijk vakbondsfront in zowel de publieke als de private ziekenhuizen en rusthuizen op 13 juni is dan ook een zeer goede zaak. Dit is wat ‘De Zorg in Actie’ al sinds 2019 vraagt: een eensgezinde reactie van de hele sector. De officiële eisen blijven wel erg vaag. “F*k de werkdruk” is goed. Maar concreet: waarvoor mobiliseren we en met welke strategie op langere termijn willen we dat bereiken?”

“Met ACOD Brussel eisen we een opwaartse herziening van de toezichtsnormen, dat wil zeggen het aantal verpleegkundigen aan het bed van de patiënt. Daarnaast eisen we een collectieve arbeidsduurvermindering zonder loonverlies en met compenserende aanwervingen. Dit wordt als essentieel gezien in de sector, net zoals het dat in de hele samenleving is. Om burn-outs te voorkomen en een kwalitatief goede zorg te verlenen, is het cruciaal. We krijgen te horen dat er al een tekort aan verpleegkundigen is en arbeidsduurvermindering hierdoor niet kan. We antwoorden dat arbeidsduurvermindering zonder loonverlies personeel kan aantrekken dat het beroep heeft verlaten. Door de arbeidsomstandigheden te verbeteren kunnen we mensen weer aantrekken voor de zorg.”

“De huidige logica in de sector gaat de andere kant op: besparingen en de verplichting om meer te doen met minder personeel. De werkgevers worden zeker geconfronteerd met budgettaire moeilijkheden, maar hun ambitie is om alles op het personeel af te schuiven. Budgettaire moeilijkheden worden systematisch gebruikt als excuus voor nieuwe aanvallen op de arbeidsvoorwaarden. Alles wat ten tijde van de pandemie in de media werd gezegd, is overboord gegooid. De beloften en het applaus zijn snel vergeten. We vermoedden het al, maar vandaag is het heel duidelijk. Achteraf bekeken werden we eigenlijk gewoon uitgelachen!”

Je komt net terug van een algemene personeelsvergadering in het Brugmann ziekenhuis. Waar ging het over? 

“In de openbare ziekenhuizen in Brussel zijn de vakbonden en hun meest actieve leden vastbesloten om in het offensief te gaan. We hebben op 15 maart een lijst met eisen ingediend bij de IRIS-koepel van de Brusselse openbare ziekenhuizen. Dit alles gebeurde met een dynamiek van algemene vergaderingen en bekrachtiging van de eisenlijst in die algemene vergaderingen. We hadden twee onderhandelingen waar de toon snel werd gezet. Nauwelijks hadden we onze eisen op tafel gelegd of we kregen een ‘eisenplatform van de werkgevers.’ Dat is hun term: werkgevers. Wij hebben het over de overheid die tewerkstelt…”

“De prioriteiten van de bazen (we gebruiken hun term) omvatten allereerst de beperking van het vakbondsstatuut, een nieuwe golf van aanvallen op het stakingsrecht en het recht op collectieve actie, geheel in lijn met wat er in andere sectoren in België gebeurt. Vervolgens de versnelling en vergemakkelijking van het ontslag van statutair personeel en tenslotte de afschaffing van het in- en uitklokken, waardoor de bazen de uitbetaling van overloon kunnen afschaffen terwijl overuren schering en inslag zijn in de sector. Dit zijn de prioriteiten van de werkgevers. Geen enkel voorstel over arbeidsomstandigheden of welzijn. Iedereen heeft zijn eigen prioriteiten!”

“We hebben onze weigering duidelijk gemaakt. Vervolgens stelden ze een protocoltekst op waarin bijna geen enkele van onze tien prioritaire eisen aan bod kwam. Ze maakten een ‘opvulprotocol’, d.w.z. ze namen de sociale wetgeving en de welzijnscode en vulden pagina’s in. Er staat dat ze van plan zijn om misschien de welzijnscode te respecteren, terwijl die al jaren verplicht is. Het is een grap! Aan de andere kant zijn al hun eisen opgenomen. En de kers op de taart is de slotbepaling: de vakbonden zouden tot 31 december 2025 niets mogen eisen omdat de kilometervergoeding voor fietsen is verhoogd. Zo zie je maar, ze zijn al gul geweest… “

“Op 30 mei gaan alle IRIS-ziekenhuizen in staking, wat als springplank dient naar de betoging op 13 juni. Het is te hopen dat de volgende mobilisatiedata op die dag bekend worden gemaakt. Met een betoging om de zes maanden krijgen we niet wat we nodig hebben.”

“We hebben op deze personeelsvergadering een kameraad uit de handel uitgenodigd om de situatie bij Delhaize en in de sector te bespreken. Die ervaring was succesvol. De collega’s waren erg blij om de situatie elders te bespreken. Dit versterkte de bereidheid om deel te nemen aan de betoging van het personeel uit de distributiesector voor hun arbeidsvoorwaarden en voor het stakingsrecht op 22 mei. Het verduidelijkte de zaken voor veel mensen. De aanvallen op het stakingsrecht in de private sector zullen morgen plaatsvinden, ze worden al voorbereid. Op 22 mei zullen we aanwezig zijn, met een staking van brancardiers en schoonmakers bij Brugmann, met stakersposten in de ochtend en daarna gezamenlijk vertrek naar de betoging.” 

Nog een laatste woord?

“De pandemie heeft aangetoond dat we een publieke gezondheidsdienst nodig hebben die gefinancierd wordt volgens de noden, wat vandaag duidelijk niet het geval is. Een deel van de middelen kan gevonden worden in een genationaliseerde farmaceutische sector die onderdeel wordt van een nationale gezondheidsdienst.” 

“Maar er is ook de kwestie van de controle op de genomen beslissingen. Persoonlijk denk ik dat de gebruikers en het personeel het best in staat zijn om de beslissingen te nemen. In de openbare sector hebben we een Mexicaans leger van managers uit de private sector die totaal niet op de hoogte zijn van de realiteit op de werkvloer. Er loopt veel verkeerd en hun antwoord is om te zeggen dat we moeten functioneren zoals in de privésector. In feite denk ik dat zij de inefficiëntie van de openbare dienst organiseren om de privatisering voor te bereiden. Het is een strijd van de hele bevolking om een democratisch beheerde en gecontroleerde nationale gezondheidsdienst te bekomen.”

Bron: LSP

Extra loon voor leraar-specialist moet job van leraar aantrekkelijker maken

Leraren-specialisten die meer kunnen verdienen, een adjunct-basisdirecteur in het basisonderwijs en mensen uit het bedrijfsleven met een pedagogisch diploma voor de klas halen. Het zijn enkele maatregelen van de Vlaamse regering om meer mensen warm te maken voor het onderwijs en het beroep van leerkracht aantrekkelijker te maken.

De meest in het oog springende maatregel is die van de leraar-specialist. Het idee is om de vlakke loopbaan van de leerkracht te doorbreken en het beroep zo meer aantrekkelijk te maken. Na tien jaar als leerkracht basis- of secundair onderwijs kan je als leraar-specialist specifieke extra taken krijgen op school naargelang je expertise. Daar staat extra loon tegenover, gemiddeld zo’n 250 euro meer. Zo’n opdracht is telkens voor drie jaar en kan verlengd worden.

Scholen kunnen zelf beslissen wie ze zo’n statuut geven, in functie ook van de noden van de school. Wel gaat het dus om ervaren leerkrachten die een bepaalde expertise hebben of mogen ontwikkelen, bijvoorbeeld hoe je moet lesgeven in de moeilijkste klassen of hoe je nieuwe leraren goed kunt onthalen. 

Extra ondersteuning

Specifiek in het basisonderwijs komt er daarnaast nog een andere manier om die vlakke loopbaan open te breken. Daar zal een schooldirecteur ondersteuning kunnen krijgen van een “adjunct-directeur”. Leerkrachten kunnen dan bijvoorbeeld bijspringen bij leidinggevende taken.  

Daarnaast krijgen alle scholen extra mogelijkheden wanneer een leerkracht langdurig uitvalt. Dan wordt het mogelijk om voor 20 procent van de lesuren mensen in te zetten met bijvoorbeeld psychologische, sociale of orthopedagogische expertise. Zij kunnen het leerkrachtenteam dan extra ondersteunen.

Iedereen naar de leraarskamer

Vlaams minister van Onderwijs Ben Weyts (N-VA) kondigde eerder al aan dat hij wil kunnen werken met gastleerkrachten. Ook dat is in het nieuwe voorstel van decreet nu uitgewerkt.

Het gaat enerzijds over mensen met een pedagogisch diploma die binnen hun bedrijf een nieuwe uitdaging zoeken. Zij kunnen aan het onderwijs uitgeleend worden. Ze behouden dan hun loon bij het bedrijf en de school vergoedt de uren die de leerkracht komt werken aan het bedrijf.

Anderzijds gaat het ook over mensen zonder pedagogisch diploma maar met nuttige expertise die boeiend kan zijn voor de leerlingen. In dat geval kan een school je voor een derde van een volledige lesopdracht inzetten. Deze maatregel geldt slechts tijdelijk voor de komende twee schooljaren.

Structurele oplossingen

Met deze maatregelen hoopt de Vlaamse regering het beroep aantrekkelijker te maken en leerkrachten beter te ondersteunen. Al is de vraag of ze daarmee het lerarentekort zal oplossen.

Voor meer structurele maatregelen op de lange termijn heeft de Vlaamse regering een Commissie van Wijzen opgericht.

Die groep van leerkrachten, directeurs en experten moet tegen het einde van het jaar met een plan komen om het lerarenberoep aantrekkelijker te maken. Daar gaan de sociale partners dan nadien mee aan de slag.

Bron: VRT NWS